Wij eisen menselijkheid

Recensie van: Ernst Toller – Een jeugd in Duitsland (vertaling John Luteijs)

Eerder verschenen (24-03-2013): http://www.8weekly.nl/artikel/10613/ernst-toller-vert-john-luteijs-een-jeugd-in-duitsland-wij-eisen-menselijkheid.html

Nog altijd geniet Ernst Toller bekendheid als expressionistisch dichter en toneelschrijver. Maar ook was hij een revolutionair.

Uitgeverij Schokland heeft de lovenswaardige taak op zich genomen om ieder jaar twee à drie zeer verzorgde ‘kritische klassieken’ te publiceren. Dit zijn boeken die toevalligerwijs wat in de vergetelheid zijn geraakt en die een politiek-maatschappelijk appel paren aan literaire kwaliteit. De vorige kritische klassieker was Arthur Koestlers Nacht in de middag, de nieuwste titel is Ernst Tollers Een jeugd in Duitsland. Toller publiceerde deze memoires van zijn jeugd en adolescentie in 1933, ‘op de dag dat in Duitsland mijn boeken werden verbrand’. Dit deed hij dus niet in Duitsland, maar bij het Amsterdamse Querido, dat Duitse exilliteratuur uitgaf.

Socialistisch ontwaken
Het is gangbaar om Tollers schrijverschap als ‘expressionistisch’ te karakteriseren. Hier doet deze term vooral recht aan zijn krachtige, fragmentarische beschrijving van zijn vroege jeugd: als een wirwar van blikkerende beelden en gedachten die geen duidelijk begin of eind hebben. Deze manier van weergeven verleent een passende mythische zweem aan zijn kinderjaren. Ook richt Toller zich hier al op de ontwikkeling van zijn gevoel voor sociale rechtvaardigheid. Steeds weer worstelt hij met de lichtzinnig geuite antwoorden – ‘omdat God het zo wil’ –, de schrale stopzinnen waarmee volwassenen zijn nieuwsgierige gevraag de pas af willen snijden.

Tollers sociaal-kritische vermogen komt snel tot wasdom. Als jonge adolescent al schrijft hij op regelmatige basis bruuske, sociale toestanden aanklagende krantenartikelen. Vervolgens hangt Toller de bohemien uit in Frankrijk. Maar dan wel de bohemien-Duitser: wanneer in 1914 de oorlog uitbreekt, rept hij zich terug naar de heimat om te vrijwilligen bij de artillerie. Gelukkig schudt hij vrij snel de dwaze oorlogsroes van zich af, en schept hij de ruimte om de alomtegenwoordige vreemdheid te noteren. Wanneer een Duitse soldaat paradeert in een Noord-Frans dorp op de laarzen die hij heeft gegapt van een gecrashte Franse piloot:

‘Commes elles sont chiques,’ zeggen de meisjes lachend, ‘Frans,’ lacht de soldaat en hij vertelt hoe hij ze veroverd heeft, ‘vliegtuig boem, kapot.’ De meisjes kijken zwijgend en angstig naar de grond.
‘Vliegtuig kapot, la France kapot,’ zegt de soldaat.
‘Jamais,’ zegt een meisje boos.
‘Jij en ik amour,’ zegt de soldaat.

De Radenrepubliek
De slapstick is onschuldig en verschrikkelijk tegelijkertijd. Tegen het einde van de massaslacht is Toller al ver opgeschoven richting de hoofdmoot van deze memoires: de Duitse revolutie van 1919. Deze leidde tot de kortstondige Münchense Radenrepubliek, waarvan Toller een van de leiders was. Het is ondoenlijk om hier de ondoorzichtige chaos uiteen te zetten die deze Radenrepubliek was. En Toller zal dit met me eens zijn, getuige zijn continue nadruk op onder meer het bestuurlijke onvermogen, het communistische tegenstribbelen en de sabotage van de sociaaldemocraten (die uiteindelijk zelfs kozen voor samenwerking met de rechts-nationalistische en proto-fascistische vrijkorpsen om de Radenrepubliek neer te slaan). Hij uit zijn vertwijfeling: ‘De Radenrepubliek is een roekeloze overval van vertwijfelde arbeidsmassa’s om de verloren Duitse revolutie te redden.’

De memoires van de overtuigde socialist Toller zijn doortrokken van zijn oprechte idealisme. Het boek zit vol beschouwingen over de ontwikkeling van de arbeider, over rechtvaardigheid en hoe die te bewerkstelligen. Deze oprechtheid verzacht het sporadische teveel aan retoriek. Interessant blijft het ook omdat Toller geen standaarddogmaat is. Zo beseft hij dat de verkondigde socialistische leerstellingen nog lang niet bij machte zijn om de over decennia, zo niet eeuwen ingeslepen reflexen bij de arbeiders te vervangen.

Soms is hij zelfs ironisch – wat bijzonder is voor een revolutionair. Zoals wanneer hij de teneur bij een socialistische vergadering becommentarieert: ‘Wee degenen die niet geloven dat het revolutionaire morgenrood over de volgende dag zal schijnen, verraders zijn het, kleinburgers, contrarevolutionairen.’

New York 1939
Het boek is rijk, vol van gebeurtenissen, van idealisme en van de plicht van de mens. In vogelvlucht: na de revolutie volgt een miniatuurversie van de Russische burgeroorlog: rood versus nationalistisch wit. Toller leidt troepen, maar hij is te menselijk om effectief te zijn: gevangengenomen troepen mogen vrij rondlopen – ‘Wij eisen menselijkheid, wij moeten menselijk zijn’ – en vechten dus een paar dagen later weer met de vijand mee.

De Radenrepubliek valt, en Toller duikt onder. Uiteindelijk wordt hij gesnapt en wacht hem vijf jaar gevangenisstraf. Nog een geluk dat hij overleeft – onder meer Max Weber en Thomas Mann getuigen in zijn voordeel –, want duizenden medestanders worden doodgeschoten dan wel doodgeknuppeld. Hieronder bevinden zich linkse prominenten als Eugen Leviné, Kurt Eisner, Gustav Landauer, en iets eerder natuurlijk Liebknecht en Luxemburg.

In de beklemmend beschreven gevangenschap weet Toller de gekte op afstand te houden, hij schrijft er zelfs een aantal populaire, sociaal-kritische toneelstukken. Zijn idealisme en de plichten die hij daaruit ziet voortvloeien houden hem in leven en in 1923 komt hij vrij. Uiteindelijk zal Toller zijn dood zelf kiezen, in New York in 1939. Maar dat is misschien het onderwerp van een ander boek.

Media van de toekomst

Recensie van: Rob Wijnberg – De nieuwsfabriek. Eerder verschenen 09-03-2013: http://www.8weekly.nl/artikel/10571/rob-wijnberg-de-nieuwsfabriek-media-van-de-toekomst.html

Er is beweging in krantenland. Zowel De Nieuwe Pers als Rob Wijnberg lanceren nieuwe digitale kranten. Waarbij Wijnberg ook nog een essay schreef: De nieuwsfabriek.

Oud-hoofdredacteur van NRC Next Rob Wijnberg – wiens geboortejaar 1982 nog altijd verrast – zet in zijn degelijk opgebouwde betoog de aanval in op de verstarde nieuwspraktijk. Hij bespreekt de vele tekortkomingen en, in het kort, de verbeteringsmogelijkheden. Mogelijkheden die hij hoopt te materialiseren in zijn komende, volledig digitale project. Ondertussen is De Nieuwe Pers al van start gegaan, en wel door abonnementen op individuele journalisten aan te bieden in plaats van op een volledige krant.

