Mischa van Vlier – Koude grond

Mischa van Vlier – Koude grond

Een ongeloofwaardige toekomst

Oorspronkelijk verschenen 16-09-2011: http://www.8weekly.nl/artikel/9426/mischa-van-vlier-koude-grond-een-ongeloofwaardige-toekomst.html

Een Londens scenario in Rotterdam: knokploegen die het recht in eigen hand nemen, elkaar bekampen en ‘de stad opnieuw in brand zetten’? Dit is de fictieve uitkomst van Mischa van Vliers debuutroman, Koude grond.

De uitgangspositie doet iets interessants vermoeden. De naamloze hoofdpersoon is een hoogopgeleide man met een kosmopolitische blik, die plotseling, door een gelijktijdig optreden van gebeurtenissen, een GroenLinks/D66-achtig standpunt verruilt voor het besef dat het helemaal misgaat. Hij kan de misdaad, de wederzijdse haat en verloedering van Rotterdam, zowel door toedoen van autochtonen als allochtonen, niet meer aanzien. Het aan Taxi Driver ontleende motto is meer dan van toepassing: ‘Here is a man who would not take it anymore.’ Hij verwoordt wat Wilders altijd politiek links verwijt: ‘Ziende blind, dat was ik geweest.’

De Eigen Rechter
Als de Rotterdammer die hij is, voegt hij het woord bij de simpele daad: hij gaat de straat op en wordt de ‘Eigen Rechter’. Met fysiek geweld – eerst slaand, later schietend – intervenieert, voorkomt en wreekt hij misdaden. Hij schopt straatovervallers weg, veegt trams schoon en vermoordt zelfs een man die vijftien jaar eerder een meisje misbruikte. De mediahype volgt snel, en de Eigen Rechter begint vele burgers te inspireren. Met als uiteindelijk gevolg dat er, veelal langs etnische lijnen, knokploegen ontstaan. Het resultaat: een brandend Rotterdam.

Helaas wordt het nooit interessant, ten eerste omdat er een grote constructiefout in de verhaalontwikkeling zit. Want de Eigen Rechter en zijn navolgers treden op omdat anderen – de overheid, de elite – dat niet doen. Het probleem is dat Van Vlier het scenario volledig gefundeerd heeft op het doortrekken van nu waarneembare trends, en dan met name die van een toenemende onzekerheid en sociale onvrede. Maar tegelijkertijd valt niet te ontkennen dat er nu ook een politieke ontwikkeling – herkenbaar in het kabinetsbeleid – richting meer ‘law and order’ zichtbaar is.

Tryst

Een toekomstscenario kan niet zonder goede redenen de ene ontwikkeling wel doortrekken, en de andere negeren. In het plot van Koude Grond gebeurt dit wel, en dat maakt deze roman volstrekt ongeloofwaardig. En aangezien dit verhaal het volledig van het maatschappelijk engagement moet hebben, is dit boek ook direct overbodig. Ook de titelverklaring bevreemdt: de Eigen Rechter zou Nederland politiek wakker willen schudden (alsof dat überhaupt nodig is), maar terwijl heel het land in brand staat komt de psychologisch doorgeslagen hoofdpersoon tot de conclusie dat ‘op koude grond niets wil groeien’.
Het boek verdient zelfs niet beter dan volledig de grond te worden ingeschreven. Want ook het taalgebruik is op het belachelijke af. Het is niet alleen slecht en clichématig, maar ook nog eens pretentieus: in al die grauwe voorspelbaarheid duikt dan opeens het woord ‘tryst’ op. En verder: af en toe klopt de opbouw niet; de meeste personages blijven niets meer dan karikaturen; en er staan verschillende non sequiturs in. Een typisch voorbeeld – een uit duizenden – van zijn stijl:

Foto’s van mijn zusje waren er natuurlijk niet. Zij zou Arabella hebben geheten, dat was het enige wat ik van haar wist. Misschien woonde ze in de hemel.

Onvermogen
Het is toch niet te geloven dat iemand dat op durft te schrijven in een boek dat meer dan een bouquetroman wil zijn? Ook vermeldt de hoofdpersoon, zonder enige relevantie, terloops wel tachtig culturele werken: hij las Couperus en weet dat het origineel van Gangsta’s paradise Stevie Wonders Pastime paradise was. Als Van Vlier nou een mooie Couperus-zin had geciteerd…

Het is alsof Van Vlier zijn boek hiermee meer ‘verantwoord’ heeft willen maken. Mocht dat zo zijn, dan is dat meer dan mislukt. Sterker nog: de combinatie van deze pretenties te midden van zo veel overduidelijk onvermogen heeft juist de potentie de lezer af te stoten.

Wilhelm Genazino – Geluk als het geluk ver te zoeken is

Wilhelm Genazino (vert. Gerrit Bussink) – Geluk als het geluk ver te zoeken is

Een van de kinderen

Oorspronkelijk verschenen 22-06-2011: http://www.8weekly.nl/artikel/9264/wilhelm-genazino-vert-gerrit-bussink-geluk-als-het-geluk-ver-te-zoeken-is-een-van-de-kinderen.html

Voor veel filosofie- en letterenstudenten het grote angstbeeld: netjes afgestudeerd, om dan toch te verzanden in een geesteloos baantje. Dit is al werkelijkheid voor Gerhard Warlich, de hoofdpersoon van Wilhelm Genazino’s voortreffelijke Geluk als het geluk ver te zoeken is.

De 41-jarige Warlich, doctor in de filosofie, heeft zich binnen de wasserij opgewerkt van wasbezorger tot manager. Het is een veilig maar lullig baantje, zo dient hij medewerkers te bespioneren om te zien of zij geen ‘ongeoorloofde pauzes’ nemen. Met dit bestaan tracht Warlich zich te verzoenen, maar op steeds talrijkere momenten wordt hij overvallen door het gevoel van de leegte, van een ‘metafysische verbijstering’. Dit neemt toe nadat zijn vriendin Traudel heeft aangekondigd een kind te willen.

