Margot Dijkgraaf interviewt Umberto Eco

Margot Dijkgraaf interviewt Umberto Eco

Waarheid, of het probleem van falsificatie

Oorspronkelijk verschenen 06-03-2011: http://www.8weekly.nl/artikel/9026/margot-dijkgraaf-interviewt-umberto-eco-waarheid-of-het-probleem-van-falsificatie.html

De romans van mediëvist en semioticus Umberto Eco winnen met de opkomst van internet enkel aan belang. Wat nemen de mensen voor waar aan, wat ‘horen’ zij en wat niet? Zijn laatste roman De begraafplaats van Praag handelt over historische complotten, zoals zo vaak gekatalyseerd door vreemdelingenhaat. Naar aanleiding van de publicatie werd Eco op vrijdag 4 maart in de Rode Hoed geïnterviewd door Margot Dijkgraaf, in samenwerking met de SLAA en uitgeverij Prometheus. Het bovenliggende thema was de waarheid, maar dan wel gebracht met kwinkslagen.

Umberto Eco is waarschijnlijk de best verkopende auteur wereldwijd mét reële literaire pretenties. Hij heeft een indrukwekkende lijst literaire bestsellers op zijn naam, met als beroemdste werken het door half Nederland gelezen De naam van de roos en de, in de woorden van Dijkgraaf, ‘thinking man’s Da Vinci code‘ De slinger van Foucault – dat misschien wel zijn beste werk is.

In een met Italiaanse klemtonen uitgesproken Engels praat Eco als eerste over zijn relatie met zijn vertalers. Na een applaus te hebben gevraagd voor Patty Krone, (samen met Yond Boeke) de Nederlandse vertaler, blijft hij gul: ‘they make something of a maffia, they are my artificial consciousness’. Direct gevolgd door een sappig verhaal over drie clandestiene Chinese vertalingen van De naam van de roos. Een daarvan had zelfs, aldus Eco, een naakte vrouw op de cover staan en was getiteld: Sex in the monastery. De inmiddels 79-jarige Eco is goedgeluimd.

Yes! Repugnant!
Tien jaar geleden interviewde Dijkgraaf Eco ook al, destijds naar aanleiding van het verschijnen van de avonturenroman Baudolino. Ook daarin was het overheersende thema het probleem van waarheid en falsificatie, zoals gezegd de gedeelde grond van al zijn romans. En dat geldt, natuurlijk voorzien van een geheel eigen draai, ook voor De begraafplaats van Praag. Deze roman verhaalt, tegen de achtergrond van de grote negentiende-eeuwse gebeurtenissen, over een van haat vervulde meestervervalser. De protagonist Simone Simonini is het enige gefictionaliseerde karakter in het boek. Eco vertelt hoe hij zich wilde inleven in de psychologie van een spion, hoe hij een oplichter wilde scheppen. De ook in het boek opgevoerde (gelijknamige) opa van Simonini heeft wel echt bestaan. Eco vond brieven waarin deze blijk gaf van typische ‘complot-paranoia’; hij wist zelfs de verantwoordelijkheid voor de Franse Revolutie aan de Joden toe te schrijven.

Terug naar de hoofdpersoon. Dijkgraaf, licht verwonderd: ‘He is extremely unsympathetic.’ Eco onderbreekt enthousiast: ‘Yes! Repugnant!’ De roman begint met een monoloog waarin Simonini zo ongeveer ieder denkbaar ras of volk beschimpt. ‘En dat’, zegt Dijkgraaf, ‘terwijl een roman meestal een machinerie van empathie is.’ Eco knikt. Dijkgraaf blijft zoeken, en zegt dat de enige eigenschap van Simonini die sympathie opwekt, is dat hij zo van eten houdt. Maar dit wordt door de auteur direct de grond in geboord: ‘Zijn god is zijn buik, en dat is juist afstotend. It’s Eichmann, the banality of evil’. Simonini leeft voor zijn werk, voor zijn vervalsingen, en niets meer.

