John Gray, SPUI25-lezing ‘Mythe en fictie in de hedendaagse politiek’

John Gray, SPUI25-lezing ‘Mythe en fictie in de hedendaagse politiek’

History as usual

Oorspronkelijk verschenen 30-09-2012: http://www.8weekly.nl/artikel/10249/john-gray-spui25-lezing-mythe-en-fictie-in-de-hedendaagse-politiek-history-as-usual.html

Al jarenlang hamert politiek filosoof John Gray onaflatend op het gevaar van de alomtegenwoordige vooruitgangsmythe. Weliswaar sijpelt momenteel het geloof weg in de permanente houdbaarheid van economische groei, maar nog altijd gaat iedereen ervan uit dat oorlogen afnemen en dat collectieve kwaadaardigheid van eerder en elders is.

In de zesde SPUI25-lezing benadrukt de realistische profeet Gray, wiens gelijk telkens weer door de actualiteit wordt onderschreven, dat deze aannamen worden gelogenstraft door de ervaringswijsheid. Alvorens Gray dit, en meer, mag verkondigen, besteden Marita Mathijsen en Louise Gunning, collegevoorzitter van de UvA – alles complimenterend maar niets zeggend, zoals collegevoorzitters plachten te doen – aandacht aan het begin van de lustrummaand van SPUI25. Dit succesvolle instituut, dat erin slaagt om kunst en wetenschap te verbinden en een centrum voor vruchtbare polemiek te vormen, bestaat deze maand namelijk vijf jaar. Tot en met half oktober is het programma nog meer dan anders gevuld met indrukwekkende namen, zowel in sprekers als besprokenen (zie www.spui25.nl).

A return to normalcy
Goed, genoeg (gemeende) pluimen uitgedeeld. Waar het werkelijk om gaat is de boodschap van John Gray, een van de grootste hedendaagse publieke intellectuelen, de auteur van Black Mass (2007), Strawdogs (2003) en het meest recent The Immortalization Commission (2011). Hij spreekt in de aula van de Lutherse Kerk op het Spui.

Onder het sfeerbepalende gewelf trapt Gray af met het kastijden van de fictie ‘Europa’. Bon ton natuurlijk, in ieder geval sinds de eurocrisis, maar Gray roept dit al jaren. Sowieso is hij een woestijnprofeet, wiens vooruitziende stellingen telkens ongehoord blijven. Althans, ongehoord door ‘de machthebbers’, om vervolgens door de voortsnellende realiteit te worden bewaarheid.

Vanzelfsprekend vindt hij de oorspronkelijke bedoeling van het Europese project, het ‘nooit meer oorlog’, niet alleen nobel, maar ook verstandig. Na enkele decennia nam echter het nobele, het ideaal, de overhand en verwerd het tot geloofsartikel. Dit is het stramien dat Gray aanklaagt, en dat wordt verwoord door Bas Heijne in het vraaggesprek na afloop. Het haalbare ideaal ontwikkelt zich tot een absoluut idealisme, dat almaar blinder maakt voor de realiteit. Dit aldus vertroebelde perspectief baarde vervolgens de gezamenlijke munt en het krampachtige streven naar politieke eenwording. Alsook, dankzij de onvermijdelijke gebreken daarvan, de huidige crisis.

Wat te doen, zeker nu, op het moment dat niet alleen Gray maar ook de geschiedenis hierop wijst? Hij observeert ‘a return to normalcy’. Hieronder schaart hij zowel de ‘terugkeer’ van de economische crisis als de toxische politiek. Toch, stelt Gray, houden nog velen vast aan de gevaarlijke fictie Europa. Die mensen zijn ervan overtuigd dat Joschka Fischer gelijk heeft als hij zegt dat iedere crisis de Europese Unie weer verder zal brengen, zal aanzetten tot de nodige nieuwe hervormingen en tot verdere inkleuring van het institutionele kader. Dit noemt Gray, gegeven de grote nationale verschillen, onmogelijk.

