De kakofonie Europa

recensie: David Marsh – Europa’s Impasse (vert. Patty Adelaar) / Jonathan Holslag – De kracht van het paradijs

(Oorspronkelijk verschenen 19-05-2014: http://www.8weekly.nl/artikel/11553/david-marsh-europa-s-impasse-vert-patty-adelaar-jonathan-holslag-de-kracht-van-het-paradijs-de-kakofonie-europa.html)

Terwijl de geschiedenis toch niet definitief afgesloten blijkt – zie de Arabische wereld, zie Rusland, zie de verschillende economische crises – hebben vanaf 22 t/m 25 mei de Europese Verkiezingen plaats. Een krachtig en vooral uniform EU-geluid is even gewenst als ver weg. Wat aan te vangen met de kakofonie Europa?

Deze kardinale vraag wordt natuurlijk behandeld in talloze boeken. Van twee daarvan hier een bespreking. De gedeelde kernvraag: kan Europa uit deze impasse geraken? Het eerste boek, van David Marsh, geeft hierop een pessimistisch antwoord. Daarentegen presenteert Jonathan Holslag in het andere boek juist een ambitieuze en hoopvolle visie op de toekomst van de Europese Unie.

De balans is zoek
Europa’s impasse is de al veelzeggende titel van het pamflet van David Marsh, een bekend financieel specialist en publicist. Marsh hanteert een beperkter perspectief dan Holslag. Hij richt zich puur op het financieel-monetaire project en op de wortel van de huidige schuldencrisis: de scheve verhouding tussen enerzijds de exporterende Noord-Europese landen en anderzijds de Zuid-Europese (schulden)landen die juist een tekort op de handelsbalans vertonen.

Marsh noemt de oplossing voor het probleem tegelijkertijd simpel en onhaalbaar: de EU dient voorzien te worden van een eigen Europees ministerie voor financiën, een eigen Europese schatkist – inclusief eigen belastingheffing – en een krachtigere, meer onafhankelijke Europese Centrale Bank. Dit zou op korte termijn gepaard moeten gaan met zowel een versoepeling van het Europabrede bezuinigingsbeleid, met een vergemeenschappelijking van de schulden van landen via de zogeheten Eurobonds als met een gecontroleerde inflatiestijging.

Hiertegen is natuurlijk het al te bekende en onoverkomelijk lijkende bezwaar dat veel van de (noordelijke) landen niet tot een dergelijke soevereiniteitsoverdracht respectievelijk kostenpost bereid zijn. In theorie is het hooguit mogelijk dat een krachtig leiderschap een doorbraak forceert. Vooralsnog blijft ook die hoop ijdel, omdat het aangewezen land daarvoor – Duitsland – de macht niet neemt: ‘Er zit een gat in het hart van de munt. Niemand is de baas.’ Weinig verrassend concludeert Marsh zodoende dat de monetaire crisis zich nog wel eens decennia voort zou kunnen slepen.

De laatste mens
Deze schijnbare uitzichtloosheid dreigt moedeloos te maken. Maar gelukkig zijn er ook spannendere perspectieven op de Europese Unie mogelijk. Om de sprong te maken van Marsh gedegen maar saaie betoog naar het veel gedurfdere pleidooi van Jonathan Holslag, is een opmerking van Marsh in een NRC-interview (11-04-’14) bruikbaar. Daarin vult hij bovenstaande waarnemingen aan: ‘En de Duitsers willen die macht ook helemaal niet. Die willen rustig leven, exporteren en ‘s avonds tv-kijken.’

Hij portretteert hier de gezapige West-Europese tv-kijker als Fukuyama’s aan Nietzsche ontleende ‘laatste mens’. Deze onbedreigde mens leeft op het moment dat de geschiedenis ten einde is. Hij is een waardenrelativist die geen eerzucht meer kent en langzaam verwekelijkt door alle gemak en welvaart waarin hij zich laat zakken. En waarom zou hij ook niet? Want met de geschiedenis ten einde is er immers geen enkele reden om iets anders te doen dan rustig te leven en zich wat te amuseren.

Houdt dit beeld even vast, want het zal nauw blijken aan te sluiten op het betoog van Jonathan Holslag. Holslag (1981) is docent internationale politiek aan de Verenigde Universiteit Brussel. Anders dan Marsh praat Holslag niet over afzonderlijke Europese landen, maar even volhardend als bravourevol over een monolithisch ‘Europa’ – alsof het continent al de eenheid heeft bereikt die hij vurig wenst – dat hij vervolgens afzet tegen de andere mondiale machtsblokken.

In de zeshonderd pagina’s van zijn net iets te overvloedige De kracht van het paradijs ontvouwt Holslag een in essentie tweeledige stelling over de Europese Unie. Het eerste deel hiervan is helder: Europa moet wel verder integreren. Dit is noodzakelijk als gevolg van de terugkeer van de bedreiging van zowel onze welvaart als de (weliswaar minder directe) militaire dreiging vanuit Rusland. Eigenlijk stelt hij: de redding van Europa ligt precies in de terugkeer van deze bedreigingen, want deze kunnen de EU en haar gezapige tv-kijkende burgers wakker doen schrikken.

Over de redding van Europa
Terecht diagnosticeert hij in Vlaams-vlezige taal: ‘In de nieuwe mondiale orde lijkt Europa op een pedante postmodernistische vuurtoren en wordt de klif waarop hij is gebouwd langzaam van onderen weggevreten door de ruwe zee.’ Oftewel, nu onze welvaart onder druk staat en bijvoorbeeld de Aziatische landen hun deel opeisen, is het gewoonweg niet te vermijden dat Europa zijn positie zo krachtig mogelijk maakt.