In Eco’s korte nawoord bij De begraafplaats van Praag staat, zo parafraseert Dijkgraaf: ‘Simonini is historical, and he’s still among us.’ Eco haalt, wat onduidelijk formulerend, Wikileaks aan. Over ambassadeurs die klakkeloos clichématige, maar onware berichten uit media overnemen, om die door te sturen naar de machthebbers in hun thuisland. De moraal hiervan is dezelfde als die van de roman: mensen geloven alleen wat ze al weten, en het is gemakkelijk om daarop in te spelen. Zie bijvoorbeeld de stoet (historisch bestaande) complottenschrijvers als Sue, Joly en Goedsche in De begraafplaats van Praag. Die namen allemaal verhalen en vertelstructuren van elkaar over, gaven daar een andere titel en een andere vijand aan, om het vervolgens in een net wat andere vorm weer te publiceren. En niemand die het merkte, of niemand die erin slaagde het te ontkrachten.

Auteur als God
‘Er is natuurlijk’, gaat Eco verder, ‘een verschil tussen kunstenaars en de mensen die mythen creëren.’ Dat laatste heeft niet per se iets met esthetiek te maken. Vergelijk de Bijbel, het is niet moeilijk te bewijzen dat sommige delen slecht geschreven zijn, maar ze creëerden uiteraard wel een universum. Of het werk van Dumas: ‘it’s a big, repetitious machine of lies and the machine tells the truth.’ ‘En wat is er dan waar in De begraafplaats van Praag?’ vraagt Dijkgraaf. Nu, de waarheid is dat Simonini een vervalser, een leugenaar is. En als alles vals is of vals lijkt, hoe dan te onderscheiden wat waar is?

Anderszins, in literatuur bestaat dé waarheid: ‘the author is God’. Dat Anna Karenina stierf onder een trein kan niet worden ontkend – ‘zelfs niet door God!’ –, dat Napoleon stierf op Sint Helena wél! Over onwaarheid gesproken: waarom wilde Eco eigenlijk schrijven over De protocollen van de wijzen van Zion? ‘It’s the greatest forgery of all times.’ Toen, ergens in het interbellum, onomstotelijk werd vastgesteld dat de Protocollen nep waren, werden ze alleen maar serieuzer genomen. En dat is fascinerend.

Ideale lezer
In al Eco’s uitspraken lijkt een vleugje ironie te zitten. Dat maakt het voor de toehoorder die zijn boeken kent volstrekt logisch dat deze man die boeken geschreven heeft. Dijkgraaf brengt het gesprek op Eco’s relatie tot de lezer. Eco stelt dat hij zijn ideale lezer tijdens het schrijven in zijn gedachten opbouwt. Sommigen zullen samenvallen met het ideaalbeeld, anderen niet. Ogenschijnlijk spottend: ‘Mwoah, it’s a tragedy.’

Neem bijvoorbeeld het intrigerende personage Taxil in De begraafplaats van Praag. Hij is te absurd om waar te zijn, zo zal Eco’s ideale lezer denken. Maar dan ziet de lezer ingevoegde gefotokopieerde plaatjes van zijn boeken, en denkt, goed, hij heeft bestaan en boeken geschreven, maar zijn karakter moet gefictionaliseerd zijn. Maar, zo zegt Eco, ook aan zijn door mij opgetekende levensloop is niets verzonnen! Allemaal: ‘To keep it schizophrenic, ambigious.’

Collectief geheugen
Dan praat Eco over de huidige cultuur. Van het verleden hebben we alleen de verhalen en gebeurtenissen met waarde onthouden. Het huidige probleem is dat internet alles bewaart, dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen wat van belang is en wat niet. De naïeve gebruiker wordt overweldigd door een teveel aan nutteloze informatie. Dit is bekend, maar Eco’s hierop volgende vergelijking is leuk: televisie bracht de armen veel nieuwe informatie, leerde ze hoe de taal te gebruiken et cetera, terwijl het de rijkeren er alleen maar van weerhield een boek te lezen. Met internet is het andersom: het is goed voor de kritische burgers, want zij weten hoe onderscheid te maken tussen wat van belang is en wat niet. Maar de onwetende burger ziet alleen een oneindige brij informatie.

