‘Dat heb je met vrijheid’. ‘Wat?’

recensie: Rachel Kushner (vert. Lidwien Biekmann en Maaike Bijnsdorp) – De Vlammenwerpers

(Oorspronkelijk verschenen 01-05-2014: http://www.8weekly.nl/artikel/11495/rachel-kushner-vert-lidwien-biekmann-en-maaike-bijnsdorp-de-vlammenwerpers-dat-heb-je-met-vrijheid-wat.html)

Rachel Kushners De vlammenwerpers is ambitieus. Het zit zowel vol met persoonlijke en artistieke vragenverwarring als met alle kanten op vliegende culturele verwijzingen en dwarsverbanden.

De Vlammenwerpers kort samenvatten gaat eigenlijk niet. Kushner heeft vrolijk aan cherrypicking gedaan, in historische, culturele, artistieke én politieke zin. Ze verbindt een onwaarschijnlijk aantal tot de verbeelding sprekende episodes. Onder meer de cynisch wordende New Yorkse kunstscene van eind jaren zeventig, land art, Italiaanse futuristen, radicale politieke protesten in de jaren zeventig in zowel Amerika als Italië, snelheidsraces per motor en een lading geijkte Americanabeelden.

Adolescent wordt volwassen
Alle registers gaan open. Het bovenliggende thema is klassiek: adolescent gaat wonen in een Amerikaanse stad, is daar aanvankelijk naïef en eenzaam maar ontwikkelt langzaam een krachtiger persoonlijkheid. Hier is de adolescent Reno, genoemd naar haar plaats van herkomst: Reno, Nevada. Ze is net afgestudeerd aan de kunstacademie en naar New York verhuisd. En inderdaad begint ze naïef en blanco (heet ze daarom naar de plaats waar ze vandaan komt?). Veelzeggend is dat ze werkt als china girl: een meisje wiens gezicht op de aanloopstrook van een film wordt gezet om de technici een referentiepunt voor de kleur van huid te bieden.

Reno laat zich leiden, wacht telkens af totdat iemand haar meesleurt. Er is één uitzondering op haar wachten: ze houdt van motorrijden en de snelheid ervan. Op de eerste pagina’s – in het hoofdstuk veelzeggend getiteld ‘Spiritueel Amerika’ – is Reno per motor onderweg naar een zoutvlakte in Utah om deel te nemen aan een motorrace/kunstproject.

Ik ging van de ene stip op de kaart naar de andere: Winnemucka, Valmy, Carlin, Elko, Wells. Ik had het overweldigende gevoel dat ik een missie vervulde, zelfs toen ik onder de luifel van een chauffeurscafé zat (…) Vijf minuten zei ik tegen mezelf. Vijf minuten. Als ik langer bleef, zou de plek die op de kaart stond zich te zeer opdringen.

Naast de vele verwijzingen zit de roman vol vragen, die Kushner vaak niet of pas veel later beantwoordt. Waarom mag bijvoorbeeld die plek op de kaart zich niet opdringen? Het einddoel van Reno’s missie is om te racen in Utah en tegelijkertijd foto’s te maken van de motorsporen in het zand. Geïnspireerd door de land art van Robert Smithson wil ze ‘tekenen in de tijd’, met haar motor patronen maken in de woestijn. Ze combineert het tekenen en de snelheid, beide om te kunnen ‘winnen’. Maar winnen waarvan, van de vergankelijkheid?

Vrijheid
Een van de punten waarop dwarsverbanden in de roman elkaar kruisen – en waar de vragen misschien een antwoord kunnen krijgen – is het vrijheidsthema. Iemand zegt tegen Reno: ‘Ja, zie je wel? Dat heb je met vrijheid.’ ‘Wat?’, vroeg ik. Toen zei hij: ‘Niemand wil het.’ Dostojevski’s Grootinquisiteur-thema komt vaker terug: veel van de Amerikaanse karakters zijn kunstenaars, die eigenlijk maar wat lijken te doen. Anything goes, ja; maar wat hiervan is ‘echt’? Zou één van hen werkelijk geloven in het gekunstelde antwoord dat ze geven op de vraag waarom dit anything en niet dát? De vraag of iemand nog wel iets serieus neemt raakt aan de vraag of iemand nog wel weet wat te beginnen met de in overvloed aanwezig lijkende vrijheid. Kushner noteert: ‘Een besluit is uitgekristalliseerde besluiteloosheid.’