Onder het plaveisel…
De centrale these van Gray, zowel van zijn lezing als van zijn gehele werk, is dat de mens geen werkelijke morele of ethische vooruitgang maakt, en dat de utopismen die anders beweren gevaarlijk zijn. In tegenstelling tot de ethiek is de verworven wetenschappelijke en technologische kennis cumulatief: ‘Zelfs als alle wetenschappers nu zouden sterven aan influenza, zouden de volgende generaties hoogstwaarschijnlijk die kennis behouden.’ Het beslissende punt is dat ‘human animals are unique in its capacity to grow knowledge, but also unique in its incapacity to learn from knowledge’. Ondanks alle opgedane ervaringen, de bibliotheken vol gecatalogiseerde ellende en daaruit gedestilleerde wijsheden, evolueren wij arme tekortschietende wezens niet wezenlijk.

De over eeuwen opgebouwde instituties die de maatschappelijke vooruitgang kenmerken – welvaartsstaat, tolerantie, slavernijverbod et cetera – kunnen ‘in the blink of an eye’ zijn weggevaagd, ineengestort. Samengevat: onder het plaveisel de natuurstaat, de chaos.

Gray’s overtuigende en dus verontrustende empirische bewijs hiervoor is de door de Verenigde Staten, ’s werelds grootste liberale democratie, gesanctioneerde marteling van nog geen tien jaar geleden. Decennialang was marteling getaboeïseerd, werd het als dusdanig kwaadaardig gezien dat er geen discussie over mogelijk noch nodig was. Maar wie in pakweg 2000 had voorspeld dat binnen vijf jaar een Amerikaanse president marteling zou verdedigen, zou voor een apocalyptische nonsens pratende malloot zijn uitgemaakt. (Raad eens wie een van die malloten was – zie Gray’s vóór Abu Ghraib in de New Statesman gepubliceerde ‘Torture: a modest proposal’).

Zo rijgt John Gray in een prettige trant, kalm maar nadrukkelijk, zijn stellingen aaneen. Gekleed in een Burberry-jasje en dito stropdas is hij de ware Britse intellectueel: hij springt in zijn betoog anekdotisch heen en weer, verwijst naar Joseph Conrad, verluchtigt via het oproepen van een Monty Python-fragment, citeert Keynes en noemt Bertrand Russel ‘Bertie’.

Mythmaking animals
En alles stut die ene these: ‘Progress in politics and morals is a myth.’ Maar voor ons mensen zijn mythen en hun betekenisgevingen onontbeerlijk; wij zijn ‘mythmaking animals’. De vooruitgangsmythe van de afgelopen vijftig jaar was nuttig – ze rekte ‘het mogelijke’ op. Zo bleken de onverwezenlijkbaar geachte mensenrechten deels te verwezenlijken – maar haar oogkleppen werken belemmerend en gevaarlijk nu we op een stagnatiemoment zijn aangekomen. Anderzijds is de mythe en de overtuiging dat de maatschappij enigszins op de rails blijft voor ons van onverminderd groot belang: hoe anders een huis te kopen, een kind groot te brengen, je leven te plannen? Gray erkent dit.

En hier, ik waarschuw maar even, moet u dus in een spagaat. Een vooruitgangsgeloof is onvermijdelijk, maar de keerzijde ervan is gevaarlijk, omdat we simpelweg niet voorbereid zijn als het misgaat (en dat zal het gaan, vroeger of later). De oplossing die Gray aandraagt is onbevredigend – al blijft het de vraag of het mogelijk is iets beters te bedenken. Hij wenst ‘een beetje meer scepticisme’ en de ‘privatisering van de mythe’. We dienen te beseffen dat ‘human beings are somehow inwardly radically flawed’. Uit deze realiteitszin moeten vervolgens nieuwe ideeën voortkomen. En vergeet ook niet, onderwijst Gray: politiek is het vinden van tijdelijke oplossingen voor permanente problemen.

Einde. Alweer.
Terugkerend op de beginstelling: langzaamaan raken we vertrouwd met het idee dat onze welvaart een beetje – toch zeker niet meer dan dat…? – zal afnemen. In ieder geval nooit meer oorlog, toch? Bij het merendeel van de mensen proef je inderdaad de, vaak onbewuste, gedachte: we weten nu wel beter dan in 1914-1945. Gniffelend bezien we de foto’s van de Griekse fascistische partij Gouden Dageraad. Terwijl we zo onze gemoedsrust bewaren, vergeten we dat deze ontwikkeling grofweg eenzelfde loop volgt – natuurlijk: in een onvergelijkbare tijd – als wat er gebeurde in Duitsland 1930. Ter verduidelijking: Gray profeteert geen apocalyps, geen nieuw nazisme. Hij stelt alleen dat de mens niet leert, dat we (stiekem) denken dat hij dit wel doet, en dat deze verblindende gedachte gevaarlijk is.