Na een kort uur gepraat te hebben, kondigt de strikte Dijkgraaf aan dat het publiek vier vragen mag stellen (‘maar geen over Berlusconi’, interrumpeert Eco). De meest interessante vraag wordt als volgt ingeleid. In het boek zegt Simonini: ‘Joden hebben geen cultuur’. Laatst zei ‘a member of the Dutch right-wing party’ (u kent hem wel): ‘Moslims hebben geen cultuur’. Ze zeggen steeds hetzelfde. Eco: ‘Correct! The racist paints the enemy independent of the enemy’. Zo kan hij de mensen steeds weer vertellen wat ze al dachten te weten, en dus ook wat ze willen horen.

En zo gaat dat al honderden jaren. Nog nagrinnikend en gevuld van een licht mededogen met de arme, domme mens – de ander, uiteraard – verlaat het publiek de zaal. Voor wie meer van Eco zelf wil horen, er verschijnt nog dit jaar een nieuw essay, getiteld Confessions of a young novelist.

Umberto Eco – De begraafplaats van Praag

Complot op bestelling

Oorspronkelijk verschenen 31-01-2011: http://www.8weekly.nl/artikel/8952/umberto-eco-vert-yond-boeke-en-patty-krone-de-begraafplaats-van-praag-complot-op-bestelling.html

Met een hoop geschal en gedoe werd het aangekondigd: het nieuwe boek van literaire ster Umberto Eco. De hitsige kaft, de titel De begraafplaats van Praag en het onderwerp — een complottenbouwer in de grootse en chaotische negentiende eeuw  zullen op het eerste gezicht aan Dan Brown doen denken. Maar uiteraard, en gelukkig, doet de inhoud dat niet.

Eco’s hoofdpersoon in deze historisch correcte roman is de verzonnen kapitein Simonini. Hij leidt aan een vreemde vorm van geheugenverlies en wordt door ene Sigmund Froïd aangeraden via ‘autohypnose’ zijn leven te reconstrueren. Simonini’s reconstructie brengt de lezer bij allerlei grote gebeurtenissen in de tweede helft van de negentiende eeuw: beginnend bij het revolutiejaar 1848 via de opmars van Garibaldi en de Italiaanse ‘Risorgimento’, naar de Parijse Commune en de Dreyfus-affaire. Tegen deze achtergronden verdient Simonini, als notaris, zijn geld met het vervalsen van documenten. En niet enkel testamenten, maar vooral authentieke documenten die dienen om complotten aan te tonen. Van de jezuïeten, de vrijmetselaars en allerlei satanisten, en het liefst verzint Simonini over de Joden.

Odi ergo sum
Al van jongs af aan is Simonini vervuld van een hevig antisemitisme. Het hoofdstuk waarin Simonini wordt geïntroduceerd heet ‘Wie ben ik’, en wat volgt is een reeks tirades tegen alle rassen, en natuurlijk met name de Joden. Siminoni’s lijfspreuk is ‘Odi ergo sum’: ik haat dus ik ben. Steeds weer voert Eco heel gevat personages op die in hun uitspraken onbewust de volstrekte onzinnigheid van dergelijke rassenhaat blootleggen. Daarvoor is Simonini blind, maar hij ziet wel waarin de kracht van complotten schuilt, zo blijkt uit hetgeen hij over Dumas pèresJoseph Balsamo beweert:

Dumas biedt eenieder die gefrustreerd is (individuen zowel als volkeren) de uitleg voor diens falen: het was iemand anders, op de Donderberg, die je ondergang heeft beraamd.

Wanneer Simonini doorbabbelt over zijn afkeer van de Joden, dreig je soms bijna de verwerpelijkheid daarvan te vergeten. Vakkundig voorkomt Eco dat, door toespelingen op de ‘eindoplossing’, of een tussenzinnetje als ‘arbeit macht frei’.