Tot de verbeelding spreekt een scène waarin Reno op een zomermiddag eenzaam door de stad loopt, en door Nina Simone een café binnen wordt gelokt. (Simone zingt: ‘What difference does it make, which one I choose? Either way I lose’.) Het café is leeg, afgezien van twee in alles detonerende personages rondom een piano. De man is schitterend gekleed, maar heeft iets onechts, iets onvleselijks over zich. En de vrouw ratelt non sequitur-zinnen, allemaal eindigend met een vraagteken – terwijl ze nooit wat vraagt.

Gemaakt om te branden
Via deze twee eigenaardige personen komt Reno terecht in de kunstscene en verzeilt ze in een relatie met Sandro Valera. In hem verbinden zich de Amerikaanse en de Italiaanse tak van de roman. Zijn vader, één van de Italiaanse futuristen van rond de Eerste Wereldoorlog, combineerde zijn liefde voor snelheid en radicaliteit met technische kennis en verbeelding: hij stichtte een beroemde motorfabriek. De motor waar Reno op rijdt, een Moto Valera, komt uit deze fabriek.

En dan zijn er nog een reeks andere thema’s. Het een is belangrijker dan het ander, maar aanzetten tot denken doen ze allemaal. Zoals de verhaallijn van de Italiaanse Valera-familie en de arbeidersonrust rond de motorenfabriek. Zoals het motto Fac ut Ardeat, ‘gemaakt om te branden’, uit Pergolesi’s Stabat Mater, maar hier ook verwijzend naar de Arditi, de Italiaanse elitetroepen. Zoals een New Yorkse politieke straatbende, de Motherfuckers, die met speelgoedwapens de boel op stelten zetten en een hond gijzelen.

Het is pasteus veel. Die veelheid is allicht een schrijverstruc. Al werkt het niettemin vaak wel, in ieder geval in de zin dat het amuseert, en dat je steeds benieuwd bent met wat voor eigenaardigs Kushner nu weer op de proppen komt. De roman is vooral overdadig. De lezer kan dan ook nog lang besteden aan het aaneenknopen van de losse romandraden.

Voor hulp zie het interview in The Paris Review.

Hoger: de maan, de hemel

recensie: F. Scott Fitzgerald (vert. Charles Bors en Mon Faber) – Een dag in mei

(Oorspronkelijk verschenen 03-06-2013: http://www.8weekly.nl/artikel/10730/f-scott-fitzgerald-vert-charles-bors-en-mon-faber-een-dag-in-mei-hoger-de-maan-de-hemel.html)

In de aandachtverzekerende slipstream van de verfilming van The Great Gatsby presenteert Uitgeverij Karaat een hervertaling van de novelle Een dag in mei. De dag dat de Jazz Age begon.

Grofweg duurde de Jazz Age tien jaar, van de titeldag 1 mei 1919 tot aan de crash in 1929. Van deze periode was F. Scott Fitzgerald, zoals wel bekend zal zijn, de chroniqueur én het symbool. In het terugblikkende essay (een van de twee essays die achter in deze uitgave zijn opgenomen) ‘Echo’s van de Jazz Age’ schrijft Fitzgerald dat jazz, ‘in de oplopende mate van respect’, stond voor seks, dansen en muziek. Fitzgeralds generatie ervoer het Jazz Age-decennium als ‘geleende tijd – de complete bovenlaag van een natie die leefde met de zorgeloosheid van een groothertog en de onverschilligheid van een koormeisje’.