Vervolgens draagt hij vele sterke argumenten aan waarom de krachtigste positie die van een economisch en militair verenigd Europa is. Want als Europa niet als een eenheid opereert, dan spelen de andere grootmachten de Europese landen gemakkelijk tegen elkaar uit. Dit gebeurt maar al te vaak: zie recent de bilaterale handelsafspraken die de Chinese president Xi Jinping in de schaduw van de Haagse nucleaire top maakte. Of zie hoe momenteel Europese landen aarzelen met sancties tegen Rusland uit bezorgdheid over hun eigen handelsbelangen. Daarbij is niet alleen economische, maar ook een in hoge mate geïntegreerde militaire macht van cruciaal belang om één duidelijker Europees beleid uit te kunnen oefenen. Alleen zo kan Europa de onvermijdbare concurrentiestrijd om welvaart en macht met China, de Verenigde Staten, Rusland en India (etc.) aanvatten. Vergeet ook niet dat de omvang van de totale Europese economie nog altijd die van de Verenigde Staten en China overtreft.

Bewonderenswaardig Europa
In feite zegt Holslag: er is geen alternatief. Maar hier stopt Holslag niet, zoals de titel van zijn boek verraadt. Hij probeert dat nog verder geïntegreerde Europa te verbinden aan het zo ontbeerde grootse verhaal. Het ene moment slaagt hij hier beter in dan het volgende. Zoals iedere politicologiestudent wel eens heeft gedaan, pleit hij wat al te gratuit voor een nieuw engagement van de Europese burger, voor een hernieuwde publieke geest met extra aandacht voor onderwijs, kunst, het creatieve ambacht, innovatie en een meer dynamisch en verrijkend arbeidsleven. Veel concreter en dus overtuigender wordt hij daarentegen als hij uiteenzet hoe een gezamenlijk Europees leger kan worden gevormd.

Holslag negeert de andere praktische punten (de praktische punten van Marsh). Zijn stelling is simpelweg: Europa moet wel – en dus moet het ook kunnen. Misschien werkt dit ook wel zo. Om Holslag nog wat te steunen: tegen de EU-cynici, bevreesd voor het behoud van de eigen identiteit, kan ingebracht worden dat Holslag helemaal niet pleit voor culturele integratie. Laat de Spanjaarden alsjeblieft stierenvechten en de Friezen fierljeppen. Daarbij komt dat Europa’s macht en haar de afgelopen jaren wat verkwanselde speciale prestige juist liggen in de kracht van haar liberale waarden én van ‘de eenheid in diversiteit’. In het onvolprezen Duitse tijdschrift Cicero stonden deze maand tien redenen waarom het Europese project toe te juichen. Christoph Stölzl zei het zo: ‘Elementar ist die Polyfonie der Kommunikation (…) Die europaïscher Seele ist vielsprachtig, und sie fühlt und erlebt sich selbst so.’ Van Europese ‘Gleichmacherei’ kan dus geen sprake zijn. Juist niet, want of Europa is veelzijdig, of zij is Europa niet meer.

Op deze basis pleit Holslag voor een nieuwe, voorzichtige Europese wil tot macht. Macht in dienst van zowel het liberaal-democratische ideaal als van de welvaart. Een macht die gestut wordt op haar weelderig uitwaaierende beschaving – en dan is hier de Europese hoogcultuur nog buiten beschouwing gebleven! – en gesteund wordt door burgers die bereid zijn voor dat veelzijdige Europa te geven en te nemen. En om zo bij te dragen aan een Europa dat voorop loopt op het gebied van liberale waarden, van milieu-oplossingen en van economische innovatie. Natuurlijk is dit een droombeeld van een ver Europa – maar ach, zonder zo’n droombeeld gaat het niet. Om af te sluiten met een retorisch verzoek: als loutere macht het wint in de jungle van de internationale statenwereld, laat zich daar dan alsjeblieft ook een geïntegreerd en dus machtig Europa in mengen.

‘Dat heb je met vrijheid’. ‘Wat?’

recensie: Rachel Kushner (vert. Lidwien Biekmann en Maaike Bijnsdorp) – De Vlammenwerpers

(Oorspronkelijk verschenen 01-05-2014: http://www.8weekly.nl/artikel/11495/rachel-kushner-vert-lidwien-biekmann-en-maaike-bijnsdorp-de-vlammenwerpers-dat-heb-je-met-vrijheid-wat.html)

Rachel Kushners De vlammenwerpers is ambitieus. Het zit zowel vol met persoonlijke en artistieke vragenverwarring als met alle kanten op vliegende culturele verwijzingen en dwarsverbanden.

De Vlammenwerpers kort samenvatten gaat eigenlijk niet. Kushner heeft vrolijk aan cherrypicking gedaan, in historische, culturele, artistieke én politieke zin. Ze verbindt een onwaarschijnlijk aantal tot de verbeelding sprekende episodes. Onder meer de cynisch wordende New Yorkse kunstscene van eind jaren zeventig, land art, Italiaanse futuristen, radicale politieke protesten in de jaren zeventig in zowel Amerika als Italië, snelheidsraces per motor en een lading geijkte Americanabeelden.

Adolescent wordt volwassen
Alle registers gaan open. Het bovenliggende thema is klassiek: adolescent gaat wonen in een Amerikaanse stad, is daar aanvankelijk naïef en eenzaam maar ontwikkelt langzaam een krachtiger persoonlijkheid. Hier is de adolescent Reno, genoemd naar haar plaats van herkomst: Reno, Nevada. Ze is net afgestudeerd aan de kunstacademie en naar New York verhuisd. En inderdaad begint ze naïef en blanco (heet ze daarom naar de plaats waar ze vandaan komt?). Veelzeggend is dat ze werkt als china girl: een meisje wiens gezicht op de aanloopstrook van een film wordt gezet om de technici een referentiepunt voor de kleur van huid te bieden.

Reno laat zich leiden, wacht telkens af totdat iemand haar meesleurt. Er is één uitzondering op haar wachten: ze houdt van motorrijden en de snelheid ervan. Op de eerste pagina’s – in het hoofdstuk veelzeggend getiteld ‘Spiritueel Amerika’ – is Reno per motor onderweg naar een zoutvlakte in Utah om deel te nemen aan een motorrace/kunstproject.

Ik ging van de ene stip op de kaart naar de andere: Winnemucka, Valmy, Carlin, Elko, Wells. Ik had het overweldigende gevoel dat ik een missie vervulde, zelfs toen ik onder de luifel van een chauffeurscafé zat (…) Vijf minuten zei ik tegen mezelf. Vijf minuten. Als ik langer bleef, zou de plek die op de kaart stond zich te zeer opdringen.