De afgelopen decennia waren, voor het westen althans, abnormaal. De geschiedenis was er bevroren. Gray: ‘What I’m predicting is history as usual.’ Om vele redenen is het dan ook passend af te sluiten met een verwijzing van Gray naar Samuel Beckett. Deze eindigde een van zijn romans als volgt: ‘The end. Again.’

Huis van de Poëzie 2012

reportage: Huis van de Poëzie 2012

Dolen in schoonheid

Oorspronkelijk verschenen 29-01-2012: http://www.8weekly.nl/artikel/9755/huis-van-de-poezie-2012-dolen-in-schoonheid.html

Het Huis van de Poëzie is een terugkerend succesfenomeen. De versie van 2012 was inmiddels de zesde op rij, als altijd georganiseerd op een bijzondere Utrechtse locatie. Ditmaal worden de dichters ontvangen in het Centraal Museum, waar hun poëzie zich kan mengen met het fameuze Vikingschip en de door oude en nieuwe Hollandse meesters geschilderde taferelen.

Als ieder jaar vindt het Huis van de Poëzie plaats in de laatste week van januari, rondom Gedichtendag en de uitreiking van de VSB Poëzieprijs – zouden de organisatoren ooit de ironie hebben begrepen van het feit dat zij poëzie over het voetlicht willen brengen in de week dat ook Auschwitz wordt herdacht (op de datum dat het in 1945 bevrijd werd, de 27e)? Of is het zo bedoeld, als om te onderstrepen dat T.W. Adorno’s hamerende regel ‘Na Auschwitz is geen poëzie meer mogelijk’ al te vaak verkeerd wordt begrepen? Want, natuurlijk, poëzie is noodzakelijk. En nergens is meer poëzie te vinden dan hier, in het ontvangende Huis van de Poëzie.

Live-poëziebloemlezing
Wederom is een hele trits beroemde dichters te gast, van Rutger Kopland tot de recente P.C. Hooft-prijswinnaar Tonnus Oosterhoff. Maar eveneens als gewoonlijk is het een crime om hen te vinden, althans, om de dichter te vinden naar wie je op zoek bent. De dichters zijn verspreid over pakweg vijftien zaaltjes (soms zalen), en vormen zo samen, zoals het motto van dit Huis van de Poëzie het verwoordt, ‘de enige live-poëziebloemlezing waar je zelf doorheen kunt lopen’.

Passender dan ‘lopen’ zou ‘dolen’ zijn geweest. Want dat is wat menig bezoeker doet: je dwaalt, vraag wat rond, knikt ‘a-ja!’ en twintig seconden toch weer ‘o-nee!’, om vervolgens zowel nog meer verontrust als toch ook gesterkt te worden door de eveneens zoekende blikken van anderen. Want vanavond is de doler niet alleen. Toch kom je dan opeens in een zaal terecht waar alle andere mensen – het Huis was weer goedbezocht – én een dichter zich blijken op te houden.

Het zichtbare
Te midden van de verrassende, maar gepaste museale stilte treedt dan bijvoorbeeld Judith Herzberg op. Of Rutger Kopland, die in de Kapel van het Centraal Museum grote indruk maakt met zijn ‘Aan het grensland’-gedichten, waarvan het derde deel – lees ook de eerste twee! – luidt:

Je kijkt over het land en je noemt het
het grensland maar dit land heeft geen naam

je denkt dat het land daar voor jou bedoeld is
maar je weet het is voor niemand bedoeld

je wilt dat dit land er altijd al was
er altijd zal zijn maar er is geen altijd

je weet het toeval heeft je gemaakt en breekt je
ergens weer af waar en wanneer in dit land

je leest: dit uitzicht is het geval
en: het geheim van de wereld is het zichtbare

niet het onzichtbare

Een heel andere stijl – natuurlijk – is die van Ester Naomi Perquin, die in de gedichten van haar binnenkort te verschijnen bundel Celinspecties haar ervaringen als gevangenisbewaarder heeft verwerkt. Wim Brands op zijn beurt dicht in ‘Ruimtevaart’ over zijn grootvader, die de maanlanding betwist maar wel gelooft in de engel die hij ooit heeft zien verschijnen:

Mijn ongeloof beantwoordde hij
met schouderophalen en zei
dat ik te jong was
om het verschil te begrijpen tussen
vruchteloos opstijgen en
noodgedwongen/ afdalen.