Kitsch of rotte plekken
De Jazz Age-generatie was in materieel en ethisch opzicht misschien zorgeloos, maar werkelijk paradijselijk was het leven toch niet. Jazz representeerde hier namelijk ook ‘een toestand van nerveuze agitatie, die doet denken aan die van grote steden achter de oorlogslinies’. Om dit te bekrachtigen merkt Fitzgerald op dat veel van zijn vrienden jong stierven, door alcoholisme of (zelf)moord. Ook deze rauwige keerzijde is een constituerend onderdeel van de Jazz Age.

En juist die rauwheid is, in vergelijking met het boek, weggelaten in de nieuwe, eenzijdig weelderige verfilming van The Great Gatsby. Net zoals het oorspronkelijke ‘boats-against-the-current’-verhaal over Jay Gatsby, is Een dag in mei bij tijden overdadig, weelderig, en dan weer bijtend en wanhopig. Gelukkig maar, want het spektakel en de weelde verkrijgen hun heftige charme bij de gratie van de keerzijde. Anders mondt het verhaal onherroepelijk uit – zoals de film – in kitscherig hedonisme.

Daarentegen mag de weelde zoals Fitzgerald die zo schitterend beschrijft werkelijk decadentie genoemd worden. Op de juiste manier opgevat, hoort bij dit complexe begrip het ‘et in arcadia ego’, het niet kunnen ontsnappen aan de menselijke conditie. En decadentie betekent ook altijd, in meer of mindere mate, een staat van degeneratie. Om een voor de hand liggende metafoor te benutten: decadentie is overrijp fruit, zeer zoet en soms ook zeer voedzaam, maar balancerend op het kantelpunt van rotting (en het is dus nooit zeker of je bij je volgende hap niet vol in een rotte plek bijt).

Naar de maan janken
Weg van de abstracties: de novelle Een dag in mei is een mooie nieuwe vertaling – enkel aan de titel lijkt iets in vertaling verloren te zijn gegaan – van een van F. Scott Fitzgeralds eerstelingen, May Day (1920). Fitzgerald schreef het in een licht-wanhopige toestand. Hij had nog geen succes, was berooid, en om die redenen hield de latere Zelda Fitzgerald de verloving af. Deze desolate staat kleurt Een dag in mei. Want hoewel zeker een Jazz Age-novelle, vol drank en uitgelatenheid, bevat het verhaal meer wanhoop dan Fitzgeralds bekende romans. Zo lijkt een van de personages in de raamvertelling, Gordon Sterrett, te zijn gemodelleerd naar Fitzgerald anno 1920: berooid, verliefd, maar niet bij machte de relatie te bestendigen en weliswaar talentvol, maar zonder benul hoe dat talent ten gelde te maken.

Maar in Jazz Age-romans gaat er niemand in een hoekje van de kamer heen-en-weer zitten wiegen; nee, men gaat de straat op, het gedruis in. En de eerste mei 1919 bood de rusteloze genoeg afleiding. Zo keert een regiment militairen terug uit de Eerste Wereldoorlog en is er een Gamma-Psi-bal gepland, wat ‘het beste feest sinds de oorlog’ beloofd te worden. Daarbij heeft Fitzgerald hier, meer dan in later werk, maatschappelijk licht-explosieve figuren opgenomen, zoals berooide militairen en socialisten.

Dit maakt confrontaties tussen tegenpolen mogelijk. Neem het gesprek tussen de socialist Harry en zijn zus Edith, de ‘flapper’ – zoals uitgelegd in het nawoord van David Koppernik: ‘het doodgewone meisje dat [nog bijzonder in 1920] te weten was gekomen wat ze wilde, dat flirtte, dronk, seksueel aantrekkelijk was’. Edith zegt:

‘De hele avond zijn er al opstootjes in de stad. Het is May Day, begrijp je.’
‘Waren het hevige rellen?’
‘Helemaal niet,’ zei hij laatdunkend. ‘Zo’n vijfentwintig van hen stopten rond negen uur op straat en begonnen naar de maan te janken.’

