Ryu Murakami – De Karaokeoorlog

 

Ryu Murakami – De Karaokeoorlog

Niets in de wereld zal ooit veranderen

Oorspronkelijk verschenen 10-07-2012: http://www.literairnederland.nl/2012/07/10/de-karaokeoorlog-ryu-murakami/

De figuren in De karaokeoorlog zijn verdoemd of waanzinnig of juist heel erg ‘eenentwintigste-eeuws’. Toestanden die prima samen blijken te gaan.

Het is een mengeling van bevreemding, slapstick en stiekeme maatschappijkritiek die Ryu Murakami de lezer biedt. Ter verheldering: het gaat hier niet om Haruki. Zijn naamgenoot Ryu Murakami (1952) schijnt in Japan al even beroemd te zijn, en is naast schrijver ook filmmaker. In Nederland verscheen eerder van hem In de Misosoep.

De uitgangssituatie is opmerkelijk. In een moderne Japanse stad ontmoet een groep jonge mannen elkaar geregeld om karaoke te zingen en steen-papier-schaarwedstrijden te spelen. Allemaal zijn ze hun leven lang genegeerd en onbemind gebleven. De existentiële leegte druipt van deze samenkomsten af, om het zo maar te zeggen. Ligt de oorzaak van deze ellende misschien in de ‘tijdsgeest’, die ‘in wezen een onderdrukkend waardesysteem was, voornamelijk gebaseerd op de absolute zekerheid dat niets in deze wereld ooit zou veranderen’?

De waanzin loert, of is misschien al overal. Hun activiteiten lijken bizarre rituelen, waarbij ze steeds ‘in abnormale mate’ lachen. De gemiddelde lezer zal denken dat een steen-papier-schaarwedstrijd één van de meest simplistische spellen ter wereld is. Niet bij deze jongens: ‘De deelnemers schreeuwden, sprongen op en neer, lachten hysterisch, rolden over de vloer, sloegen met hun hoofd tegen de muren, kregen stuiptrekkingen in willekeurige ledematen en braakten soms zelfs van te grote opwinding. Het vreemde was dat deze verwoede voorstellingen zowaar de uitkomst leken te beïnvloeden.’

Tot grote opwinding van de rest begaat één van hen, Sugioka, al snel in het boek een moord. Hij steekt Yanagimoto Midori dood, een ‘tante’, oftewel een ‘oba-san’. Oba-sans zijn: ‘Levensvormen die niet langer evolueren. En iedereen kan in een oba-san veranderen. Jonge vrouwen, natuurlijk, maar ook jongemannen, zelfs mannen van middelbare leeftijd – zelfs kinderen. Je wordt een oba-san zodra je de wil om te evolueren verliest.’ Het lijken Nietzsche’s laatste mensen, die in een eeuwige, schijnbaar comfortabele vegetatieve staat verkeren, en daardoor iets van hun mens-zijn verliezen.

Ryu Murakami’s schets van de moderne maatschappij stikt van de oba-sans. Verschillenden ervan heten Midori, en zij hebben samen het ‘Midori Genootschap’ opgericht. Alsof veel mensen niets meer gemeen hebben dan een gedeelde naam. Hoe dan ook, de Midori’s betreuren hun vermoorde medelid Yanagimoto. De wil tot wraak brengt deze voorheen zo uitgebluste vrouwen weer tot leven. Het verleent zin, hun ogen schitteren weer en als gevolg daarvan vinden ook de mannen hen weer aantrekkelijk.

De wreker – dat wil zeggen: één van de Midori’s – komt met een sashimi-mes gebonden op het uiteinde van een swiffer. De Midori’s verenigen samurai en huisvrouwen. Met dit originele wapen wordt aldus Sugioka vermoord. En zo ontstaat er een soort vendetta tussen beide groepen, tot groot genoegen van alle betrokkenen: ‘Wat is dat eigenlijk voor geks met dat wraakgedoe? Je wordt er vanbinnen helemaal wee van!’

