Recensies en artikelen

Helleke van den Braber en Jan Gielkens (red.) – In 1934

Zowel de Jantjes als de smalle mensch

oorspronkelijk verschenen 02-07-2010: http://www.8weekly.nl/artikel/8521/helleke-van-den-braber-en-jan-gielkens-red-in-1934-zowel-de-jantjes-als-de-smalle-mensch.html

Het jaar 1934 werd door onzekerheid gekenmerkt: de economische crisis woedde en in Duitsland was Hitler net aan de macht gekomen. Hoe gingen de Nederlandse intellectuelen, kunstenaars en schrijvers om met de internationale politieke en culturele situatie? In In 1934 wordt aan de hand van 42 episodes beschreven hoe de Nederlandse cultuur zich verhield tot het internationale klimaat.

Er is in deze ambitieuze bundel voor het jaar 1934 gekozen omdat het een relatief ‘neutraal jaar’ was. Het werd niet bepaald door bijvoorbeeld de ineenstorting van Wall Street of de machtsovername van Adolf Hitler, maar wel door de daaruit voortvloeiende spanningen. Tientallen cultuuronderzoekers schreven artikelen voorIn 1934. Nederlandse cultuur in internationale context. Onder redactie van Helleke van den Braber en Jan Gielkens werden die, grofweg, onderverdeeld in artikelen die gaan over de internationale relaties van zowel culturele bemiddelingsinstanties als kunstenaars, en de invloed en receptie in Nederland van internationale ideeën en werken. Over de invloed van Nederlandse cultuur in het buitenland zijn de redacteuren kort: Nederland was toch vooral een cultureel importland.

Europeesche Peil
Bij lezing van alle artikelen na elkaar wordt al snel een onderlinge samenhang duidelijk. In zowel de Nederlandse theaterwereld, de filmindustrie als de literatuur was er bijvoorbeeld een debat gaande over de vraag of Nederland zich bij de eigen, regionale producten moet houden of dat het zich meer moest richten op Europese standaarden en allure. In de literaire wereld werd (net als tegenwoordig) het zogeheten provincialisme-internationalismedebat gevoerd en in de Nederlandse theaterwereld maakte men zich vooral zorgen over de banen die werden ingepikt door de vele Duitse exilschrijvers en -toneelgezelschappen. Binnen de Nederlandse filmindustrie werd er zelfs even van gedroomd dat de Nederlandse producten de internationale standaard zouden bepalen. Toen de Nederlandse film De Jantjesuitgroeide tot hét bioscoopsucces van 1934, riep Abram Tuschinksi uit dat ‘we niet langer met lede ogen naar Hollywood hoeven te kijken maar dat Hollywood naar ons moet kijken’.

De twee beroemde intellectuelen Edgar du Perron en Menno ter Braak uitten veelvuldig hun mening over het gebrek aan ‘Europeesche Peil’ van de Nederlandse letteren. Opvallend is dat ieder artikel in deze bundel of Du Perron, ofwel Ter Braak aan het woord laat. Het zijn de twee grote Nederlandse intellectuelen van het jaar 1934. Beiden zijn ook zeer geëngageerd en discussiëren met name over hoe het oprukkende fascisme tegen te gaan, zoals ze dat verwoord hebben in hun individualistische concepten ‘de smalle mensch’ en de ‘politicus zonder partij’. Over dat individualisme schreef Du Perron aan Ter Braak:

Ik liep mee in de communistentroep op de stakingsdag. Te lang en te vervelend om te vertellen. Eén daverend gevoel: je n’en suis pas! Het gaat niet om ‘partijkiezen’ voor mij, dat is duidelijk; maar om me te verdedigen tegen alles wat collectivistische dictatuur is.

