Een buitenstem

recensie: H.W. von der Dunk – Voordat de voegen kraakten

(Oorspronkelijk verschenen 10-03-2014: http://www.8weekly.nl/artikel/11382/h-w-von-der-dunk-voordat-de-voegen-kraakten-een-buitenstem.html)

In een nieuw deel van zijn memoires beschrijft Von der Dunk zijn student-zijn in de vermeende spruitjesjaren. Dat is zijn achterland, maar óók dat van ons allemaal.

Historicus Hermann Walther (H.W.) von der Dunk (1928) is emeritus hoogleraar contemporaine en cultuurgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht. Dat is tevens de universiteit waar hij zes decennia geleden studeerde. Nu is Von der Dunk al tijden beroepsmatig gepensioneerd, maar dat wil niet zeggen dat hij zijn pen heeft neergelegd. Het nu verschenen Voordat de voegen kraakten is deel twee van zijn memoires, na het in 2008 verschenen Terug bij strijklicht. Denk verder aan zijn indrukwekkende tweedelige Europese cultuurgeschiedenis De verdwijnende hemel en het recente historiografische werk De glimlachende sfinx.

Wie hetzelfde anders zegt..
Von der Dunks schrijfdrift is reden tot opgetogenheid. Om te beginnen met een wat verbleekte, maar onvermijdelijke waarheid: historici presenteren tijdsbeelden en houden ons zo een spiegel voor. Bij Von der Dunk speelt bovendien nog een extra dimensie: hij schrijft op een volstrekt eigenaardige en prettige manier die zowel vertrouwd als vreemd aandoet. En ook deze toon zet de besproken zaken en tijdsbeelden in een nieuw licht. Het effect is tegelijkertijd gewoon en wonderlijk. Het is zoals de tekst die prijkt boven de Oudemanhuispoort van de UvA: ‘Wie hetzelfde anders zegt, zegt iets anders’. Dat is precies Von der Dunks charme: hij zegt alles anders, slim en mooi anders.

Uit de kracht van zijn Nederlands rijst automatisch een argument op tegen de academische verengelsing van een verhalende geesteswetenschap als geschiedenis. Von der Dunk zal dit met me eens zijn. Zo verwijst hij in de inleiding naar ‘de momentele afbraak van cultuur en wetenschappelijk ethos’ met heel dat ‘bezweringsformulier van de concerndirecteur’, van efficiëntie en transparantie tot de infantiele eis van hoge scores in de vele ranglijsten.

Het is een soort buiten-stem die Von der Dunk vertolkt. En inderdaad komt hij niet alleen uit een andere tijd, maar eveneens uit een andere cultuur. Vlak voor de oorlog is hij met zijn ouders – vader tekenaar, moeder joodse – vanuit Duitsland naar Nederland gekomen. Zijn vader ging werken op de Werkplaats van onderwijsvernieuwer Kees Boeke in Bilthoven – mede befaamd omdat ook prinses Beatrix en haar zusjes daar schoolgingen –, waar Von der Dunk zelf naar school ging. Zo groeide hij dus allesbehalve op in een sfeer van spruiten, maar juist in een sfeer van vrijzinnigheid en artisticiteit.

Hoe saaier de jaren vijftig, des te spannender de jaren zestig
Deze memoires richten zich op zijn studententijd, puur persoonlijke gebeurtenissen stipt hij enkel in één of enkele zinnen aan. Veel aandacht besteedt Von der Dunk aan zijn hoogleraren Hans Boogman en Pieter Geyl. Beiden relatief bekend, de laatste nu nog vooral door zijn excentrieke Groot-Nederlandse stamgedachte. Deze kwam erop neer dat de Nederlandse, Vlaamse én Zuid-Afrikaanse volken – allen loten aan de Nederlandse stam – herenigd zouden moeten worden in één staatsverband.

Aangenaam keuvelt Von der Dunk over koffietijd op het instituut (tussen tien en elf uur) en de tentamens die studenten deden bij de hoogleraren thuis (die destijds veelal rondom het Utrechtse Wilhelminapark woonden). In zijn twintiger jaren overwoog Von der Dunk ook nog serieus een carrière als operaregisseur, waarvoor hij zelfs even zijn geschiedenisstudie onderbrak. Daarbij was hij een verdienstelijk zanger en pianist. Tientallen pagina’s wijdt hij dan ook aan optredens met een studentengezelschap. Ze voerden bijvoorbeeld Donizetti’s Don Pasquale en Rossini’s Barbier van Sevilla op.