Nieuws repeteert
Wellicht klinkt daar de muziek van de (nabije) toekomst. In De nieuwsfabriek beschrijft Wijnberg soepel en telkens passend geïllustreerd de fundamentele kwalen van de huidige nieuwspraktijk. Voor veel lezers zal dit bekend zijn: het nieuws negeert de continue materiële vooruitgang, selecteert in plaats daarvan de negatieve trends (verval, fouten, ongelukken) en is ergerlijk repetitief. Aandacht genereert aandacht, media doen telkens weer dezelfde ‘moetjes’ aan – ijs en treinen in de winter, terrassen in de zomer – en conformeren zich aan de weinig opzienbarends voortbrengende cyclus van kwartaalcijfers, prijsuitreikingen en topconferenties.

Bovendien klinkt er door de deels zelfopgelegde extreme bondigheid haast nooit een nieuwe mening: een dwarse opinie behoeft immers meer uitleg dan er in beperkte ruimte gegeven kan worden. Misschien niet verrassend, maar niettemin belangrijk dat Wijnberg benadrukt: ‘Nieuws heeft de ingebakken neiging om bestaande (voor)oordelen te bevestigen en conventionele wijsheden te herkauwen.’ De veelal maatschappelijk betrokken journalisten werken dus mee in en aan een systeem dat de bestaande politieke en economische machten bevoordeelt.

De beeldvormingsparadox
Nieuws is reductionistisch en is dit in toenemende mate langs de lijnen van de commerciële logica. Via de eindeloze herhaling van gemeenplaatsen en stereotypen wordt een eenduidige wereld geschetst die mensen herkennen en waarin ze zich prettig voelen. Het gevolg is een wrang-grappige beeldvormingsparadox: meer media-aandacht leidt tot de verankering van één simpel frame en daardoor tot minder kennis en begrip. Het nieuws is zwart-wit, in flagrante tegenstelling tot de in vele grijstinten voorkomende werkelijkheid.

Bovendien dreigt in infotainmentprogramma’s de ‘tainment’ de overhand te nemen. Wijnberg erkent dat hij soms overdrijft om zijn punt te maken, maar zijn punt bevat voldoende waarheid: ons collectieve venster op de wereld wordt meer en meer ‘de zapservice’. Neem de politieke ‘hoogtepunten’: we herinneren ons de gehypte ‘frames’ – Bos draait, Vogelaar zwijgt, Balkenende zegt dat ze lief lacht –, maar niet de inhoudelijke debatten.

Journalist versus spin, framing, pr
Wijnberg haast zich het bestaan van uitzonderingen te benadrukken, zoals De Groene Amsterdammer en Tegenlicht. Maar ook de kwaliteitskranten beginnen te delen in de malaise (om niet te spreken van het bijna gênant wordende NOS-journaal). Het eerste duidelijke probleem is dat bedrijven almaar meer geld besteden aan hun imago. Hun spin, framing en pr zetten het ideaal van objectiviteit op zijn kop.

Want de registrerende, objectiviteit nastrevende journalist oordeelt niet over de door hem/haar opgetekende meningen. Met als gevolg dat de met veel geld en slimmigheid vormgegeven bedrijfsboodschappen de overhand krijgen. Overtrokken gesteld verwordt de journalist zo tot een boodschappenjongen van het grote geld.

Om dit te overstijgen zou de journalist openlijk de geloofwaardigheid van stellingen moeten inschatten en de rol van bewust gecreëerde beeldvorming daarin blootleggen. Wijnberg negeert dat veel journalisten dit binnen de beperkte ruimte al wel proberen. Maar inderdaad zou je hem kunnen aanvullen door te stellen dat nu werkelijk alles om beeldvorming draait, dit imperatief simpelweg tot een van de eerste journalistieke geboden verheven moet worden.

Oplossingen?
Daarnaast wijst Wijnberg terecht op de overduidelijk afnemende kwaliteit. Zie de afzichtelijke zaterdagbijlagen van zowel het NRC, in handen van de winstzoekende investeringsmaatschappij Egeria, als de Volkskrant, waarin de lifestyleartikelen zijn geschreven om te passen bij de advertenties. Daarentegen is er voor onderzoeksjournalistiek nauwelijks ruimte meer. Alleszeggend is het door Maarten Keulemans geleverde cijfer dat er in de vier kwaliteitskranten in 1995 nog zesenzestig artikelen van 4.000 woorden of meer verschenen, en in 2010 nog slechts zeven. In plaats hiervan kwam niet alleen lifestyle, maar ook de alomtegenwoordige mening. Wijnberg liet turven dat de zes grootste kranten in een enkele week goed waren voor 449 columns en opiniestukken. 449! Ocharme.

Wat Wijnberg wenst is meer zelfreflectie van de jachtige journalistiek. De negentiende-eeuws aandoende ‘nieuwsfabriek’ dient grondig te worden hervormd. Hij pleit onder meer voor een grensoverschrijdende in plaats van nationale redactie-indeling (bijvoorbeeld: ‘redacteur energie’ in plaats van ‘redacteur Rusland’), meer benutting van de grotere mogelijkheden en lagere kosten van digitalisering en in plaats van het eindeloze herkauwen van nieuwsfeiten voor meer achtergrond- en contextverhalen aansluitend bij de actualiteit.

Zijn diagnose is juist en zijn aanzetten tot vernieuwingen prikkelen. Punt blijft: kan het? Een ideaal laat zich relatief gemakkelijk formuleren, maar het inbreken in bestaande mediastructuren is natuurlijk iets anders. Zullen voldoende mensen zich verbinden aan zijn nieuwe krant? Dit essay is degelijk en nuttig, maar vraag blijft of Wijnberg erin zal slagen een levensvatbare, digitale krant te vormen. Dán heeft hij iets werkelijk bijzonders gedaan.

Overstroming Europa

Recensie van Florian Illies (vert. Jan Bert Kanon) – 1913. Eerder verschenen 07-03-2013: http://www.8weekly.nl/artikel/10570/florian-illies-vert-jan-bert-kanon-1913-overstroming-europa.html

De herdenkingszucht is alom. Zeker herdenkingswaardig is het jaar 1913. Dat jaar liep over van ‘Europa’, van kunst, café, neurose en vernieuwingsdrift.

Het idee van een 1913-boek mag voor de hand liggen, de uitvoering ervan is natuurlijk een tweede. In zijn soort is de uitwerking van Florian Illies echter nagenoeg perfect. Illies (1971) is onder meer voormalige eindredacteur cultuur bij de Frankfurter Allgemeine en schrijver van boeken als Generation Golf, over de onverschilligheid en consumptiedrift van zijn eigen generatie. Ook 1913 straalt uit dat vroeger alles beter was, of in ieder geval: heftiger, gelaagder, poëtischer. Het is dat op 1913 1914 volgde, anders zou de lezer zonder aarzelen tekenen voor een Midnight in Paris-truc.

Berlijn, Parijs, Wenen, München (New York)
Even opgewekt als onnavolgbaar raust Illies door het door hem in maanden onderverdeelde jaar. Hij doet alle culturele en een paar politieke groten aan, vertelt anekdotes en grossiert in speelse heen-en-weerverwijzingen. Zo ontrolt hij een panorama van dé Europese cultuur, dat zich vooral afspeelt in de culturele hoofdsteden Berlijn, Parijs, Wenen en München (en aanstormend New York, met in 1913 de kunsttentoonstelling de Armory Show). De lezer wordt door Illies overladen met een (haast) ontstellende vloed aan kunstenaars, grootse culturele gebeurtenissen, baanbrekende werken, apocalyptiek, cafés, parken en promenades, neuroses, lyriek, psychoanalytische duidingen en grote liefdes.