Oude grootheden en jong talent
Naast alle optredens van hedendaagse Nederlandse dichters wordt ook wat aandacht besteed aan de poëzie van de oude meester W.F. Hermans – wiens gedichten net in een verzameld werk zijn uitgebracht – en de als dichter onbekende Franz Kafka. De poëzie van deze laatste wordt, heel toepasselijk, in de bibliotheek voorgedragen en bovendien voorzien van commentaar door de stichting voor literair erfgoed Salon Saffier.

Naast hedendaags en dood talent zwermt er ook jong talent door het Huis. Zo dragen in de International Room jonge buitenlandse dichters voor. En er lijkt een nieuwe eenentwintigste-eeuwse troubadour te groeien in de persoon van Kapabel, die verhalen, of parabels zo je wilt, vertelt in een originele hiphopstijl, soms begeleid door muziek. In deze intieme setting levert vooral zijn bijzondere ritmegebruik krachtig effect op.

Silent Poetry
De programmering is dus sterk afwisselend. Het valt verder op dat er relatief veel jongeren aanwezig zijn en sowieso dat het gewoon weer heel druk is. Terwijl – enkele uitzonderingen daargelaten – poëziebundels maar niet schijnen te verkopen, is de podiumpoëzie blijkbaar heel populair.

En dan ook nog in dit museum. Nu heeft een museum ’s nachts al iets schitterends – poëzie noch kunst hoort immers in het volle daglicht. Helemaal bijzonder – en een beetje verwarrend – wordt het in het ‘silent poetry’-gedeelte. Onder anderenMenno Wigman draagt gedichten voor die hij losjes relateert aan de schilderijen van Abraham Bloemaert die overal om dichter en publiek heen hangen (de tentoonstelling ‘Het Bloemaert-effect’ lijkt overigens zeer de moeite waard). Zeer passend is zijn ‘Glazenwasser ziet schilderijen’, waarvan hier het tweede gedeelte:

Op acht hoog kunst. Dat meisje daar, die lach,
wie heeft haar zo bespied dat ze immuun

voor complimenten mijn gezicht in kijkt?
En wanneer breekt die sperwer uit zijn lijst?

Ik hang hier als een ijskoud schilderij
waar niemand oog voor heeft, ik poets en zwoeg

en maak het uitzicht vrij – schilder er maand
na maand onvervalste wolken bij.

Kijk. Daar kruipt al zonlicht in mijn lijst.

De luisteraar bedenkt een hele trits bruikbare metaforen, die nieuw (‘zon’)licht werpen op de schilderijen om hem heen, alsook op de poëzie, vooral wanneer het gedicht al bekend was. En uiteindelijk is dat natuurlijk het poëtische doel, waarin betekenissen vloeien en bekende schoonheid verandert en nieuwe schoonheid ontdekt wordt. Het thema van deze Gedichtendag is dan ook ‘Stroom’.

Na alle gehoorde pracht gaan de luisteraars richting drank. Sommigen mijmeren nog wat, en overwegen misschien de mogelijkheid zich te laten insluiten voor de nacht. Misschien heeft iemand dat wel gedaan, en heeft hij of zij nog een aantal uren rondgedoold, omhuld door de poëtische nagalm en de vernieuwde schoonheid van de schilderijen.

Margot Dijkgraaf interviewt Umberto Eco

Margot Dijkgraaf interviewt Umberto Eco

Waarheid, of het probleem van falsificatie

Oorspronkelijk verschenen 06-03-2011: http://www.8weekly.nl/artikel/9026/margot-dijkgraaf-interviewt-umberto-eco-waarheid-of-het-probleem-van-falsificatie.html

De romans van mediëvist en semioticus Umberto Eco winnen met de opkomst van internet enkel aan belang. Wat nemen de mensen voor waar aan, wat ‘horen’ zij en wat niet? Zijn laatste roman De begraafplaats van Praag handelt over historische complotten, zoals zo vaak gekatalyseerd door vreemdelingenhaat. Naar aanleiding van de publicatie werd Eco op vrijdag 4 maart in de Rode Hoed geïnterviewd door Margot Dijkgraaf, in samenwerking met de SLAA en uitgeverij Prometheus. Het bovenliggende thema was de waarheid, maar dan wel gebracht met kwinkslagen.