Natuurlijk is de historicus Von der Dunk geschikt om die jaren en het student-zijn destijds op te roepen. Juist omdat hij zijn eigen ervaring kan meten aan de verschillende historische beelden die er van de jaren vijftig bestaan. Veelbepalend voor die ervaring is dat Von der Dunks generatie volgde op de jaren veertig en voorafging aan de jaren zestig. Dit is minder flauw dan het klinkt. Want de herinnering aan de oorlogsjaren maakte Von der Dunks generatie tot de ‘skeptische Generation’, ‘geponst door de achter hen liggende ervaringen en de snelle ineenstorting van de mooie toekomstverwachtingen bij de bevrijding’. Ze waren wel idealistisch, maar het was een ‘getemperd, versoberd, minder hoogvliegend idealisme’. Bovendien leefden deze pragmatici onder Koude Oorlog-schaduwen. Tegen deze gematigdheid wisten de hoogvliegers – idealistische icarussen – van de jaren zestig zich dankbaar af te zetten. Ook zó werkt geschiedenis: hoe saaier je de jaren vijftig presenteert, hoe enerverender de jaren zestig worden.

Faust of de hotelreceptie
Dit memoiredeel herbergt verder nog veel interessants. Zo doet Von der Dunk uitvoerig verslag van zijn verblijf in Mainz in 1957, dus in een wederopbouwend en met de nazi-erfenis worstelend Duitsland. Verder vertelt hij over ‘archiefreisjes’ voor zijn scriptie en latere promotieonderwerp over de Duits-Vlaamse betrekkingen in de Vormärz begin 19e eeuw. Verder klust hij bij als leraar Duits, onder andere op zijn oude school de Werkplaats. Ook zijn docentschap levert sympathieke (en van realiteitszin getuigende) passages op:

Ik dreunde vóór, de kinderen dreunden na en betraden zo de weg die leidde naar Faust en Also sprach Zarathustra, maar vermoedelijk voor de meesten in een supermarkt of bij hotelrecepties eindigde.

Als gezegd schermt Von der Dunk zijn persoonlijk leven af. Nu wordt Von der Dunk af en toe wat oubollig, en opvallend genoeg is dat telkens in de iets persoonlijker passages. Bijvoorbeeld als slotsom na verteld te hebben over een heftige discussie: ‘Dankzij de Nederlandse wet op de wapenvergunning kwamen er nog net geen pistolen aan te pas.’ Maar gezien al het andere moois, in stijl zowel als inhoud, zal de lezer hier niet over vallen.

Tom van der Meer (red.) – Wat als… Pim Fortuyn niet was vermoord

Tom van der Meer (red.) – Wat als… Pim Fortuyn niet was vermoord

Kogel raak: ja/nee

Oorspronkelijk verschenen 24-06-2011: http://www.8weekly.nl/artikel/9271/tom-van-der-meer-red-wat-als-pim-fortuyn-niet-was-vermoord-kogel-raak-ja-nee.html

‘Wat als’-geschiedenis: een onorthodoxe maar inzichtelijke historische methode, of toch zwakzinnige sciencefiction? Tom van der Meer verdedigt de eerste stelling, en bundelde dertien ‘wat als’-verhalen over de Nederlandse geschiedenis.

Stel nu dat, heel actueel, Nederland niet had meegedaan aan de euro. Welke gevolgen zou dat dan hebben gehad? Dergelijke counterfactuals zijn de startpunten van de alternatieve geschiedenis, een in Amerika en Engeland vrij populaire, maar onder Nederlandse historici toch doorgaans verguisde werkwijze. Want te speculatief, te fantastisch.

Iffie-geschiedenis
Van der Meer is zich terdege bewust van deze controversiële reputatie, en wapent zich hiertegen in zowel een inleiding als een nabeschouwing. Ter verheldering stelt hij: geschiedenis bestaat uit keerpunten, momenten waarop een kogel doel treft of mist, met als mogelijk resultaat dat een historische zwenk wel of niet wordt ingezet. In de ‘wat als’-geschiedenis – ‘iffie-geschiedenis’ – wordt dus de grote impact van toeval in de keerpunten benadrukt.