Hoe recenseer je een overstroming? Volgens mij zo: bepalen hoe krachtig deze is en benoemen wat er zoal meegesleurd werd. Aldus: iedere maand krijgt van Illies een korte inleiding. Een voorbeeld van een deel van zijn introductie op de julimaand:

Alma Mahler vlucht naar Marienbad omdat Oskar Kokoschka huwelijksaangifte heeft gedaan. Hij troost zichzelf en zet het met Georg Trakl op een zuipen. Het blijft maar regenen. Iedereen wordt half krankzinnig in zijn hotelkamer. Maar toch: Matisse brengt Picasso een bos bloemen.

Liefde, neurose
De toon van dit citaat is kenmerkend. Tevens omvat het enkele van Illies’ hoofdthema’s. Zoals de grootse en verdoemde liefdes tussen Alma Mahler en Kokoschka, tussen Gottfried Benn en Elske Lasker-Schüler, Kafka en Felice Bauer, Georg Trakl en zijn zus Grete. Alle kunstenaars zijn of worden verliefd, maar bijna allemaal lijden ze ook aan neuroses – en de verregende zomer helpt niet in de bestrijding daarvan. Illies noteert ergens: ‘Lijden aan de moderne tijd: “Neurasthenie waarbij ook het hart een rol speelt”.’ Zelfs de in 1913 vijftienjarige Brecht heeft een zenuwkwaal. Overigens is zijn reactie daarop dezelfde als die van de meeste volwassenen: schrijven!

De nu genoemde namen verraden al: voor de Wereldoorlogen overheerste de Duitse cultuur. Denk enkel aan de Duitse expressionisten van Kirchner tot Marc, aan Mann (twee keer), Musil, Rilke, Jünger, Schnitzler, Freud, Jung en Schönberg. Andere voorbeelden van Illies’ onderwerpen: zowel Hitler als Stalin, die elkaar verbazingwekkend genoeg nooit ontmoetten, wandelden in januari 1913 bijna dagelijks door het park bij het Weense Slot Schönbrunn – zouden ze elkaar hebben opgemerkt? Of de voorbeelden die geschikt zijn om de ondefinieerbare Europese cultuur te definiëren: Stravinsky laat zijn Le sacre du printemps een nieuw begin inluiden, Ludwig Meidners visionaire Apocalyptische landschappen kondigen juist de komende catastrofe aan. Malevitsj jaagt de burger op de kast door met een pollepel in zijn knoopsgat door hartje Moskou te flaneren en Duchamp eindigt het jaar met wellicht de grootste aller provocaties: de eerste ready-made: Fietswiel op kruk.

Het volmaakte effect
Illies gebruikt sommige kunstenaars of gebeurtenissen als rode draden: Rilke met zijn vele vrouwen, de tot gekmakens toe piekerende Kafka, de Mona Lisa die nog steeds niet teruggevonden is. Nu kan dit al snel smakeloos worden, een geheel aan trucjes dat je na twintig pagina’s wel gezien hebt. Maar het knappe van dit boek is dat het geen moment verzandt in voorspelbaarheid of flauwiteiten. Het blijft verrassend, vol intrigerende of grappige anekdotes en opmerkelijke feiten en overeenkomsten.

Dit lukt Illies door zijn stijl en zijn fijnzinnige keuzes, maar vooral door zijn grote gevoel voor dosering. Hij weegt zijn woorden uiterst nauwkeurig. Bovendien past hij ervoor op niet te veel te citeren, en wanneer hij dat doet dan zijn het vaak niet al te bekende, altijd prachtige zinnen en gedichten. Aldus blijkt de overstroming ingedamd, en juist dat maakt de overvloed genietbaar. En zo sorteert Illies met 1913 het volmaakte effect: tegelijkertijd voedt het de lezer én houdt het hem hongerig.

Maar u hongert ook naar de overwinning!

Recensie van: Laurent Binet (vert. Liesbeth van Nes) – Niets gaat zoals verwacht. Eerder verschenen 26-02-2013: http://www.8weekly.nl/artikel/10550/laurent-binet-vert-liesbeth-van-nes-niets-gaat-zoals-verwacht-maar-u-hongert-ook-naar-de-overwinning.html

Na zijn virtuoze, bestsellende HhhH ging Laurent Binet op stap met de campagne van François Hollande, de huidige Franse president. Het verslag dat hij hiervan schreef, is doordrenkt met Binets eigenzinnige stijl.

De Nederlandse lezer die Hollande enkel kent van het tv-journaal zal waarschijnlijk hetzelfde denken als Binets eigen uitgever aanvankelijk dacht: ‘Dat wordt strontvervelend… hij is oninteressant, geen charisma, te saai.’ Ook de Fransen noemden hem ‘vlaflipje’, ‘bosaardbeitje’, belichaming van het ‘Weke Links’. Nu is Hollande inderdaad Heydrich niet, maar opmerkelijk en het beschrijven waard is hij wel degelijk.

West Wing-stijl
Van juni 2011 tot en met mei 2012 volgt Binet van dichtbij Hollandes verkiezingscampagne. Hij gaat mee met fabrieksbezoeken, zit aan bij diners en tactische besprekingen, registreert het gesteggel binnen de rommelige meerstromingenpartij de Parti Socialiste (PS) en praat met omcirkelende journalisten en politieke medestanders (onder wie veel huidige ministers). Het resultaat is een verhelderend West Wing-achtig dagboekverslag van het campagnegekrioel. Waarbij in de vertaling overigens een broodnodige ‘wie is wie in de Franse politiek’ is opgenomen.

Nu is Binet natuurlijk geen doorsnee-journalist. Typerend is zijn commentaar op de objectieve aanpak van de journaliste Yasmine Reza, die in 2007 met de Sarkozy-campagne meeliep: ‘Ik weet nu al dat ik niet tot een dergelijke distantie in staat ben.’ Zo kennen HhhH-lezers hem weer: Binet is geen fly on the wall.

Geschiedenis, of de 75 procent
Binets sympathie voor Hollande zweeft als die van de eerste de beste kiezer. Het ene moment wil hij Hollande stemmen en probeert hij herhaaldelijk taxichauffeurs over te halen dat ook te doen. Dan vlakt zijn enthousiasme af. Om vervolgens weer op te laaien, maar wel voor Jean-Luc Mélenchon, de presidentskandidaat van de nog linksere Front de Gauche. Hij raakt ontwapend – en ontwapent op zijn beurt de lezer – wanneer hij Melenchon uitvoerig hoort verwijzen naar een historisch congres in 1920: ‘Dat is het, ik wil op hem stemmen, het is sterker dan ikzelf, zodra er over geschiedenis wordt gepraat kan ik me er niet tegen verzetten.’

Hij schudt zijn wispelturigheid definitief af wanneer hij vlak daarna Hollande de langverwachte inhoudelijk linkse toespraak hoort geven (Hollande schijnt een sterk spreker te zijn). Diens aankondiging van maatregelen als de 75 procent belasting op het inkomen boven een miljoen begeestert zowel Binet als de socialistische aanhang.

Drie soorten kaas
Naast van de tactici, de idealisten en de baantjes- en prestigejagende figuren uit Hollandes entourage, schetst Binet ook een inzichtelijk beeld van het campagnevolgende journaille. Hij bekritiseert hun onhebbelijkheid om na afloop van een sessie hun aantekeningen op elkaar af te stemmen, om zich ervan te verzekeren niets te hebben gemist. Vanzelfsprekend levert dit een uniforme verslaggeving op. Deze uniformiteit wordt nog versterkt door eenzelfde blik: zo ziet Binet als Hollande een broodje eet verschillende journalisten rondom hem nauwgezet noteren: ‘Met drie soorten kaas.’