Umberto Eco is waarschijnlijk de best verkopende auteur wereldwijd mét reële literaire pretenties. Hij heeft een indrukwekkende lijst literaire bestsellers op zijn naam, met als beroemdste werken het door half Nederland gelezen De naam van de roos en de, in de woorden van Dijkgraaf, ‘thinking man’s Da Vinci code‘ De slinger van Foucault – dat misschien wel zijn beste werk is.

In een met Italiaanse klemtonen uitgesproken Engels praat Eco als eerste over zijn relatie met zijn vertalers. Na een applaus te hebben gevraagd voor Patty Krone, (samen met Yond Boeke) de Nederlandse vertaler, blijft hij gul: ‘they make something of a maffia, they are my artificial consciousness’. Direct gevolgd door een sappig verhaal over drie clandestiene Chinese vertalingen van De naam van de roos. Een daarvan had zelfs, aldus Eco, een naakte vrouw op de cover staan en was getiteld: Sex in the monastery. De inmiddels 79-jarige Eco is goedgeluimd.

Yes! Repugnant!
Tien jaar geleden interviewde Dijkgraaf Eco ook al, destijds naar aanleiding van het verschijnen van de avonturenroman Baudolino. Ook daarin was het overheersende thema het probleem van waarheid en falsificatie, zoals gezegd de gedeelde grond van al zijn romans. En dat geldt, natuurlijk voorzien van een geheel eigen draai, ook voor De begraafplaats van Praag. Deze roman verhaalt, tegen de achtergrond van de grote negentiende-eeuwse gebeurtenissen, over een van haat vervulde meestervervalser. De protagonist Simone Simonini is het enige gefictionaliseerde karakter in het boek. Eco vertelt hoe hij zich wilde inleven in de psychologie van een spion, hoe hij een oplichter wilde scheppen. De ook in het boek opgevoerde (gelijknamige) opa van Simonini heeft wel echt bestaan. Eco vond brieven waarin deze blijk gaf van typische ‘complot-paranoia’; hij wist zelfs de verantwoordelijkheid voor de Franse Revolutie aan de Joden toe te schrijven.

Terug naar de hoofdpersoon. Dijkgraaf, licht verwonderd: ‘He is extremely unsympathetic.’ Eco onderbreekt enthousiast: ‘Yes! Repugnant!’ De roman begint met een monoloog waarin Simonini zo ongeveer ieder denkbaar ras of volk beschimpt. ‘En dat’, zegt Dijkgraaf, ‘terwijl een roman meestal een machinerie van empathie is.’ Eco knikt. Dijkgraaf blijft zoeken, en zegt dat de enige eigenschap van Simonini die sympathie opwekt, is dat hij zo van eten houdt. Maar dit wordt door de auteur direct de grond in geboord: ‘Zijn god is zijn buik, en dat is juist afstotend. It’s Eichmann, the banality of evil’. Simonini leeft voor zijn werk, voor zijn vervalsingen, en niets meer.

In Eco’s korte nawoord bij De begraafplaats van Praag staat, zo parafraseert Dijkgraaf: ‘Simonini is historical, and he’s still among us.’ Eco haalt, wat onduidelijk formulerend, Wikileaks aan. Over ambassadeurs die klakkeloos clichématige, maar onware berichten uit media overnemen, om die door te sturen naar de machthebbers in hun thuisland. De moraal hiervan is dezelfde als die van de roman: mensen geloven alleen wat ze al weten, en het is gemakkelijk om daarop in te spelen. Zie bijvoorbeeld de stoet (historisch bestaande) complottenschrijvers als Sue, Joly en Goedsche in De begraafplaats van Praag. Die namen allemaal verhalen en vertelstructuren van elkaar over, gaven daar een andere titel en een andere vijand aan, om het vervolgens in een net wat andere vorm weer te publiceren. En niemand die het merkte, of niemand die erin slaagde het te ontkrachten.