Naast haat staat Simonini’s leven in het teken van eten. Bij wijlen, soms op het irritante af, lijkt De begraafplaats van Praag een culinaire gids. Ook in de beschrijvingen van de complotten put Eco uit zijn eruditie. Natuurlijk ligt aan de basis van het complot de haat, gecombineerd met de bruikbaarheid ervan in het politieke machtsspel. Simonini plagieert uit bestaande complottheorieën, zoals Sue’s Le Juif errant. En heel belangrijk: hij heeft een goed gevoel voor de tijdgeest in zijn keuze voor de juiste vijand en diens wapen.

Avonturenroman
Bij vlagen leest De begraafplaats van Praag als een avonturenroman. Eco heeft zelfs, zoals gebruikelijk in zulke romans, veel paginagrote plaatjes opgenomen. Het is een letterlijk fantastische geschiedenis, doordrenkt van Eco’s overvloedige taal, maffe historische feiten en ironische blik:

Al een eeuw lang doet de Parijzenaar niets liever dan barricades opwerpen, en dat die vervolgens bij het eerste het beste kanonschot bezwijken, lijkt hem niet te deren: barricades werp je op om je een held te voelen.

Maar spannend als een avonturenroman wordt het boek jammer genoeg nooit. Hoewel de oorzaak van Simonini’s plotselinge geheugenverlies lang een raadsel blijft, is het van begin af aan duidelijk dat Eco Simonini opvoert als de auteur van de Protocollen van de wijzen van Zion. Vergeleken met Eco’s andere grote complottenroman De slinger van Foucault, nog erudieter, ingenieuzer, en veel duizelingwekkender, legt De begraafplaats van Praag het simpelweg af. Maar het is wel een échte Eco, en dus voor de liefhebber een aanrader.

Laurent Binet – HhhH

Poëzie van de geschiedschrijving

Oorspronkelijk verschenen 27-12-2010: http://www.8weekly.nl/artikel/8892/laurent-binet-vert-liesbeth-van-nes-hhhh-poezie-van-de-geschiedschrijving.html

In veel Nederlandse boekhandels liggen stapels boeken met de intrigerende titel HhhH. Het is een niet-commercieel debuutwerk, waarvoor auteur Laurent Binet de kleine Prix Goncourt ontving; voorvoelen de boekhandelaars soms een verkoophit? Voor deze ene keer mag het, want met HhhH betreedt Binet bijna onontgonnen terrein door op unieke wijze geschiedenis en fictie te kruisen.

HhhH is de afkorting voor wat de SS’ers over de positie van Reinhard Heydrich zeiden: ‘Himmlers Hirn Heiβt Heydrich’ (Himmlers hersens heten Heydrich). Hij is de perfecte nazi, Himmlers tweede man, rijzende ster binnen het nazisysteem en protector van Bohemen en Moravia (Tsjechië). Daar voert Heydrich een schrikbewind, hij is ‘de Beul van Praag’. Gelukkig is hij ook sterfelijk. Op 27 mei 1942 vindt de belangrijkste geslaagde verzetsdaad van de Tweede Wereldoorlog plaats: Heydrich wordt verwond en sterft binnen een week. De aanslagplegers Gabčík, Kubiš en Valčík, met achter hen nog talloze mensen uit het verzet, zijn de helden van Binets boek.

Bijzonder
Binets grote inspiratiebron is de roman/geschiedenis Le mors aux dents (1935) van Vladimir Pozner. In de eerste helft van dat boek beschrijft Pozner zijn onderzoek, in de tweede helft de daarop stoelende roman (overigens doet Van Reybrouck inDe plaag iets soortgelijks). Op eigen postmoderne wijze gaat Binet met Pozners idee aan de haal. In 257 sterk afwisselende paragrafen  soms feitelijk-historisch, soms meer romanesk  verweeft hij de geschiedenis van de moordaanslag op Heydrich met zijn historisch onderzoek daarna.

Binets probleem is dat over de verzetsmensen nagenoeg geen bronnenmateriaal beschikbaar is. Over Heydrich is natuurlijk genoeg bekend. Nadat Binet in sterke korte scènes diens opkomst binnen het nazisysteem heeft beschreven, twijfelt hij hardop in welke vorm de opmaat tot de aanslag op Heydrich te beschrijven, klem als hij zit tussen het willen vertellen over de door hem bewonderde verzetsmannen en zijn integriteit als historicus. Toch slaagt hij daarin, zijn werkbare en mogelijkheden tot romantisering biedende middenweg is ‘ik stel me zo voor dat…’, en variaties daarop.

