Een omgedraaide jobsgeschiedenis

recensie: Jens Peter Jacobsen – Niels Lyhne (vert. Annelies van Hees)

(Oorspronkelijk verschenen 30-03-2014: http://www.8weekly.nl/artikel/11429/jens-peter-jacobsen-niels-lyhne-vert-annelies-van-hees-een-omgedraaide-jobsgeschiedenis.html)

In Briefe an einen jungen Dichter schrijft Rainer Maria Rilke dat hij twee boeken niet kan missen: de Bijbel en het verzameld werk van Jens Peter Jacobsen. Nu is er een nieuwe vertaling van Jacobsens belangrijkste roman, Niels Lyhne.

Om de nu gewekte grote verwachtingen nog iets op te poken: in één van zijn brieven aan ‘de jonge dichter’ Xavier Kappus schrijft Rilke: ‘Sie werden das grosse Glück erfahren, dieses Buch zum ersten Male zu lesen, und werden durch seine unzählige Überraschungen gehen wie in einem neuen Traum.’ Bovendien dweepte niet alleen Rilke maar ook nog een trits andere groten, van Thomas Mann tot Sigmund Freud, met dit boek gevuld van het ‘grote geluk’ en ‘ontelbare verrassingen’.

Een fascinerende tijd van ontdekken
Het boek is geschreven in 1880 en vertelt het levensverhaal van de titelpersoon. Niels Lyhne wordt geboren op het Deense platteland, als kind van een artistieke moeder en een pragmatische, op zaken gerichte vader (waarmee het boek inderdaad een zweem bevat van het Buddenbrooks-thema van artisticiteit versus pragmatisme). Het eigenlijke verhaal begint wanneer de twaalfjarige Niels duizelig wordt bij de toevallige aanblik van tante Edele’s naakte benen. Niels is op slag hevig verliefd, maar zijn tante is onbereikbaar – en sterft bovendien.

In zijn romantische maar precieze stijl benadrukt Jacobsen dat het met die verliefdheid begon: ‘Het is een fascinerende tijd van ontdekken waarin hij, beetje bij beetje, met angstig onzeker gejubel, in ongelovig geluk zichzelf ontdekt.’ Vervolgens vliegt de roman van Niels zijn ene liefde, verliefdheid of diepe vriendschap naar de volgende. Dat ‘vliegen’ mag vrij letterlijk genomen worden, want aan dagelijksheid van welke soort dan ook besteedt het boek geen woorden. De emotioneel dorre jaren van Niels worden simpelweg overgeslagen. Alles draait om de momenten en perioden waarin zijn gevoel sterk oplaait, of juist abrupt neerploft en uitdooft.

Droom en dichterschap
Na zijn jeugd vertrekt Niels, in zijn dromen al een groot dichter, naar Kopenhagen. Hij raakt verwikkeld in een wonderlijke halfechte, halfgefantaseerde relatie: ‘een liefdesfantasie met echte tableaus’. Dit bood hem een basis om zich verder op te ontwikkelen. De vertelstem uit het boek deelt mee: ‘En dat had hij nodig. Er moest immers een dichter uit Niels Lyhne worden.’ Mooier nog is het vervolg – en laat ik nu ook maar benadrukken dat Niels Lyhne de door Rilke gewekte verwachtingen inlost. Want deze liefde haalt hem uit de droom en zet hem op een nieuw ontdekkingsspoor, op een pad naar werkelijker zelfkennis:

Mensen kunnen heel verschillend zijn, maar hun dromen zijn dat niet, want de drie of vier dingen die zij begeren, laten ze zich in hun droom geven, min of meer vlug, min of meer volledig, maar ze krijgen ze altijd, allemaal, er is immers niemand die in zijn droom in ernst met lege handen achterblijft. Daarom ontdekt niemand zichzelf in zijn dromen, wordt zich daar nooit bewust van zijn eigenaardigheden, want de droom weet er niets van hoe het je volstaat om de schat te vinden, hoe je die loslaat als je hem verliest, hoe je verzadigd wordt als je geniet, waarheen je je wendt als je gemis voelt.

Deze fundamentele liefdesfantasie laait op en dooft uit. Wat volgt is teleurstelling, de vermoeidheid van de obsessie met het ‘zelf’, alles doordringend spleen, maar dan ook weer de plotse verfrissing van weer oplaaiende liefde en de hernieuwd optimistische overtuiging de onbekende wereld te kunnen veroveren.

Jens Peter Jacobsen (1847-1885) beschrijft dit alles in overvloeiende romantische taal. Zijn zinnen komen hoogrollend aangolven, en vaak volgt er een bijzin meer dan je verwacht. Maar dankzij Jacobsens nauwkeurige stijl werd de romantische stijl mij, 21e-eeuwse lezer, niet vaak teveel. Daarbij is het kardinale punt waarschijnlijk dat Jacobsen niet alleen excelleert in schetsen van lichtval, geurzweem en het eb en vloed van de liefde, maar tevens in zijn scènebeschrijvingen (waarbij ik hier op de koop toeneem dat de krachtige verstilling zonder de context mogelijk wat verloren gaat):

En mij was je helemaal vergeten,’ fluisterde hij.
Het leek of ze het niet hoorde, ze sloeg niet eens haar ogen op; toen schudde ze eindelijk haar hoofd, heel even, en toen een flinke poos later, weer, heel even.