De kogelmetafoor verraadt dat vooral militaire geschiedenis zich hier goed toe leent. Neem de Slag om Arnhem, in de bundel opgetekend door Kees M. Paling. Wanneer er bijvoorbeeld geen rustende Duitse pantserdivisies in Arnhem waren gelegerd, dan hadden de Geallieerden deze kunnen winnen. Met als gevolg dat de geallieerden ‘voor Kerstmis 1945’ – en vooral voordat de Russen er waren – in Berlijn hadden kunnen zijn, met weer als gevolg dat het IJzeren Gordijn waarschijnlijk heel anders had gelegen.

Fortuyn premier?
Van der Meer wijst erop dat historici altijd met oorzakelijkheid bezig zijn: x leidde tot y. Maar dat betekent ook dat y anders was, of er helemaal niet was geweest, zonder x – en dan? Inderdaad: wat, als?

Van der Meer wil in deze bundel twee voorwaarden nageleefd zien. Ten eerste een helder en geloofwaardig als-moment – dus niet: wat als Napoleon over kruisraketten had beschikt tijdens de Slag bij Waterloo. De tweede voorwaarde is dat na het veranderde keerpunt het gestarte alternatieve pad zo logisch mogelijk is ingebed in de bekende, feitelijke loop van de geschiedenis. Maar hoe verder in de tijd dat pad wordt geschetst, hoe risicovoller het is. Want hoe houd je al die andere, mogelijk beïnvloede gebeurtenissen in de hand?

Neem het verhaal over de verijdelde aanslag op Fortuyn. Natuurlijk een zeer interessant startpunt voor een alternatief pad. Maar dan? Auteur Jean Tillie laat Fortuyn tactisch opereren, en pas na Balkenende-II premier worden. Ook legt hij Fortuyn een paar van Wilders’ woorden (‘knettergek’) in de mond. Net als in het relaas over Bolkesteins blokkade van de euro, lijken enkel de rechtse poppetjes te zijn ingewisseld. Het maakt duidelijk dat ‘wat als’-geschiedenis een subtiele balans moet vinden tussen al te veel en te weinig verbeeldingskracht.

Niet te kniezerig
Er zit een prettige afwisseling in de dertien geschiedenissen, zowel qua vorm als inhoud. Sommige zijn slechts twee pagina’s lang, beschrijven enkel het als-moment en laten het ‘wat dan’ aan de lezer over. Daarentegen schrijft Rolf Falter honderd jaar door in zijn relaas over de vraag: wat als prins Frederik in 1830 had geluisterd naar Constant-Rebecque en met een laatste poging de Belgische opstand had neergeslagen?

Vliegt hij uit de bocht als hij beschrijft hoe de Nederlandse politieke ontwikkeling binnen een Verenigd Koninkrijk – denk aan de verhouding katholieken-protestanten – een volstrekt andere vorm had gekregen? Dat doet hij niet, want hij maakt aannemelijk dat de Nederlandse geschiedenis een beslissende wending had gekregen. Zonder harde wetenschappelijke pretentie, kan ‘wat als’-geschiedenis op deze manier wel waarde hebben.

En de minder kniezerige vraag: is het een leuk boek? Wel zolang het vooral gaat over de invloed van het keerpunt en niet te veel over het alternatieve pad, dat al snel verwordt tot ongeloofwaardige sciencefiction. En daar zijn Van der Meer cum suis grotendeels in geslaagd.

Helleke van den Braber en Jan Gielkens (red.) – In 1934

Zowel de Jantjes als de smalle mensch

oorspronkelijk verschenen 02-07-2010: http://www.8weekly.nl/artikel/8521/helleke-van-den-braber-en-jan-gielkens-red-in-1934-zowel-de-jantjes-als-de-smalle-mensch.html

Het jaar 1934 werd door onzekerheid gekenmerkt: de economische crisis woedde en in Duitsland was Hitler net aan de macht gekomen. Hoe gingen de Nederlandse intellectuelen, kunstenaars en schrijvers om met de internationale politieke en culturele situatie? In In 1934 wordt aan de hand van 42 episodes beschreven hoe de Nederlandse cultuur zich verhield tot het internationale klimaat.