Een levensleugen
In een recent interview (NRC, 9 juni 2011) zei Alain de Botton over de menselijke conditie: ‘We zijn als kinderen, we proberen maar wat.’ Wat Genazino met zijn hoofdpersoon beschrijft, is precies zo’n eenentwintigste-eeuws, hulpe- en richtingloos naar betekenis zoekend kind. Warlich heeft zich lang op de been gehouden met een eigen levensleugen, zijn stiekem gekoesterde geloof in zijn eigen superioriteit en een komende navenante beloning:

Van kindsbeen af, zei ik, lijd ik aan de dwangvoorstelling verschoond te zijn door mijn kennis, en mijn ongeluk blijkt juist uit het feit dat ik ook dat nog meen te weten. (…) Ik ben tientallen jaren voorbereid geweest op een beter leven (…) maar dat is nooit aangebroken.

De lezer wordt opgezogen in het verhaal en gaat onvermijdelijk sympathiseren met de hoofdpersoon. Dit gaat des te beter omdat het boek, zoals ook al uit de titel blijkt, geen gitzwarte strekking heeft. Het herbergt treffende en glimlachoproepende passages. Zo laat Warlich, tot ergernis van zijn vriendin Traudel, een broek eindeloos buiten op het balkon hangen, puur om de uitwerking van de natuurkracht daarop te kunnen aanschouwen.

Of neem het moment waarop Warlich dreigt weg te zakken in zijn destructieve stemming, maar door het aanschouwen en uitvoeren van een simpele evolutionaire waarheid weer opkrabbelt: ‘De jongen geeft me met een paar blikken een bevel: Koop ook iets te eten en zet je lichaam weer in elkaar.’ (Waarop Warlich dus maar een sesambroodje gaat kopen).

School voor Kalmering
Warlich speelt met het idee een ‘School voor Kalmering’ op te richten. Daarin wil hij lezingen gaan geven, ‘over geluk in een tijd dat het geluk ver te zoeken is’. Analoog aan de wijze waarop hij zelf dit geluk zoekt, namelijk ‘in het heimelijke’. Zoals zijn blik het etende jongetje vond: ‘Dat houdt in dat ik snel en lenig en behoeftig om me heen kijk tot ik ergens iets zie waaraan mijn behoefte zich kan vastklampen.’

Geluk als het geluk ver te zoeken is is een verhaal over de alledaagsheid. Of beter, want zo ervaart Warlich dat, een verhaal over de dagelijkse – al te menselijke – banaliteit. Maar in dat verhaal heeft Genazino talloze poëtische en al te ware zinnen vervlecht, die de mogelijk verstikkende werking van de alledaagsheid tegengaan. Wanneer de schrik de lezer om het hart slaat – ‘ik zal toch ook niet in zo’n leven verzanden’ –, gaat van deze zinnen een louterende, ja kalmerende werking uit. En wat overblijft is de hoop ‘dat het ook mogelijk is terug te schrikken voor de wurggrepen van de omstandigheden, voor het wijken voor de zelfvertroebeling van de wereld’.

Jevgeni Zamjatin – Wij

Jevgeni Zamjatin (vert. Dick Peet) – Wij

Majestueus unisono

Oorspronkelijk verschenen 07-03-2011: http://www.8weekly.nl/artikel/9021/jevgeni-zamjatin-vert-dick-peet-wij-majestueus-unisono.html

Een fundamenteel idee van de collectieve ideologie is dat de lastige twijfels inherent aan de menselijke conditie kunnen worden overkomen: de mens moet verworden tot een gelukkige machine. Twintigste-eeuwse romans hebben verschillende kanten van deze dystopische ellende beschreven. Aan het begin van deze romantraditie staat Jevgeni Zamjatins absoluut visionaire Wij. Oorspronkelijk uit 1924, is er nu een heruitgave verschenen.

D-503, wiskundige en bouwmeester van het ruimteschip ‘de Integraal’, houdt rond het jaar 3000 een dagboek bij waarin hij de rationele en collectieve fundamenten van de ‘Vereende Staat’ uiteenzet. Al snel wordt de connectie met de ‘wereld van de Ouden’ duidelijk: er is een Tweehonderdjarige Oorlog geweest, waarbij viervijfde van de mensheid is gestorven. Een van de groepen overlevenden heeft daarna de Vereende Staat opgericht, door middel van ‘de groene muur’ afgescheiden van de natuur in al haar betekenissen: van ‘wilde mensen’, dieren, wolken en vooral van gevoel en individualiteit.

Getayloriseerd geluk
De Vereende Staat tracht, met instemming van bijna iedereen, de mensen te laten leven als onvrije, maar gelukkige machines. Alles is er van glas en in vierkanten vormgegeven. Privacy bestaat niet, enkel in de – op basis van metingen van de individuele lichaamssappen – voorgeschreven seksuele uren mogen de rolgordijnen worden neergelaten. De Staat creëert zo ‘kooien van het ritmische getayloriseerde geluk’. Het historisch bestaande taylorisme is de methode van wetenschappelijk management, waarin letterlijk iedere productiehandeling is gestandaardiseerd om zo efficiënt mogelijk uitgevoerd te kunnen worden. Onder andere de Sovjetcommunisten verheerlijkten de hieruit voortkomende roes, teweeggebracht door collectief gelijkopgaande bewegingen. Alles verloopt in een ‘majestueus unisono’.