Naast de vele verwijzingen zit de roman vol vragen, die Kushner vaak niet of pas veel later beantwoordt. Waarom mag bijvoorbeeld die plek op de kaart zich niet opdringen? Het einddoel van Reno’s missie is om te racen in Utah en tegelijkertijd foto’s te maken van de motorsporen in het zand. Geïnspireerd door de land art van Robert Smithson wil ze ‘tekenen in de tijd’, met haar motor patronen maken in de woestijn. Ze combineert het tekenen en de snelheid, beide om te kunnen ‘winnen’. Maar winnen waarvan, van de vergankelijkheid?

Vrijheid
Een van de punten waarop dwarsverbanden in de roman elkaar kruisen – en waar de vragen misschien een antwoord kunnen krijgen – is het vrijheidsthema. Iemand zegt tegen Reno: ‘Ja, zie je wel? Dat heb je met vrijheid.’ ‘Wat?’, vroeg ik. Toen zei hij: ‘Niemand wil het.’ Dostojevski’s Grootinquisiteur-thema komt vaker terug: veel van de Amerikaanse karakters zijn kunstenaars, die eigenlijk maar wat lijken te doen. Anything goes, ja; maar wat hiervan is ‘echt’? Zou één van hen werkelijk geloven in het gekunstelde antwoord dat ze geven op de vraag waarom dit anything en niet dát? De vraag of iemand nog wel iets serieus neemt raakt aan de vraag of iemand nog wel weet wat te beginnen met de in overvloed aanwezig lijkende vrijheid. Kushner noteert: ‘Een besluit is uitgekristalliseerde besluiteloosheid.’

Tot de verbeelding spreekt een scène waarin Reno op een zomermiddag eenzaam door de stad loopt, en door Nina Simone een café binnen wordt gelokt. (Simone zingt: ‘What difference does it make, which one I choose? Either way I lose’.) Het café is leeg, afgezien van twee in alles detonerende personages rondom een piano. De man is schitterend gekleed, maar heeft iets onechts, iets onvleselijks over zich. En de vrouw ratelt non sequitur-zinnen, allemaal eindigend met een vraagteken – terwijl ze nooit wat vraagt.

Gemaakt om te branden
Via deze twee eigenaardige personen komt Reno terecht in de kunstscene en verzeilt ze in een relatie met Sandro Valera. In hem verbinden zich de Amerikaanse en de Italiaanse tak van de roman. Zijn vader, één van de Italiaanse futuristen van rond de Eerste Wereldoorlog, combineerde zijn liefde voor snelheid en radicaliteit met technische kennis en verbeelding: hij stichtte een beroemde motorfabriek. De motor waar Reno op rijdt, een Moto Valera, komt uit deze fabriek.

En dan zijn er nog een reeks andere thema’s. Het een is belangrijker dan het ander, maar aanzetten tot denken doen ze allemaal. Zoals de verhaallijn van de Italiaanse Valera-familie en de arbeidersonrust rond de motorenfabriek. Zoals het motto Fac ut Ardeat, ‘gemaakt om te branden’, uit Pergolesi’s Stabat Mater, maar hier ook verwijzend naar de Arditi, de Italiaanse elitetroepen. Zoals een New Yorkse politieke straatbende, de Motherfuckers, die met speelgoedwapens de boel op stelten zetten en een hond gijzelen.

Het is pasteus veel. Die veelheid is allicht een schrijverstruc. Al werkt het niettemin vaak wel, in ieder geval in de zin dat het amuseert, en dat je steeds benieuwd bent met wat voor eigenaardigs Kushner nu weer op de proppen komt. De roman is vooral overdadig. De lezer kan dan ook nog lang besteden aan het aaneenknopen van de losse romandraden.

Voor hulp zie het interview in The Paris Review.

Een omgedraaide jobsgeschiedenis

recensie: Jens Peter Jacobsen – Niels Lyhne (vert. Annelies van Hees)

(Oorspronkelijk verschenen 30-03-2014: http://www.8weekly.nl/artikel/11429/jens-peter-jacobsen-niels-lyhne-vert-annelies-van-hees-een-omgedraaide-jobsgeschiedenis.html)

In Briefe an einen jungen Dichter schrijft Rainer Maria Rilke dat hij twee boeken niet kan missen: de Bijbel en het verzameld werk van Jens Peter Jacobsen. Nu is er een nieuwe vertaling van Jacobsens belangrijkste roman, Niels Lyhne.

Om de nu gewekte grote verwachtingen nog iets op te poken: in één van zijn brieven aan ‘de jonge dichter’ Xavier Kappus schrijft Rilke: ‘Sie werden das grosse Glück erfahren, dieses Buch zum ersten Male zu lesen, und werden durch seine unzählige Überraschungen gehen wie in einem neuen Traum.’ Bovendien dweepte niet alleen Rilke maar ook nog een trits andere groten, van Thomas Mann tot Sigmund Freud, met dit boek gevuld van het ‘grote geluk’ en ‘ontelbare verrassingen’.

Een fascinerende tijd van ontdekken
Het boek is geschreven in 1880 en vertelt het levensverhaal van de titelpersoon. Niels Lyhne wordt geboren op het Deense platteland, als kind van een artistieke moeder en een pragmatische, op zaken gerichte vader (waarmee het boek inderdaad een zweem bevat van het Buddenbrooks-thema van artisticiteit versus pragmatisme). Het eigenlijke verhaal begint wanneer de twaalfjarige Niels duizelig wordt bij de toevallige aanblik van tante Edele’s naakte benen. Niels is op slag hevig verliefd, maar zijn tante is onbereikbaar – en sterft bovendien.

In zijn romantische maar precieze stijl benadrukt Jacobsen dat het met die verliefdheid begon: ‘Het is een fascinerende tijd van ontdekken waarin hij, beetje bij beetje, met angstig onzeker gejubel, in ongelovig geluk zichzelf ontdekt.’ Vervolgens vliegt de roman van Niels zijn ene liefde, verliefdheid of diepe vriendschap naar de volgende. Dat ‘vliegen’ mag vrij letterlijk genomen worden, want aan dagelijksheid van welke soort dan ook besteedt het boek geen woorden. De emotioneel dorre jaren van Niels worden simpelweg overgeslagen. Alles draait om de momenten en perioden waarin zijn gevoel sterk oplaait, of juist abrupt neerploft en uitdooft.

