Roberto Bolaño – De ijsbaan

Roberto Bolaño (vert. Arie van der Wal) – De ijsbaan

Houd moed, verdomme!

Oorspronkelijk verschenen 23-03-2012: http://www.8weekly.nl/artikel/9878/roberto-bolano-vert-arie-van-der-wal-de-ijsbaan-houd-moed-verdomme.html

Fluit een wijsje of houd je adem in: er is weer ‘een nieuwe Bolaño’ verschenen. Al op de eerste pagina van het nu vertaalde De ijsbaan (La pista de hielo, uit 1993) wordt de typische Bolaño-teneur aangekondigd: ‘Zijn stem leek wetteloze streken op te roepen, waar alles mogelijk was.’

Inmiddels zou een introductie van Roberto Bolaño overbodig moeten zijn. Maar ‘is’ en ‘ought’ vallen niet vaak samen, en al helemaal niet in de literaire wereld (volgende vraag is natuurlijk of dit per se betreurenswaardig is). Dus nog eenmaal en in het kort: Bolaño, nu bijna tien jaar geleden overleden aan een leverziekte, is de Chileense auteur van de bijna 1100 pagina’s dichtbedrukte tekst die 2666vormt, een alleszins verbluffend boek. Zij die dit werk aandurfden erkenden onmiddellijk Bolaño’s genie, waarna de lopende band van vertalingen werd aangeslingerd.

Een moord
Het karakteriseren van Bolaño’s genie bezorgt hoofdbrekens, maar in ieder geval is ook De ijsbaan hier weer een intrigerend voorbeeld van. Het zal onvermijdelijk zijn dat deze titel, zo net na het luwen van de Elfstedentochthysterie, oer-Hollandse associaties oproept met erwtensoep, glühwein en dergelijke. Maar geen zorgen, want evenals Bolaño’s andere romans is De ijsbaan het absolute tegendeel van glühwein.

In De ijsbaan wisselen drie vertellers elkaar in korte hoofdstukken af. De lezer valt hier middenin, zonder dat wordt verklaard waarom zij zeggen wat ze zeggen. Wel direct duidelijk is dat er een moord is gepleegd. Aanvankelijk wordt hiervan niets opgehelderd, slachtoffer noch dader noch plaats van delict.

Eén van de drie vertellers is Remo Morán, die zo af en toe een aan lager wal geraakte dichtersvriend een baantje bezorgt op zijn camping. Bijvoorbeeld aan Gaspar Heredia, Gasparín ‘voor willekeurige vrienden en vijanden’ – de tweede verteller. Het is Gasparíns stem die ‘de wetteloze streken’ uit de aanhef oproept. Morán benadrukt dit wanneer hij over hem schrijft dat:

[Hij] de indruk wekte de wereld de rug te hebben toegekeerd, verborgen te houden wie hij was, hoe hij in het leven stond en hoeveel moed er nodig was geweest om door te blijven lopen (nee, door te blijven rennen!) naar de duisternis, naar het hoogste punt…

De kunstschaatsster en de ambtenaar
Ten derde is er de fysiek onaantrekkelijke, qua karakter saaie maar hooggeplaatste ambtenaar Enric Rosquelles. Zijn verhaallijn wordt verlevendigd doordat hij verliefd wordt op de kunstschaatsster Nuria Marti. Zij bezit schoonheid en talent, maar wordt tegengewerkt door de Spaanse kunstschaatsbond. Dus wat doet Rosquelles? Hij bouwt haar een ijsbaan. Dat doet hij met gemeenschapsgeld en dus in het geheim, in het leegstaande, labyrintische Palacio Benvingut.

Rosquelles’ verhaallijn is het meest onambigu en vormt het houvast voor de lezer. Wanneer de andere twee verhaallijnen zich richting de ijsbaan bewegen, beginnen de panelen te schuiven, en valt het verhaal alleen nog intuïtief te duiden. Menselijke verlangens, schimmig dan wel domweg onbeantwoord, vermengen zich met inkijkjes in andere dimensies, diabolisch aandoende werelden. Het is als Twin Peaks op papier, maar dan vergezeld van Bolaño’s terloopse scherpe observaties en een Latijns-Amerikaanse sfeer.

Hoop en nihilisme
Wanneer ook Gasparín verliefd wordt en bovendien het Palacio Benvingut betreedt, nadert het moment suprême. Het is Bolaño eigen dat alles toch anders verloopt dan verwacht. Een ander raadsel is waarom er op de muur van de leeszaal van het Paleis geen protserige of elegante Latijnse spreuk geschreven staat, maar het Argentijnse ‘Coraje Canejo!’ (‘Houd moed, verdomme!’).