Tegenover de onmatige Nicolas Sarkozy werd Hollande natuurlijkerwijs gepresenteerd als de ‘normale kandidaat’. Dit kan misleiden, want Binets portret is dat van een gelaagde man. Gelijk iedere presidentskandidaat wil Hollande macht. Wat hem echter vooral kenmerkt is zijn figuurlijke taalgebruik en neiging om steevast wat milde ironie op de achtergrond te laten meeklinken. Hiermee lijkt Hollande afstand te houden ten opzichte van de menselijke komedie. Verder blijkt Hollande een improvisator – tot wanhoop van zijn adviseurs – en besteedt hij vele uren aan het (her)schrijven van zijn toespraken.

De judoka Hollande
Opvallend zijn ten slotte zijn replieken. Hollande is een judoka; hij gebruikt de kracht van de tegenstander, incasseert de aanval, ‘slorpt ze op en gebruikt ze als eigen munitie’. Het boek wemelt van de elegante voorbeelden hiervan. Geconfronteerd met de uitspraak van een tegenstander: ‘Eerlijk is eerlijk, kunt u zich Hollande als president voorstellen? Een droom’, reageert Hollande: ‘Ja, ik onthoud dat woord: het is een mooie droom. Ik ben blij dat hij ook droomt.’

Schitterend toch? Een net iets ander voorbeeld:

Een jongeman in de menigte roept: ‘We hebben honger!’ Hij [Hollande] concludeert op komisch-gaullistische wijze: ‘U hebt honger, ik weet het, maar u hongert ook naar de overwinning!’ (bijval van de menigte).

De titel Niets gaat zoals verwacht is raadselachtig. Die citeert Hollandes reactie wanneer hij hoort van de val van Dominique Strauss-Kahn. Verwijst hij tevens naar de onverwachtheid van zijn uiteindelijke overwinning? Naarmate die dichterbij komt – verkiezingsdatum: 6 mei 2012 – schrijft Binet zichzelf minder in de tekst. Dat is jammer, want het was juist de spanning tussen zijn campagneregistratie, zijn waardering daarvan en zijn belevenissen die dit boek levendig maken. De waardering blijft overeind: een origineel verslag, fijn ingekleurd door Binets eigenzinnige stijl en Hollandes charmante karakter.

Woorden? Ja hoor, woorden!

recensie van: Joris Note – Wonderlijke wapens. eerder verschenen 22-02-2013: http://www.8weekly.nl/artikel/10540/joris-note-wonderlijke-wapens-woorden-ja-hoor-woorden.html

Wonderlijke wapens is een uiterst subversief boek. Het bolt op van de verrassingen: van poëtische woede en van schrijversrevoltes tegen de status quo.

In elk van de nauw samenhangende essays belicht de Belg Joris Note (1949) een schrijver die de literaire taal – het ‘wonderlijke wapen’ – inzet om een laakbare politieke toestand te bekritiseren. Politiek heeft hier weinig van doen met het parlementaire handwerk. Nee, politiek is dat wat de bestaande regels ter discussie stelt. In ieder essay zoekt Note, romanschrijver en criticus, naar een punt waar literatuur politiek wordt of (soms) politiek literair; waar beide grootheden samenkomen als ruziezoekers, openbrekers van toestanden, als vernielers en vernieuwers.

Majestueus Frans
Het is onvermijdelijk dat dit wat vaag klinkt. Laat me ter verduidelijking Notes beste en mooiste voorbeeld van een schrijver die het ‘wonderlijke wapen’ hanteerde wat uitvoeriger behandelen. In verschillende essays beschrijft Joris Note de in Nederland maar weinig bekende Aimé Césaire. Geboren te Martinique zocht deze volksvertegenwoordiger, dichter en (toneel)schrijver de juiste verhouding tot het kolonialistische Frankrijk. En vooral tot het idioom van dat land. Césaire beoogde een kritiek te leveren op de hypocriete koloniale rationaliteit die de Afrikaanse eigenheid huldigde, zonder de Afrikaan rechten toe te kennen. Juist die Afrikaansheid maakte dat de Afrikanen er nog niet klaar voor zouden zijn. Wilde de Afrikaan rechten, dan moest hij zijn eigen cultuur loochenen en Frans(er) worden.

Aimé Césaire

En Césaire schreef in het Frans. Want het Creools, zijn oorspronkelijke taal, miste de gelaagdheid om te kunnen uitdrukken wat hij wilde zeggen. Als gevolg hiervan loerde het gevaar van assimilatie. Maar Césaire vond een uitweg, en die is poëtisch overweldigend: hij ging een dusdanig complex, precies en majestueus Frans spreken dat ‘zelfs de Fransen hem niet meer begrepen’.

Zijn aristocratische, geheel eigen taal overvleugelde het overheersende idioom en schiep daarmee de ruimte tot kritiek. Hoe nodig dit was, blijkt uit voorbeelden waarin Franse parlementariërs Césaire toebijten dat hij de Fransen wel wat dankbaarder mag zijn. Tegen deze combinatie van blanke hoogmoed en gebrek aan schuldbewustzijn dicht Césaire woedend:

Architect met de blauwe ogen
Ik daag je uit

Pas goed op architect want de Rebel zal niet sterven zonder
Iedereen duidelijk te maken dat jij de bouwer bent van een wereld vol pestilentie.

Wondrooswoorden: taalmaker en taalconsument
Nu bestaat niet alleen de koloniale, maar iedere maatschappij uit taalmaker en taalconsument. Telkens weer roepen Note en de door hem aangehaalde schrijvers – onder wie Ezra Pound, Herman Gorter, de speechende Congolese premier Patrice Lumumba – op tot verzet tegen dit taalconsumentisme. Hier steekt Note definitief zijn rebelse kop op: wanneer een individu zich onttrekt aan het consumentisme, dan noemt hij dat een verzet tegen de status quo en daarmee een politiek schandaal.

Authentiek taalgebruik heeft dus altijd een politieke implicatie. Zoals een dichter-rebel het zegt in een toneelstuk van wederom Césaire (dat te mooi is om niet te citeren):

Vergeefs laat u in de lauwheid van uw keel twintig keer dezelfde armetierige troost rijpen dat wij mompelaars van woorden zijn.

Woorden? Als wij stukken wereld hanteren, als we met geëxalteerde continenten trouwen, als we rokende poorten forceren – woorden, ja hoor, woorden! Maar woorden van vers bloed, woorden die vloedgolven zijn en wondroos en malaria en lava en bosbranden, en vlammend vlees en vlammende steden…

Met Césaires antikoloniale strijd sympathiseren is gemakkelijk voor de moreel comfortabele 21e-eeuwse lezer. Voor ons zijn waarschijnlijk de werkelijke wondroos- en malariawoorden de uitingen van populismestemmers en de reaguurders van Geen Stijl. Terzijde: voor een Nederlandse lezer bezit het Vlaams van Note, met net dat tikkeltje meer flamboyance ook iets heel eigens – en dús politieks.

Schoppen tegen Pauw & Witteman
Voor Note is gelijkheid de politieke essentie, en om dat te bereiken moet de zwijgende het woord nemen. Veelvuldig, onder meer bij Gorter en in de Mariken van Nieumeghen, draait het om het leren van de ongeschoolde, de verheffing van Mariken, de zwarte of de arbeider. Dit helpt het individu een andere, meer democratische (taal)wereld binnen. Overigens wordt dit thema, aangekomen bij de laatste essays, wel wat voorspelbaar.