Droom en dichterschap
Na zijn jeugd vertrekt Niels, in zijn dromen al een groot dichter, naar Kopenhagen. Hij raakt verwikkeld in een wonderlijke halfechte, halfgefantaseerde relatie: ‘een liefdesfantasie met echte tableaus’. Dit bood hem een basis om zich verder op te ontwikkelen. De vertelstem uit het boek deelt mee: ‘En dat had hij nodig. Er moest immers een dichter uit Niels Lyhne worden.’ Mooier nog is het vervolg – en laat ik nu ook maar benadrukken dat Niels Lyhne de door Rilke gewekte verwachtingen inlost. Want deze liefde haalt hem uit de droom en zet hem op een nieuw ontdekkingsspoor, op een pad naar werkelijker zelfkennis:

Mensen kunnen heel verschillend zijn, maar hun dromen zijn dat niet, want de drie of vier dingen die zij begeren, laten ze zich in hun droom geven, min of meer vlug, min of meer volledig, maar ze krijgen ze altijd, allemaal, er is immers niemand die in zijn droom in ernst met lege handen achterblijft. Daarom ontdekt niemand zichzelf in zijn dromen, wordt zich daar nooit bewust van zijn eigenaardigheden, want de droom weet er niets van hoe het je volstaat om de schat te vinden, hoe je die loslaat als je hem verliest, hoe je verzadigd wordt als je geniet, waarheen je je wendt als je gemis voelt.

Deze fundamentele liefdesfantasie laait op en dooft uit. Wat volgt is teleurstelling, de vermoeidheid van de obsessie met het ‘zelf’, alles doordringend spleen, maar dan ook weer de plotse verfrissing van weer oplaaiende liefde en de hernieuwd optimistische overtuiging de onbekende wereld te kunnen veroveren.

Jens Peter Jacobsen (1847-1885) beschrijft dit alles in overvloeiende romantische taal. Zijn zinnen komen hoogrollend aangolven, en vaak volgt er een bijzin meer dan je verwacht. Maar dankzij Jacobsens nauwkeurige stijl werd de romantische stijl mij, 21e-eeuwse lezer, niet vaak teveel. Daarbij is het kardinale punt waarschijnlijk dat Jacobsen niet alleen excelleert in schetsen van lichtval, geurzweem en het eb en vloed van de liefde, maar tevens in zijn scènebeschrijvingen (waarbij ik hier op de koop toeneem dat de krachtige verstilling zonder de context mogelijk wat verloren gaat):

En mij was je helemaal vergeten,’ fluisterde hij.
Het leek of ze het niet hoorde, ze sloeg niet eens haar ogen op; toen schudde ze eindelijk haar hoofd, heel even, en toen een flinke poos later, weer, heel even.

Nog een laatste groot compliment: Jacobsen heeft een groot psychologisch inzicht: zie het lange droomcitaat hierboven. Daarnaast is dit te zien in het terugkerende thema van het vermogen van de mens tot zelfbedrog: de mens die hoopt en die illusies creëert tegen beter weten in. Of de man die een ideaalbeeld creëert van een vrouw, en vergeet dat onder het op de werkelijkheid geplakte beeld geen droom- maar een mensenvrouw zit.

Jobsgeschiedenis
Natuurlijk is het een zeer eind negentiendeeeuws boek. Jacobsens Niels Lyhne is atheïst, discussieert over hoe een religieloze samenleving eruit zou zien en hij zet zich af tegen de burgerlijke waarden. Af en toe kan je overeenkomsten zien met de iets later schrijvende Couperus, en de toon van Jacobsen heeft soms ook even klank en kleur die herinnert aan Rilke. Tevens mag de nieuwe vertaling – de vorige stamde uit de jaren veertig – geprezen worden. Vertaalster Annelies van Hees zet af en toe een passend smakende ouwelijke term in: ‘tamme godszegen’ bijvoorbeeld.

In het laatste kwart verwordt het verhaal tot een soort halfomgedraaide jobsgeschiedenis, ware het niet dat Niels Lyhne atheïst is en (net aan) blijft. De boodschap lijkt: al het geluk is tijdelijk. En iets minder nadrukkelijk: misschien is al het ongeluk dat ook.

Een buitenstem

recensie: H.W. von der Dunk – Voordat de voegen kraakten

(Oorspronkelijk verschenen 10-03-2014: http://www.8weekly.nl/artikel/11382/h-w-von-der-dunk-voordat-de-voegen-kraakten-een-buitenstem.html)

In een nieuw deel van zijn memoires beschrijft Von der Dunk zijn student-zijn in de vermeende spruitjesjaren. Dat is zijn achterland, maar óók dat van ons allemaal.

Historicus Hermann Walther (H.W.) von der Dunk (1928) is emeritus hoogleraar contemporaine en cultuurgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht. Dat is tevens de universiteit waar hij zes decennia geleden studeerde. Nu is Von der Dunk al tijden beroepsmatig gepensioneerd, maar dat wil niet zeggen dat hij zijn pen heeft neergelegd. Het nu verschenen Voordat de voegen kraakten is deel twee van zijn memoires, na het in 2008 verschenen Terug bij strijklicht. Denk verder aan zijn indrukwekkende tweedelige Europese cultuurgeschiedenis De verdwijnende hemel en het recente historiografische werk De glimlachende sfinx.

Wie hetzelfde anders zegt..
Von der Dunks schrijfdrift is reden tot opgetogenheid. Om te beginnen met een wat verbleekte, maar onvermijdelijke waarheid: historici presenteren tijdsbeelden en houden ons zo een spiegel voor. Bij Von der Dunk speelt bovendien nog een extra dimensie: hij schrijft op een volstrekt eigenaardige en prettige manier die zowel vertrouwd als vreemd aandoet. En ook deze toon zet de besproken zaken en tijdsbeelden in een nieuw licht. Het effect is tegelijkertijd gewoon en wonderlijk. Het is zoals de tekst die prijkt boven de Oudemanhuispoort van de UvA: ‘Wie hetzelfde anders zegt, zegt iets anders’. Dat is precies Von der Dunks charme: hij zegt alles anders, slim en mooi anders.