Nog een laatste groot compliment: Jacobsen heeft een groot psychologisch inzicht: zie het lange droomcitaat hierboven. Daarnaast is dit te zien in het terugkerende thema van het vermogen van de mens tot zelfbedrog: de mens die hoopt en die illusies creëert tegen beter weten in. Of de man die een ideaalbeeld creëert van een vrouw, en vergeet dat onder het op de werkelijkheid geplakte beeld geen droom- maar een mensenvrouw zit.

Jobsgeschiedenis
Natuurlijk is het een zeer eind negentiendeeeuws boek. Jacobsens Niels Lyhne is atheïst, discussieert over hoe een religieloze samenleving eruit zou zien en hij zet zich af tegen de burgerlijke waarden. Af en toe kan je overeenkomsten zien met de iets later schrijvende Couperus, en de toon van Jacobsen heeft soms ook even klank en kleur die herinnert aan Rilke. Tevens mag de nieuwe vertaling – de vorige stamde uit de jaren veertig – geprezen worden. Vertaalster Annelies van Hees zet af en toe een passend smakende ouwelijke term in: ‘tamme godszegen’ bijvoorbeeld.

In het laatste kwart verwordt het verhaal tot een soort halfomgedraaide jobsgeschiedenis, ware het niet dat Niels Lyhne atheïst is en (net aan) blijft. De boodschap lijkt: al het geluk is tijdelijk. En iets minder nadrukkelijk: misschien is al het ongeluk dat ook.

E.T.A. Hoffmann – Leven en opvattingen van Kater Murr

De bekende romanticus E.T.A. Hoffmann (1776-1822) publiceerde in 1819-1821 zijn misschien wel beste roman, Leven en opvattingen van Kater Murr. Twee verhalen worden daarin verteld, het ene over Kater Murr, het andere over een kunstenaar en een hofintrige. Deze modern aandoende, helaas onaffe, roman is een komedie en romantische tragedie ineen.

Ernst Theodor Wilhelm Hoffmann veranderde uit liefde voor Mozart zijn derde naam in Amadeus. Als schrijver is hij vooral bekend door zijn fabel- en griezelverhalen (denk aan Der Sandmann), maar daarnaast was hij ook jurist, componist en een succesvolle muziekrecensent – achtergronden die te lezen zijn in het nawoord van Francien Markx.

Misdruk

In Leven en opvattingen van Kater Murr wordt vaak verwezen naar muziek en naar dat wat muziek vermag. Maar dat is niet de enige verwerking van Hoffmanns leven in deze roman. Kater Murr was de naam van zijn eigen kat, en de biografie van de kunstenaar Kreisler die een belangrijke rol speelt in het zich parallel afspelende verhaal, vertoont sterke gelijkenis met die van Hoffmann zelf. Bovendien komen in de roman zowat alle literaire vormen samen – de fabel, grap, waanzin, romance, tragedie – die Hoffmann in zijn schrijverscarrière benutte.
Zoals de titel aangeeft, is de schrijver van het autobiografische verhaal de kat, Murr. Deze heeft papieren uit het manuscript van de kunstenaar Kreisler gebruikt als onderlegger (en stiekem plagieert hij er ook uit). Door een fout van de drukker zijn deze papieren in het uiteindelijke boek blijven zitten. Gevolg daarvan is dat het verhaal van Murr veelvuldig bruusk wordt afgebroken, waarna de roman verdergaat met de vertelling van Kreisler en de hofintrige waarin hij zijdelings is betrokken. Na de eerste verwarring is deze originele vertelstructuur vooral amusant.

Murrs avonturen
De ontwikkeling van het individu, typerend voor literatuur uit de Romantiek, staat in beide verhalen centraal. De kat Murr heeft wetenschappelijke en dichterlijke ambities. Dit hoogmoedige beest – ‘de stralende, hoogst excellente Kater Murr’ – gaat prat op zijn ontwikkeling en op het feit dat hij afstamt van de Gelaarsde Kat. Maar ondertussen wordt hij toch het allerliefste verwend met een lekker hapje, een haringkop of melkpap met boter.

Wanneer Murr niet met zijn neus in de boeken zit, of pompeuze sonnetten schrijft, raakt hij verwikkeld in hilarische avonturen. Hij vecht duels uit en wordt verschillende keren hals over kop verliefd: 

Mijn innerlijke gevoelens liet ik nu geheel de vrije loop. Keer op keer drukte ik haar poot aan mijn lippen en verzekerde dat ik de gelukkigste sterveling zou zijn als ze een beetje van me wilde houden.
‘Ongelukkige,’ zei plotseling een stem vlak achter me, ‘wat doe je! Dit is je dochter Mina!’
De kunst
In het ongeveer even lange verhaal van Kreisler (waar Meester Abraham in voorkomt, een karakter dat ook in Murrs verhaal voorkomt) draait het vooral om de kunst. Kreisler, oud-kapelmeester aan het hof, is een werkelijk integere kunstenaar, op zoek naar de zuivere harmonie. Julia, de boezemvriendin van de prinses, beantwoordt aan zijn ideaal van zuiverheid en roept daarmee zijn liefde op.

Simultaan aan Kreislers zoektocht ontwikkelt er zich een spannende intrige rond het koningshuis. Daar zitten duistere kantjes aan, zoals een schilderij met bepaalde krachten dat aan Wilde’s The Picture of Dorian Gray doet denken. Helaas komt de lezer niet te weten hoe de liefde en intrige aflopen, want Hoffmann stierf voordat hij aan het beloofde derde deel was begonnen. Maar de lezer die moeite doet om de vertelstructuur en de belevingswereld van een kat te volgen, wordt de grote reikwijdte van dit tegelijkertijd hilarische, romantische en spannende werk duidelijk.