Italiaanse sensaties

recensie: Tim Parks (vert. C.M.L. Kisling) – Italië op het spoor

(Oorspronkelijk verschenen 14-07-2013: http://www.8weekly.nl/artikel/10807/tim-parks-vert-c-m-l-kisling-italie-op-het-spoor-italiaanse-sensaties.html)

Voor een onderdompeling in Italiaanse sferen, lees dit boek. Met een juiste balans tussen liefde, verbazing en ergernis beschrijft de treinende Tim Parks de Italiaanse cultuur.

Italian ways luidt de oorspronkelijke en veel treffender titel. Parks, schrijver van zowel vele romans als non-fictie, gebruikt het reizen per trein in al zijn facetten als prisma van de Italiaanse identiteit. In en om de stations en treinen registreert hij de gebruiken, tegenstellingen, inconsistenties, dialecten en andere verbluffendheden. Als ze hem vragen: ‘Waarom schrijft u dit boek, “professore”?’ dan antwoordt Parks dit: omdat in het treinreizen het ‘Italiaans-zijn’ tot uitdrukking komt.

Italië in geur, kleur en geluid
Vergeet dus de Fyra, vergeet ook het idee van een reisboek; dit boek gaat over cultuur. Bijna dagelijks forenst Parks van Verona naar Milaan. Hij vertrekt vanaf het heerlijk beschreven stationnetje Verona Porta Vescovo (letterlijk: bisschopspoort) en komt aan op Milaan Centraal, dat een van ’s werelds mooiste stations is, ware het niet dat de schoonheid ervan onder een belachelijk-vulgaire laag commercialiteit bedolven is.

Nu woont Parks (1954) weliswaar 32 jaar in Italië, maar hij is een Engelsman. Ik bedoel: hij kent de Italianen goed, maar verbaast zich over hen zoals een noordelijker Europeaan dat kan doen. Parks adoreert treinen en stations – hij houdt afwisselende (en herkenbare!) lofzangen op treinlegendes als het compartiment en het leeslampje in het plafond – maar zoekt ook continu naar een rustige treinplek. Want er is geen fijner plek om te lezen dan in de trein, ‘midden in het leven en toch erbuiten’. Dit blijkt een continue zoektocht aangezien de Italianen – en nu komt het – nogal rumoerig zijn, en het concept ‘stiltecoupé’ hen letterlijk vreemd is.

Anderzijds, als Parks iedere treinrit lezend had kunnen doorbrengen, was dit boek er niet geweest. Hij biedt de lezer een reeks smakelijke verhalen doorsijpeld van Italiaanse geluiden, kleuren en geuren. Dit wordt versterkt doordat Parks veel woorden en uitdrukkingen onvertaald heeft opgenomen, zodat de lezer de speciale schoonheid van de Italiaanse taal kan proeven.

Smakelijke absurditeiten
Met de juiste mengeling van verbazing, ergernis en toegevendheid wijdt Parks uit over het verbluffende Italiaanse treinkaartjessysteem, over opeens streng opererende ‘Capo treni’ (treinchefs) en over stations die midden op de dag afgesloten blijken. Zo is er de afdeling voor zoekgeraakte voorwerpen, de ‘oggeti smarriti’ (waarbij Parks aantekent dat ‘smarrito’ ook betekent: ‘in de war’, ‘verbijsterd’). Natuurlijk heeft megastation Milaan Centraal zo’n afdeling, maar waar die te vinden?

De lezer duikelt zo van de ene smakelijke absurditeit in de andere. Parks zoekt een verklaring:

Een van de voornaamste kenmerken die je moet zien te doorgronden in alle aspecten van het Italiaanse leven, is dat deze natie geen problemen heeft met de afstand tussen ideaal en realiteit. Ze zijn de hypocrisie voorbij. Ze registreren gewoon geen tegenstelling tussen retoriek en gedrag.

Italiaanse trots
Naast zijn forensentraject beschrijft Parks bijvoorbeeld ook het treinreizen in Zuid-Italië en de verschillen tussen de treinen. Zo zijn het niet de hypermoderne en daardoor on-Italiaans aandoende ‘Freccie’ (‘pijlen’ in het Italiaans), maar de interregionale treinen waar Parks verliefd op is. Weer een detail dat de lezer een hupje van plezier doet maken: lange tijd (helaas, nu niet meer) droegen deze interregionale treinen eigennamen: ‘Michelangelo’, ‘Ludovico Sforza’. Wanneer de stationsomroeper dan een trein aankondigde, werd die naam met extra trots uitgeroepen: ‘Treno – Intercity – Otto – uno – tre – Gabriele D’Annunzio!’

Daarnaast zijn de stationsomroepberichten opzienbarend lang. Zo werd de bovenvermelde omroep gevolgd door een hele riedel details – aantal klassen, minibar en restauratie aan boord – om ten slotte als volgt te eindigen: ‘(…) delle ore – diciassette – zero – cinque – per Bari Centrale – è – Soppresso!’ Dat wil zeggen: vervallen, opgeheven. Na circa dertig seconden bericht is daar de essentie: de trein rijdt helemaal niet.