Een van de mooiste aspecten van Wij is dat de utopische heilstaat nog niet voltooid is: twijfels, fantasieën en individualiteit kunnen nog de kop opsteken, en de strijd aangaan met het luid gepropageerde idee van rationele helderheid en collectieve roes. Zo zijn er twee vrije ‘persoonlijke uren’ per dag over, waarin ‘het vereende machtige organisme uiteenvalt in aparte cellen’. Bovendien schrijft D-503, al voelt hij zich nog zo ‘vereend’, zijn dagboek vanuit zijn eigen gedachten, wat restjes individualiteit verraadt. Zamjatin, die ook veel satirisch werk heeft geschreven, speelt met de taal. Zo laat hij D-503 tot zijn eigen ergernis ouderwetse woorden met een sentimentele bijklank zeggen. Daarnaast zwerven er vreemde woorden door het boek, die deze onbekende wereld dichterbij brengen.

Een ziel
Het gestaalde, rationeel vormgegeven geluk van modelburger D-503 wordt bedreigd wanneer hij verliefd wordt op I-330. Bij haar ervaart hij zijn herwonnen individualiteit als een zegen; het ‘wij’ is ingeruild voor een ‘ik’ en een ‘zij’. Maar wanneer hij alleen is, zinkt hij weg in diepe twijfels. Zijn alomvattende, harmonieuze ‘vereendheid’ is weggevallen.

Dat D-503 hieronder lijdt wordt ook door de staat opgemerkt. Zie deze satirische passage, een gesprek tussen het hoofdpersonage en een chirurg:

‘Uw zaak staat er slecht voor! Het laat zich aanzien dat er zich een ziel in u gevormd heeft.’
Een ziel? Dat vreemde, klassieke, sinds lang vergeten woord. (…) ‘Dat is… heel gevaarlijk’, stamelde ik. (…) ‘Buitengewoon, búitengewoon interessant! Luistert u eens: zoudt u geen toestemming willen geven… u op sterkwater te zetten?’

Revolutie
Zoals in iedere utopie negeren de machthebbers van de Vereende Staat fundamentele aspecten van de menselijke conditie, leidend tot eendimensionale ellende. Dystopieromans zijn bij uitstek geschikt om de intrinsieke utopische fouten en de werking daarvan binnen het individu bloot te leggen, en Zamjatin begreep dat als eerste. Op originele wijze ridiculiseert hij in het allegorische Wij de op positivistische leest geschoeide Sovjet-utopie. Dit werk verdient meer bekendheid: Zamjatin zou het canonieke rijtje van Orwell, Huxley, Houellebecq etc. moeten aanvoeren.

Ook de Vereende Staat merkt dat het de menselijke conditie nog niet zo gemodelleerd heeft als het had beoogd. Hoewel zij haar burgers altijd heeft voorgehouden dat er geen revoluties meer plaats zullen vinden (wat ook de Sovjetcommunisten propageerden omwille van machtscentralisatie), blijken er kritische burgers actief. En een daarvan is I-330. Op de ‘Dag van Eenstemmigheid’ blijkt het collectief dus toch niet zo eenstemmig, en de Vereende Staat plant zo snel mogelijk de operatie om de fantasie weg te snijden. Dit geeft Zamjatins Wijook nog eens een spannend einde.

Umberto Eco – De begraafplaats van Praag

Complot op bestelling

Oorspronkelijk verschenen 31-01-2011: http://www.8weekly.nl/artikel/8952/umberto-eco-vert-yond-boeke-en-patty-krone-de-begraafplaats-van-praag-complot-op-bestelling.html

Met een hoop geschal en gedoe werd het aangekondigd: het nieuwe boek van literaire ster Umberto Eco. De hitsige kaft, de titel De begraafplaats van Praag en het onderwerp — een complottenbouwer in de grootse en chaotische negentiende eeuw  zullen op het eerste gezicht aan Dan Brown doen denken. Maar uiteraard, en gelukkig, doet de inhoud dat niet.

Eco’s hoofdpersoon in deze historisch correcte roman is de verzonnen kapitein Simonini. Hij leidt aan een vreemde vorm van geheugenverlies en wordt door ene Sigmund Froïd aangeraden via ‘autohypnose’ zijn leven te reconstrueren. Simonini’s reconstructie brengt de lezer bij allerlei grote gebeurtenissen in de tweede helft van de negentiende eeuw: beginnend bij het revolutiejaar 1848 via de opmars van Garibaldi en de Italiaanse ‘Risorgimento’, naar de Parijse Commune en de Dreyfus-affaire. Tegen deze achtergronden verdient Simonini, als notaris, zijn geld met het vervalsen van documenten. En niet enkel testamenten, maar vooral authentieke documenten die dienen om complotten aan te tonen. Van de jezuïeten, de vrijmetselaars en allerlei satanisten, en het liefst verzint Simonini over de Joden.

Odi ergo sum
Al van jongs af aan is Simonini vervuld van een hevig antisemitisme. Het hoofdstuk waarin Simonini wordt geïntroduceerd heet ‘Wie ben ik’, en wat volgt is een reeks tirades tegen alle rassen, en natuurlijk met name de Joden. Siminoni’s lijfspreuk is ‘Odi ergo sum’: ik haat dus ik ben. Steeds weer voert Eco heel gevat personages op die in hun uitspraken onbewust de volstrekte onzinnigheid van dergelijke rassenhaat blootleggen. Daarvoor is Simonini blind, maar hij ziet wel waarin de kracht van complotten schuilt, zo blijkt uit hetgeen hij over Dumas pèresJoseph Balsamo beweert:

Dumas biedt eenieder die gefrustreerd is (individuen zowel als volkeren) de uitleg voor diens falen: het was iemand anders, op de Donderberg, die je ondergang heeft beraamd.

Wanneer Simonini doorbabbelt over zijn afkeer van de Joden, dreig je soms bijna de verwerpelijkheid daarvan te vergeten. Vakkundig voorkomt Eco dat, door toespelingen op de ‘eindoplossing’, of een tussenzinnetje als ‘arbeit macht frei’.