Rijk beeld
In verschillende artikelen – over de arrestatie van de antifascistische Duitse schrijver Heinz Liepmann of over de cabaretgroep ‘Die Pfeffermühle’ van Erika Mann – wordt vermeld hoe de Nederlandse overheid alles verbood dat ‘het bevriende staatshoofd’ Hitler ook maar enigszins tegen de borst zou kunnen stuiten. Uit zulke anekdotes rijst het beeld op van Nederland als een bangig en navelstarend landje. Wel zijn er de eenlingen die de laffe middelmaat ontstijgen; naast de twee bovengenoemden ook ‘einzelgängers’ als bijvoorbeeld Slauerhoff of M.C. Escher.

Naast dat de bundel In 1934. Nederlandse cultuur in internationale context een degelijk overzicht biedt van de Nederlandse cultuur in de jaren dertig, herbergt het werk vele verrassende feiten. Bovendien bevat het rode draden (waaronder fascisme, exil, cultuurbemiddeling), waardoor de lezer de artikelen over een onderwerp die hem interesseren eenvoudig kan opzoeken. Alle debatten en kleine bekrompenheden bij elkaar genomen lijkt het Nederland van 1934 eigenlijk heel veel op dat van tegenwoordig.

Atte Jongstra – De heldeninspecteur

Nederland, heldennatie?

Oorspronkelijk verschenen 12-05-2010: http://www.8weekly.nl/artikel/8397/atte-jongstra-de-heldeninspecteur-nederland-heldennatie.html

Na De avonturen van Henry II Fix (2007) publiceert Atte Jongstra opnieuw een historische roman: De heldeninspecteur. Na de afsplitsing van België van Nederland in 1830 waait er een heuse patriottische storm door ons land: ‘Dan gaan we naar de grens, om Belgen af te slachten.’ De fictieve hoofdpersoon Junius inspecteert de kracht van de heldennatie Nederland.

Hij – Junius, Latijn voor Jongstra – is de ultieme hoofdpersoon voor een historische roman: als een man die continu wordt bepaald door de omstandigheden valt hij alleen te typeren door zijn observatietalent, aanpassingsvermogen en zijn liefde voor vrouwen en obscure romans. Door omstandigheden stuit Junius op het reisgezelschap van prins Frederik van Oranje, die zich samen met zijn broer kroonprins Willem van Oranje opmaakt voor actie – de Tiendaagse Veldtocht van augustus 1831 – tegen de afvallige Belgen. Dankzij Junius’ oog voor de ‘kleine heldendaden’ benoemt Frederik hem tot heldeninspecteur.

Voor de eeuwigheid

Op geheel eigen wijze vult Junius deze onconventionele functie in. Boven aan de pagina is hij nog in Antwerpen, vervolgens gebeurt er iets, en twee regels daaronder zit hij alweer in Kontich. En de slag van Brussel mist hij doordat hij in bed ligt met zijn liefde, de rubensvrouw Veerle. Deze onvoorspelbaarheid maakt dat het verhaal zijn vaart en spanning behoudt. Toch is Junius ook vaak op de plek van de actie: de plek waar de helden te vinden zijn. De heldeninspecteur reist dan mee met de troepen, op zoek naar helden én naar eigen gemoedsrust. Hij groeit uit tot een van de machtigste mannen van het Nederlandse leger: ‘Chassé en alle andere hoofdofficieren zijn de mannen van nu. Pas als u ze hebt geïnspecteerd, zijn het mannen van straks. Voor de eeuwigheid.’

Een van de mannen van straks werd commandant Jan van Speijk. Jongstra laat Junius meevaren op diens kanonneerboot nr. 2, en hij weet die net op tijd te ontvluchten wanneer Van Speijk ‘de lont in het kruitvat’ steekt. Van Speijk ‘vliegt de lucht in, en belandt ook in de dood naast zijn heldeninspecteur.’