Auteur als God
‘Er is natuurlijk’, gaat Eco verder, ‘een verschil tussen kunstenaars en de mensen die mythen creëren.’ Dat laatste heeft niet per se iets met esthetiek te maken. Vergelijk de Bijbel, het is niet moeilijk te bewijzen dat sommige delen slecht geschreven zijn, maar ze creëerden uiteraard wel een universum. Of het werk van Dumas: ‘it’s a big, repetitious machine of lies and the machine tells the truth.’ ‘En wat is er dan waar in De begraafplaats van Praag?’ vraagt Dijkgraaf. Nu, de waarheid is dat Simonini een vervalser, een leugenaar is. En als alles vals is of vals lijkt, hoe dan te onderscheiden wat waar is?

Anderszins, in literatuur bestaat dé waarheid: ‘the author is God’. Dat Anna Karenina stierf onder een trein kan niet worden ontkend – ‘zelfs niet door God!’ –, dat Napoleon stierf op Sint Helena wél! Over onwaarheid gesproken: waarom wilde Eco eigenlijk schrijven over De protocollen van de wijzen van Zion? ‘It’s the greatest forgery of all times.’ Toen, ergens in het interbellum, onomstotelijk werd vastgesteld dat de Protocollen nep waren, werden ze alleen maar serieuzer genomen. En dat is fascinerend.

Ideale lezer
In al Eco’s uitspraken lijkt een vleugje ironie te zitten. Dat maakt het voor de toehoorder die zijn boeken kent volstrekt logisch dat deze man die boeken geschreven heeft. Dijkgraaf brengt het gesprek op Eco’s relatie tot de lezer. Eco stelt dat hij zijn ideale lezer tijdens het schrijven in zijn gedachten opbouwt. Sommigen zullen samenvallen met het ideaalbeeld, anderen niet. Ogenschijnlijk spottend: ‘Mwoah, it’s a tragedy.’

Neem bijvoorbeeld het intrigerende personage Taxil in De begraafplaats van Praag. Hij is te absurd om waar te zijn, zo zal Eco’s ideale lezer denken. Maar dan ziet de lezer ingevoegde gefotokopieerde plaatjes van zijn boeken, en denkt, goed, hij heeft bestaan en boeken geschreven, maar zijn karakter moet gefictionaliseerd zijn. Maar, zo zegt Eco, ook aan zijn door mij opgetekende levensloop is niets verzonnen! Allemaal: ‘To keep it schizophrenic, ambigious.’

Collectief geheugen
Dan praat Eco over de huidige cultuur. Van het verleden hebben we alleen de verhalen en gebeurtenissen met waarde onthouden. Het huidige probleem is dat internet alles bewaart, dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen wat van belang is en wat niet. De naïeve gebruiker wordt overweldigd door een teveel aan nutteloze informatie. Dit is bekend, maar Eco’s hierop volgende vergelijking is leuk: televisie bracht de armen veel nieuwe informatie, leerde ze hoe de taal te gebruiken et cetera, terwijl het de rijkeren er alleen maar van weerhield een boek te lezen. Met internet is het andersom: het is goed voor de kritische burgers, want zij weten hoe onderscheid te maken tussen wat van belang is en wat niet. Maar de onwetende burger ziet alleen een oneindige brij informatie.

Na een kort uur gepraat te hebben, kondigt de strikte Dijkgraaf aan dat het publiek vier vragen mag stellen (‘maar geen over Berlusconi’, interrumpeert Eco). De meest interessante vraag wordt als volgt ingeleid. In het boek zegt Simonini: ‘Joden hebben geen cultuur’. Laatst zei ‘a member of the Dutch right-wing party’ (u kent hem wel): ‘Moslims hebben geen cultuur’. Ze zeggen steeds hetzelfde. Eco: ‘Correct! The racist paints the enemy independent of the enemy’. Zo kan hij de mensen steeds weer vertellen wat ze al dachten te weten, en dus ook wat ze willen horen.

En zo gaat dat al honderden jaren. Nog nagrinnikend en gevuld van een licht mededogen met de arme, domme mens – de ander, uiteraard – verlaat het publiek de zaal. Voor wie meer van Eco zelf wil horen, er verschijnt nog dit jaar een nieuw essay, getiteld Confessions of a young novelist.

