Hartstochtelijke revolutionairen

recensie: Hilary Mantel (vert. Ine Willems) – Een veiliger oord. Deel 1: Vrijheid

(Oorspronkelijk verschenen 26-02-2014: http://www.8weekly.nl/artikel/11345/hilary-mantel-vert-ine-willems-een-veiliger-oord-deel-1-vrijheid-hartstochtelijke-revolutionairen.html)

Sinds Wolf Hall weten wij: Hilary Mantel schrijft verbluffende historische romans. Nieuw bewijs is nu vertaald: deel 1 – Vrijheid – van haar relaas over dé moderne gebeurtenis, de Franse Revolutie.

Hier is dus niet het Engeland van de zestiende eeuw, maar het Frankrijk van 1780-1800 haar toneel. Zoals voor haar bijvoorbeeld Charles Dickens (A tale of two cities) en Anatole France (De goden zijn dorstig) al deden. In de plaats van Thomas Cromwell treden nu andere historische groten op als haar hoofdrolspelers: Maximilien Robespierre, Camille Desmoulins en George Jacques Danton. In dit eerste deel, eindigend enkele uren voor de bestorming van de Bastille, evoceert Mantel slagvaardig hun groei naar historische faam.

Jeugdige druist
In Nederland wordt het boek nu als Een veiliger oord uitgegeven, en wel in drievoud (deel 2 en 3 volgen later dit jaar). Maar oorspronkelijk publiceerde Mantel (1952) de drie delen gezamenlijk al in 1993. Ruim een decennium daar weer voor, op haar 27e, schreef ze het boek al. Voorin deze vertaling staat een ‘Brief aan de lezer’, gedateerd 2013, waarin ze zich enigszins verontschuldigt voor de jeugdige druistigheid waarmee het boek is geschreven.

Deze indekking is onnodig, want de aanstekelijke kracht van het boek zit juist vooral in die druist. Deze wordt belichaamd in de drie mannen, Mantels ‘jeunes premiers’, die groot werden precies op de meest zinderende tijd en plaats. Namelijk exact toen de wereld zich opende zoals de wereld daarvoor nooit had gedaan en daarna nooit meer zou doen. Hun verbeten energie en voortvarendheid spat soms van de pagina’s, ook dankzij Mantels grote vermogen om – en hier kan ik niet anders dan een cliché benutten – een wereld en tijd op te roepen, leven te geven, te animeren.

Daartoe heeft ze slechts enkele vette details nodig. In een interview zei ze: ‘Geef me één feitje. Vertel me dat iemand van rode poon houdt – dan kan ik iets doen’. Dat ‘iets doen’ is hier vaak het met snelle pennenhalen krachtig neerzetten van historische taferelen. Wanneer de koning de Nationale Assemblée iets mededeelt: ‘In stilzwijgen voor hem zwarte jassen, gebleekte kravatten, versteende gezichten: mannen die model zitten voor hun eigen monument.’

Hinkstapsprong
Mantel hink-stap-springt door de decennia voorafgaand aan 1789. In wat fragmenten vol veelsuggererende details – ‘rode ponen’ – schetst ze de afzonderlijke her- en opkomst van de drie mannen. Het worden allen advocaten, die vervolgens ‘de rechtbank ontgroeien’ om te preken en te hitsen voor een veel grotere bühne. In dit deel is de kleine Camille Desmoulins de grote ophitser. Hij zuchtte al veel langer naar revolutie: ‘Juli is zijn beloofde land’. In de roes verliest hij zelfs zijn stotter, waardoor hij de man kan zijn die in een schitterend einde van dit deel de massa, dat ‘beest’, in het Palais Royal met een laatste retorische zweepslag richting Bastille jaagt.