Nederland anno 1830
Jongstra schetst een levendig beeld van Nederland in 1830-31. Hij vermengt allerlei dialecten met ouderwetse termen en bijzondere woorden (‘droefsnoet’), wat het verhaal een folkloristische charme geeft. Hij lardeert de roman met historische anekdotes over helden uit Almelo, Leiden en Friesland en achter in het boek staan vijftig bladzijden met schilderijen en veertig bladzijden met voetnoten (‘te belachelijk en te kleingeestig, om er de ongerijmdheid van aan te geven’). Tel daarbij de meer dan honderd te pas en te onpas ingevoegde gedichten op, en met dit alles beschrijft Jongstra overtuigend en vooral vermakelijk hoe de Nederlanders de Belgen te lijf gingen. Ieder willekeurig gedicht biedt een goed voorbeeld van het wellustige patriottisme:

Uw ziel in ’t brandend oog vlamt eer en oorlogsdaden!/ Uw hart gevoelt den batavier,/ Die d’ eens ontzagbren Leeuwbanier/ Door niets onedels zal verraden!/ Ja, juichend vliegt gy in de dood,/ In vlam en slachting godlijk groot. (‘Prins der dichters’ Willem Bilderdijk)

Het nuchtere Nederland bleek vroeger een stuk vuriger van karakter. Onze huidige scepsis tegen dit soort heldendom en patriottische verheerlijking was onze voorvaderen vreemd: ‘alleen wij weten hoe te trompen en te ruyteren!’ Alleen Junius heeft soms zijn bedenkingen bij de heldenverering: ‘wat Van Speijk liet zien was meer in de geest van het dolhuis dan van het heldenpantheon’. Jongstra’s De heldeninspecteur is een vermakelijke mix tussen die twee: een dol en heldhaftig boek.

 

David Priestland – De rode vlag

Het vuur van Prometheus

Oorspronkelijk verschenen 02-01-2010: http://www.8weekly.nl/artikel/8001/david-priestland-vert-janine-van-der-kooij-pon-ruiter-frits-van-der-waa-de-rode-vlag-het-vuur-van-prometheus.html

 David Priestland, docent moderne geschiedenis aan de universiteit van Oxford, vertelt in De rode vlag het complete verhaal van de invloedrijkste politieke stroming ooit: het communisme. Het is Priestland gelukt deze riskante taak te volbrengen. Zijn boek is vlot leesbaar, zeer informatief en het besteedt gepaste aandacht aan zowel het morele pleidooi als de onwerkbare en onmenselijke uitkomsten van het communisme. 


Het is de titaan Prometheus – die onze voorvaderen het vuur bracht – die de lezer vergezelt als metafoor voor de communistische doctrine. De communisten worden door Priestland aangewezen als navolgers van Prometheus; zij zouden de mensheid voorgaan op het revolutionaire, communistische pad dat leidt naar gelijkheid, vrijheid en de vermeerdering van kennis. Het revolutionaire gelijkheidsdenken en de droom om samenlevingen te moderniseren via rationeel verworven kennis bleken de bovenliggende communistische ideeën. De al snel tanende invloed van het meer humane, romantische vrijheidsdenken – het droombeeld van ‘de vrije mens’, die ‘overdag op het land werkt en ’s avonds kritieken schrijft’ – heeft de deur opengezet voor het radicale communisme en zijn toekomstige verschrikkingen.

Spanningen
Priestland behandelt – met de Sovjet-Unie in het middelpunt – alle communistische bewegingen en regimes: van Noord-Korea tot Cuba en van de Oost-Europese tot de Afrikaanse landen. Het zijn steeds de ‘verworpenen der aarde’ die zich tot het communisme aangetrokken voelen. In het rijke Europa hoopt de arbeider op bescherming tegen het uitbuitende kapitalisme, en op wereldschaal zien derdewereldlanden in het communisme vaak een snelweg naar modernisering en daarmee een manier tot onafhankelijkheid van de rijkere landen. De ironie is dat de revolutie volgens het marxisme niet in onontwikkelde landen had moeten plaatsvinden, maar dat wel altijd deed. De spanning die dat opleverde, speelt een grote rol in het verhaal van het communisme. De vervelende praktijk wilde maar niet aansluiten op de theorie, wat mede de oorzaak is van zowel de onwerkbaarheid als de vele excessen van de stroming. Zowel Mao’s culturele revolutie, de goelag van de Sovjets als de zuiveringen van de samenleving door Pol Pot hadden bijvoorbeeld ten doel om de praktijk te voegen naar de theorie.