De term ‘karaoke’ betekent ‘leeg orkest’. Wil Murakami wijzen op het atomisme van de moderne maatschappij, op de spirituele leegte als gevolg van een ontbrekend zingevingssysteem? Het is een verdedigbare interpretatie. De leegte wordt door de hoofdpersonen opgevuld met die zekerheid die enkel waanzinnigen bezitten, nog van extra zin voorzien door de cultus van de wraak: ‘Als je er goed over nadenkt, is moord het enige wat tegenwoordig überhaupt nog iets betekent.’ Vanuit het perspectief van de hoofdpersonen van dit boek – en Murakami impliceert misschien wel: voor de gemiddelde moderne mens – lijkt dit waar: geen waarheid, geen zin, geen ontwikkeling. Enkel ja of nee: te zijn of niet te zijn.

Maar de afwisseling tussen hilariteit en de waanzin van hij of zij die het zeker weet, is niet het enige dat Murakami biedt. Hij lardeert het met inzichtrijke psychologische observaties, voornamelijk over de banaliteit van de contemporaine mens. En, heel sporadisch, laat hij een van de hoofdpersonen een jeugdherinnering ophalen, één die bij verrassing werkelijk kan ontroeren, zonder door grotesk gelach of door een perverse rationalisatie te worden verpest.

Het zijn zeldzame pareltjes in een zwijnenstal. Maar die zwijnenstal is vol intrigerende vuiligheid, en dat maakt Murakami’s De karaokeoorlog de moeite waard.

Patrick DeWitt – De gebroeders Sisters

Patrick DeWitt – De gebroeders Sisters

Fijngestampte hersens, hartzeer en de dood

Oorspronkelijk verschenen 01-05-2012: http://www.literairnederland.nl/2012/05/01/fijngestampte-hersens-hartzeer-en-de-dood/

Het is 1851, in Californië is dat de tijd van de Koorts. De alom aanwezige Amerikaanse cowboys worden wild van goudzucht. Door deze contreien trekken de titelbroers in De gebroeders Sisters. Hun doel is simpel: Hermann Kermit Warm moet dood.

Charlie en Eli Sisters zijn beruchte moordenaars, met een faam à la Buffalo Bill. Het verschil is dat de broers Sisters in loondienst zijn, en wel bij de Commodore, een autoritaire en zelfgenoegzame rijkaard. Hun doelwit, Warm, is goud aan het zoeken in de buurt van San Francisco en wordt daar in de gaten gehouden door een andere medewerker van de Commodore. Om bij Warm in de buurt te komen reizen de broers door het koortsige cowboyland.

Nu heeft de Canadees Patrick DeWitt (1975) met dit boek twee belangwekkende Canadese literaire prijzen gewonnen, de Governor General’s Literary Award en de Writers Trust Prize. Eveneens was hij vorig jaar genomineerd voor de Man Booker Prize. Tijdens het lezen van pakweg de eerste tientallen pagina’s kan deze wetenschap bevreemden: het lijkt een doorsnee western, en aanvankelijk is onduidelijk waarom DeWitts roman het literaire niveau van pakweg Karl May ontstijgt – laat staan dat het in de buurt komt van de romans van de hedendaagse meester Cormac McCarthy.

Maar gestaag begint het boek te bevallen, en dat in steeds grotere mate. Er zit veel meer in dan de eerste lezersblik bevroedt. En dan niet alleen de amusante manier waarop DeWitt zowel de tandenborstel als de telefoon introduceert.

Ja, de gebroeders Sisters moorden, en dat kunnen ze verdomd goed. Zonder enig literair voor- of naspel vallen de doden. Maar deze ogenschijnlijk gebroederlijk moordende mannen zijn allerminst hetzelfde: ‘Ons bloed is hetzelfde, we gebruiken het alleen verschillend.’ Hebben ze daarom van DeWitt de zo contradictoir op gebroeders volgende achternaam Sisters meegekregen? Anders dan de harte- en achteloos moordende Charlie, een drinker, blijkt de ik-persoon Eli helemaal geen kille moordenaar. Juist niet: alleen op drift kan hij moorden.