Is het projectiel Desmoulins ongeleid, Danton daarentegen is een aanstekelijke geweldenaar met grote retorische gaven en een buitengemeen lelijke, woeste kop. Danton wint met zijn kracht de lezer gemakkelijk voor zich. Robespierre daarentegen is, natuurlijk, de waarheidslievende purist, de man van de Terreur onder wiens dogmatische leiding de Revolutie definitief haar guillotinerende ontsporing zou kennen (al heeft dat dus later plaats). Genoemde Anatole France moraliseerde in zijn roman Robespierre de grond in, maar Mantel doet iets verrassenders: ze maakt zijn groei invoelbaar, en doet de lezer realiseren dat ook Robespierre een bijzonder man was. (Geheel onterecht noemen we historische slechteriken veel minder snel bijzonder dan de moreel meer verkwikkelijke figuren – terwijl ‘bijzonder’ strikt genomen toch een moreel neutrale term is.)

Nu is Een veiliger oord heus geen boek over louter politiek. Dat is niet Mantels procedé. Ze maakt tijd en ruimte voor de massa, voor het hof, voor een hele set andere historische figuren, van de Hertog van Orléans tot Mirabeau (Dantons adelijke evenbeeld). Tussendoor last Mantel citaten in – ‘Wat is de Derde Stand?’ Antwoord: ‘Alles’ – houdt ze de lezer op de hoogte van de stijgende staatsschuld, het stranden van de nieuwste hervormingspogingen, de laatste hofroddels, de vieze verhaaltjes over Marie Antoinette, en natuurlijk van de broodprijs – met een historiografische kwinkslag: ‘Het voedsel voor alle theorieën over wat er zal gebeuren.’ Én tussendoor – inderdaad is het soms wat rommelig – vlecht ze tintelende inzichten in: ‘De allesverterende frivoliteit van het Hof heeft een leemte geschapen, een gebrek aan culturele focus voor de natie.’

Een ware passie kent geen einde
Bovendien beschrijft ze de huwelijksvragen van de drie mannen. Veel ruimte is er voor de amoureuze intrige tussen Desmoulins en moeder én dochter Duplessis. Ook hier wankelt ‘de natuurlijke orde van de samenleving’. De dochter, Lucille, wil met Desmoulins trouwen en start tegenover haar vader haar eigen, ook al zo universele revolutie: ‘Ik geloof in het recht om gezag te weerstaan wanneer het ontspoort.’ Overigens zou iedere vader zijn dochter dit huwelijk (willen) verbieden. Mantel schrijft dan over Lucille:

Ze overweegt zelfmoord. Maar dat zou een einde betekenen; en ware passie kent geen einde, weet je. Beter om het klooster in te gaan, al die ideële lust vast te pinnen onder een gesteven kap.

Het is de taal van de hartstochtelijk revolutionair.

Als je het boek opent lijken de brokjes talent er al uit te vallen. Maar het boek is niet zo goed als Wolf Hall. De compositie is wat chaotisch. De balans is wat vreemd doordat sommige stukken te fragmentarisch zijn, anderen stukken juist uitgerekter. Soms ook wisselt ze om de alinea van perspectief, en ze vergt zowel daarin als in historische voorkennis best wel wat van de lezer. Daarnaast zijn sommige schrijvershandigheden wel erg duidelijk. Maar ondanks deze minpunten vangt en presenteert Mantel onnavolgbaar het gewrik en geknars van de schuivende panelen van dé moderne gebeurtenis. Kortom: het boek is niet perfect, geenszins, maar bij vlagen wel fantastisch. Vrijheid is er, nu uitkijken naar Gelijkheid en Broederschap later dit jaar.

Philipp Blom – Het verdorven genootschap

De gedurfde denker Diderot

Oorspronkelijk verschenen 08-12-2010: http://www.8weekly.nl/artikel/8835/philipp-blom-vert-pon-ruiter-het-verdorven-genootschap-de-gedurfde-denker-diderot.html

Waarom hebben Voltaire en Rousseau monumentale graven in het Panthéon, en liggen Holbach en Diderot in het onbeduidende Parijse kerkje Saint-Roch? Nee, niet omdat de eerste twee per se meer belangwekkende dingen hadden te zeggen, maar simpelweg omdat zij de ideeëncompetitie voor het nageslacht hebben gewonnen. Om het een en ander recht te trekken schreef Philipp Blom Het verdorven genootschap.