Uit de kracht van zijn Nederlands rijst automatisch een argument op tegen de academische verengelsing van een verhalende geesteswetenschap als geschiedenis. Von der Dunk zal dit met me eens zijn. Zo verwijst hij in de inleiding naar ‘de momentele afbraak van cultuur en wetenschappelijk ethos’ met heel dat ‘bezweringsformulier van de concerndirecteur’, van efficiëntie en transparantie tot de infantiele eis van hoge scores in de vele ranglijsten.

Het is een soort buiten-stem die Von der Dunk vertolkt. En inderdaad komt hij niet alleen uit een andere tijd, maar eveneens uit een andere cultuur. Vlak voor de oorlog is hij met zijn ouders – vader tekenaar, moeder joodse – vanuit Duitsland naar Nederland gekomen. Zijn vader ging werken op de Werkplaats van onderwijsvernieuwer Kees Boeke in Bilthoven – mede befaamd omdat ook prinses Beatrix en haar zusjes daar schoolgingen –, waar Von der Dunk zelf naar school ging. Zo groeide hij dus allesbehalve op in een sfeer van spruiten, maar juist in een sfeer van vrijzinnigheid en artisticiteit.

Hoe saaier de jaren vijftig, des te spannender de jaren zestig
Deze memoires richten zich op zijn studententijd, puur persoonlijke gebeurtenissen stipt hij enkel in één of enkele zinnen aan. Veel aandacht besteedt Von der Dunk aan zijn hoogleraren Hans Boogman en Pieter Geyl. Beiden relatief bekend, de laatste nu nog vooral door zijn excentrieke Groot-Nederlandse stamgedachte. Deze kwam erop neer dat de Nederlandse, Vlaamse én Zuid-Afrikaanse volken – allen loten aan de Nederlandse stam – herenigd zouden moeten worden in één staatsverband.

Aangenaam keuvelt Von der Dunk over koffietijd op het instituut (tussen tien en elf uur) en de tentamens die studenten deden bij de hoogleraren thuis (die destijds veelal rondom het Utrechtse Wilhelminapark woonden). In zijn twintiger jaren overwoog Von der Dunk ook nog serieus een carrière als operaregisseur, waarvoor hij zelfs even zijn geschiedenisstudie onderbrak. Daarbij was hij een verdienstelijk zanger en pianist. Tientallen pagina’s wijdt hij dan ook aan optredens met een studentengezelschap. Ze voerden bijvoorbeeld Donizetti’s Don Pasquale en Rossini’s Barbier van Sevilla op.

Natuurlijk is de historicus Von der Dunk geschikt om die jaren en het student-zijn destijds op te roepen. Juist omdat hij zijn eigen ervaring kan meten aan de verschillende historische beelden die er van de jaren vijftig bestaan. Veelbepalend voor die ervaring is dat Von der Dunks generatie volgde op de jaren veertig en voorafging aan de jaren zestig. Dit is minder flauw dan het klinkt. Want de herinnering aan de oorlogsjaren maakte Von der Dunks generatie tot de ‘skeptische Generation’, ‘geponst door de achter hen liggende ervaringen en de snelle ineenstorting van de mooie toekomstverwachtingen bij de bevrijding’. Ze waren wel idealistisch, maar het was een ‘getemperd, versoberd, minder hoogvliegend idealisme’. Bovendien leefden deze pragmatici onder Koude Oorlog-schaduwen. Tegen deze gematigdheid wisten de hoogvliegers – idealistische icarussen – van de jaren zestig zich dankbaar af te zetten. Ook zó werkt geschiedenis: hoe saaier je de jaren vijftig presenteert, hoe enerverender de jaren zestig worden.

Faust of de hotelreceptie
Dit memoiredeel herbergt verder nog veel interessants. Zo doet Von der Dunk uitvoerig verslag van zijn verblijf in Mainz in 1957, dus in een wederopbouwend en met de nazi-erfenis worstelend Duitsland. Verder vertelt hij over ‘archiefreisjes’ voor zijn scriptie en latere promotieonderwerp over de Duits-Vlaamse betrekkingen in de Vormärz begin 19e eeuw. Verder klust hij bij als leraar Duits, onder andere op zijn oude school de Werkplaats. Ook zijn docentschap levert sympathieke (en van realiteitszin getuigende) passages op:

Ik dreunde vóór, de kinderen dreunden na en betraden zo de weg die leidde naar Faust en Also sprach Zarathustra, maar vermoedelijk voor de meesten in een supermarkt of bij hotelrecepties eindigde.

Als gezegd schermt Von der Dunk zijn persoonlijk leven af. Nu wordt Von der Dunk af en toe wat oubollig, en opvallend genoeg is dat telkens in de iets persoonlijker passages. Bijvoorbeeld als slotsom na verteld te hebben over een heftige discussie: ‘Dankzij de Nederlandse wet op de wapenvergunning kwamen er nog net geen pistolen aan te pas.’ Maar gezien al het andere moois, in stijl zowel als inhoud, zal de lezer hier niet over vallen.

Hartstochtelijke revolutionairen

recensie: Hilary Mantel (vert. Ine Willems) – Een veiliger oord. Deel 1: Vrijheid

(Oorspronkelijk verschenen 26-02-2014: http://www.8weekly.nl/artikel/11345/hilary-mantel-vert-ine-willems-een-veiliger-oord-deel-1-vrijheid-hartstochtelijke-revolutionairen.html)

Sinds Wolf Hall weten wij: Hilary Mantel schrijft verbluffende historische romans. Nieuw bewijs is nu vertaald: deel 1 – Vrijheid – van haar relaas over dé moderne gebeurtenis, de Franse Revolutie.

Hier is dus niet het Engeland van de zestiende eeuw, maar het Frankrijk van 1780-1800 haar toneel. Zoals voor haar bijvoorbeeld Charles Dickens (A tale of two cities) en Anatole France (De goden zijn dorstig) al deden. In de plaats van Thomas Cromwell treden nu andere historische groten op als haar hoofdrolspelers: Maximilien Robespierre, Camille Desmoulins en George Jacques Danton. In dit eerste deel, eindigend enkele uren voor de bestorming van de Bastille, evoceert Mantel slagvaardig hun groei naar historische faam.