Maar wanneer hij eenmaal in zo’n driftbui verkeert, dan is hij al briesend tot alles in staat. Natuurlijk weet Charlie dit en evenzo weet hij, broer als hij is, precies hoe Eli zo te manipuleren dat hij, als ware hij een opwindpoppetje, tot gebries en gemoord overgaat: ‘Mijn naam is Eli Sisters, jij hoerenjong, en als je niet opschiet en me brengt wat ik gevraagd heb schiet ik je ter plekke overhoop.’

Dit is Eli Sisters, en het is eigenlijk een ontzettend sympathieke man. Het is een opmerkelijke prestatie van DeWitt dat waarschijnlijk elke lezer met Eli zal meeleven, ondanks zijn waarlijk moordlustige drift: ‘De hersens van de man kleurden paars van het bloed en schuim borrelde tussen de plooien omhoog. Ik trok mijn been op en stampte met mijn volle gewicht de hiel van mijn laars in het gat van zijn schedel, waardoor wat ervan over was verbrijzelde en zo compleet werd platgewalst dat het niet meer als menselijk hoofd herkenbaar was. Toen ik mijn voet weer optilde, voelde het alsof ik hem uit de natte modder trok.’

De sympathie van de lezer wordt namelijk opgewekt door Eli’s gemijmer. Steeds meer begint hij te peinzen over het leven en over vrouwen. Het leidt hem tot alleszins terechte vragen: waarom moord ik eigenlijk, en zou ik er niet mee stoppen? De antwoorden volgen beetje bij beetje. Deze deelantwoorden worden afgewisseld met bijna-verliefdheden, maar toch vooral met moorden, waarmee Eli varieert op het ‘eerst schieten, dan vragen stellen’.

Af en toe, en zeker in het begin, lijkt DeWitt teveel een procedé te volgen. Dit gaat als volgt: in ieder kort hoofdstuk speelt zich een opvallende situatie af, waarin de broers hun ruige reputatie versterken, en dan eindigt het met een quasi-reflectieve mijmer van Eli Sisters. Maar ook wat dit betreft komt het boek op gang, worden Eli’s kronkels prikkelender en laat het boek de voorspelbare trant los.

Terwijl zijn broer zich iedere avond ongans drinkt aan de brandewijn, raakt de peinzende Eli vervuld van walging van zijn professie – en daarmee vervuld van zelfhaat. Het lijkt erop dat de moord op Warm zijn laatste klus voor de Commodore zal zijn. Eli’s mentale ontwikkeling en de reis van de gebroeders Sisters wordt afgewisseld met twee vreemde, enkele pagina’s tellende ‘intermezzo’s’. In het eerste treft Eli een zeven- of achtjarig meisje, die hem in haar droom had gezien: ‘“Ik kwam voor in je droom?” “Er kwam een man in voor. Een man die ik niet kende en niet mocht.” “Was het een goede of een slechte man?” Ze fluisterde: “Het was een beschermde man.”’

Is Eli beschermd, en zo ja, wat houdt dat dan in? Zowel Eli als de lezer mogen hierop broeden. Zo ook op de verschillende passages, net over de helft van de roman, waarin de broers en Hermann Kermit Warm samen optreden. De naam van Warm mag haast opgevat worden als een onomatopee: Hermann Kermit Warm is een opmerkelijke figuur. Zijn karakter straalt onafhankelijkheid uit, en is aangekleed met een aantal verwonderlijke tics. Zo begint hij, terwijl hij zich in een levensbedreigende situatie bevindt, te fluiten. De melancholicus Eli raakt direct gecharmeerd: ‘Ik herkende het wijsje niet, maar het was zo’n deuntje als ik altijd graag hoorde: traag en sentimenteel en ongetwijfeld met een bijbehorende tekst die over hartzeer en de dood handelde. (…) Hij was een uiterst getalenteerde fluiter; het lied daalde en steeg, kwinkeleerde in de lucht en verdween toen in de ruisende rivier.’