Hoewel, misschien is het wel de meest belangwekkende tekst denkbaar. De paradoxale combinatie van onverschilligheid tegenover de afgrond, nihilistische kracht én een flinter hoop, past zowel bij de sfeer van deze roman als bij al Bolaño’s werk. Het maakt ook De ijsbaan een bijzonder werk, een boek om in te verdwijnen.

Roberto Bolaño (vert. Arie van der Wal) – Moordende hoeren

Optocht van de lachende en lijdende mensheid

Oorspronkelijk verschenen 11-11-2011: http://www.8weekly.nl/artikel/9547/roberto-bolano-vert-arie-van-der-wal-moordende-hoeren-optocht-van-de-lachende-en-lijdende-mensheid.html

Wederom een nieuwe Bolaño-vertaling, de schrijver rond wie sinds zijn dood in 2003 een gigantische mythevorming en een literaire hausse bestaat. De verhalenbundel Moordende hoeren bevestigt zijn meesterschap. De suggestie: dat de wereld verdoemd is – en dat er toch nog hoop is.

John Banville schreef vermoedelijk de mooiste, meest toepasselijke zin over Bolaño’s werk denkbaar: ‘One imagines a man strolling into the Valley of Death with his hands in his pockets, whistling.’ In de kolossus 2666 gaat dit letterlijk op – met natuurlijk Ciudad Juárez als ‘the Valley of Death’ –, terwijl in Moordende hoeren de dood een minder letterlijke, maar niet minder krachtige aanwezigheid op de achtergrond is.

Verdoemde werelden
De verdoemde wereld waarin Bolaño’s verhalen zich afspelen is de Chileense, of breder gezegd de Latijns-Amerikaanse wereld van de afgelopen veertig jaar. Dit is de droomloze Latijns-Amerikaanse wereld na de moord op Salvador Allende en de martelingen van Pinochet, Videla en collega’s. In de woorden van een typisch Bolaño-karakter:

Ik denk aan de dichters die zijn gestorven op de pijnbank, aan aids, aan een overdosis, aan allen die net als ik geloofden in het Latijns-Amerikaanse paradijs en stierven in de Latijns-Amerikaanse hel.

De werelden van Bolaño zijn droomloos, maar opmerkelijk genoeg zijn de personages uit zijn verhalen – onder wie ook hier weer de vaker bij Bolaño voorkomende Arturo Belano – dat nooit helemaal. Allemaal proberen ze door te gaan, vaak gedreven door een vast geloof in de kracht van literatuur.

Maar ze hangt niet op
Neem het verhaal ‘Vagebond in Frankrijk en België’ waarin B met tegenzin naar een natuurwetenschappelijk museum wordt gesleurd. Hij dwaalt door de zalen, komt terecht in een zaal waarin machines staan die ‘golven in materialen kunnen aanbrengen’. En plotseling dwingen plotselinge pijnscheuten in zijn borst hem neer te hurken:

B doet zijn ogen dicht maar kan nog steeds de silhouetten van de machines zien, even hardnekkig als de pijn in zijn borst, machines die misschien geen machines zijn maar onbegrijpelijke sculpturen, de optocht van de lijdende en lachende mensheid naar het niets.

De troosteloosheid en apocalyptische doem van het beeld is immens: door fysieke en geestelijke pijnen gekweld beseft B hoe de mens zich door eigen toedoen onvermijdelijk richting afgrond begeeft. Maar na de laatste geciteerde zin is er ogenschijnlijk niets meer aan de hand. Het verhaal ‘golft’ nog wat op en neer tussen afgrond en kalmte, waarna B een meisje – dat hij leuk vindt, natuurlijk – terugbelt. De laatste zinnen van zowel de stroef lopende conversatie als van het verhaal:

Dat had ik niet moeten zeggen. En hij denkt: M gaat ophangen. Hij klemt zijn tanden op elkaar, onwillekeurig vertrekt zijn gezicht in een grimas. Maar M hangt niet op.

Rauwheid
Sommige verhalen zijn heel filmisch, anderen juist heel rauw of bevreemdend op een andere manier. Zoals het verhaal over een eigenlijk heel sympathieke necrofiel (die in gesprek raakt met de geest van het lijk waarop hij net is klaargekomen).

In het titelverhaal wordt beschreven hoe een vrouw een man op tv ziet, gefascineerd raakt en naar hem op zoek gaat. Uiteindelijk vindt ze hem, neemt ze hem mee naar huis en tijdens de daaropvolgende seks profeteert zij haar moord op hem. Maar hij weet haar woorden niet van haar gekreun te onderscheiden en vlucht niet – waarna deze ‘harteloze prinses’ hem vastbindt en haar profetie nogmaals, en nu duidelijker, uitspreekt en zijn lot voltrekt.