Jeugdige druist
In Nederland wordt het boek nu als Een veiliger oord uitgegeven, en wel in drievoud (deel 2 en 3 volgen later dit jaar). Maar oorspronkelijk publiceerde Mantel (1952) de drie delen gezamenlijk al in 1993. Ruim een decennium daar weer voor, op haar 27e, schreef ze het boek al. Voorin deze vertaling staat een ‘Brief aan de lezer’, gedateerd 2013, waarin ze zich enigszins verontschuldigt voor de jeugdige druistigheid waarmee het boek is geschreven.

Deze indekking is onnodig, want de aanstekelijke kracht van het boek zit juist vooral in die druist. Deze wordt belichaamd in de drie mannen, Mantels ‘jeunes premiers’, die groot werden precies op de meest zinderende tijd en plaats. Namelijk exact toen de wereld zich opende zoals de wereld daarvoor nooit had gedaan en daarna nooit meer zou doen. Hun verbeten energie en voortvarendheid spat soms van de pagina’s, ook dankzij Mantels grote vermogen om – en hier kan ik niet anders dan een cliché benutten – een wereld en tijd op te roepen, leven te geven, te animeren.

Daartoe heeft ze slechts enkele vette details nodig. In een interview zei ze: ‘Geef me één feitje. Vertel me dat iemand van rode poon houdt – dan kan ik iets doen’. Dat ‘iets doen’ is hier vaak het met snelle pennenhalen krachtig neerzetten van historische taferelen. Wanneer de koning de Nationale Assemblée iets mededeelt: ‘In stilzwijgen voor hem zwarte jassen, gebleekte kravatten, versteende gezichten: mannen die model zitten voor hun eigen monument.’

Hinkstapsprong
Mantel hink-stap-springt door de decennia voorafgaand aan 1789. In wat fragmenten vol veelsuggererende details – ‘rode ponen’ – schetst ze de afzonderlijke her- en opkomst van de drie mannen. Het worden allen advocaten, die vervolgens ‘de rechtbank ontgroeien’ om te preken en te hitsen voor een veel grotere bühne. In dit deel is de kleine Camille Desmoulins de grote ophitser. Hij zuchtte al veel langer naar revolutie: ‘Juli is zijn beloofde land’. In de roes verliest hij zelfs zijn stotter, waardoor hij de man kan zijn die in een schitterend einde van dit deel de massa, dat ‘beest’, in het Palais Royal met een laatste retorische zweepslag richting Bastille jaagt.

Is het projectiel Desmoulins ongeleid, Danton daarentegen is een aanstekelijke geweldenaar met grote retorische gaven en een buitengemeen lelijke, woeste kop. Danton wint met zijn kracht de lezer gemakkelijk voor zich. Robespierre daarentegen is, natuurlijk, de waarheidslievende purist, de man van de Terreur onder wiens dogmatische leiding de Revolutie definitief haar guillotinerende ontsporing zou kennen (al heeft dat dus later plaats). Genoemde Anatole France moraliseerde in zijn roman Robespierre de grond in, maar Mantel doet iets verrassenders: ze maakt zijn groei invoelbaar, en doet de lezer realiseren dat ook Robespierre een bijzonder man was. (Geheel onterecht noemen we historische slechteriken veel minder snel bijzonder dan de moreel meer verkwikkelijke figuren – terwijl ‘bijzonder’ strikt genomen toch een moreel neutrale term is.)

Nu is Een veiliger oord heus geen boek over louter politiek. Dat is niet Mantels procedé. Ze maakt tijd en ruimte voor de massa, voor het hof, voor een hele set andere historische figuren, van de Hertog van Orléans tot Mirabeau (Dantons adelijke evenbeeld). Tussendoor last Mantel citaten in – ‘Wat is de Derde Stand?’ Antwoord: ‘Alles’ – houdt ze de lezer op de hoogte van de stijgende staatsschuld, het stranden van de nieuwste hervormingspogingen, de laatste hofroddels, de vieze verhaaltjes over Marie Antoinette, en natuurlijk van de broodprijs – met een historiografische kwinkslag: ‘Het voedsel voor alle theorieën over wat er zal gebeuren.’ Én tussendoor – inderdaad is het soms wat rommelig – vlecht ze tintelende inzichten in: ‘De allesverterende frivoliteit van het Hof heeft een leemte geschapen, een gebrek aan culturele focus voor de natie.’

Een ware passie kent geen einde
Bovendien beschrijft ze de huwelijksvragen van de drie mannen. Veel ruimte is er voor de amoureuze intrige tussen Desmoulins en moeder én dochter Duplessis. Ook hier wankelt ‘de natuurlijke orde van de samenleving’. De dochter, Lucille, wil met Desmoulins trouwen en start tegenover haar vader haar eigen, ook al zo universele revolutie: ‘Ik geloof in het recht om gezag te weerstaan wanneer het ontspoort.’ Overigens zou iedere vader zijn dochter dit huwelijk (willen) verbieden. Mantel schrijft dan over Lucille:

Ze overweegt zelfmoord. Maar dat zou een einde betekenen; en ware passie kent geen einde, weet je. Beter om het klooster in te gaan, al die ideële lust vast te pinnen onder een gesteven kap.

Het is de taal van de hartstochtelijk revolutionair.

Als je het boek opent lijken de brokjes talent er al uit te vallen. Maar het boek is niet zo goed als Wolf Hall. De compositie is wat chaotisch. De balans is wat vreemd doordat sommige stukken te fragmentarisch zijn, anderen stukken juist uitgerekter. Soms ook wisselt ze om de alinea van perspectief, en ze vergt zowel daarin als in historische voorkennis best wel wat van de lezer. Daarnaast zijn sommige schrijvershandigheden wel erg duidelijk. Maar ondanks deze minpunten vangt en presenteert Mantel onnavolgbaar het gewrik en geknars van de schuivende panelen van dé moderne gebeurtenis. Kortom: het boek is niet perfect, geenszins, maar bij vlagen wel fantastisch. Vrijheid is er, nu uitkijken naar Gelijkheid en Broederschap later dit jaar.