Maar waarom zitten de gebroeders Sisters achter deze figuur aan? Er blijkt iets met Warm te zijn dat op velen een koortsverhogende uitwerking heeft. Verklapt mag worden dat het plan van de broers, ondanks hun onmiskenbare moordenaarskwaliteiten, anders loopt dan gedacht. Wat volgt onthutst, amuseert ondanks de dood en weet soms zelfs te vertederen. Dit maakt De gebroeders Sisters niet tot een klassieker, maar wel tot een verrassend prettige roman.

Boris Zjitkov – Viktor Vavitsj

Boris Zjitkov (vert. Yolanda Bloemen en Marja Wiebes) – Viktor Vavitsj

Gebeuren dit soort dingen op de hele wereld? Is dit zoals het gaat?

Oorspronkelijk verschenen 20-04-2012: http://www.8weekly.nl/artikel/9953/boris-zjitkov-vert-yolanda-bloemen-en-marja-wiebes-viktor-vavitsj-gebeuren-dit-soort-dingen-op-de-hele-wereld-is-dit-zoals-het-gaat.html

Er is een nieuwe Russische Roman verschenen. Boris Zjitkovs Viktor Vavitsj verhaalt over de Russische Revolutie van 1905. Op een niet eerder vertoonde wijze maakt deze roman van de bezetenen de chaos invoelbaar.

Er is de Russische geschiedenis. En er is de Russische geschiedenis zoals verteld in romans – denk maar aan Tolstojs Oorlog en vrede en Vasili Grossmans Leven en lot. En dan is er ook nog de geschiedenis van de Russische boeken in de twintigste eeuw. Bij deze laatste moet worden begonnen, want binnen die geschiedenis is het verhaal over de roman Viktor Vavitsj opmerkelijk. Zjitkov voltooit hem in 1934, maar pas in 1941, met Operatie Barbarossa onderweg, wordt het boek ook daadwerkelijk gedrukt. Dit gebeurt echter zonder toestemming van de sociaal-realistische keurmeesters. Inderdaad voldoet de roman niet – gelukkig maar –aan de morele helderheid die de sociaal-realisten eisten. Zodoende krijgt de publicatie geen doorgang en worden alle gedrukte exemplaren vernietigd.

Vaders en zonen
Natuurlijk niet alle exemplaren. In 1999 blijkt dat een medewerker van de uitgeverij een aantal exemplaren achterover heeft gedrukt. Met als natuurlijk gevolg dat Viktor Vavitsj eindelijk wordt uitgegeven. En nu is er de mooi bezorgde Nederlandse vertaling. De titelfiguur Viktor Vavitsj is een arbeiderszoon die in de hoedanigheid van wijkinspecteur het bewind van Tsaar Nicolaas de Tweede moet beschermen. Hij is een antiheld, maar dan wel een van zeer onsympathieke snit.

Tegenover Viktor staan de studenten en jonge arbeiders die de revolutie maken. En de ouders kijken toe en proberen vooral te begrijpen: het is het eeuwige thema van Toergenjevs Vaders en zonen, maar dan enkele decennia later. De meeste andere hoofdpersonen zijn in meer of mindere mate betrokken bij revolutionaire activiteiten. Allen zoeken de beste manier van omgang met zowel de revolutie als het zich ook gewoon aandienende persoonlijke leven.

Deze beproefde structuur van meerdere ik-figuren is natuurlijk zeer geschikt voor een maatschappijverbeeldende roman. Ze toont de combinatie van individuele acties, die via een wonderlijk en per definitie onduidelijk samenspel de richting van de samenleving bepaalt. Bovendien laat de structuur de miscommunicatie zien. Die treedt veelvuldig op, zoals ook Andrej Stepanovitsj betreurt die, werkelijk met alle reden, op pagina 500 verzucht tegen zijn vrouw Anna Grigorjevna: ‘Zeg nou eens iets wat begrijpelijk is…’ Zij reageert: ‘Weg jij!’