Door de combinatie van zijn openlijke twijfel en de steeds uitgesproken liefde voor het onderwerp, weet Binet natuurlijk handig sympathie voor zijn boek op te wekken. Neem een innemende passage als deze, volgend op een citaat van Goebbels over ene ‘Gregory’:

Wie die Gregory is, echt, ik heb geen flauw idee. En laat u niet in de luren leggen door mijn zogenaamd nonchalante toon, want ik heb gezocht!

Geniaal idee
In feite recenseert Binet zijn eigen onderzoek. Steeds beschrijft hij alle mogelijke kritiek, om die vervolgens te weerleggen of uit te leggen dat het nu eenmaal niet anders kon. Anderzijds tornt hij niet aan zijn historische integriteit. Maar doordat Binet zichzelf de ruimte gunt literaire middelen te gebruiken, spreekt uit HhhHbovenal de inspirerende schoonheid van de historiografie en de liefde voor het geschiedenisverhaal. Enkel maakt hij wat schoonheidsfoutjes door overbodige zinnen als ‘er is wel eens resoluter gesproken’ op een citaat te laten volgen.

De aanslag wordt op de eerste bladzijde aangekondigd. Na driehonderd bladzijden zijn we daar aanbeland, en zelfs dan (en ook erna) is het razend spannend. Na de aanslag volgen represailles waarbij duizenden mensen sterven. Binet doordenkt zijn boek overtuigend met de wat contra-intuïtieve gedachte dat de aanslag op Heydrich op dat moment in de geschiedenis al die levens waard was. Dat is iets om op te kauwen, net als het gehele HhhH dat is. Na het lezen van dit boek kun je maar een conclusie trekken, en dat is dezelfde als die Binet trok na het lezen van Pozners werk: ‘Dit is gewoon geniaal.’

Klassieker: Louis-Ferdinand Céline – Reis naar het einde van de nacht

Een schitterende hellevaart

Oorspronkelijk verschenen 20-09-2010: http://www.8weekly.nl/artikel/8650/een-schitterende-hellevaart-klassieker-louis-ferdinand-celine-reis-naar-het-einde-van-de-nacht.html

Het is een van de machtigste romans uit de wereldliteratuur. Geschreven in Célines volstrekt oorspronkelijke, hallucinerende stijl, vertelt Reis naar het einde van de nacht (1932) over het koortsachtige bestaan van Ferdinand Bardamu. Het voert hem én de lezer langs de twintigste-eeuwse verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog, gekoloniseerd Afrika en het in kapitalisme doorgeslagen Amerika. 

De nietsontziende manier waarop Ferdinand zichzelf en zijn reactie op de wereld beschrijft, is indrukwekkend. Dit komt vooral doordat in vergelijking met veel andere (ook goede) romans, waar je jezelf weliswaar kan inleven in de beschreven eigenschappen, je jezelf niet alleen inleeft in die van Ferdinand, maar de eigenschappen ook daadwerkelijk als van jezelf herkent. Céline beschrijft de fundamenten van de menselijke conditie.

De banaliteit
Dat effect van identificatie lijkt vooral veroorzaakt te worden doordat hij zowel zijn eigen banaliteiten als die van de ander op de korrel neemt. Ferdinand reist almaar verder, steeds op weg naar een nieuw ‘nachtelijk’ dieptepunt, bijvoorbeeld het ontzielde Amerika. Daar werkt hij kortstondig in een fabriek en ervaart hij de hulpeloosheid opgeroepen door de totale onverschilligheid van de grote stad:

Ik heb ‘Help! Help!’ naar ze geschreeuwd, alleen om te kijken of ’t ze iets deed. ’t Liet ze Siberisch. Ze duwden ’t leven, de nacht en de dag voor zich uit. ’t Leven verbergt alles voor de mensen. Midden in hun eigen lawaai horen ze niets.