Alle verschillende en deels op elkaar ingrijpende communistische gebeurtenissen weet Priestland vrij soepel aan elkaar te schrijven. Steeds verschuift hij zijn focus van een binnenlandse beschrijving naar een overzicht van de internationale verhoudingen binnen de Internationale of die van het communisme tot de niet-communistische wereld. Daarmee draagt dit boek bij aan de al in overvloed bestaande literatuur over het communisme; de politieke spanningsvelden worden blootgelegd, en op het oog irrationele beslissingen worden dankzij de door Priestland aangestipte grote verbanden begrijpelijk gemaakt.

‘An die Nachgeborenen’
Aan de hand van Brechts gedicht ‘an die Nachgeborenen’ geeft Priestland terecht aan dat de vele onmenselijkheden van het communisme niet onze blik op de oorspronkelijke aantrekkingskracht ervan moeten vertroebelen. Pol Pot en Stalin moeten vanzelfsprekend ten zeerste veroordeeld worden, maar we moeten niet vergeten tegen welke achtergronden het communisme opkwam. Of het nu in 1870 of in 1968 was, de sympathisanten van het communisme ageerden ook vooral tégen het kapitalisme en de mechanismen daarvan die de mensen onrechtvaardig behandelden en in onwetendheid wilden houden. Het communisme wilde het verhaal van Prometheus nieuw leven inblazen en de onderdrukte mensheid te hulp komen. De bittere ironie hiervan is dat de hoopgevende communistische regimes verwerden tot manke en starre bureaucratische machines, die zich terloops ook nog eens schuldig maakten aan het rücksichtslos verpletteren van het individu.

Zoals bijna alle historici wijt David Priestland dat laatste aan de aan het communisme inherente ideeën van utopisme en radicaliteit. ‘De rode vlag’ wappert op steeds minder barricaden of regeringsgebouwen en speelt nauwelijks meer een rol in het publieke debat. Er was een tijd dat die vlag hoop en kracht uitstraalde. Over die hoopvolle begintijd, die futloze eindtijd en de overgang daartussen heeft David Priestland een goed en bovenal zeer informatief boek geschreven.

Guido van Heulendonk – Barnsteen

Het Baltische goud

Oorsponkelijk verschenen 25-04-2012: http://www.8weekly.nl/artikel/8353/guido-van-heulendonk-barnsteen-het-baltische-goud.html

Tien jaar geleden publiceerde Guido van Heulendonk zijn laatste roman. Nu komt de winnaar van de Gouden Uil in 1995 (voor Paarden zijn ook varkens) eindelijk met een nieuw boek: Barnsteen. In een mooie stijl, vol onderkoelde ironie, beschrijft Van Heulendonk de zoektocht van zijn hoofdpersoon naar zijn moeder, en naar de liefde. 


De lezer zit in het hoofd van Dorian DeWit, zoon van een Vlaams-nationalistisch politicus – dromend van een ‘Groot-Nederland’ – en een dichteres die zelfmoord heeft gepleegd. De eerste bladzijden beschrijven de basistoestand van deze introverte 31-jarige Belg: hij werd wakker en ‘zette thee, dronk een kop, nam een boek van de plank, plaatste het terug. Toen dat allemaal gebeurd was, voelde hij zich hondsmoe. Hij kroop terug in bed.’ Gelukkig voor hem, en voor het verhaal, beseft hij dat er iets moet veranderen, en hij neemt het vliegtuig naar Riga.

Barnsteen
Want zijn moeder was in Riga geweest, getuige een mysterieus pakketje dat Dorian na haar dood overhandigd kreeg. Daarin zat, naast een gedicht en een opdracht van ene Elmars (‘Take my heart with you’), een hangertje met een in barnsteen gestolde mug. Barnsteen – amber, het Baltische goud – druipt uit het hars van naaldbomen en is beroemd doordat het na stolling vaak ingekapselde insecten en dergelijke bevat. Een voertuig voor keiharde symboliek dat op allerlei zaken in het boek valt toe te passen. Ook op Dorian, die in Riga probeert de sporen van zijn moeder na te gaan.