Milde gekte
Er kan lastig nog langer omheen gedraaid worden: deze roman is fenomenaal goed. Dit komt allereerst doordat Zjitkov heel precies die specifieke, maar milde soort gekte weet te beschrijven, die ook wel doorgaat onder de meer verhullende naam ‘de menselijke conditie’. Heel vergevingsgezind laat hij zien dat mensen allesbehalve rationeel, helder en doelgericht zijn. De mens twijfelt, is altijd een beetje of juist heel erg de weg kwijt en probeert middels de meest ingenieuze kronkels wat helderheid of zelfrechtvaardiging te bewerkstelligen. Of, en dit is wanneer men niet meer twijfelt, de mens raakt bezeten – van absolute verliefdheid, van haat en bloeddorst, of van revolutionair vuur.

Daarnaast geeft de roman een knappe beschrijving van de chaos, de revolutie en de daarop volgende pogrom. Afwisselend ingehouden en dan weer met vaart geschreven, ontstaat er een flakkerend, haast kubistisch beeld. Zjitkov beschrijft de geluiden en indrukken zoals mensen deze ervaren in een overspannen wereld, waarin niemand – personage noch lezer – weet wanneer datgene komt waarvan iedereen weet dat het komt.

Wellicht het allermooiste is de steeds verrassend opduikende poëzie. Deze verschijnt zelfs te midden van de revolutie die, nadat de tsaar een paar kleine hervormingen heeft aangekondigd in het Oktobermanifest, uitmondt in chaos en pogroms. Bijvoorbeeld in het deelverhaal van Viktors zus Taïnka, die verliefd is geworden op de fluitist Izraïl. Zij zoekt hem in een concertgebouw, maar voordat ze bij hem kan komen, dreigt ze in een plots ontstaan tumult geplet te worden:

Als ik naar beneden stort is het afgelopen, dan stort ik in de vlammen, maar daar, aan die andere kant, is Izraïl, en ze dacht dat ze zag hoe hij met zijn handen de lucht steunde, zodat zij niet zou vallen.

Deze zin doet vermoeden dat de van oorsprong kinderboekenschrijver Zjitkov hier het beste van de ene literaire stiel met de andere combineert. Om de vijf à tien bladzijden volgt er zo’n mooi beeld. Nog een, heel romantisch, voorbeeld:

En Sanka zag dat hij in pupillen keek, er was niets meer te horen, en als deuren die geopend waren naar komende eeuwen stonden Tanja’s wijde pupillen voor hem, en voor een ogenblik versteende Sanka. En om hem heen stond alles een moment stil, er waren alleen die pupillen en een geur van tijd en naakte aarde.

Na iedere van zulke verstilde passages herneemt de roman direct het snelle relaas over de uitgebroken chaos.

Na de twijfel
In het eerste deel van dit lijvige boek wordt nog getwijfeld en gezocht naar zekerheid. Naarmate de roman vordert, raken zowel de personages als de hele maatschappij steeds meer bezeten – de ontwikkeling van Viktor, die steeds meer zwelgt in de roes van macht en wodka, is hiervoor exemplarisch. Hoewel ‘bezetenheid’ een negatieve connotatie bezit, is het in de revolutionaire chaos een noodzakelijke zijnstoestand, want alleen de bezetenen kunnen daarin overeind blijven.

Aan het toppunt van de chaos staat de pogrom. Zjitkov, zelf van joodse komaf, heeft in Odessa meerdere pogroms meegemaakt en beschrijft het sterker dan wie ook in de wereldliteratuur: dichterbij een pogrom kom je alleen als je erin zit. Hij verbeeldt de ultieme bezetenheid van de razende en hatende massa’s: ‘Alles, die zijn tot alles in staat, in de grote vreugde vóór de eerste klap.’