Note deelt ferme schoppen uit tegen de consensusmaatschappij, tegen de Pauw & Witteman-opinies. Zo bekritiseert hij op aannemelijke wijze David van Reybroucks Congo. Een geschiedenis, dat door de hele wereld in gezellige harmonie werd bejubeld (zie ook mijn recensie). Uitstekend, dit schoppen waar te weinig geschopt wordt.

En ‘echte’ literatuur schopt altijd. Want haar stem is authentiek en dus politiek schandalig. Mede daarom stelt Note boudweg dat mensen meer moeten lezen. Schiet maar raak: uitgekauwd, naïef, paternalistisch? Ook die predicaten hebben iets gemakzuchtigs. Notes oprechte idealisme heeft zeker ook iets verfrissends. Het is goed dat in deze gedesillusioneerde wereld (op literatuurgebied tenminste) iemand af en toe dit blijft benadrukken: dat de literatuur een loswoeler is, het onzichtbare zichtbaar maakt en daarmee een wapen kan vormen tegenover de zelfvoldane tweeling van politieke status quo en versteende taal.

Rabobank-doping: zonde én zegen

(een ingekorte versie van dit stuk – zie ook elders op deze site – is in januari 2013 verschenen in de papieren versie van Trouw).

Het onthullende NRC-artikel ‘Een ploeg als zovele’ (19-01) onderscheidt zich van veel andere dopinggerelateerde stukken als buitengewoon inzicht- en begripsrijk. Het geeft weer hoe de Rabobank wielerploeg tot 2007 het dopinggebruik van een deel van de wielrenners faciliteerde.
Het meest verhelderend vond ik de beschreven opmaat tot het dopinggebruik. Het in 1996 met hoge verwachtingen opgezette Rabobank wielerproject dreigde al snel te falen: keer op keer werden de Rabo’s weggefietst. Het was ‘cyclisme à deux vitesses’. Zowel oorzaak als oplossing was duidelijk: epo. De keuze ging tussen wielerdroom en eigen integriteit. Iedere Raborenner maakte die keuze voor zichzelf: het eerste, het tweede, of ‘iets er tussenin’. De keuze voor het eerste, voor doping, was tevens de keuze te kunnen wedijveren met de top.
Deze vaststelling leidt tot de simpele en realistische, maar tot nog toe ongehoorde gedachte: de keuze voor doping van een aantal Rabobankrenners heeft het Nederlandse wielrennen gered. Ik heb bewondering voor de renners die doping afwezen, maar ben tevens blij dat andere renners wel voor epo en dus voor een wielertoekomst kozen.
Ter verheldering: vanzelfsprekend moet het dopinggebruik in het wielrennen worden veroordeeld, zeker de stelselmatige manier waarop dit tot en met 2007 plaatsvond. Niettemin had de dopingkeuze van de Rabobankwielrenners positieve effecten die nog altijd doorwerken.
Want hadden ze dit niet gedaan, dan was het Nederlandse wielrennen toen én nu gemarginaliseerd. Dan was de huidige dopingvrije en zeer talentrijke lichting – van Gesink en Mollema, Boom en Poels – er in deze vorm niet geweest. Zonder doping was er destijds een neerwaartse spiraalbeweging ingezet: zonder doping geen prestaties, zonder prestaties geen sponsorgelden, tv-minuten, publieke bewondering en navolging van kinderen. Een moreel en fysiek ‘zuiver’ Nederlands topwielrennen was simpelweg doodgebloed, waarna het in dopingvrij(er)e tijden niet een-twee-drie had kunnen herrijzen.
Naast deze miskenning van de doping- en prestatienoodzaak is er nog een tweede aspect. Net als vele andere wielerliefhebbers, aanhangers van dwaze romantiek, meen ook ik dat de zinsbegoocheling bij het wielrennen hoort. Maar in het epo-tijdperk was het bedrog allesoverheersend. Lance Armstrong kan ook daarvoor symbool staan: te rationeel, te dwingend – dus onromantisch. Zowel sportief, moreel als esthetisch lovenswaardig is dan ook de zich nu voltrekkende loutering van de mooiste aller sporten.
En ja, de publieke veroordeling van het vroegere dopinggebruik is een noodzakelijk deel van deze loutering. Maar het simplistische gemoraliseer van vele media, waarin momenteel de gevallen ‘boss’ trending topic is, is niet alleen smakeloos, maar ook schadelijk voor die loutering. Een harde en heldere veroordeling dient met begrip van de achterliggende menselijke motivatie gepaard te gaan, en niet met verwoestend moralisme.
Het betreffende NRC-artikel, aangevuld met Thijs Zonnevelds interview met ex-gebruiker Thomas Dekker, wijst hiervoor de juiste weg. Dekker was de beste belofte van de wereld – eindelijk weer een potentiële Nederlandse tourwinnaar! –, maar werd bij de profs voorbijgebromd door volstrekt onbekende Italianen. Hij zegt: “ik wilde erbij horen, ik wilde winnen”. Evenals de Rabobankploeg in 1996 besloot Dekker te doperen, en zo de strijd weer gelijk te trekken. Moreel laakbaar, ja, maar ook zeer begrijpelijk. Wat zou de gemiddelde 22-jarige doen, beland in een wereld waarin dit ‘normaal’ is, gewend aan ophemeling en zonder goede begeleiding?
Of denk aan huidig Eurosport-commentator Danny Nelissen, wiens dopingbekentenis (vk.nl 19/01) in de slipstream van het NRC-artikel volgde. Hij verklaart: “Ik had geen diploma. Ik was bang dat ik mijn vrouw en kinderen niet zou kunnen onderhouden.” Wederom: verkeerd, maar o zo begrijpelijk.
Naast de publieke veroordeling kan het begripsvolle blootleggen van de mechanismen leidend tot de dopingkeuze, à la de NRC, helpen om herhaling te voorkomen. Tevens helpt dit het louteringsproces nog op een andere wijze: het kan namelijk de zo gewenste nieuwe bekentenissen in de hand werken. Neem het geval-Boogerd, Nederlands meest succesrijke wielrenner van de afgelopen twee decennia. In verschillende reacties erkent hij dopinggebruik, zonder dit daadwerkelijk te zeggen (‘Ik kan het op dit moment niet uitleggen, daar heb ik mijn redenen voor’). Hij lijkt vooral bang voor gemoraliseer en onbegrip, en begrijpelijkerwijs voor de effecten ervan op de rest van zijn nog steeds om het wielrennen draaiende leven. Meer begripsvertoon en dus minder simplistisch gemoraliseer kan hem, onder anderen, het benodigde laatste zetje geven. Laten we dus zijn waarschijnlijke dopinggebruik veroordelen, maar Boogerd zelf niet volledig afvallen. En laten we bovenal niet vergeten dat hij tien jaar lang het Nederlandse wielrennen heeft gekleurd – en daarmee heeft gered. Dat ook hij er vermoedelijk voor koos zich te doperen en dus competitief te zijn, is zowel een zonde, als een zegen.
Wij, toeschouwers, wilden dat de Rabowielrenners vooraan meestreden. En terugblikkend: hadden we het werkelijk anders gewild? Zo was het hoogstwaarschijnlijk: enkel door net als de anderen doping te gebruiken kon Boogerd op La Plagne winnen, tientallen podiumplaatsen in de klassiekers halen, kon Thomas Dekker de Tirreno en Romandië winnen, verblufte Erik Dekker met drie zeges in de Tour van 2001. En deze prestaties hielden de aandacht van media, publiek en sponsors vast en maakten dat een nieuwe generatie stond te trappelen (te pedaleren) om over te nemen. Niettegenstaande alle huidige publicitaire schade en schande is dit wat zij, wielrennende dopingzondaars, óók voor elkaar hebben gekregen. Dat wilde ik eens aanstippen.