Feit, fictie, horror

recensie: A.H.J. Dautzenberg – En dan komen de foto’s

(Oorspronkelijk verschenen 11-02-2014: http://www.8weekly.nl/artikel/11310/a-h-j-dautzenberg-en-dan-komen-de-foto-s-feit-fictie-horror.html)

En dan komen de foto’s overbluft de lezer. Het is vreemd, vol vulgaire horror en het speelt vaak een spel met fictie en realiteit.

Gretig ontkent A.H.J. – Anton – Dautzenberg dit laatste onderscheid. Voor de schrijver van onder meer Vogels met zwarte poten kun je niet vreten en Extra Tijd zijn feiten ook fictie, en fictie soms bijna feiten (en bij de feiten zijn de foto’s uit de titel vaak een extra laag fictie of werkelijkheid). Dit alleen al is een reden om hier zijn publieke optredens te noemen. Moedig was bijvoorbeeld zijn openlijke steun aan de niet-praktiserende pedofiel. Vermoed mag worden dat het non-discriminatiebeginsel, in deze bundel opgenomen als ‘zkv’, hiernaar verwijst. En er zijn legio andere voorbeelden. Dautzenberg bekende onlangs, en herhaalt dat in dit boek, dat hij in tegenstelling tot wat hij eerder beweerde helemaal geen nier heeft gedoneerd (waarbij je je kan afvragen of zijn fictie als realiteit een toename van nierdonoren heeft opgeleverd? Of enkel meer verkochte boeken?). Ook was er zijn bedoeld platte tirade tegen Van der Heijdens reële/fictieve Tonio, de interviews die hij bleek te hebben verzonnen en zijn aangekondigde samenwerking met die andere pendelaar tussen feit en fictie, Diederik Stapel.

Over de klassieke toepassingen van scheermesjes
Dautzenbergs rol in het Nederlandse debat is duidelijk uniek. Het is schrijversengagement in haar controversiële optima forma, amoreel en alom polemisch. Ook in de veertig hier opgenomen verhalen gaat Dautzenberg ervoor. Enerzijds wijst hij op veronachtzaamde moraal, anderzijds schopt hij fatsoensregels en verkrampte conventies omver. In verschillende verhalen lijkt hij even de zijde te kiezen van de kwetsbare of gemankeerde mens – om vervolgens ook die simpelweg te laten verkrachten, of (bijna) te laten verdrinken. Dit laatste gebeurt bijvoorbeeld in het eerste, toonzettende verhaal over een sullig jongetje: zal hij verdrinken of toch nog boven komen? Het is een toestand waarin Dautzenberg sporadisch ook de lezer brengt: happend naar adem, wegzinkend, om vlak erna proestend weer boven te komen.

En dat boven water komen gaat soms moeizaam. Verschillende verhalen zijn hard, choquerend, bizar of nachtmerrieachtig, soms maagomkerend hard. In zijn plastische stijl beschrijft hij sadisme of ideeën voor pornoscènes. Hij schuwt niets – of bijna niets. Want ostentatief houdt hij halt voor een beschrijving van pederastie (‘Nee, laat ik dit maar niet doen’). Sommige verhalen wekken enkel nog afschuw en zijn eigenlijk onleesbaar. Waar het schokeffect werkt is bijvoorbeeld in het vergelijkend warenonderzoek voor ‘de klassieke toepassingen’ van scheermesjes. Klassiek is natuurlijk niet het scheren zelf, maar oogboltoepassingen à la Buñuels Un chien andalou. Achter elkaar ratelt Dautzenberg dergelijk gruwzame, zeer beeldende scheermestoepassingen af.

In de krachtigste verhalen houdt de absurditeit de overhand op de schok. Zoals in het bloederige verhaal ‘Danspaal’, waarin een man midden in een woonkamer staat, en vastzit. Waaraan is onduidelijk, maar vast zit hij. Of neem het verhaal van ‘een gevallen man’ die is aangeklaagd vanwege ‘het etaleren van optimisme’.

Raadsels en plastiek
Dautzenberg geeft de lezer enkele brokken, korte beschrijvingen, een maf feit of detail, en zwengelt daarmee de lezersverbeelding aan. Hij beschrijft de moderne lulligheid, gebruikt ook vaak een dialoogvorm en ridiculiseert het discours van kunsthistorici en filosofen. Dautzenbergs vorm is simpel en ontzettend helder – in al zijn plastiek soms te helder, bijvoorbeeld in zijn anusbeschrijvingen –, maar biedt tegelijkertijd grote interpretatieruimte aan de lezer. In een ook als verhaal opgenomen (zelf)interview zegt de interviewer ‘Dat kan ik niet volgen’, waarop Dautzenberg repliceert: ‘Wat is het probleem? Krijgt je ego een opdonder? So what? Geniet daarvan. Lang leve het raadsel.’

Van een romantische ondertoon bij het raadselachtige is, voor de duidelijkheid, geen sprake. Het volgende citaat is representatief voor het wereldbeeld dat Dautzenberg uitdraagt.

We zijn allemaal min of meer vochtige misverstanden. Stuk voor stuk verwekt met stompzinnige bewegingen, lelijke grimassen en dierlijke geluiden. Kijk je ouders diep in de ogen en denk aan het verbeten gehatseflats.

Het probleem is alleen dat een flink deel van de veertig verhalen probeersels lijken. Wellicht is dit een risico van de stijl en insteek: als je met enkele treffende halen een kader neerzet waarin de lezer vervolgens de rest van het werk moet doen, dan moeten die halen wel heel raak zijn. En dat zijn ze soms toch niet. De meer uitgebouwde verhalen zijn vaak beter; die schuren meer en zijn goed suggestief. Maar veel van de (zeer) korte verhalen ogen als experimenten, ideetjes drijvend op enkele grof- of gevatheden. Die verhalen zijn al te gemakkelijke, zwakke literatuur waarop enkel een geïrriteerde of versufte reactie past.