Misschien is dat ook een kenmerk van de Jazz Age, het continue naar de maan janken?

Tome- en torenloos
Zoals iedereen die ooit een overdadig feest heeft bezocht weet, bezit de decadente overvloed iets eigenaardigs grappigs. In Een dag in mei wisselt de toon van lichte wanhoop, vaak vermengd met trotsheid, naar een halfserieus te nemen geloof in tome- en torenloze mogelijkheden. Neem twee vrienden die na het Gamma-Psi-bal doorboemelen. Ze hebben zich omgedoopt in meneer In en Out, en bevinden zich tegen het einde van het verhaal in een lift. Ook dit is de Jazz Age:

‘Welke verdieping wenst u?’ zei de liftbediende.
‘Maakt niet uit’, zei meneer In.
‘De bovenste verdieping,’ zei meneer Out.
‘Dit is de bovenste verdieping,’ zei de liftbediende.
‘Dan moet je er nog een verdieping op laten zetten, ‘ zei meneer Out.
‘Hoger,’ zei meneer In.
‘De hemel,’ zei meneer Out.

Naast het nawoord zijn er zoals gezegd twee rijke essays van Fitzgerald bijgevoegd – waarvan ‘Mijn verdwenen stad’ misschien wel het mooiste is. De typering wordt veel te veel gebruikt, maar in dit geval is ze terecht: Fitzgerald behoort écht tot de vijf à tien groten van de twintigste eeuw. Een dag in mei herbevestigt dit, en, misschien nog belangrijker, zorgt er ook voor dat je de The Great Gatsby gaat (her)lezen.

John Williams – Stoner

Recensie van John Williams – Stoner (vert. Edzard Krol)

Oorspronkelijk verschenen 19-10-2012: http://www.8weekly.nl/artikel/10281/john-williams-vert-edzard-krol-stoner-tussen-onderbuik-en-neusholte.html

Tussen onderbuik en neusholte

De titelfiguur in Stoner is een universitair docent letterkunde. En het hoofdthema is de liefde: voor een vrouw (of twee), een kind en de literatuur. Dit zijn niet onbeminde, maar wel zeer bekende romaningrediënten. Toch moet het originaliteitscriterium hier (tijdelijk) overboord, want Stoner is haast een ideale roman.

Oorspronkelijk publiceerde de Amerikaan John Williams (1922-1994) Stoner in 1965. Nu, 47 jaar later, volgt de heldere Nederlandse vertaling. Op de eerste pagina kondigt Williams aan dat William Stoner leefde, op de universiteit werkte als hoofddocent, toen stierf en werd vergeten. Hiermee blaast hij het verhaal de adem van volstrekte zinloosheid in, van een verloren leven. Dit zet de lezer op het verkeerde been, want dat is het werkelijk niet. Stoner hoeft niet veel op zichzelf te reflecteren om er blijk van te geven dat hij zijn eigen aard volgt. Bovendien is hij het grootste deel van zijn leven bezig met een van zijn grote liefdes: de Engelse literatuur en het doceren ervan.

Verliefdheid
De gedachte- en zelfs bijna woordeloze kinderjaren van William Stoner, op een boerderij in Missouri begin twintigste eeuw, worden in enkele pagina’s afgedaan. Dan oppert zijn vader dat een landbouwstudie aan de universiteit van Columbia een goede keuze zou zijn. En dus gaat Stoner studeren, werkt hij voor kost en inwoning bij een neef van zijn moeder en schaamt hij zich voor zijn grote lijf. In alles doet hij zijn best, ogenschijnlijk zonder enige bijgedachte. Behalve bij één vak: het voor alle eerstejaars verplichte Engelse letterkunde ‘verontrust hem’.

Vervolgens overkomt hem daar wat hem in de roman meerdere malen zal overkomen: Stoner wordt verliefd, en wel op de taal en de literatuur. Zijn liefde vindt bestendiging in zijn talent, en met behulp van een docent start hij zelf een (beperkte) universitaire loopbaan. Dit leidt tot een even onvermijdelijke als ontroerende verwijdering tussen hem en zijn boerenouders.

