Alexis de Tocqueville – Herinneringen aan de omwenteling van 1848

Alexis de Tocqueville (vert. Ineke Mertens) – Herinneringen aan de omwenteling van 1848

Oorspronkelijk verschenen 04-10-2012: http://www.8weekly.nl/artikel/10253/alexis-de-tocqueville-vert-ineke-mertens-herinneringen-aan-de-omwenteling-van-1848-aristocraat-met-zienersoog.htm

Aristocraat-met-zienersoog

De verleiding is groot om een recensie van een werk van Tocqueville als volgt in te richten: men neme zes prachtcitaten, onderstreept de elegante inzichtrijkheid van elk ervan en besluit met een geschreven reverence. Bij dezen.

Natuurlijk is eerst een introductie gepast: Alexis de Tocqueville (1805-1859) is de ‘democratisch aristocraat’, de schrijver van het eerste canonieke werk over de democratie, Over de democratie in Amerika (1835, 1840). Hij was echter ook tien jaar lang nauw betrokken bij de Franse politieke praktijk. Eerst als parlementslid en vervolgens, na de Februarirevolutie, als medeopsteller van de grondwet en later kortstondig als minister van Buitenlandse Zaken. Over zijn politieke carrière na de ‘omwenteling van 1848’, schreef Tocqueville zijnHerinneringen.

Bespeurt u de revolutionaire wind?
Zelf opent hij met de stelling dat het boek puur bedoeld is ter ‘geestelijke ontspanning’, en dat de eerlijkheid ervan – hij beschrijft enkel wat hij zelf gezien en gedacht heeft en lijkt inderdaad prettig genoeg weinig achter te houden – het ongeschikt maakt voor publicatie. Verderop geeft hij echter aan dat een zucht naar publieke erkenning een van zijn zwaktes is. Samen met de slimheid en fijne stijl verraadt dit Tocquevilles werkelijke bedoeling met het boek: postume publicatie.

Wel zijn de Herinneringen onaf. Er zitten kleine lacunes in de tekst en bovendien is Tocqueville niet toegekomen aan de periode van juni 1848 (ná de straatgevechten van die maand) tot juni 1849, het moment dat hij minister werd.

Na een analyse van de opmaat tot het revolutiejaar 1848, haalt Tocqueville – en hier start de citatenronde – allereerst zijn eigen gelijk. Evenals in Over de democratie in Amerika geeft hij er blijk van met een zienersoog de maatschappelijke onderstroom te kunnen analyseren. Hij richt, eind januari van dat jaar, in de Kamer van Afgevaardigden de vraag aan parlementaire dovemansoren: ‘Bespeurt u niet… hoe zal ik het zeggen?… dat er een revolutionaire wind waait?’ Tevergeefs smeekt hij: ‘Bezweer het nu het nog kan!’

Revolutie en anarchie
Wat onherroepelijk volgt is ondermeer een ronduit spannend ooggetuigenverslag van de revolutionaire straatgevechten. Tocqueville betreurt de onredbaar blijkende constitutionele monarchie van Lodewijk Filips, en bezingt zijn politieke idealen:

Ik voelde dat mijn eigen zaak verloren was. Ik had de mooiste jaren van mijn jeugd beleefd in een samenleving waarin met het herwinnen van de vrijheid ook welvaart en grandeur leken terug te keren. Ik had me een voorstelling gemaakt van een gematigde en geordende vrijheid, begrensd door het geloof, de zeden en de wetten. (…) Ik had het gevoel dat ik ontroostbaar zou zijn bij haar verlies, en zag nu dat ik haar zou moeten opgeven.

Mede doordat de revolutionairen geen duidelijke leiding, geen nieuwe Robespierre, kregen, kon met de nieuwe Franse Republiek (de tweede) de orde terugkeren. En ondanks dat hij een constitutionele monarchie meer geschikt acht om de vrijheid te verdedigen, steunde Tocqueville deze nieuwe staatsvorm wel.

Zelfkritiek
Onderwijl tuimelen puntige observaties en snedige analyses over elkaar heen. Onscrupuleus ontleedt Tocqueville zowel de kwaliteiten van medepolitici als van zichzelf. Al genoemd is zijn zucht naar erkenning; daaraan gerelateerd is zijn chronische onzekerheid. Bovendien is hij allesbehalve een inspirerend spreker. Zijn benoeming van een van de oorzaken hiervan mag tevens dienen ter illustratie van zijn elegante stijl:

De waarheid is voor mij een zo kostbaar en zeldzaam iets dat ik haar (…) niet graag in een discussie op het spel zet. Het is een licht dat ik vrees te doven door ermee te zwaaien.