Naast haat staat Simonini’s leven in het teken van eten. Bij wijlen, soms op het irritante af, lijkt De begraafplaats van Praag een culinaire gids. Ook in de beschrijvingen van de complotten put Eco uit zijn eruditie. Natuurlijk ligt aan de basis van het complot de haat, gecombineerd met de bruikbaarheid ervan in het politieke machtsspel. Simonini plagieert uit bestaande complottheorieën, zoals Sue’s Le Juif errant. En heel belangrijk: hij heeft een goed gevoel voor de tijdgeest in zijn keuze voor de juiste vijand en diens wapen.

Avonturenroman
Bij vlagen leest De begraafplaats van Praag als een avonturenroman. Eco heeft zelfs, zoals gebruikelijk in zulke romans, veel paginagrote plaatjes opgenomen. Het is een letterlijk fantastische geschiedenis, doordrenkt van Eco’s overvloedige taal, maffe historische feiten en ironische blik:

Al een eeuw lang doet de Parijzenaar niets liever dan barricades opwerpen, en dat die vervolgens bij het eerste het beste kanonschot bezwijken, lijkt hem niet te deren: barricades werp je op om je een held te voelen.

Maar spannend als een avonturenroman wordt het boek jammer genoeg nooit. Hoewel de oorzaak van Simonini’s plotselinge geheugenverlies lang een raadsel blijft, is het van begin af aan duidelijk dat Eco Simonini opvoert als de auteur van de Protocollen van de wijzen van Zion. Vergeleken met Eco’s andere grote complottenroman De slinger van Foucault, nog erudieter, ingenieuzer, en veel duizelingwekkender, legt De begraafplaats van Praag het simpelweg af. Maar het is wel een échte Eco, en dus voor de liefhebber een aanrader.

Laurent Binet – HhhH

Poëzie van de geschiedschrijving

Oorspronkelijk verschenen 27-12-2010: http://www.8weekly.nl/artikel/8892/laurent-binet-vert-liesbeth-van-nes-hhhh-poezie-van-de-geschiedschrijving.html

In veel Nederlandse boekhandels liggen stapels boeken met de intrigerende titel HhhH. Het is een niet-commercieel debuutwerk, waarvoor auteur Laurent Binet de kleine Prix Goncourt ontving; voorvoelen de boekhandelaars soms een verkoophit? Voor deze ene keer mag het, want met HhhH betreedt Binet bijna onontgonnen terrein door op unieke wijze geschiedenis en fictie te kruisen.

HhhH is de afkorting voor wat de SS’ers over de positie van Reinhard Heydrich zeiden: ‘Himmlers Hirn Heiβt Heydrich’ (Himmlers hersens heten Heydrich). Hij is de perfecte nazi, Himmlers tweede man, rijzende ster binnen het nazisysteem en protector van Bohemen en Moravia (Tsjechië). Daar voert Heydrich een schrikbewind, hij is ‘de Beul van Praag’. Gelukkig is hij ook sterfelijk. Op 27 mei 1942 vindt de belangrijkste geslaagde verzetsdaad van de Tweede Wereldoorlog plaats: Heydrich wordt verwond en sterft binnen een week. De aanslagplegers Gabčík, Kubiš en Valčík, met achter hen nog talloze mensen uit het verzet, zijn de helden van Binets boek.

Bijzonder
Binets grote inspiratiebron is de roman/geschiedenis Le mors aux dents (1935) van Vladimir Pozner. In de eerste helft van dat boek beschrijft Pozner zijn onderzoek, in de tweede helft de daarop stoelende roman (overigens doet Van Reybrouck inDe plaag iets soortgelijks). Op eigen postmoderne wijze gaat Binet met Pozners idee aan de haal. In 257 sterk afwisselende paragrafen  soms feitelijk-historisch, soms meer romanesk  verweeft hij de geschiedenis van de moordaanslag op Heydrich met zijn historisch onderzoek daarna.

Binets probleem is dat over de verzetsmensen nagenoeg geen bronnenmateriaal beschikbaar is. Over Heydrich is natuurlijk genoeg bekend. Nadat Binet in sterke korte scènes diens opkomst binnen het nazisysteem heeft beschreven, twijfelt hij hardop in welke vorm de opmaat tot de aanslag op Heydrich te beschrijven, klem als hij zit tussen het willen vertellen over de door hem bewonderde verzetsmannen en zijn integriteit als historicus. Toch slaagt hij daarin, zijn werkbare en mogelijkheden tot romantisering biedende middenweg is ‘ik stel me zo voor dat…’, en variaties daarop.

Door de combinatie van zijn openlijke twijfel en de steeds uitgesproken liefde voor het onderwerp, weet Binet natuurlijk handig sympathie voor zijn boek op te wekken. Neem een innemende passage als deze, volgend op een citaat van Goebbels over ene ‘Gregory’:

Wie die Gregory is, echt, ik heb geen flauw idee. En laat u niet in de luren leggen door mijn zogenaamd nonchalante toon, want ik heb gezocht!

Geniaal idee
In feite recenseert Binet zijn eigen onderzoek. Steeds beschrijft hij alle mogelijke kritiek, om die vervolgens te weerleggen of uit te leggen dat het nu eenmaal niet anders kon. Anderzijds tornt hij niet aan zijn historische integriteit. Maar doordat Binet zichzelf de ruimte gunt literaire middelen te gebruiken, spreekt uit HhhHbovenal de inspirerende schoonheid van de historiografie en de liefde voor het geschiedenisverhaal. Enkel maakt hij wat schoonheidsfoutjes door overbodige zinnen als ‘er is wel eens resoluter gesproken’ op een citaat te laten volgen.

De aanslag wordt op de eerste bladzijde aangekondigd. Na driehonderd bladzijden zijn we daar aanbeland, en zelfs dan (en ook erna) is het razend spannend. Na de aanslag volgen represailles waarbij duizenden mensen sterven. Binet doordenkt zijn boek overtuigend met de wat contra-intuïtieve gedachte dat de aanslag op Heydrich op dat moment in de geschiedenis al die levens waard was. Dat is iets om op te kauwen, net als het gehele HhhH dat is. Na het lezen van dit boek kun je maar een conclusie trekken, en dat is dezelfde als die Binet trok na het lezen van Pozners werk: ‘Dit is gewoon geniaal.’