… en verliefdheid
Zijn tweede verliefdheid – die voor de literatuur blijkt eeuwig – is minder gelukkig. Geheel verblind valt Stoner voor Edith Bostwick, een meisje opgevoed in een belachelijke onechtheid. Verkrampt heeft ze een vorm aangenomen die haar moeder en de ‘Miss Thorndyke School voor meisjes’ wensten dat ze aannam. Na twee levensechte scènes in Ediths ouderlijk huis wil de lezer het boek in rennen, om daar zowel met een paar rake klappen haar ouders bij zinnen te slaan als de hele bourgeois-kitscherige poppenkast in een ravage te veranderen (want rotzooi is tenminste écht).

De naïeve Stoner trouwt Edith en na tientallen pagina’s huwelijk wil de lezer ook haar wat aandoen – een neiging die met moeite kan worden onderdrukt omdat je weet hebt van de tragische oorzaken voor haar krampachtige persoonlijkheid. Natuurlijk verandert het niets aan het resultaat voor Stoner, namelijk een verloren mogelijkheid op geluk. 

Genade?
Niettemin baart Edith hem een dochter. In haar, alleszeggend Grace genaamd, vindt Stoner enkele korte jaren lang wat soelaas. Hier spat het broze geluk van de pagina’s. Verschroeiend mooi zijn de korte passages waarin Stoner en Grace samen in de studeerkamer zitten te lezen, hij met één gelukkig oog op het ingespannen gezichtje van zijn dochter, zittend aan haar eigen kinderbureau.

Zoveel harmonie is (bijna) nooit blijvend: Edith maakt Grace tot onderwerp van strijd. Onvermijdelijk verwatert hierdoor de band tussen vader en dochter. Stoner accepteert dit – inhoud gevend aan de connotatie van zijn naam – simpelweg omdat hij de onvermijdelijkheid ervan inziet. Dit onvermijdelijke wortelt in de combinatie van zijn eigen natuur, die van zijn vrouw en van de heersende culturele normen.

Overgave en geluk
De constante in het verhaal is zijn liefde voor de literatuur en het leraarschap. Op de universiteit vindt hij twee vrienden én een decenniadurende vijandschap. En net als je als lezer, iets over de helft van het boek, begint te vermoeden dat dit het was, wordt Stoner wederom verliefd. Ditmaal is de blinde overgave wederzijds: het vormt het orgelpunt in zijn leven.

De opeenvolging van zijn liefdes, alle zo verschillend van aard, brengen hem tot de volgende overweging:

Nu, op middelbare leeftijd, begon hij te ervaren dat het noch een genadige staat was, noch een illusie. Hij beschouwde het als een menselijk wordingsproces, een staat die keer op keer, dag in dag uit opnieuw werd uitgevochten en veranderd, door het verlangen, het verstand en het hart.

Het is een hele toer het werkelijke effect van Stoner te beschrijven zonder terug te vallen op vervaalde, sentimentele uitdrukkingen. Een poging daarlangs af te scheren: als gesteld benadert dit in zijn onderwerpkeuze vrij traditionele Amerikaanse verhaal de ideale roman. En natuurlijk begeeft ook ideale literatuur zich ergens tussen ‘het verlangen, het verstand en het hart’. De roman Stoner helt over naar het verlangen en het hart en veroorzaakt fysieke sensaties: iedere wending, ten goede of ten kwade, ervaart de lezer fysiek, ergens tussen onderbuik en neusholte.

Don DeLillo – Het punt omega

Genezende literatuur

Oorspronkelijk verschenen 12-07-2010: http://www.8weekly.nl/artikel/8546/don-delillo-het-punt-omega-genezende-literatur.html

De beroemde Amerikaanse schrijver Don DeLillo behandelt in al zijn romans verschijnselen van de moderne samenleving die de menselijke conditie beïnvloeden. In zijn korte, maar verbluffende roman Het punt omega doet hij niet anders. Hier ontvouwt DeLillo gedachten over tijd en ruimte, en door de eigengereide en suggestieve manier waarop creëert hij literatuur van de allerhoogste orde.