Natuurlijk zijn niet alle Fransen grote sprekers – al zijn ze waarschijnlijk wel allemaal fervente polemici. Tocqueville haalt in herinnering

(…) een van mijn Normandische buren, een groot liefhebber van de polemiek, aan wie de goden echter de schone gave van spreekvaardigheid hadden onthouden en die zich, zodra ik zijn opvatting  bestreed, naar huis haastte en me per ommegaande schriftelijk liet weten wat hij had willen zeggen.

Psycholoog annex
In de beoordeling van medepolitici weegt Tocqueville evenzeer hun hele karakter als hun directe politieke kwaliteiten. Zijn beschrijvingen zijn dusdanig origineel dat de waarschijnlijke onbekendheid van de huidige lezer met de besproken politici weinig meer uitmaakt. Zo hoef je ene Barbès niet te kennen om jezelf te kunnen verkneukelen bij Tocqueville’s oordeel:

Hij was een van die mannen in wie de demagoog, de dwaas en de ridder zo vermengd zijn dat het onmogelijk te zeggen valt waar de een eindigt en de ander begint.

Dergelijke elegantie is in onze politieke commentaren zeldzaam. Wel kan de vijftigste opmerking in deze trant gaan vermoeien. Op die paar momenten blijkt het boek wat gedateerd en dus kwetsbaar. Dit geldt evengoed voor de beschrijvingen van de diplomatieke relaties van Frankrijk tijdens Tocquevilles ministerschap. Desalniettemin moge het duidelijk zijn dat Tocqueville, deze grote aristocraat, de onovertroffen politiek waarnemer, psycholoog, socioloog en staatsman (enzovoort), zichzelf met zijn Herinneringen alle recht doet.

Klassieker: Alexis de Tocqueville – Over de democratie in Amerika

Klassieker: Alexis de Tocqueville – Over de democratie in Amerika

De grootsheid van een democratisch aristocraat

Oorspronkelijk verschenen 19-07-2011: http://www.8weekly.nl/artikel/9324/de-grootsheid-van-een-democratisch-aristocraat-klassieker-alexis-de-tocqueville-over-de-democratie-in-amerika.html

Wij zijn allen democraten. We beschouwen de democratie als een a priori gegeven, zelfs zozeer dat ook de ontevredenen haar niet ter discussie zullen stellen. Maar het is niet allemaal hosanna. De fundamentele oorzaken daarvan worden uitgelegd door een van de allergrootste politieke filosofen ooit, Alexis de Tocqueville.

Tocqueville, de ‘aristocraat in het hart en democraat in het verstand’, licht vanuit een neutraal perspectief de eerste democratische samenleving van de moderne tijd, de Amerikaanse, volledig door. Daarmee legt hij tegelijk de grootste fouten en weldaden van de democratie bloot. Om misverstanden voor te zijn: Tocqueville bedoelt met een democratische samenleving niet alleen dat het politieke bestel democratisch is ingericht, maar vooral een maatschappelijke toestand van gelijkheid. ZijnOver de democratie in Amerika (in twee delen uitgebracht, in 1835 en 1840) is onder andere hierdoor allesbehalve een taai vertoog over het staatsbestel. Integendeel: het zindert van verrassende of verontrustende politieke, sociologische en psychologische inzichten alsook – en hier spreekt puur mijn persoonlijke voorkeur – van Tocquevilles prachtig geuite wanhoop over de onvermijdelijke teloorgang van de aristocratische waarden.

Op hol geslagen massa’s
Het is zeker niet vanzelfsprekend dat uitgerekend Alexis de Tocqueville (1805-1859) het eerste canonieke werk over de democratie heeft geschreven. Tocqueville kwam namelijk uit een aristocratische familie, die al eeuwenlang behoorde tot de zeer zelfbewuste noblesse d’épée, de zwaardadel. Tijdens de Jacobijnse Terreur, die volgde op de Franse Revolutie, zaten zijn ouders tien maanden lang in de gevangenis in afwachting van de guillotine – gelukkig viel Robespierres hoofd eerder.