Boekpresentatie van Andrés Neumans De eeuwreiziger

Vreemdelingschap als noodzaak

Oorspronkelijk verschenen 05-11-2010: http://www.8weekly.nl/artikel/8747/boekpresentatie-van-andres-neumans-de-eeuwreiziger-vreemdelingschap-als-noodzaak.html

Vlak voor zijn dood stelde de gelauwerde Latijns-Amerikaanse schrijver Roberto Bolaño dat ‘de literatuur van de 21e eeuw zal toebehoren aan Andrés Neuman en een paar van zijn zielsverwanten’. Tijdens de boekpresentatie van Neumans roman De eeuwreiziger, op 26 oktober in Spui 25, waren ook filosoof Ger Groot en de Spaanse literatuurkenner en vertaler Bart Vonck lovend over diens kwaliteiten. Neuman zelf was ook aanwezig, en het interview met hem bracht een avond over het vreemde en het eigene, en de vertaling van het eerste naar het laatste.

Het interview van Bart Vonck met Andrés Neuman werd in het Spaans gehouden, waarna een tolk de Nederlandse vertaling leverde. Ondanks dat de vertaling steeds helder en vlot was, maakte het de avond op een prettige manier chaotisch. Wanneer Neuman bijvoorbeeld in het Spaans een grappig antwoord op een vraag van Vonck gaf, lachte de ene helft van de zaal, waarna de Nederlandse vertaling de andere helft van de zaal in staat stelde de grap te waarderen. Neuman zelf leek dit allemaal zeer amusant te vinden, wat deed vermoeden dat een van de redenen om De eeuwreiziger in twee talen te presenteren, bestond uit het kunnen tonen van het vertaalproces. Want in De eeuwreiziger (Spaanse titel: El viajero del siglo) heeft het vertalen in de meest brede zin een centrale plaats: van de ene taal naar de andere, maar ook het vertalen van de ander naar jezelf en de vertaling, de verwerking, van het verleden in het heden.

De supervreemdeling
Het hoofdthema van boek en avond kwam al in de inleiding van Ger Groot naar voren. Hij legde de nadruk op de rol van het fictieve stadje Wandernburg. Dat is de geografische achtergrond van de roman, een stad vreemd voor zichzelf doordat de straten van plek veranderen en door het cartografische heen-en-weergeschuif van Wandernburg tussen Saksen en Pruisen.

Maar niet alleen het stadje Wandernburg dwaalt. Het eerste waar Vonck tijdens het interview naar vraagt is hoe het nu precies zit met de citaten voorin en achterin het boek, bijvoorbeeld George Steiners ‘Bomen hebben wortels, maar mensen hebben benen’. Zoals op iedere vraag deze avond was Neumans antwoord gerelateerd aan zijn ideeën over het vreemde en het eigene – in Neumans woorden: ‘de dialectiek der tegendelen’ – die een voor de mens noodzakelijke spanning oplevert. Direct kon de eerste van vele elegante zinnen worden opgetekend: ‘Het vreemdelingschap is een noodzaak’. Hoofdpersoon Hans, reiziger en vertaler, is ‘de supervreemdeling’, die via het vertalen tracht te begrijpen. Neuman doet er nog een schep bovenop door een intrigerende zin uit Borgès’ verhaal De verrader en de held aan te halen: ‘Hij was geen verrader, hij had alleen tegengestelde loyaliteiten’.

Europa
Neuman, steeds snel in het Spaans doorpratend totdat hij opschrikt omdat hij zich herinnert dat hij de vertaalster aan het woord moet laten, voegt er nog aan toe: ‘Woorden zijn, filosofisch gesproken, altijd geleend.’ Vonck vraagt vervolgens naar de betekenis voor de roman van een tweede citaat, van Adolfo Casais Monteiro: ‘Europa, zul je ooit gelouterd verrijzen uit de brokstukken die je met je meesleept? Zal die dag ooit komen?’ Nu speelt De eeuwreiziger zich af vlak na de Franse Revolutie, ten tijde van de Restauratie, in ‘een Europa van de verloren mogelijkheden’. De parallel met het Europa van nu ligt voor de hand. De Europese samenwerking die alleen maar over economie lijkt te gaan, en de tendens binnen veel afzonderlijke Europese landen om krampachtig de eigen culturele kenmerken te verheerlijken en tegelijkertijd om alles wat enigszins vreemd buiten de deur te houden. Volgens Neuman is er maar één uitzondering: ‘Het enige gebied waar de Europese utopie in is verwezenlijkt, is de wederzijdse uitwisseling van vertaalde literatuur en poëzie.’