Herta Müller – Ademschommel

In balans met de hongerengel

Oorspronkelijk verschenen 20-02-2010: http://www.8weekly.nl/artikel/8148/herta-muller-vert-ria-van-hengel-ademschommel-in-balans-met-de-hongerengel.html

De Nobelprijs voor de Literatuur ging in 2009 naar Herta Müller. De motivering van de Academie was dat Müller ‘met de concentratie van de poëzie en de vrijheid van het proza het landschap van de misdeelden schildert’. Ademschommel is daar een proeve van. Daarin beschrijft Müller op unieke wijze de geestelijke overlevingsstrijd van een individu in een Russisch werkkamp. 

In 1944 werd in Roemenië Antonescu’s fascistische regime door de Russen omvergeworpen. Alle in Roemenië woonachtige Duitsers werden opgeroepen om mee te helpen in de Russische ‘wederopbouw’. Naast de moeder van Herta Müller werd ook Oskar Pastior in een kamp tewerkgesteld. Hij maakte aantekeningen van zijn kampleven, en voor zijn overlijden in 2006 gaf hij Müller toestemming om die in een roman te verwerken. In die aantekeningen ligt de basis van Ademschommel.

1 gram brood
En zo ontrukt Herta Müller een donkere periode aan de vergetelheid. In een poëtische, maar concrete vorm beschrijft ze het kampleven van haar hoofdpersonage, Leopold Auberg. Vijf jaar brengt hij door in het kamp. Het grootste gedeelte daarvan wordt in beslag genomen door de praktische noden waartoe het kampleven hem dwingt: hoe vul je je maag met tweemaal per dag koolsoep zonder kool en hoe mat je jezelf niet te veel af bij het kolen- of slakkenscheppen. Want je weet: ‘1 schep = 1 gram brood’. Met al zijn macht probeert Leo een zekere balans te houden. Soms ligt die balans in hemzelf, zoals bij het kolenscheppen met de ‘harteschop’, soms zoekt hij die buiten zichzelf, zoals wanneer hij een ademschommel tracht te vinden:

Bij het appèl trainde ik mij om mezelf te vergeten terwijl ik in de houding stond, en het in- en uitademen niet van elkaar te scheiden. En mijn ogen omhoog te draaien zonder mijn hoofd op te heffen. En aan de hemel een hoek van een wolk te zoeken waaraan je je botten kon hangen. Als ik mezelf was vergeten en de hemelse haak had gevonden, hield die me vast.

Hongerengel
Omstandigheden en objecten waarmee Leo te maken heeft, duidt hij zoals de primitieve mens dat moet hebben gedaan. Hij heeft geen enkele controle op de situatie, maar wel de wetenschap dat de honger te erg kan worden, dat ziekte en uitputting op ieder moment toe kunnen slaan. Daardoor gaan die grootheden een eigen leven leiden. Om te overleven, moet hij de hongerengel in de ‘veloverbeentijd’ zien te misleiden: ‘Ik zal zijn weegschaal bedriegen wanneer de hongerengel mij weegt. Net zo licht als mijn gespaarde brood zal ik zijn. En net zo moeilijk te bijten.’

Müller schrijft schitterend over Leo’s beleving van zoiets onelegants als cement of het ritme van het kolenscheppen. Hij dwingt zichzelf het aangename te zoeken, om de geuren van de fabriek in zijn voordeel te herinterpreteren:

Het lukte mij om aangenaam verslaafd te raken, omdat ik de substanties niet wilde toestaan giftig over mij te beschikken. Aangenaam verslaafd betekent niet dat ik mij ermee verzoende (…) Noodzakelijk en een foltering, omdat ik ze geloofde hoewel ik wist waarvoor ik ze nodig had.

Het is Leo’s intuïtieve reactie om de kampellende geestelijk te kunnen verdragen. Müller verpakt zijn strijd in een overvloed aan poëtische beelden. Die blijven echter te allen tijde reëel; intuïtief voelt de lezer aan dat het zo kan gaan, dat deze banale objecten en omstandigheden op deze mythische manier door de geest geduid kunnen (of misschien: moeten) worden. De combinatie van die concrete poëzie met Leo’s verbeeldingsstrijd maakt Ademschommel een uniek werk.

Orlando Figes – De Krimoorlog of de vernedering van Rusland

Doorbraak van het moderne

Oorspronkelijk verschenen 20-01-2011: http://www.8weekly.nl/artikel/8935/orlando-figes-vert-henk-moerdijk-en-lieske-simon-de-krimoorlog-of-de-vernedering-van-rusland-doorbraak-van-het-moderne.html

Uit de Krimoorlog (1853-1856) kennen we Florence Nightingale, de eerste oorlogscorrespondenten en ‘de charge van de lichte brigade’. Maar dat deze geschiedenis meer noemenswaardigs herbergt, toont Orlando Figes in De Krimoorlog of de vernedering van Rusland. Over de oorlog waarin zoveel moderne verschijnselen hun première kenden.

Halverwege de negentiende eeuw zorgt de machtsbalans van het ‘Concert van Europa’ al decennialang voor vrede. Maar dan bedreigt Rusland rond 1840-1850 het reeds verzwakte Ottomaanse Rijk omdat het de Ottomaanse christelijk-orthodoxe burgers wil beschermen. De toenemende dreiging maakt dat vooral Groot-Brittannië, indertijd groot voorvechter van vrijheid, beschaving en (zeker niet in het minst) vrijhandel, zich sterk bemoeit met de bescherming van de ‘zieke man van Europa’. Al deze verwikkelingen worden door Figes uitgebreid beschreven, zijn boek is net zozeer een diplomatieke als een militaire geschiedenis.