De treinen voeren Parks en de lezer langs allerhande Italiaanse sensaties en vreemdheden. Het maakt Italië op het spoor tot het boek dat het wil zijn: plezierig en onpretentieus met centraal een overdadig fijn onderwerp.

Curzio Malaparte – Bloed

Recensie van Curzio Malaparte – Bloed (vert. Jan van der Haar)

Oorspronkelijk verschenen 15-11-2012: http://www.8weekly.nl/artikel/10339/curzio-malaparte-vert-jan-van-der-haar-bloed-troostrijk-gehamer.html

Troostrijk gehamer

De verhalen in Bloed zijn niet zeer wreed of hartstochtelijk. Het bloed vloeit hier niet, het druppelt. Bloed vertolkt een subtielere functie: het is een voorwerp van obsessie, het is de arbiter, het is onverschillig- en echtheid.

Eindelijk is in Nederland de vertalingsmachinerie van het werk van de Italiaan Curzio Malaparte (pseudoniem van Kurt Erich Suckert, 1898-1957) op gang gekomen. Je zou zeggen dat zowel de recente vertaling van zijn putschhandboek, Techniek van de staatsgreep, als de Nederlandse edities van de meesterwerken Kaputt en De Huid – eveneens door literair vertaler Jan van der Haar – onderhand barsten teweeg moeten brengen in de muur van onbekendheid. In zijn werk hermysticeert Malaparte – ongrijpbaar interbellumintellectueel en oorlogsjournalist, van fascist tot communist en aristocraat – de Tweede Wereldoorlog. Scènes over de gedrochtelijke Himmler in de sauna, de bevroren paarden in het Ladogameer of de Napolitaanse omgang met vernedering zijn poëtisch en ontzettend. En dat is, om misverstanden te voorkomen, een heel sterke aanbeveling.

Afschuw en fascinatie
Een jaar of tien eerder, in 1937, publiceerde Malaparte Bloed. Hierin is de rode draad de weerzin en fascinatie van Malaparte en de Italianen tegen en voor het bloed. In de eerste van twee ingevoegde inleidingen stelt de schrijver: ‘Ik verafschuw bloed.’ Hij vervolgt direct met de bekentenis dat hij als kind door bloed werd geobsedeerd en standbeelden met een mes te lijf ging om te proberen deze te laten bloeden. De afschuw lijkt de obsessie enkel te vergroten.

In Bloed lijkt Malapartes taal een niet-ingedamde variant van de taal in zijn latere werk: gedurfd en boordevol pathos. En ja, dit slaat sporadisch om in pathetiek. In brede, vloeiende banen schrijft en schrijft hij, blijkbaar onbevreesd voor poëtische overkill. In de veelal autobiografische verhalen in Bloed toont hij een voorkeur voor beschrijvingen van het bucolische Italiaanse platteland, vaak rond zijn geboorteplaats Prato. Deze verhalen baden in flakkerende lichtstralen, terwijl de continu waaiende sirocco de lucht verzwaart en de cicades tsjirpen op de achtergrond.

Tussen deze overvloed aan impressionistische sfeerbeschrijvingen krijgt de lezer aanhoudend het idee dat er binnen twee regels een oprechte, mystieke gebeurtenis plaats kan hebben. Deze spanning en mystiek typeren Malapartes schrijverschap, en maken ook Bloed interessant.

Curtino
Sommige verhalen hebben als onderwerp zijn jeugd of zijn dienst in de Eerste Wereldoorlog. Al genoemd is de fascinatie van de kleine en onzekere ‘Curtino’ voor bloed. De aanblik van enkele druppels bezorgde hem “een soort van blijde verwondering, de aanwezigheid van dat bloed maakte de hemel helderder, de contouren van de heuvels zachter, de lucht rustiger”.

 
In het verhaal ‘De ontgoochelde dood’ rijst uit de hamerslagen van de smid Mersiade een andere vorm van aardse mystiek op. Bij Mersiade vindt Curtino af en toe soelaas. De terugblikkende Malaparte etst hier een beeld dat dusdanig hoekig en uitdrukkingsvol is dat de lezer net als de kleine Curzio het gehamer als troostrijk ervaart. Het gehamer is natuurlijk een metafoor voor een pulserende hartslag, en daarmee voor een soort echtheid, vergelijkbaar met de ‘verzachtende’ druppels bloed. Zo is het bloed afwisselend symbool en het gesymboliseerde, en vaker van verlichting dan van onverschilligheid.

In bijna ieder verhaal druppelt het bloed. Vloeien doet het niet, want het werkelijke geweld is dat van de natuur: het onverschillig-toevallige geweld dat een moeder een kind en een schaap haar lam doet verliezen.

De redactie lijkt af en toe netter te hebben gekund. Als Cavalier Bonfante – hoofdpersoon van het perplex achterlatende slotverhaal – aan iemand denkt, staat er bijvoorbeeld ‘Cavalier Bonfante deed hem aan iemand denken’. Dit ontsiert. Ook is het vreemd dat Malaparte niet even kort ingeleid wordt, wat toch had gemogen bij een oudere schrijver die geen wijdverbreide bekendheid geniet. Niettemin valt ook uit deze verhalenbundel zeer veel te halen. Bloed is een nieuw Nederlands piketpaaltje van Malapartes talent.