Het boek begint met een passage waarin een anonieme man kijkt naar een tot 24 uur uitgerekte versie van de film Psycho. De beschrijving van zijn waarneming van deze ultiem trage film suggereert – zoals dit boek zoveel spannende, niet te beschrijven suggesties doet – een nauwe samenhang met het punt omega. Het idee daarvoor ontleent DeLillo aan de Franse twintigste-eeuwse jezuïet Teilhard de Chardin. Deze stelde dat het universum zich continu ontwikkelt naar een toenemende complexiteit en bewustzijn, met als eindstadium het punt omega. DeLillo legt De Chardins punt omega uit als ‘een sprong uit de biologie’, een implosie van het zelfbewustzijn. In de woorden van een van de personages uit DeLillo’s boek:

We zijn uitgespeeld. De materie wil van het zelfbewustzijn af. Wij zijn het denken en voelen waartoe de materie zich ontwikkeld heeft, en het wordt hoog tijd om dat allemaal weer op te doeken. Dat is wat ons nu beweegt.

Woestijn
Aan het woord is Elster, een oud-academicus en voormalig adviseur van het Amerikaanse leger, die zich tijdelijk heeft afgezonderd in een huisje aan de rand van de woestijn. Daar wordt hij bezocht door de naamloze hoofdpersoon van het boek – niet te verwarren met de man die naar Psycho keek –, die weken bij Elster doorbrengt. In eerste instantie doet hij dat met de bedoeling hem over te halen een documentaire over hem en zijn ervaringen met het Amerikaanse leger in Irak te mogen maken. De twee mannen praten, drinken en zweten. Gaandeweg wordt duidelijk dat hun bewustzijn van de tijd en de (lege) ruimte in de woestijn verandert. De komst van Elsters volwassen dochter Jessie benadrukt dit; zij bezit van nature een dergelijk bewustzijn.

Elster is dan ook dol op haar. Hij verfoeit het tijdsbewustzijn van de mens in de moderne samenleving, dat hij tegenover zijn metgezel benoemt als ‘inferieure tijd’. Volgens hem doet die uiteindelijk de natuur van de mens geweld aan:

Steden zijn gebouwd om de tijd meetbaar te maken, de tijd uit de natuur te halen. Er is een eindeloos aftellen, zei hij. Als je alle bedekking weghaalt en naar binnen kijkt, is angst dat wat resteert. Dit is wat literatuur geacht wordt te genezen. Het epische gedicht, het verhaaltje voor het slapengaan.

Intrigerende spanning
Deze drie mensen, die leven in het vacuüm van de woestijn, worden tegenover de samenleving gesteld. In tegenstelling tot de oppervlakkige jachtigheid van de moderne samenleving zoeken ze alle drie instinctief naar het wezen van de dingen. Elster met onder andere zijn zoekende gemijmer, de naamloze hoofdpersoon die een onconventionele documentaire wil maken en Jessie, die als kind altijd de bewegende lippen van haar vader bestudeerde en imiteerde, om als het ware dat te vinden wat zich áchter de woorden begeeft.

De tegenstelling en het benoemde naderen van het punt omega verlenen aan de roman een wonderlijke en intrigerende spanning, die tegen het einde van het verhaal op een totaal onverwachte wijze tot ontbranding komt. Het is ongelooflijk dat DeLillo al dit en nog veel meer in amper honderd relatief kleine bladzijden weet te omvatten. Hij schrijft met een prachtige, wat ingedikte stijl en weet bovendien aan zijn zinnen en alinea’s een schitterend ritme te geven. De stijl gecombineerd met de eigenzinnige opbouw en inhoud maken dit tot een prachtboek. Terugkomend op Elsters geciteerde uitspraak, doet Het punt omega dat wat de beste literatuur kan doen: het geneest.