Religieus fanatisme
Figes is de eerste historicus die bronnen uit alle vier betrokken landen – ook Frankrijk – heeft nageplozen, wat een genuanceerde analyse mogelijk maakt van de beleidsvorming. Zo onthult hij de grote rol van religie in de opmaat tot de Krimoorlog. In onze tijd is het onmogelijk onbekend te zijn met religieus fanatisme, maar tot ongeveer vijftien jaar geleden werd de rol van religie vaak gebagatelliseerd. Destijds schrijvende historici geloofden niet dat religieuze drijfveren dusdanig medebepalend konden zijn voor het rationeel geachte beleid van moderne staten. Een andere ontdekking is de sterke russofobie van de machtig geworden Britse publieke opinie, versterkt door de (onrealistische) gedachte dat Rusland een bedreiging voor India zou kunnen vormen.

Eind 1853 vangt de Krimoorlog aan. Een coalitie van Britse, Franse en Turkse troepen verplettert in de eerste slagen het Russische leger. De oorzaak daarvan is vooral de minié, het westerse moderne geweer dat een tot vier keer zo groot bereik bleek te hebben – de soldaten ontdekten dit pas tijdens de gevechten – als de verouderde Russische musket. Dat de Krimoorlog, met als oorlogscentrum de beroemde slag bij Sebastopol, zo lang doorsleept, valt te wijten aan de stuitende opeenvolging van fouten van dronken, ouderwets denkende of domweg volstrekt incompetente bevelhebbers.

Het moderne
Naast de eerste geïndustrialiseerde oorlog was de Krimoorlog ook de laatste oorlog waarin ridderlijke akkoorden plaatsvonden, bijvoorbeeld wapenstilstanden om de gewonden van het slagveld te kunnen wegvoeren. Gaandeweg het conflict werden de mogelijkheden van de moderne oorlogsvoering ontdekt, evenals manieren om de bijkomende verschrikkingen in goede banen te leiden. Zo was er Nikolaj Pirogov, die voor het oorlogsziekenhuis het levensreddende triage-systeem bedacht, waarbij om effectiever te kunnen opereren onderscheid werd gemaakt tussen gewonden (licht, zwaar of onredbaar).

Ook nieuw was dat de Britse publieke opinie, gevoed door op de Krim aanwezige oorlogscorrespondenten, ervoor zorgde dat de wederwaardigheden van de gewone soldaat meer aandacht kregen en bovendien verbeterd werden. Ook Figes laat veelvuldig, net als in zijn bejubelde Fluisteraars, gewone soldaten en burgers aan het woord, wat deze geschiedenis vol ontberingen aan kleur doet winnen.

Historian
De Krimoorlog resulteerde in een machtsafname van de autoritaire Heilige Alliantie, en dan voornamelijk van Rusland, dat naast de verpletterende nederlaag in de Krimoorlog ook tweederde van de 750.000 soldatendoden had te betreuren. Indirect schiep het zo de diplomatieke voorwaarden voor de nationale eenwording van Italië en Duitsland.

Op Amazon.com werd Figes afgelopen jaar betrapt op het anoniem afkraken van medehistorici. Geen enkel boek over de Russische geschiedenis ontsnapte aan de bijtende kritieken van ‘historian’. Natuurlijk behalve dat van Figes, waarbij de anonieme recensent noteerde: ‘ik hoop dat hij eeuwig blijft schrijven’. Daar geeft hij zichzelf wat veel lof, maar met De Krimoorlog of de vernedering van Ruslandlaat Figes wel weer zien wat een uitstekende historicus hij is.

 

Hilary Mantel – Wolf Hall

Held in een krakende kosmos

Oorspronkelijk verschenen 21-11-2010: http://www.8weekly.nl/artikel/8776/hilary-mantel-vert-ine-willems-wolf-hall-held-in-een-krakende-kosmos.html

Engeland tussen 1500 en 1535: land van mythes, hypocrisie en strijd tussen kroon en kerk. Thomas Cromwell, voorvader van Oliver, klimt op van smidszoon tot de rechterhand van de beruchte koning Henry VIII. Over deze vernuftige Cromwell heeft Hilary Mantel het absoluut schitterende Wolf Hall geschreven, waarvoor zij in 2009 de Booker Prize ontving.

Om die schittering te kunnen ervaren moet de Nederlandse lezer, met waarschijnlijk alleen kennis van Henry VIII en zijn vrouwen, wel over wat doorzettingsvermogen beschikken. Want in Mantels bijna 700 pagina’s tellende roman wordt de Engelse geschiedenis als bekend voorondersteld. Het wemelt van de niet geïntroduceerde Engelse historische figuren, waarvan er ook nog eens buitensporig veel Henry, Richard of Mary heten. Enigszins vertroostend is dat zelfs de personages vaak moeten nadenken wanneer een ander personage enkel met de voornaam wordt aangeduid. Maar wanneer de orde langzaam de overhand op deze historische chaos neemt, gaat Wolf Hall op een andere manier wemelen: van scherpe, kort aaneengesloten zinnen die samen de ene na de andere meeslepende prachtpassage vormen.

Cromwell
Het middelpunt van die pracht is Thomas Cromwell, de alleskunner die zonder adellijke familie – wat nog nooit was vertoond – uitgroeit tot de man die feitelijk het Engelse koninkrijk bestuurt. Bij zo’n beschrijving ben je geneigd te denken aan een soort kardinaal Richelieu, maar Cromwell, weliswaar ‘de man met het voorkomen van een zondaar’, is werkelijk een zelf nadenkend, goed mens. Letterlijk tussendoor verliest Cromwell zijn vrouw en twee van zijn kinderen aan de ‘zweetziekte’. Zijn verdriet wordt nauwelijks expliciet gemaakt, maar juist daardoor lijkt de ontroerende kracht ervan alleen maar toe te nemen. Hij stort zichzelf nog meer op zijn werk. Dankzij zijn beschermheer kardinaal Wosley en zijn talent voor het bedenken van oplossingen voor de meest netelige kerkelijke en hoofse zaken, klimt Cromwell op tot hoofdadviseur van de koning:

De hovelingen merken dat hij de loop der dingen kan ombuigen, kan smeden. Hij kan de angsten van mensen indammen en hun een gevoel van zekerheid geven in een in zijn voegen krakende kosmos: dit volk, dit vorstenhuis, dit miserabele regenachtige eiland aan het randje van de wereld.