Wanneer Ferdinand zich vergaapt aan de typische schoonheid van de Amerikaanse vrouwen, mijmert hij over zijn onbeantwoorde verlangen:

Weet u wat ze bij ons op ’t platteland uithalen? Ze proppen een oude portemonnaie vol met rotte ingewanden van een kip. Nou, een mens is precies hetzelfde, ik mag doodvallen als ’t niet zo is, alleen is ie groter en beweegt, en is vraatzuchtig, en verder heeft ie binnen in zich een droom.

Het kenmerkt Ferdinands dubbele perspectief. Enerzijds brengt hij mededogen op met de uitgebuite mens (de soldaten, de fabrieksarbeiders en nachtelijke schoonmakers in Amerika) en ervaart en droomt hij af en toe de liefde, anderzijds beeldt hij zichzelf af als een banaal persoon, vooral op zoek naar een vrouw die met hem naar bed gaat en hem warmte geeft – maar dan toch vooral dat eerste. Een van de bijzonderheden van Célines Reis naar het einde van de nacht is deze mengeling van weliswaar pessimistische, maar elegante gedachten en eerlijke banaliteiten: hij schrijft het zoals het is.

Mededogen
Naarmate de roman vordert, ontwikkelt Ferdinand ondanks zijn nihilisme steeds meer mededogen met de arme, hulpeloze mens en krijgt hij steeds meer ontzag voor de liefde. Hij blijft net zo pessimistisch over zichzelf (‘Je kon inderdaad in mijn innerlijk kijken net als in een open gulp’) als over zijn medemens, maar komt af en toe, te midden van al de ellende, ook ontroerende lichtpunten tegen.

Zo ontmoet hij in het hart van Afrika Alcide, die zes jaar lang in eenzaamheid in de jungle doorbrengt om zoveel mogelijk geld te kunnen sparen voor zijn nichtje, een weeskind dat hij vermoedelijk nooit zelf zal zien. Tegen de achtergrond van Afrika, beschreven als een plek waar iedereen eigenbelang najaagt of langzaam crepeert, steekt Alcides zuivere goedheid fel af.

Molly
Wanneer Ferdinand de Amerikaanse prostituee Molly ontmoet, leert hij dat ook hij object van liefde kan zijn. Het is het grootste lichtpunt te midden van een donkere wereld waarin domheid en egoïsme hand in hand gaan, maar hij realiseert zich dit pas ten volle nadat zijn rusteloosheid hem heeft teruggejaagd naar Frankrijk. Desalniettemin is het besef daar en alleen daarom al heeft het waarde. Het levert twee zeldzaam milde, liefdevolle pagina’s op.

Terug in Parijs studeert Ferdinand medicijnen, waarna hij huisarts wordt in de Parijse voorstad Clichy. Zowel hier als in latere passages waarin hij in een psychiatrische kliniek werkt, richt Ferdinand zich beroepshalve op het helpen van de medemens. Het mededogen wint het, in de praktijk, van zijn zwartgalligheid. Dat betekent overigens niet dat hij zelf rust heeft gevonden:

Er is een moment dat je helemaal alleen staat, wanneer je de grens hebt bereikt van alles wat je overkomen kan. Dat is het einde van de wereld.

Célines muziekje
De schitterende stijl van Céline was revolutionair en is de voornaamste reden dat dit boek zo ontzettend goed is. Waar hij in zijn tweede meesterwerk Dood op krediet (1936) steeds de driepuntjes en het Parijse argot gebruikt, doet hij dat inReis naar het einde van de nacht veel minder. Hij gebruikt veel spreektaal en heeft soms een wat provocerend plastisch woordgebruik, maar wisselt dat af met een meer klassiek taalgebruik. Een afwisseling die fijner leest. Kenmerkend is de vaartmakende, hallucinerende werking van Célines taal – zelf noemde hij dat ‘mijn muziekje’. Die stijl past precies op de inhoud, van de koortsachtige Ferdinand, die almaar verder reist in een poging de zinloosheid van het bestaan te ontvluchten.