Het grote publiek kent Philipp Blom van De duizelingwekkende jaren. Europa 1900 – 1914. Naast het fin de siècle heeft deze historicus ook passie voor de achttiende-eeuwse Franse denkers, en dan met name voor baron Paul-Henri Thiry d’Holbach (1723-1789) en Denis Diderot (1713-1784). Het verdorven genootschap draait om deze twee denkers, de eerste totaal vergeten, de tweede altijd even genoemd als encyclopedist, soms als schrijver, nooit als filosoof. Zij waren domweg hun tijd te ver vooruit. Toch was Holbachs salon – in Rue des Moulins 10, vlakbij het Louvre – tussen 1750 en 1775 de beroemdste van Parijs. Hume, Franklin en Adam Smith maakten daar veelvuldig hun opwachting. De salon was de broedplaats voor de atheïstische, pragmatische denkers, ‘de vergeten radicalen van de Verlichting’.

Ideeënstrijd
Blom stipt in dit boek een hardnekkige kwaal van de westerse maatschappij aan: nog steeds valt in maatschappelijke tendensen het theologische denken, en daarmee een gebrek aan verlichting, te herkennen. Neem het wijdverbreide streven naar het onbereikbare perfecte lichaam, de steeds weer terugkerende angst voor de Apocalyps, of Hollywoods weergave van expliciet geweld, maar nooit van seks. Het was misschien anders geweest wanneer niet Voltaire en Rousseau maar Holbach en Diderot als belangrijkste verlichtingsdenkers de geschiedenisboekjes waren ingegaan.

Maar dat gebeurde niet, want ‘hun laatste slag verloren ze’. Enerzijds was het de cynicus Voltaire die, via effectief reputatiemanagement, al bij leven ervoor wist te zorgen dat hij goede kans maakte om uit te groeien tot hét verlichtingssymbool. Anderzijds was het Rousseau, die dankzij zijn kind en vrijheid verheerlijkende, paradoxaal genoeg half paternalistische, maatschappijfilosofie perfecte uitgangspunten bood voor zowel de Romantiek als de in staatsterreur uitmondende Franse Revolutie.

Durf te weten
Maar nu over de ware helden van Bloms boek: denker en salonhouder Holbach schreef clandestiene boeken zoals Le Christianisme dévoilé, waarin hij, gebruikmakend van rede en natuurfilosofie, zeer systematisch de theologie ontwrichtte. Over zijn persoonlijke leven is helaas minder bekend. Blom beschrijft Diderots persoonlijkheid daarentegen dankbaar. Uit deze beschrijving rijst het beeld van een innemende man, befaamd om zijn gedurfde, geestrijke denken, schrijven en debatteren.

In tegenstelling tot Voltaire, die vreesde voor de moraal in een godloze wereld, en het genie Rousseau, wiens persoonlijkheid de uitkomsten van zijn filosofie bepaalde, leefde Diderot Horatius’ aansporing ‘durf te weten’ ten volle na. Samen met Holbach en salonvrienden had hij een missie: de menselijke wereld ontdoen van alle religie en hypocrisie, om vervolgens optimistisch en zonder schuldbesef te leven in het verlichte besef dat de materiële wereld het enige bestaande is.

Grote mannen
Sommige gevolgtrekkingen die Blom maakt in Het verdorven genootschap zijn, door lacunes in het bronnenmateriaal, slecht onderbouwd. En daarnaast vervalt hij wel erg vaak in herhalingen: dat Holbach een voortreffelijke wijnkelder heeft noemt hij minstens zes keer. Hij schrijft soepel over de twee grote vergeten mannen van de Verlichting en komt met een paar verrassende feiten over het denken van Holbach en Diderot. Jammer dat Bloms stijl soms net te populair is ingericht.

Beiden stelden dat de hartstocht uiteindelijk het primaat over de rede heeft. Zoals Diderot in een iets andere context zei: ‘er hangt een stukje testikel onder aan onze meest verheven gevoelens’. Het is niet toevallig dat Nietzsche een grote bewonderaar was: ‘Voltaire was de laatste grote geest van het oude Frankrijk, Diderot de eerste grote geest van het nieuwe.’ Een grote geest was het, nu nog de erkenning.