Anne Boleyn
Cromwells oplossingen zijn hard nodig binnen de Engelse krakende kosmos. Het ‘ketterse’ protestantisme tiert – schrijver en dogmaticus Thomas More is bezig met een inquisitie – en daar komt nog eens bovenop dat de getrouwde Henry VIII wil scheiden om te kunnen trouwen met Anne Boleyn. Om dat te bewerkstelligen forceert hij samen met Cromwell een breuk met de paus in Rome, en plaatst hij zichzelf aan het hoofd van de Engelse kerk. Overigens stopt het boek voordat Henry Anne Boleyn laat onthoofden.

De zestiende-eeuwse diplomatie is doordrenkt met de privélevens van de adel. Vaak staat daarin de verhouding centraal tussen seks en huwelijk enerzijds en de christelijke wetten anderzijds. Vuistregel is dat een christelijke gelofte heilig is, tenzij je genoeg macht hebt om er onderuit te komen. Steeds komt de hypocrisie van de christelijk-maatschappelijke praktijk naar voren: ‘overspel wordt niet onderbroken vanwege de vasten.’ Naast verholen en onverholen grappen is het verhaal ook spookachtig, passend bij het mistige zestiende-eeuwse Engeland.

Wolf
Dit alles is de constellatie waarbinnen de held Cromwell opereert, met een door Mantel zeer knap weergegeven vernuft. De titel Wolf Hall verwijst naar het gezegde ‘de mens is de mens een wolf’, wat zeker toepasbaar is op de hoofse situaties maar ook op Cromwell zelf. Hij is een wolf voor velen, maar een goede wolf. Een prachtfiguur waar Hilary Mantel haar subtiel geschreven historische drama omheen heeft geweven. Tegen het einde verwacht je als lezer de dood van Cromwell. Geen woord daarover, wel dat Mantel momenteel een vervolg aan het schrijven is.

Andrés Neuman – De eeuwreiziger

Een man met twee ruggen

Oorspronkelijk verschenen 05-11-2010: http://www.8weekly.nl/artikel/8746/andres-neuman-vert-corrie-rasink-de-eeuwreiziger-een-man-met-twee-ruggen.html

Sommige traditionele romans maken dankzij een paar originele vormaspecten en een wonderlijk mooie inhoud de schijnbaar onuitputtelijke mogelijkheden van de roman duidelijk. Zo’n werk is De eeuwreiziger, van de jonge Argentijn (1977) Andrés Neuman. Hierin zijn taal en liefde, de negentiende eeuw en een vleug mysterie vermengd.

Reiziger en vertaler Hans komt, met een baret op zijn hoofd en vergezeld van een mysterieuze hutkoffer, aan in Wandernburg, met de bedoeling na de nacht weer verder te reizen. Maar Wandernburg – ‘zich verplaatsende stad op de gr. tussen Saksen en Pruisen’ – is een bijzondere stad die bijzondere inwoners herbergt. Ook Hans blijft hangen in Wandernburg, waar straten lijken te verschuiven en waarvandaan, zo gaat het gerucht, nog nooit iemand is vertrokken.

Moderne onrust
De meest markante inwoner die Hans in Wandernburg ontmoet is de orgelman. Een man die woont in een grot en op een zeldzame manier op zijn gemak is met zichzelf en de wereld. Hij leert Hans beter kijken naar de natuur en haar haast onmerkbaar veranderende schoonheid. De orgelman is met zijn zuivere onaangepastheid het rustpunt in het boek, dat zich afspeelt tegen de achtergrond van de onstuimige jaren twintig van de negentiende eeuw. Europa heeft, tijdens de Franse Revolutie, van de vrijheid kunnen proeven om die direct weer in te leveren. Tegelijkertijd kondigen zich verstrekkende industriële en sociale veranderingen aan, met daaraan gelieerd een oprijzen van ongedroomde horizonten.

De nieuwe mogelijkheden zorgen voor het startpunt van de moderne onrust, dat telkens terugkomt in De eeuwreiziger: blijven of weggaan, genoegen nemen met wat ik hier heb of vol tinteling het risicovolle avontuur aangaan? Deze onrust tekent zeker de (eeuw)reiziger Hans. Misschien dat een droom van de orgelman hem duidt: als een man met twee ruggen.

Schoonheid
Waar Hans in de grot in contact komt met arbeiders, daar neemt hij ook deel aan de Salon in huize Gottlieb, geleid door de mooie Sophie. Hier worden de politieke, sociale en esthetische standen van zaken bediscussieerd en, wat heel knap is, vanuit ieders perspectief begrijpelijk gemaakt.

Maar de sympathie van de lezer ligt bij de vrijdenkers Sophie en Hans – en hun sympathie ligt toch vooral bij elkaar. Hoewel Sophie zich heeft verloofd met de vastgeroeste, adellijke Rudi Wilderhaus, voelt ze passie enkel voor Hans. Samen werken ze aan Duitse vertalingen van de grote achttiende- en negentiende-eeuwse dichters. Tijdens het vertalen van de vreemde naar de eigen taal, ervaren ze hetzelfde als in hun opbloeiende liefde; waarin het eigen ‘ik’ de persoon van de ander probeert te kennen, te vertalen naar zichzelf. Hierin wordt idealiter, en het ideale benaderen ze, het vreemde van de andere persoon opgenomen zonder dat het eigen individu verloren gaat. Het zoeken naar woorden en schoonheid is een verlengstuk van hun liefde. In een briefwisseling mijmert Hans daarover verder:

Ik zou zeggen dat die ontstaat uit blijheid en vergankelijkheid. (…) Misschien helpt een beeld: schoonheid ontstaat bij het trillen van een brug die tintelende fantasie verbindt met de werkelijkheid. Als de brug trilt is dat een teken dat er iets belangrijks overheen gaat. Ik hoor je voetstappen. De brug trilt.