Amos Oz – Onder vrienden

Eerder verschenen (25-01-2013) http://www.8weekly.nl/artikel/10468/amos-oz-vert-hilde-pach-onder-vrienden-onder-kibboetsnik.html

Onder kibboetsnik

Recensie Amos Oz (vert. Hilde Pach) – Onder vrienden

Amos Oz is de Israëlische meester van weemoed en mededogen. Hier getuigt Onder vrienden weer van; een bundel korte, fijnzinnige kibboetsverhalen.

In Nederland verwierf Oz faam met boeken als Black box, Mijn Michaël en bovenal met het wonderschone Een verhaal van liefde en duisternis. Dit autobiografische epos is gevuld met begrip voor de dwaze mens, met begrip van een kind voor zijn ouders, van de Israëliër voor de Palestijn. Het deed de lezer dromen dat – evenals de Belgische rechter die een hardrijder ‘veroordeelde’ tot het lezen van Van der Heijdens Tonio – een opperrechter in Israël/Palestina iedere Israëliër en Palestijn zou dwingen Een verhaal van liefde en duisternis te lezen. Zonder enige twijfel zou zo’n maatregel de oplossing van het Midden-Oostenconflict een stuk dichterbij brengen.

Kibboetsleven
De verhalen in Onder vrienden (oorspronkelijk Been chaveriem, omgezet door Oz’ vaste vertaler Hilde Pach) zijn miniaturen van dat epos. Ook deze worden gekenmerkt door een sfeer van warmte en weemoed, begrip en verdriet om hoe de mens en de wereld blijkbaar werken. Een personage peinst veelzeggend ‘dat de meeste mensen behoefte hadden aan meer genegenheid dan er voorhanden was’. De verhalen haken in elkaar en spelen zich af in een kibboets ergens in de jaren vijftig/zestig.

Het op het oog overzichtelijke leven in de kibboets – waarin Oz zelf ook jaren woonde – is doortrokken van het gelijkheidsprincipe. Dit resulteert enerzijds in een grote saamhorigheid, in naastenliefde en een tot jaloersmakende eenvoud leidende taakverdeling. Anderzijds werkt de hechte gemeenschapsvorm benauwend – ook de lezer hapt soms wat dikke lucht – voor de ‘kibboetsnik’ die afwijkt, die eenzaam is of verlangt naar andere werelden. De regels zijn streng, want het collectief gaat voor alles, en roddel, spot en een sporadisch opspelende dubbele moraal kunnen sommige levens vergaand veronaangenamen.

Het op zijn minst vertellen
Te midden van dit hechte samenleven beschrijft Oz de meer onaangepaste figuren. Zoals Tsvi Provizor, die aan wie maar in de buurt is het laatste wereldnieuws over rampen en ongelukken mededeelt: ‘Doen kunnen we maar heel weinig. Dus we moeten het op zijn minst vertellen.’ Of de getalenteerde, gevoelige veellezer Mosjee Jasjan die, hoe graag hij het ook zou willen, als gevolg van zijn sensitiviteit niet werkelijk kan integreren in de warme, maar bijna-totalitaire kibboetsstructuur. Mosjee is heimelijk verliefd, maar ook het betreffende meisje Karmela blijft buiten zijn bereik, zo drukt Oz schitterend uit in de volgende zin:

Eén keer had Karmela tussen de lamp en de muur met een van de meisjes staan praten en hij was daar voorbijgelopen en had met zijn vingers haar schaduw gestreeld. Na die daad had hij de halve nacht wakker gelegen.

In hoog tempo volgen dit soort kalme, schitterende zinnen elkaar op. Ergens schrijft Oz omineus ‘Het zou gecompliceerd en troebel worden.’ Om direct erna te vervolgen: ‘De kleur van de hemel was paarszwart, terwijl de wolken die werden voortgestuwd door de wind zwaar en donker leken.’ Deze sfeer tekent de elementaire en indringende kracht van Oz’ verhalen.

Het kinderhuis
In één verhaal worden de slechte voortekens ondubbelzinnig ingelost. Dit speelt zich af in het kinderhuis, een weerzinwekkend experimenteel toppunt van de gelijkheidsgedachte. Van jongs af aan slapen hier de kinderen gezamenlijk. Met als gevolg dat voor de meest gevoelige en fysiek zwakste schepseltjes een hel dreigt, onderworpen als ze zijn aan de ‘s nachts vrij tierende wreedheid van enkele anderen.

Oz toont hoe in het kinderhuis de verwoesting van het leven van een vijfjarige jongen in gang wordt gezet. Hulp van buiten blijft uit. Want de liefhebbende maar zwakke vader kan niet op tegen de kibboets, en de moeder op haar beurt heeft het zichzelf gemakkelijk gemaakt door haar voelen en denken uit te schakelen, en zich voor iedere kwestie te verlaten op de gelijkheidsdogma’s. Welke verschrikkingen daarna voor de jongen volgen, laat Oz aan de heftig aangezwengelde verbeelding van de lezer over.

De mens als mens
In alle verhalen overheerst een weemoedige sfeer. De zachte beschrijving van de dwaasheid en de tragiek van de levens waarin geen genegenheid is, van hen die de kracht of het geluk ontbeerden genegenheid te zoeken, te vinden of te behouden.

Hiermee contrasteren de mensen die, ongeacht hun persoonlijke geluk, wél onafhankelijk en liefdevol zijn. Op hen is de door een personage aangehaalde spreuk niet van toepassing: ‘de mens is ook maar een mens, en ook dat maar heel af en toe’. Voor veel anderen geldt dit juist wel. Het is deze verscheidenheid aan schipperende mensen, de verscheidenheid aan tragiek en kracht, die Oz vermag uit te beelden.

Doping bij Rabo redde het Nederlandse wielrennen

Eerder verschenen in Trouw (papieren editie), 24-01-2013

Mijn eerste Tour de France volgde ik als jongetje van tien. Het was 1996, een cruciaal jaar, achteraf. De met hoge verwachtingen opgezette Nederlandse wielerploeg, dreigde te worden weggefietst door de concurrentie. Zowel oorzaak als oplossing waren duidelijk: epo. De keuze ging tussen wielerdroom en integriteit.
Het is misschien een ongehoorde gedachte, zoveel jaar later. Maar de keuze voor doping van een aantal Rabobankrenners heeft het Nederlandse wielrennen gered. Ik heb bewondering voor de renners die doping afwezen, maar ben blij dat andere renners wel voor epo en dus voor een wielertoekomst kozen.
Vanzelfsprekend moet doping worden veroordeeld, zeker de stelselmatige manier waarop dit tot en met 2007 plaatsvond. Niettemin had de dopingkeuze van de Rabobankwielrenners positieve effecten die nog altijd doorwerken.Want hadden ze dit niet gedaan, dan was het Nederlandse wielrennen toen én nu gemarginaliseerd. Dan was de huidige dopingvrije en zeer talentrijke lichting – van Gesink en Mollema, Boom en Poels – er in deze vorm niet geweest. Zonder doping was er een neerwaartse spiraalbeweging ingezet: geen prestaties, geen sponsorgelden, geen bewondering. Een moreel en fysiek ‘zuiver’ Nederlands topwielrennen was simpelweg doodgebloed.
Het is goed dat zich nu een loutering voltrekt in de mooiste aller sporten. Inclusief de publieke veroordeling van het vroegere dopinggebruik die daar bijhoort. Maar er moet ook begrip blijven voor de achterliggende, al te menselijke motieven van de wielrenners. Ex-gebruiker Thomas Dekker was een internationale belofte – eindelijk weer een potentiële Nederlandse tourwinnaar! – maar werd bij de profs voorbijgebromd door volstrekt onbekende Italianen. Net als de Rabobankploeg in 1996 besloot Dekker te doperen en zo de strijd weer gelijk te trekken. Moreel laakbaar, ja, maar ook zeer begrijpelijk. Ook Danny Nelissen gebruikte doping. Wederom: verkeerd, maar o zo begrijpelijk.
Wij, toeschouwers, wilden dat de Rabowielrenners vooraan meestreden. Dankzij doping zouden de Nederlandse wielrenners de door ons bewonderde prestaties behalen. Ondanks de huidige schade en schande is dit wat zij, wielrennende dopingzondaars, óók voor elkaar hebben gekregen.