Er is in deze ambitieuze bundel voor het jaar 1934 gekozen omdat het een relatief ‘neutraal jaar’ was. Het werd niet bepaald door bijvoorbeeld de ineenstorting van Wall Street of de machtsovername van Adolf Hitler, maar wel door de daaruit voortvloeiende spanningen. Tientallen cultuuronderzoekers schreven artikelen voorIn 1934. Nederlandse cultuur in internationale context. Onder redactie van Helleke van den Braber en Jan Gielkens werden die, grofweg, onderverdeeld in artikelen die gaan over de internationale relaties van zowel culturele bemiddelingsinstanties als kunstenaars, en de invloed en receptie in Nederland van internationale ideeën en werken. Over de invloed van Nederlandse cultuur in het buitenland zijn de redacteuren kort: Nederland was toch vooral een cultureel importland.

Europeesche Peil
Bij lezing van alle artikelen na elkaar wordt al snel een onderlinge samenhang duidelijk. In zowel de Nederlandse theaterwereld, de filmindustrie als de literatuur was er bijvoorbeeld een debat gaande over de vraag of Nederland zich bij de eigen, regionale producten moet houden of dat het zich meer moest richten op Europese standaarden en allure. In de literaire wereld werd (net als tegenwoordig) het zogeheten provincialisme-internationalismedebat gevoerd en in de Nederlandse theaterwereld maakte men zich vooral zorgen over de banen die werden ingepikt door de vele Duitse exilschrijvers en -toneelgezelschappen. Binnen de Nederlandse filmindustrie werd er zelfs even van gedroomd dat de Nederlandse producten de internationale standaard zouden bepalen. Toen de Nederlandse film De Jantjesuitgroeide tot hét bioscoopsucces van 1934, riep Abram Tuschinksi uit dat ‘we niet langer met lede ogen naar Hollywood hoeven te kijken maar dat Hollywood naar ons moet kijken’.

De twee beroemde intellectuelen Edgar du Perron en Menno ter Braak uitten veelvuldig hun mening over het gebrek aan ‘Europeesche Peil’ van de Nederlandse letteren. Opvallend is dat ieder artikel in deze bundel of Du Perron, ofwel Ter Braak aan het woord laat. Het zijn de twee grote Nederlandse intellectuelen van het jaar 1934. Beiden zijn ook zeer geëngageerd en discussiëren met name over hoe het oprukkende fascisme tegen te gaan, zoals ze dat verwoord hebben in hun individualistische concepten ‘de smalle mensch’ en de ‘politicus zonder partij’. Over dat individualisme schreef Du Perron aan Ter Braak:

Ik liep mee in de communistentroep op de stakingsdag. Te lang en te vervelend om te vertellen. Eén daverend gevoel: je n’en suis pas! Het gaat niet om ‘partijkiezen’ voor mij, dat is duidelijk; maar om me te verdedigen tegen alles wat collectivistische dictatuur is.

Rijk beeld
In verschillende artikelen – over de arrestatie van de antifascistische Duitse schrijver Heinz Liepmann of over de cabaretgroep ‘Die Pfeffermühle’ van Erika Mann – wordt vermeld hoe de Nederlandse overheid alles verbood dat ‘het bevriende staatshoofd’ Hitler ook maar enigszins tegen de borst zou kunnen stuiten. Uit zulke anekdotes rijst het beeld op van Nederland als een bangig en navelstarend landje. Wel zijn er de eenlingen die de laffe middelmaat ontstijgen; naast de twee bovengenoemden ook ‘einzelgängers’ als bijvoorbeeld Slauerhoff of M.C. Escher.

Naast dat de bundel In 1934. Nederlandse cultuur in internationale context een degelijk overzicht biedt van de Nederlandse cultuur in de jaren dertig, herbergt het werk vele verrassende feiten. Bovendien bevat het rode draden (waaronder fascisme, exil, cultuurbemiddeling), waardoor de lezer de artikelen over een onderwerp die hem interesseren eenvoudig kan opzoeken. Alle debatten en kleine bekrompenheden bij elkaar genomen lijkt het Nederland van 1934 eigenlijk heel veel op dat van tegenwoordig.