Originaliteit
De eeuwreiziger
 is een traditionele roman, maar met originele kanten. Zoals de prettige weergave van sommige dialogen, eigenlijk monologen, waarin het actieve luisteren van de tweede persoon wordt weergegeven tussen haakjes (‘ja…’ ‘dat zie ik’, ‘in Jena?’). Ook laat Neuman het verhaal abrupt van de ene situatie in de andere overgaan, maar door de subtiele vooraankondiging van situaties is het de lezer altijd duidelijk waar in het verhaal hij zich bevindt. Toch wat kritiek: in het begin zitten stukjes dialogen die wat haperen en daardoor ongeloofwaardig overkomen.

En wat zit er nu eigenlijk in Hans’ hutkoffer, en hoe komt hij steeds aan de allernieuwste boeken? Verschillende mysteriën lopen door het boek heen en geven het een extra tinteling. Nog een van de vele kwaliteiten van De eeuwreiziger, deze heerlijk sympathieke roman die ‘de brug kan doen trillen’.

Roberto Bolaño – Het Derde Rijk

Spel, beweging, leven

Oorspronkelijk verschenen 05-10-2010: http://www.8weekly.nl/artikel/8685/roberto-bolano-vert-aline-glastra-van-loon-het-derde-rijk-spel-beweging-leven.html

Postume roem verwierf Roberto Bolaño met de zowel qua inhoud als omvang imposante roman 2666. Zoals dat gaat wanneer een schrijver één groot succes behaalt, worden al zijn eerdere romans nader onderzocht: herbergen die soms ook een flard genialiteit? In het geval van Bolaño’s roman Het Derde Rijk is het antwoord daarop helder: ‘ja’.

De titel kan misleidend zijn. Het Derde Rijk is geen boek over de Tweede Wereldoorlog of over Hitlers imperialistische plannen. In ieder geval verwijst de titel naar een bordspel (een soort Risk, maar dan vele malen ingewikkelder), waarin het militaire verloop van de Tweede Wereldoorlog wordt overgedaan en mogelijkerwijs wordt veranderd. Het spel kent een kleine, maar fanatieke schare spelers over de hele wereld. En in dat spel is hoofdpersoon Udo Berger ‘de Kampioen’.

Costa Brava
Maar de roman gaat niet enkel over dat spel. Het boek kent de vorm van een dagboek, dat de periode beslaat die Udo met vakantie doorbrengt aan de Costa Brava. Hij is daar met zijn vriendin Ingeborg en ze logeren in het hotel waar Udo als kind met zijn ouders kwam en dat nog steeds door de mysterieuze Frau Else wordt geleid. Ingeborg wil een rustige vakantie; gelardeerd met grote hoeveelheden drank overdag naar het strand en ’s avonds naar de discotheek. Udo doet daaraan maar mondjesmaat mee. Hij gaat met Ingeborg en haar vakantievrienden (onder wie ‘de Wolf’ en ‘het Lam’) wel mee op stap, maar trekt zich regelmatig terug op zijn hotelkamer om daar de vele mogelijkheden van het spel ‘het Derde Rijk’ uit te pluizen.

Bovenstaande is in een notendop de feitelijke verhaalstructuur van de roman. Maar in het geval van Bolaño gaat het niet om wat er letterlijk staat, maar om de wereld daarachter, die opgebouwd wordt uit ontelbare suggesties. En al die suggesties komen voort uit ontzettend simpel lijkende zinnen; iedere zin stuurt de vorige net wat bij, en roept zo weer nieuwe suggesties en vage gevoelens op. Het is net als in David Lynch’ meesterlijke tv-serie Twin Peaks (waarnaar Bolaño in2666 verwijst), waarin bijna onzichtbare ironie en absurditeit en een almaar toenemende, voelbare dreiging van het onbekende samengevoegd worden.

Spel
En dan zijn er nog de vragen rond het spel. Udo speelt dat met ‘de Verbrande’, een man die waterfietsen verhuurt en over zijn hele lichaam sporen draagt van verbranding – is dat in de Tweede Wereldoorlog gebeurd? En waarom is Udo zo bezeten van dat spel? Misschien omdat het, net als zijn dagboek, een te controleren gebied is binnen het zo onoverzichtelijke leven (door Udo soms gevreesd om zijn ‘middelmatigheid en absurditeit’). Het ligt allemaal veel ingewikkelder. Ingeborg doet daarentegen geen moeite:

Ingeborg, naakt op het laken, verzekert dat alles simpel is. ‘Zelfs jouw miniaturen.’ Dat blijft ze herhalen tot ze in slaap valt. ‘Miniaturen’. ‘Alles is simpel’. Een hele tijd heb ik naar mijn spel gekeken en nagedacht. (cursivering Bolaño)

En juist daar lijkt het in dit verhaal om te gaan. Niet per se om het nadenken, maar om het feit dat Udo beweegt, dat hij probeert betekenis toe te kennen. Al bewegend raakt Udo verwikkeld in steeds grotere raadsels; het spel lijkt consequenties te hebben die doordringen tot in het ‘echte leven’. Ook die mogelijke consequenties zijn door Bolaño opgebouwd met talrijke halve en hele suggesties. Hoe dat precies zit moet de lezer zelf uitvinden. Sla dit boek open, begin met het veelzeggende motto en lees. Met andere woorden: beweeg.