Dergelijke anekdoten moeten verteld worden om te begrijpen welke proporties het imaginaire standbeeld van de intellectuele held Tocqueville dient aan te nemen. Sinds de Franse Revolutie werd democratie door velen, en zeker door de aristocratische klasse, gelijkgesteld aan anarchie. Maar niet door Tocqueville, die aantoonde dat het angstbeeld van de democratie als een op hol geslagen massa enkel een hersenschim is.

Nieuwe politieke wetenschap
Wel dienen er bij de instelling van een democratie bepaalde richtlijnen in acht te worden genomen. De noodzaak van deze richtlijnen vormt Tocquevilles beginpunt. Hij ziet in de eeuwen voor hem een alomtegenwoordige, gestage trend richting gelijkheid. Om deze reden acht hij, ondanks de Franse en Europese Restauratie – in Tocquevilles Frankrijk hadden amper 5 op de 1000 inwoners stemrecht – de opkomst van de democratische toestand onstuitbaar. Omdat de Europeanen alleen bezig waren op krampachtige wijze de democratie de weg te versperren, hadden zij geen oog voor zowel haar deugden als kwalen. Daarom propageert Tocqueville ‘een nieuwe politieke wetenschap voor een geheel nieuwe wereld’. Deze had als doel:

De democratie onderrichten, waar mogelijk haar overtuigingen nieuw leven inblazen, haar zeden zuiveren, haar bewegingen regelen (…) haar staatsbestel aanpassen aan tijd en plaats, het wijzigen naargelang de omstandigheden en de mensen: dat is vandaag de eerste plicht die is opgelegd aan hen die de samenleving leiden.

En op welke wijze kon men beter leren hoe dit moest dan door de volwassen Amerikaanse democratie te bestuderen? Tocquevilles Over de democratie in Amerika gaat dus eigenlijk nauwelijks over Amerika, maar veel meer over de daar zichtbare algemene democratische tendensen, waaruit de Europeanen lering moesten trekken.

Individualisme
Veelvuldig maakt Tocqueville gebruik van de tegenstelling democratie versus aristocratie. Het eerste en bepalende verschil daartussen komt naar voren in de volgende beroemde vergelijking: ‘De aristocratie had van alle burgers een lange ketting gemaakt die van paysan tot koning liep; de democratie breekt de ketting en legt elke schakel apart.’ In de democratie is iedere burger gelijk en vrij, maar als mogelijk schadelijk neveneffect van deze positieve conditie kan een atomistische samenleving ontstaan.

Belangrijkste boosdoener is het individualisme, dat binnen de democratie is ontstaan: een rustig en weloverwogen gevoel dat de burger ertoe aanzet zich terug te trekken in de eigen kleine privékring. Dat leidt ertoe dat iedere burger ‘onafhankelijk maar zwak’ is, en dat hij niet-persoonlijke zaken het liefst aan de staat overlaat.

Zie hier de reden waarom liberalen, waaronder onze jeune premier Mark Rutte – wiens goedkeuring zelfs de omslag van de nieuwe Nederlandstalige, schitterend verzorgde uitgave ‘siert’ – Tocqueville zo gretig omarmen. Want Tocqueville waarschuwt voor het gevaar dat door de individualistische houding van de burger een monsterlijke overheid ontstaat, wier tentakels zich langzaam maar zeker uitstrekken over alle gebieden van de samenleving. Op deze wijze dreigt de democratie te evolueren richting een ‘mild despotisme’:

Een immense en beschermende macht (…) die zich als enige belast met de zorg voor hun genietingen en het toezicht op hun lot. Zij is absoluut, nauwkeurig, regelmatig, vooruitziend en zachtmoedig. Zij zou op het vaderlijk gezag lijken als zij, evenals dat gezag, tot taak zou hebben de mensen voor te breiden op de volwassenheid, maar zij probeert juist niets anders te doen dan hen onherroepelijk in hun kindertijd vast te houden.

Associaties
De Amerikanen hebben hierop een tegenwicht gevonden, namelijk de associatievorming. Binnen de associatie leren de burgers hoe hun eigenbelang aansluit op het algemeen belang, leren zij de ‘kunst van de vrijheid’ en het belang van samenwerking. Nog altijd zien ‘Neo-Tocquevillianen’ associatievorming en lokale democratische participatie als essentiële maatschappelijke buffers tegen een te machtige centrale staat en tegen een mogelijke tirannie van de meerderheid (een begrip dat door Tocqueville is gemunt). Rutte en consorten zullen dit volmondig en met de hen zo eigen glimlach beamen: de burger die eindelijk eens de verantwoordelijkheid neemt, en niet enkel vragend naar vadertje staat kijkt.