De ontmoeting
Een belangrijke inspiratiebron voor De eeuwreiziger, zo geeft Neuman aan, was Franz Schuberts Winterreise (gedichten van Wilhelm Müller, die Schubert als basis voor de gelijknamige muziek gebruikte). De ontmoeting tussen Hans en de orgelman in het begin van het boek is hetzelfde als het begin van die muziekcyclus. In absolute tegenstelling tot Hans blijft de orgelman zijn hele leven op een plek maar met zijn oog voor het kleine ziet hij meer dan sommige wereldreizigers. Hier komt Neumans dialectiek duidelijk naar voren: ‘Hans en de orgelman, de beweging en het op één plaats blijven, trekken samen op’.

Het paradoxale is dat Hans, de eeuwige reiziger, niet verder reist dan Wandernburg. Aan de andere kant: Wandernburg is zelf allerminst onveranderlijk, zo brengt ook de orgelman in, wat de vraag doet rijzen: kan je niet reizen in stilstand? Op een gegeven moment brengen Hans en de orgelman een hele middag samen door met het kijken naar een molen: beweegt-ie of beweegt-ie nou niet? ‘Ik zou zeggen’, belicht Neuman, ‘dat een molen een nomadisch hoofd heeft, maar het onderstel zit stevig vast.’

Wanneer Bart Vonck het gesprek op de Salon brengt, een belangrijke plaats van verbale actie in de roman, maakt Neuman verschillende dingen inzichtelijk. Allereerst dat de typische negentiende-eeuwse setting van de door de mooie en intelligente Sophie – met wie Hans een hartstochtelijke liefdesrelatie begint – strak geleide Salon, de grensplaats van Revolutie en Restauratie, het ideale forum is: de uit conventies voortkomende verantwoordelijkheid wordt gecombineerd met een totale vrijheid aan wat de deelnemers kunnen zeggen.

21e ontmoet 19e eeuw
Neuman ziet de roman als een treffen van de (volgens hem ondergewaardeerde) traditionele roman – van Tolstoj, Austen en Flaubert – en de postmoderne 21eeeuwse roman. De achtergrond is 19e-eeuws, maar de lezer zit wel steeds in de hoofden van bijvoorbeeld de deelnemers aan de Salon. ‘Omdat ik nu in Nederland ben’, zei Neuman, ‘is een vergelijking met Big Brother wel leuk’ (lang leve ons cultuurgoed). En inderdaad gaat de lezer zelfs een keer in iemands hoofd mee naar het toilet, wat er voor zorgt dat je de climax van een discussie mist.

Een ander snijvlak van de traditionele en postmoderne roman is de boekenkist van Hans. ‘Vreemd genoeg’, zegt bedenker Neuman, terwijl hij oprecht verbaasd lijkt te kijken, ‘zit daar steeds het boek in dat hij zoekt’. Samen met de vreemde aard van Wandernburg is de kist verantwoordelijk voor het magisch-realistische element in de roman (en dat zien we graag in Zuid-Amerikaanse literatuur). Neuman vervolgt met een metafoor:

Stel jezelf een paardenkoets voor waarin Madame Bovary met haar minnaar zit. In een negentiende-eeuwse roman zouden de gordijntjes dicht zitten, nou, ik heb de gordijntjes opengezet in de hoop ze op een pikante pose te kunnen betrappen.

Dialectiek der tegendelen
Een toehoorder uit de zaal wil weten met wie Neuman zich nu het meest identificeert, Hans of de orgelman? ‘Met Franz, het hondje van de orgelman’, repliceert Neuman, ‘vernoemd naar Kafka en Schubert, en daarbij beschikt hij over een uitstekend muzikaal gevoel’. Dan serieuzer: ‘Met Hans wanneer hij denkt dat hij moet blijven in Wandernburg en moet zijn zoals de orgelman, met de orgelman wanneer hij denkt te moeten reizen als Hans.’ En zo eindigt de avond zoals die begon: met de dialectiek der tegendelen.