Niet dat het daar veel beter met hem gaat. Opgesloten in zijn eigen wereld vliegen zijn gedachten en waarnemingen alle kanten uit, en steeds verder weg naarmate het verhaal vordert. Het zijn vooral destructieve gedachten over lelijkheid en wreedheid – tot drie keer toe gaat het bijvoorbeeld over de precieze details van de marteling van Balthasar Gerards. Maar soms gaat Dorian op in plotselinge goedheid of schoonheid, zoals hij die ziet in het meisje Ineta, zijn gids in Letland. Hij lijkt liefde te vinden, en dat maakt even alles goed: ‘de wereld rijmt’.

Banaal, soms verheven
Van Heulendonk treft in zijn beschrijving van Dorians toestand en gedachten precies de juiste, heldere toon. Zo moet het voelen om hem te zijn, soms zo banaal, soms net wat meer verheven. Kleine ontroerende herinneringen aan zijn moeder worden afgewisseld met een opkomende walging van de wereld en zijn eigen toestand:

Hij voelde de drang om te lachen […] Maar ergens tussen zijn hersenen en lippen verloor de lach z’n weg en kwam bij zijn ogen uit. Verbaasd voelde hij tranen opwellen, zag zijn kamer langzaam vertroebelen.

Precies andersom weet Van Heulendonk de lezer te raken. De existentiële leegte van Dorian wordt met een onderkoelde ironie beschreven, waardoor een kleine glimlach de traan tegenhoudt. Het enige kritiekpunt is dat Van Heulendonk daar zo bedreven in is dat hij er zo veel gebruik van maakt, vooral in het begin, dat het soms te veel een trucje lijkt.

Waar zijn we?
Het verhaal is doorspekt met de geschiedenis van België en Letland. Het eerste land dreigt (in 2007) uit elkaar te vallen, het tweede kent voor het eerst onafhankelijkheid na duizend jaar buitenlandse overheersing. Beide historiën zijn vervlochten met zowel Dorians verhaal als met dat van al de in het boek optredende individuen: ‘De vraag is niet: zijn of niet zijn, maar wel: waar zijn we?’ Want daar draait Dorians tocht om: het zoeken naar een verhouding tot het verleden en naar de mogelijkheid van een toekomst.

Het einde van het verhaal bevat een daverende wending, die verschillende dingen op hun plek doet vallen. Terwijl de lezer nog van die wending nadreunt, besluit het boek met een – hier niet te verklappen – prachtige zin. Nu hopen dat Van Heulendonk een beetje opschiet met zijn volgende roman.

 

Curzio Malaparte – Techniek van de staatsgreep

Hoe pleeg ik een staatsgreep?

Curzio Malaparte – Techniek van de staatsgreep (vert. Frans Denissen en Peter Westerlaken)

oorspronkelijk verschenen 03/12/2009: http://www.8weekly.nl/artikel/7914/curzio-malaparte-techniek-van-de-staatsgreep-vert-frans-denissen-en-peter-westerlaken-hoe-pleeg-ik-een-staatsgreep.html

Hoe de moderne staat te veroveren of te verdedigen? In Techniek van de staatsgreep (1932) geeft Curzio Malaparte (1898-1957) antwoorden op deze nog steeds actuele vragen. Maar het is niet enkel een politiek handboek; via eigen, als journalist opgedane indrukken en literaire sfeerbeelden beschrijft Malaparte zeer treffend verschillende politiek-revolutionaire episodes uit het interbellum. Daarnaast kondigde hij en passant de volgende stap van Hitler aan. 