Christiaan Weijts – Euforie

Recensie van Christiaan Weijts – Euforie

Oorspronkelijk verschenen 05-12-2012: http://www.8weekly.nl/artikel/10390/christiaan-weijts-euforie-teken-het-uit-vul-de-ruimte.html

Teken het uit. Vul de ruimte

Johannes Vermeer is een kunstenaar. Een tautologie? Nee, want het betreft hier niet de schilder, maar de hoofdpersoon, een idealistisch architect anno 2012, van Euforie. Deze roman laveert tussen Vermeers bildung, zijn kunstenaarschap en de banaal-frivole maatschappij. 

Het boek begint allerminst frivool: Vermeer belandt op de plaats van een terroristische aanslag. Daar aangekomen draagt hij een gewonde man weg en vangt hij en passant een glimp op van Isa, een meisje op wie hij op zijn zestiende verliefd was. Het vormt een dubbel startpunt: Vermeer en zijn architectenbureau dingen mee in de strijd om het ontwerp van het herdenkingsmonument (er zijn 43 doden) en de aanblik van Isa zet Vermeer ertoe aan om zijn jeugdherinneringen op te schrijven.

Buitenwereld maakt binnenwereld
Maar deze groots opgezette roman – de derde van Christiaan Weijts, na de bekroonde werken Art 285b en Via Cappello 23 – bevat nog veel meer. Weijts schetst de tijdsgeest, zowel de huidige als die van Vermeers puberjaren rond 1990. Daarbij tiert Vermeer constant, en vaak tot vervelens toe, tegen allerlei maatschappelijke tendensen, van de eurocrisis en het alom geldende ‘frivoliteitscriterium’, tot het gedegenereerde aangezicht van veel Nederlanders. Vervolgens portretteert hij treffend het algemene geval van ‘de puber’ dan wel ‘de architect’. En hij beschrijft, ten slotte, de ontwikkeling van het specifieke karakter van de puber en architect Vermeer.

Om onduidelijke redenen vertelt Vermeer iedereen pas een half jaar ná de aanslag over zijn reddersrol erin, en dan ook nog in een verdraaide versie. Net als enkele andere romangebeurtenissen voelt dit wat kunstmatig. De lezer ziet van mijlenver aankomen wat er dan gebeurt: Vermeers kleine leugen, volgend op zijn aanvankelijke zwijgen, krijgt het effect van een sneeuwbal – een die aan onverwachte zijde de berg afdendert.

Starchitect
Dat sneeuwbaleffect – hij wordt beroemd (‘starchitect’), ontvangt een doodsbedreiging, zijn vrouw verlaat hem, zijn architectenbureau raakt in moeilijkheden et cetera – treedt onafhankelijk op van de bildung van de architect Vermeer. Hij is de ideale architect, zowel bouwkundige als kunstenaar. Zijn dromen zijn verheven, zowel esthetisch als functioneel prachtig. Immers: ‘Buitenwereld maakt binnenwereld.’ Vermeer maant zichzelf tot nieuwe daden en herinnert zich het euforische gevoel van het creëren:

Je moet er even doorheen en dan – wham! – dan grijpt die ruimte je bij de keel en rilt die overal om je heen. Waar blijf je, Johannes Vermeer? Jij die leegte wilt temmen en steden wilt bouwen? Stéden zeg je? Waar blijven de myriaden zuilengangen van dauwlicht, de gewelven die de wolken tot voetveeg degraderen? Teken het uit. Vul de ruimte. Schud de wateren.

Iedere architect is megalomaan; hij dringt generaties mensen zijn ontwerp op. Net als in Houellebecqs laatste, De kaart en het gebied, reflecteert Vermeer inzichtelijk op architectuur: ‘De consolidatie van onze doodstrijd.’

Een cynische klootzak
Weijts ondergraaft in schuingedrukt weergegeven gedachtezinnetjes het mooie, maar clichématige beeld van Vermeer als de ideale kunstenaar. Waar Vermeers handelen weinig opzien baart, worden zijn explosieve gedachten gekenmerkt door een ontevredenheid met alles en iedereen. Het is nog begrijpelijk dat hij de beperkende praktijk verwenst die de realiseerbaarheid van zijn architectonische ontwerpen in de weg zit – zoals ideeën van de gemeente betreffende het herdenkingsmonument, of opdrachtgevers die eigenlijk gewoon het kindgetekende huis voorzien van puntdak plus schoorsteen wensen.

Maar zijn elitaire en cynische tirades richten zich breder en zijn vooral verongelijkt, opgefokt en vulgair. Het lijkt erop dat Vermeer met dit fulmineren in zichzelf een verdedigingswal optrekt tegen een door geld en banaliteit geregeerde wereld, waarachter zijn kunstenaarsziel kan overleven. Het maakt hem zowel intrigerend als een klootzak. Tevens leidt het ertoe dat de lezer met spanning anticipeert op een climax, het moment dat Vermeers handelen zijn ontspoorde gedachten zal volgen.

Kom mee
Veelvuldig worden passages uit het heden afgewisseld met passages uit Vermeers middelbare schooltijd. Aanstekelijk portretteert Weijts de zestienjarigen en de hun kenmerkende cocktail van onzekerheid en ongebreidelde verwachting, drank en meisjes, Rimbaud en The Doors. En te midden van dit pubergeraas en zijn verliefdheid op Isa ontluikt Vermeers kunstenaarsdroom.

Die passages haken in op het bildungsthema, al is Vermeer als zestienjarige meer hormoon- dan kunstgedreven. Terug in 2011 ontwikkelt hij zijn kunstenaarschap ten volle; zijn verdedigingswal lijkt gaandeweg overbodig te worden. Met als gevolg dat de grote ontsporing uitblijft. Althans, de ontsporing volgt wel, maar het is de tjokvolle roman, en niet Vermeer, die door zijn kunstmatige hoeven zakt. Wanneer de literair jongleur Weijts op het einde de talrijke in de lucht gehouden ballen terug naar de ballenbak wil dirigeren, blijkt dit ondoenlijk. De roman blijkt te vol, de compositie te krampachtig. Dodelijk is bovendien dat Weijts op driekwart onbedoeld iets prijsgeeft wat pas aan het einde volledig moest worden onthuld. 

Gemakkelijk gezegd natuurlijk, maar wat Weijts had moeten doen was het schrappen van enkele verwikkelingen en vooral van Vermeers reflecties op de maatschappij. Het is jammer dat hij dat niet gedaan heeft, want sommige delen zijn verrassend, inzichtrijk en leuk gevonden. Speciaal vermeld moet het intieme en vaart gevende ‘kom mee’, soms ingevoegd als Vermeer springt van de ene herinnering naar de andere. Dit alles maakt het Euforie tot een potentieel prachtboek – maar in de praktijk is het te vol, te chaotisch.