Maar de observator Tocqueville destilleerde nog meer mooie inzichten uit de Amerikaanse democratische processen. Bijvoorbeeld de nieuwe vorm van stabiliteit: het gros van de burgers is continu met de eigen materialistische belangen bezig, waardoor hun overtuigingen onveranderlijk zijn en ze niets liever willen dan publieke rust. Tocqueville noemt dit zelfs de enige overgebleven ‘politieke hartstocht’: immers, niets is zo slecht voor de handel als een revolutie.

Ruttes ideaal?
Maar lezend over dit ongebreidelde materialisme, blijkt er toch meer aan de hand te zijn dan de simplificerende ‘recht-op-en-neer-filosofie’ van Rutte en het rechts-populisme doet vermoeden. Tocqueville als politiek psycholoog hamert namelijk continu op de geestelijke nivellering binnen de democratische samenleving:

Ik zie een ontelbare massa eendere en gelijke mensen die voortdurend met zichzelf bezig zijn om zich kleine en platvloerse genoegens te verschaffen waarmee zij hun ziel vullen.

De associatievorming mag dan een antidotum tegen het despotisme vormen, tegen de teloorgang van de werken van de geest, het artistieke, het spirituele – of hoe je het ook noemen wilt – is binnen de democratische toestand veel moeilijker een tegenwicht te vinden:

Wat ik de gelijkheid verwijt, is niet dat zij de mensen aanzet tot het najagen van verboden genoegens, maar dat zij hen volledig doet opgaan in de zoektocht naar toegestane genoegens.

In de gelijkheidstoestand lijkt vaak enkel het economisch nut waarde te worden toegekend; de waarden van de geest zijn onbekend. De massa streeft onbekommerd af naar een toestand van dierlijke eenvormigheid. Dit wordt mede veroorzaakt doordat in de democratische situatie mensen minder snel iets van de ander willen aannemen of leren. Zij kunnen de ander niet zien als superieur, maar altijd enkel als gelijke, waardoor zij ‘voortdurend worden teruggeworpen op hun eigen rede als de meest zichtbare en de meest nabije bron van de waarheid’.

Streven naar grootsheid
Daarentegen hebben burgers alle vertrouwen in de opinie van de meerderheid, allemaal zijn ze immers gelijken, dus dan moet de waarheid toch bij het grootste aantal te vinden zijn? Tocqueville voorspelt het geloof in de publieke opinie: ‘De meerderheid leeft dus in een permanente staat van zelfaanbidding; alleen dankzij vreemdelingen of hun eigen ervaring krijgen de Amerikanen oog voor bepaalde waarheden.’

De democratie acht Tocqueville onvermijdelijk, maar hij betreurt de verloren ‘grandeur’ van de aristocratie, die er juist toe aanzet de geest ‘op te laten stijgen naar de hogere regionen van het denken’ en die haar ‘op natuurlijke wijze rijp [maakt] voor de sublieme en bijna goddelijke liefde voor de waarheid.’ Wat kan er gedaan worden om toch nog iets van deze grootsheid te behouden? Tocqueville komt hier helaas niet verder dan een pleidooi, dat de Nederlandse politici nooit zullen durven navolgen:

De wetgevers van democratieën en alle eerbare en verlichte mensen die er leven, moeten dus onophoudelijk alles in het werk stellen om de zielen te verheffen en die op de hemel gericht te houden.

De liberale traditie
Het is in deze kritische liberale traditie, waarin de democratie zowel wordt omarmd als op haar fouten gewezen, waarin een waakzaam en integer burger dient te staan. Van de grote gevaren waarop Tocqueville wijst, die van de zwakke eenling tegenover een almachtige staat of de tirannieke meerderheid, en die van een alles doordringende en omlaaghalende geestesnivellering, behoren burgers zich ten volste bewust zijn.

Het is onvermijdelijk dat dit essay te weinig recht doet aan de 800 pagina’s van Tocquevilles Over de democratie in Amerika. Vooral het tweede boek loopt over van inzichten die na 170 jaar nog altijd geldig zijn en weten te verrassen. Tussendoor voorspelt Tocqueville en passant de Koude Oorlog, om zo maar wat te noemen. Enkel een voorbeeld om duidelijk te maken dat er over deze grootse politieke filosoof, Machiavelli gelijk, nog zoveel meer te zeggen – en te lezen – valt.