Malaparte, wat ‘hij die aan de verkeerde kant staat’ betekent (vergelijk ‘Bonaparte’), is het pseudoniem van Kurt Erich Suckert. Na de publicatie vanTechniek van de staatsgreep verbande de fascistische dictator Mussolini hem jarenlang naar het eiland Lipari. De jaren na de Eerste Wereldoorlog werden gekenmerkt door een continue strijd tussen voor- en tegenstanders van vrijheid en democratie. Geen enkel land (‘zelfs het politiek rustige en goedbestuurde Nederland niet’) is volgens Malaparte veilig voor een staatsgreep. Want bij een staatsgreep is de politieke strategie (het verwerven van bevolkingssteun bijvoorbeeld) van secundair belang; alles draait om techniek.

Trotski vs. Stalin

Malaparte geeft verschillende voorbeelden van staatsgrepen in de jaren twintig die mislukten doordat de principes van de moderne staatsgreep niet werden begrepen. Volgens hem was Trotski de eerste die dat wel deed. Hij begreep dat het enige wat nodig is voor een geslaagde staatsgreep een capabele voorhoede is, bestaande uit technisch en militair geschoolde mannen, die met een aantal bliksemacties de technische staatsorganisatie – zoals elektriciteitscentrales, treinstations, telefooncentrales – platleggen en overnemen. De oude regering is dan volledig geïsoleerd en hoeft niet aangepakt te worden om te vallen.

Dat klinkt bijna te gemakkelijk om waar te zijn. Mede daarom bezagen de Bolsjewistische commissies Trotski’s plannen voor de Oktoberrevolutie van 1917 met veel scepsis. Om hen de revolutie niet te laten dwarsbomen zet Trotski een dag eerder dan gepland (de 24e) zijn plannen in werking. Die slagen volledig, maar omdat hij de regering-Kerenski ongemoeid laat, bevat niemand dat direct.

De twee leiders van de mensjewistische meerderheid, die voor Lenin langslopen om de congreszaal binnen te gaan, verbleken en kijken elkaar aan. Ze hebben in die gepruikte man met het uiterlijk van een kleine dorpskomediant de verschrikkelijke vernietiger van het Heilige Rusland herkend. (…) ‘Waarom bent u nog zo vermomd?’ vraagt Trotski aan Lenin. ‘Overwinnaars verbergen zich niet.’

Dan hoort Lenin het nieuws van de bestorming van het Winterpaleis (de 25e): ‘”Eindelijk!” roept Lenin uit. “U komt vierentwintig uur te laat,” zegt Trotski tegen hem.’

Tien jaar later probeert Trotski dezelfde tactiek tegen Stalin toe te passen. Stalin kent echter Trotski’s tactiek en zet zelf contrarevolutionaire korpsen in om de technische staatsorganisatie te beschermen; Stalin was de eerste die begreep dat de techniek van het staatsbehoud hetzelfde werkt – maar dan omgekeerd – als de techniek van de staatsgreep.

Veelomvattend en actueel 
Omdat Techniek van de staatsgreep deels als handboek is bedoeld, herhaalt Malaparte erg vaak zijn kernstellingen. Gelukkig wisselt hij die af met zowel dialogen tussen hem en zijn tijdgenoten en sfeerbeelden van in revolutionaire onrust verkerende steden, waarin de schrijvershand van zijn latere meesterwerken De huid en Kaputt al te herkennen is.

In de laatste twintig bladzijden behandelt Malaparte de opkomst van Hitler. Naast dat Malaparte’s beroemde – en dubieuze – vergelijking van Hitler met een vrouw hier naar voren komt, kondigt hij (in 1932!) ook de ‘nacht van de lange messen’ (1934) als noodzakelijk aan. Tevens geeft Malaparte de juiste voorspelling dat ‘de dictator Hitler’ de macht zal bereiken via de parlementair wettige route.

Techniek van de staatsgreep is een veelomvattend werk. Malaparte beschrijft met een rijk taalgebruik en op verschillende manieren de geest van de historische gebeurtenissen. En ja, zijn techniek kan nog steeds gebruikt worden. De technische staatsorganisatie van vandaag leunt op computers en internet en kan gekraakt worden. Alleen: waar zijn onze Trotski’s?