Zielvormende beelden

recensie: Arie Storm – Luisteren hoe huizen ademen

(Oorspronkelijk verschenen 19-01-2014: http://www.8weekly.nl/artikel/11241/arie-storm-luisteren-hoe-huizen-ademen-zielvormende-beelden.html)

Een chaotisch, facetrijk boek. Storm speelt, schimpt en rommelt, maar stevent tegelijkertijd af op iets heel wezenlijks.

Storms hoofdpersoon is August Voois. Maar eigenlijk, zo geeft de schrijver zelf ook toe, is August Arie Storm zelf. Evenals Storm is Voois schrijver, recensent, anglofiel, biograaf en werkt hij bij zowel universiteit als radioprogramma. August is een cultuurpessimist, azijnpisser: ‘Voois vind niks moois’. Spattend beschimpt Voois de hele Nederlandse letterenwereld, van de eenhansworstige schrijverij, tot de academici en de DWDD-babbelaars. Veel van de mensen die Voois/Storm snerend beschrijft bestaan echt, en zijn voor insiders duidelijk herkenbaar. Kan Storm dit wel maken? Echt smaakvol is het niet, soms meer terecht dan anders, vaak wel heel gemakkelijk. In ieder geval: hij maakt het. Veel belangrijker dan dat Luisteren hoe huizen ademen discussiestof doet opwaaien, is dat het maffe, intrigerende literatuur is.

Maffe beelden
Die cultuurkritiek zit in deel I. Naast zichzelf als August voert Storm daar ook zijn vrouw op. Zij heet Alice en werkt, wederom net als in het echt, bij een uitgeverij. Maar het autobiografische is maar een van de vele, in wonderlijke chaos over elkaar heen buitelende facetten van deze roman. Net als in eerder werk mengt Storm heden en verleden. Dat verleden staat hier centraal, zoals de naïef ogende beginvraag duidelijk maakt: ‘Het verleden, wat moet je ermee?’ Eh ja. Zeker is dat het verleden van belang is.

Na wat opmerkingen over de schrijver en zijn wereld, bemerkt August plots hoe zijn met boeken volgestouwde huis een zoemend, vitaal, ook angstaanjagend geluid begint te maken: ‘Het huis ademde en pulseerde.’ Meer merkwaardigs volgt, en dat niet per se met veel samenhang (dit is overigens in lijn met de kritiek van de recensent Arie Storm, die zijn toorn vaak richt op de plotgedreven roman). Terwijl het huis ademt – boekmotto van David Mitchell: ‘Luisteren hoe huizen ademen maakt je gewichtloos’ – zetten allerlei prikkels August aan tot herinneringen aan zijn jaren zeventig-jeugd in de Schilderswijk. Tussendoor duiken er in de hoofden van de personages allerhande maffe metaforen en beelden op: grote zwarte beesten, zwaardvissen. Dat je deze als lezer klakkeloos accepteert, mag volgens mij een teken heten dat Storm kan schrijven.

Nog meer van die tekenen volgen. Zo maakt Storm enkele Pniniaanse grappen – geen lukraak adjectief, aangezien Storm verschillende malen verwijst naar Nabokovs Pnin – en maakt hij ruimte voor onnadrukkelijke intimiteit, tussen August, vrouw Alice en dochter Masja, maar ook in herinneringen aan een zus. En voor dit soort lieflijk trillende zinnen: ‘Constant suist de verbazing zachtjes in mijn hoofd.’ Vrij snel hierna is het boek weer geladen, zwanger van van alles. Net zoals de lucht dat opeens is, waarin verschillende weersoorten zich tegelijkertijd voordoen. Een personage duidt dit met een Vestdijkcitaat, zoals Storm vaak literaire groten aanhaalt om fenomenen te duiden.

Tijdreis
In Deel II laat Storm zijn vermomming als August helemaal los en geeft hij de (bijna) plotloze chaos vrij baan: de allesomvattende, zwangere lucht blijkt de mogelijkheid tot een tijdreis te bieden, en dus gaat hij, hop, terug naar zijn Schilderswijkjeugd. In dit boek kan alles: en dus neemt hij, voor het gemak, zijn vrouw en dochter mee op tijdreis. In volgende scènes waren zij geestachtig rond in de huizen uit zijn jeugd (letterlijk geestachtig: alleen de hond merkt iets van hun verschijning op).

Misschien opmerkelijk, of misschien ook niet, is dat de rommeligheid van deze roman eigenlijk geen punt is. Behalve wellicht in de reflecties van Storm in Deel II op wat hij in Deel I heeft geschreven, over bijvoorbeeld een verhaalonderdeel dat hij eruit had gehaald en er nu toch weer invoegt. Dat stoort. Maar dit wordt goedgemaakt doordat de roman vlak hierop iets heel wezenlijks raakt.

De betekenis van beelden
Dat wezenlijke vindt Storm, natuurlijk, in het verleden. Hij gaat een aantal herinneringen of beelden af. In die verhalen zelf vindt de lezer weinig bijzonders. Het gaat dan ook om wat daaronder zit. Wanneer hij al tijdreizend in de achtertuin van zijn ouderlijk huis is beland: ‘Ik kijk om me heen en ik snap niet goed hoe dit allemaal in elkaar zit en hoe dit allemaal op elkaar aansluit – het is alsof ik zoek naar een uitweg.’ Een uitweg. Als in betekenis. Hij poogt alles ‘kloppend en logisch te maken’. Maar dat gaat gewoonweg niet. De herinneringen trekken in beeldvorm aan hem voorbij, of beter, hij beleeft ze opnieuw, maar hij kan ze niet duiden:

Het zijn beelden die je soms vergeten lijkt te zijn, maar die zich toch nog altijd ergens in je bevinden, diep van binnen, en die in zekere zin misschien wel je latere gedrag bepalen, omdat die beelden samen je ziel vormen.

Er zijn enkel deze tegelijkertijd zielstuttende en zielvormende beelden. Storms roman benadrukt hier het preverbale, het mythische (bij gebrek aan betere termen), en dat is hoogstwaarschijnlijk veel essentiëler dan welke rationaliseringspoging dan ook. Een fantastische slotsom: het zijn die droomgelijke beelden waar het om draait.