Vaak wordt Reis naar het einde van de nacht getypeerd als een ‘Eerste Wereldoorlogroman’, omdat Ferdinand daar een oorlogstrauma zou hebben opgelopen. Deze kwalificatie doet het boek echter niet genoeg recht. Natuurlijk worden zowel zijn nihilistische gedachten als zijn drang om almaar verder te reizen bepaald door zijn oorlogservaringen. Maar langzaam wordt het duidelijk dat Ferdinand ‘normaal’ is, en dat juist de rest van de opgevoerde personages de gekken zijn. Het is Ferdinand contra mundum:

‘Kop op, Ferdinand,’ herhaalde ik telkens in mezelf om de moed niet te verliezen, ‘als je overal constant de deur uit wordt gemieterd, kom je er heus nog wel eens achter waar ze allemaal zo bang voor zijn, al die smeerlappen bij elkaar, en dat zal zich wel aan ’t eind van de nacht bevinden.

Controversieel
Toen Céline in 1932 zijn Voyage au bout de la nuit publiceerde, brak er, geheel in lijn met wat nog komen ging, direct een rel in de Franse literaire wereld uit. Het luid bejubelde en bekritiseerde boek won niet de prestigieuze Prix Goncourt, wat volgens velen zeer onterecht was (ook volgens het oordeel van de geschiedenis, want wie kent het winnende boek Les loups, van Guy Mazeline, nog?). Hetzelfde jaar werd de roman in Nederland vertaald als Reis naar het einde van de nacht. Ook hier ontstond een strijd tussen de ‘zedelijkheidsmaniakken’, die protesteerden tegen Célines overvloedige gebruik van krachttermen, en lyrische critici die zeiden de ‘hallucinerende hellevaart’ onder ‘een betovering’ te lezen.

Maar de grootste rel moest nog volgen, en is tevens de reden dat de schrijver Céline nog altijd controversieel is. In 1937, vijf jaar na Reis naar het einde van de nacht, publiceerde hij het pamflet Bagatelles pour un massacre, later gevolgd door nog andere pamfletten. Deze staan bol van een radicaal antisemitisme en bovendien uit Céline – alsof het nog niet erg genoeg was – hierin ook de wens dat Frankrijk zich aansluit bij Hitlers Duitsland. Deze wetenswaardigheid maakt de persoon Louis-Ferdinand Céline ronduit afstotend, en de schrijver Céline problematisch. Laat ik hier benadrukken dat, zelfs met deze feiten in het achterhoofd, er tijdens het lezen van Reis naar het einde van de nacht nergens iets valt te bespeuren dat lijkt op enige vorm van antisemitisme – enkel van een consistent geuite, algemene misantropie.

Het is een van de machtigste romans uit de wereldliteratuur. Geschreven in Célines volstrekt oorspronkelijke, hallucinerende stijl, vertelt Reis naar het einde van de nacht (1932) over het koortsachtige bestaan van Ferdinand Bardamu. Het voert hem én de lezer langs de twintigste-eeuwse verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog, gekoloniseerd Afrika en het in kapitalisme doorgeslagen Amerika. 

De zinloosheid van het bestaan, het egoïsme en de domheid van de mens worden in de meest rücksichtsloze woorden beschreven. Maar het bijzondere is dat na veel van die paginalange tirades, de lezer de retorisch bewerkstelligde puinhopen onder ogen ziet en tot de verrassende ontdekking komt dat wat overblijft het mededogen met de mens is.

Over alles
Reis naar het einde van de nacht moet gelezen worden, omdat het een boek is dat werkelijk alles in zich herbergt wat literatuur zo mooi kan maken. Het kunstwerk moet daarom los van de opvattingen van de kunstenaar worden beschouwd. Iedere menselijke zwakheid wordt gezien en nietsontziend veroordeeld, maar kijkend vanuit Ferdinands perspectief blijf je mededogen voelen voor die arme mens. Dankzij dat mededogen en Célines unieke stijl krijgt de lezer af en toe, op schitterende momenten, de indruk dat de beschreven strijd tegen de zinloosheid slaagt. Dat maakt dat er van de schoonheid van dit boek vertroosting uitgaat.