Dit soort profetieën zijn in alle verhalen in Moordende hoeren te vinden, letterlijk zoals hier of anders wel door de lezer vermoed. Steeds houd je rekening met daden resulterend in de ‘tol van pijn of vervreemding die we uiteindelijk zouden betreuren’. In twee of drie verhalen lijkt Bolaño met zijn suggestieve, simpele taal helaas in trucjes te vervallen. Deze vormen slappe aftreksels van waartoe hij in staat is. Des te meer jammer, omdat ze wat afbreuk dreigen te doen aan de andere tien verhalen. Want die zijn allemaal verontrustend goed.

Roberto Bolaño – Het Derde Rijk

Spel, beweging, leven

Oorspronkelijk verschenen 05-10-2010: http://www.8weekly.nl/artikel/8685/roberto-bolano-vert-aline-glastra-van-loon-het-derde-rijk-spel-beweging-leven.html

Postume roem verwierf Roberto Bolaño met de zowel qua inhoud als omvang imposante roman 2666. Zoals dat gaat wanneer een schrijver één groot succes behaalt, worden al zijn eerdere romans nader onderzocht: herbergen die soms ook een flard genialiteit? In het geval van Bolaño’s roman Het Derde Rijk is het antwoord daarop helder: ‘ja’.

De titel kan misleidend zijn. Het Derde Rijk is geen boek over de Tweede Wereldoorlog of over Hitlers imperialistische plannen. In ieder geval verwijst de titel naar een bordspel (een soort Risk, maar dan vele malen ingewikkelder), waarin het militaire verloop van de Tweede Wereldoorlog wordt overgedaan en mogelijkerwijs wordt veranderd. Het spel kent een kleine, maar fanatieke schare spelers over de hele wereld. En in dat spel is hoofdpersoon Udo Berger ‘de Kampioen’.

Costa Brava
Maar de roman gaat niet enkel over dat spel. Het boek kent de vorm van een dagboek, dat de periode beslaat die Udo met vakantie doorbrengt aan de Costa Brava. Hij is daar met zijn vriendin Ingeborg en ze logeren in het hotel waar Udo als kind met zijn ouders kwam en dat nog steeds door de mysterieuze Frau Else wordt geleid. Ingeborg wil een rustige vakantie; gelardeerd met grote hoeveelheden drank overdag naar het strand en ’s avonds naar de discotheek. Udo doet daaraan maar mondjesmaat mee. Hij gaat met Ingeborg en haar vakantievrienden (onder wie ‘de Wolf’ en ‘het Lam’) wel mee op stap, maar trekt zich regelmatig terug op zijn hotelkamer om daar de vele mogelijkheden van het spel ‘het Derde Rijk’ uit te pluizen.

Bovenstaande is in een notendop de feitelijke verhaalstructuur van de roman. Maar in het geval van Bolaño gaat het niet om wat er letterlijk staat, maar om de wereld daarachter, die opgebouwd wordt uit ontelbare suggesties. En al die suggesties komen voort uit ontzettend simpel lijkende zinnen; iedere zin stuurt de vorige net wat bij, en roept zo weer nieuwe suggesties en vage gevoelens op. Het is net als in David Lynch’ meesterlijke tv-serie Twin Peaks (waarnaar Bolaño in2666 verwijst), waarin bijna onzichtbare ironie en absurditeit en een almaar toenemende, voelbare dreiging van het onbekende samengevoegd worden.

Spel
En dan zijn er nog de vragen rond het spel. Udo speelt dat met ‘de Verbrande’, een man die waterfietsen verhuurt en over zijn hele lichaam sporen draagt van verbranding – is dat in de Tweede Wereldoorlog gebeurd? En waarom is Udo zo bezeten van dat spel? Misschien omdat het, net als zijn dagboek, een te controleren gebied is binnen het zo onoverzichtelijke leven (door Udo soms gevreesd om zijn ‘middelmatigheid en absurditeit’). Het ligt allemaal veel ingewikkelder. Ingeborg doet daarentegen geen moeite:

Ingeborg, naakt op het laken, verzekert dat alles simpel is. ‘Zelfs jouw miniaturen.’ Dat blijft ze herhalen tot ze in slaap valt. ‘Miniaturen’. ‘Alles is simpel’. Een hele tijd heb ik naar mijn spel gekeken en nagedacht. (cursivering Bolaño)

En juist daar lijkt het in dit verhaal om te gaan. Niet per se om het nadenken, maar om het feit dat Udo beweegt, dat hij probeert betekenis toe te kennen. Al bewegend raakt Udo verwikkeld in steeds grotere raadsels; het spel lijkt consequenties te hebben die doordringen tot in het ‘echte leven’. Ook die mogelijke consequenties zijn door Bolaño opgebouwd met talrijke halve en hele suggesties. Hoe dat precies zit moet de lezer zelf uitvinden. Sla dit boek open, begin met het veelzeggende motto en lees. Met andere woorden: beweeg.