Leo H. M. Wessels en Toon Bosch (red.) – Nationalisme, naties en staten

Recensie van Leo H. M. Wessels en Toon Bosch (red.) – Nationalisme, naties en staten

Oorspronkelijk verschenen 26-11-2012: http://www.8weekly.nl/artikel/10372/leo-h-m-wessels-toon-bosch-red-nationalisme-naties-en-staten-een-europese-gedeelde-ervaring.html

Een Europese gedeelde ervaring

De ontwikkelingen in de Europese geschiedenis hebben elkaar de afgelopen twee eeuwen almaar sneller opgevolgd. Van Napoleon naar 1848 tot de oercatastrofe van de Eerste Wereldoorlog en het recent opgelaaide verzet tegen immigratie en de EU – er is steeds één constante, hoewel in een veelvoud aan verschijningsvormen: het nationalisme. 

Dit moderne Europese verhaal is vooraleerst het verhaal van naties op zoek naar een staat en staten op zoek naar een natie. En van burgers die zich via taal, cultuur en rituelen verbonden voelen aan de natiestaat, of zelfs willen sterven ter meerdere eer en eeuwige glorie van de nationale gemeenschap. Doordat het nationalisme kameleontisch is, kan het alomtegenwoordig zijn. Want het nationalisme, met wortels in zowel de Verlichting als de Romantiek, kent gematigde en rabiate vormen, is samengesmolten met en weer ontkoppeld van alle ideologieën, trad op in wisselwerking met internationale én regionale tendensen en heeft zowel de voorwaarden voor nieuwe ontwikkelingen geschapen als het verzet daartegen vormgegeven.

Wat is een natie?
Dit duizendkoppige verhaal van het Europese nationalisme is nu, onder redactie van de aan de OU verbonden cultuurwetenschappers Leo Wessels en Toon Bosch, opgetekend in één enkele Nederlandstalige uitgave. De poging is al lovenswaardig, en ook het resultaat kan niet anders dan op die manier beoordeeld worden. Om te beginnen met de liefdevolle verzorging: op de bijna 700 pagina’s wordt de lezer regelmatig wat lucht gegund door de vele illustraties. Die hebben ook inhoudelijk toegevoegde waarde doordat ze de wisselwerking tussen cultuur en politiek verbeelden. Nog bijzonderder is dat er twaalf losse kaarten zijn bijgevoegd waarop ontwikkelingen van een bepaalde periode worden gevisualiseerd, van de mate van industrialisering tot demografische veranderingen.

Iedere meeschrijvende auteur neemt een of twee tijdsvakken voor zijn rekening. Daarnaast is er een helder overzicht door Arnold Labrie (Universiteit Maastricht) van de gecompliceerde historiografie en mogelijkheden tot analyse van het nationalisme. Nauw verwant aan de toegenomen maatschappelijke aandacht voor het nationalisme en de nationale identiteit, is ook in de geschiedwetenschap de vraag naar de fascinerende aard van het nationalisme – in Ernest Renans beroemde variant: ‘Qu’est-ce qu’une nation?’ – weer in het centrum geschoven. Is de natie een onontkoombare realiteit, een ‘verbeelde’ gemeenschap en/of een ‘invented tradition’? En hoe is het mogelijk dat miljoenen mensen hun leven willen geven voor de abstractie die de natie toch is?

En nu moeten we Italianen maken!
Het nationalisme is overwegend modern. In sommige gevallen is er ook voor 1789 een vorm van nationalisme aanwijsbaar, maar dan maakte het na het kenteringsjaar een kwalitatieve sprong. Dit gebeurde in een hecht verband met moderniseringsprocessen als industrialisering en de maatschappelijke integratie van bevolkingsmassa’s. De debatten hierover zijn complex: voor de intrigerende twist, haarkloverij en nuance zie Labries beknopte overzicht.

Het boek is bovenal een Europese ideeëngeschiedenis, van het gematigde, insluitende nationalisme tot Schneckenburgers ‘volkslied’ Die Wacht am Rhein. Het politieke principe van het nationalisme stelt dat staat en natie idealiter samenvallen. Nu bestaat het negentiende-eeuwse nationalisme uit veelsoortige pogingen precies dat te realiseren: staten als Engeland en Frankrijk probeerden van bovenaf, via lager onderwijs en het leger de bevolking te homogeniseren. Dit is de zwart-wit weergegeven ‘schone’ standaardvariant.

De meeste nationalismetrajecten zijn echter een stuk kronkeliger of vuiler: de gemankeerde ‘verspätete Nation’ Duitsland ontstond pas in 1870, toen de zogenoemde Kultur- en Staatsnation al uit elkaar waren gegroeid. Het Habsburgse Oostenrijk-Hongarije wilde vooral blijven wat het was, namelijk een ‘Vielvölkerstaat’, en probeerde daartoe een overkoepelende identiteit te bewerkstelligen. Onderwijl was er een staat ontstaan met de naam Italië, echter zonder dat er Italianen waren (waarop een vooraanstaand politicus de logische conclusie trok: ‘En nu moeten we Italianen maken’).

Oorlog en vrede
Aan de vooravond van de grote volkenslachtpartij is de ontstellende ironie dat waar al die natiestaten er via nationale symbolen en herdenkingen steeds meer werk van maakten om hun eigenheid te benadrukken, ze juist steeds meer op elkaar gingen lijken. (Het lijkt de huidige authenticiteitscultus van het individu wel!) Natuurlijk zonder zich er bewust van te zijn, deelden al deze zichzelf zo verschillend vindende nationale burgers één ervaring.

De Eerste Wereldoorlog splijt de multinationale rijken. Terecht klaagt Patrick Dassen in zijn bijdrage de finalistische geschiedschrijving aan en stelt hij dat het geenszins onvermijdelijk was dat het nationalisme overal de bovenhand kreeg. Maar niet na 1918, maar na 1945 is de grote ‘ontmenging’ van Europa verwezenlijkt: pas na de ‘bevolkingspolitiek’ van Hitler en Stalin, de ‘zuiveringen’ van naties, vielen Europese nationale gemeenschappen en staatsgrenzen inderdaad zo goed als samen. De naargeestige conclusie luidt dat het niet alleen het project van Europese samenwerking was die de 67 jaar Europese vrede veiligstelde. Het was de genocidale politiek van de dictators die simpelweg de mogelijkheid wegnam tot nationale of etnische conflicten in de decennia nadien. Met overigens twee veelzeggende uitzonderingen: de Sovjet-Unie, en vooral Joegoslavië.

Meervoudige naties
En waarop baseert Nederland – dat immers als een kleine staat bij voorbaat kansloos is in het statenwedstrijdje nationale macht en glorie meten – zijn (‘onze’) nationale identiteit? Op de Nederlandse ‘gewoonheid’, of stiekem nog altijd op het idee van Nederland gidsland? Deze recent opgelaaide discussie is een gebed zonder einde, want:

Elk vaderland [verschijnt] in feite in het meervoud (…) De natie is principieel ‘betwist’; zij vormt de inzet van een debat zonder einde en is in die zin een eeuwige Unvollendete.

Inmiddels is het iedereen wel duidelijk dat het nationalisme zal blijven bestaan. De ‘post-war parenthesis’ (Tony Judt) van de Koude Oorlog verdrong het nationalisme enkel uit het zicht, maar deed het geenszins verdwijnen. Evenmin is gezegd dat de ontwikkeling van de EU tot die verdwijning leidt. Want dit Europese project kan ook ten dele gezien worden als de manier waarop de Europese natiestaten kunnen overleven in een groter wordende wereld. Wel wijst het hierop: zowel in de partijpolitieke variant als op interstatelijk niveau is het huidige nationalisme vooral defensief. Voor dit, duizend nuances en voorbeelden zie het uitmuntende standaardwerk van Wessels en Bosch.