De revolutie is verraden, en dapperen proberen de joden waar mogelijk te beschermen. Niet de bevochten betere wereld is bereikt, maar enkel een nieuw inzicht in de slechtheid van het bestaande. Een murw gebeukt personage verzucht: ‘Gebeuren dit soort dingen op de hele wereld? Is dit zoals het gaat?’ Na deze roman vermoedt de lezer inderdaad dat dit is zoals het gaat. Hiermee is overigens niet het einde van de roman verklapt – deze vervolgt ook hierna nog met dezelfde kracht.

 

Roberto Bolaño – De ijsbaan

Roberto Bolaño (vert. Arie van der Wal) – De ijsbaan

Houd moed, verdomme!

Oorspronkelijk verschenen 23-03-2012: http://www.8weekly.nl/artikel/9878/roberto-bolano-vert-arie-van-der-wal-de-ijsbaan-houd-moed-verdomme.html

Fluit een wijsje of houd je adem in: er is weer ‘een nieuwe Bolaño’ verschenen. Al op de eerste pagina van het nu vertaalde De ijsbaan (La pista de hielo, uit 1993) wordt de typische Bolaño-teneur aangekondigd: ‘Zijn stem leek wetteloze streken op te roepen, waar alles mogelijk was.’

Inmiddels zou een introductie van Roberto Bolaño overbodig moeten zijn. Maar ‘is’ en ‘ought’ vallen niet vaak samen, en al helemaal niet in de literaire wereld (volgende vraag is natuurlijk of dit per se betreurenswaardig is). Dus nog eenmaal en in het kort: Bolaño, nu bijna tien jaar geleden overleden aan een leverziekte, is de Chileense auteur van de bijna 1100 pagina’s dichtbedrukte tekst die 2666vormt, een alleszins verbluffend boek. Zij die dit werk aandurfden erkenden onmiddellijk Bolaño’s genie, waarna de lopende band van vertalingen werd aangeslingerd.

Een moord
Het karakteriseren van Bolaño’s genie bezorgt hoofdbrekens, maar in ieder geval is ook De ijsbaan hier weer een intrigerend voorbeeld van. Het zal onvermijdelijk zijn dat deze titel, zo net na het luwen van de Elfstedentochthysterie, oer-Hollandse associaties oproept met erwtensoep, glühwein en dergelijke. Maar geen zorgen, want evenals Bolaño’s andere romans is De ijsbaan het absolute tegendeel van glühwein.

In De ijsbaan wisselen drie vertellers elkaar in korte hoofdstukken af. De lezer valt hier middenin, zonder dat wordt verklaard waarom zij zeggen wat ze zeggen. Wel direct duidelijk is dat er een moord is gepleegd. Aanvankelijk wordt hiervan niets opgehelderd, slachtoffer noch dader noch plaats van delict.

Eén van de drie vertellers is Remo Morán, die zo af en toe een aan lager wal geraakte dichtersvriend een baantje bezorgt op zijn camping. Bijvoorbeeld aan Gaspar Heredia, Gasparín ‘voor willekeurige vrienden en vijanden’ – de tweede verteller. Het is Gasparíns stem die ‘de wetteloze streken’ uit de aanhef oproept. Morán benadrukt dit wanneer hij over hem schrijft dat:

[Hij] de indruk wekte de wereld de rug te hebben toegekeerd, verborgen te houden wie hij was, hoe hij in het leven stond en hoeveel moed er nodig was geweest om door te blijven lopen (nee, door te blijven rennen!) naar de duisternis, naar het hoogste punt…

De kunstschaatsster en de ambtenaar
Ten derde is er de fysiek onaantrekkelijke, qua karakter saaie maar hooggeplaatste ambtenaar Enric Rosquelles. Zijn verhaallijn wordt verlevendigd doordat hij verliefd wordt op de kunstschaatsster Nuria Marti. Zij bezit schoonheid en talent, maar wordt tegengewerkt door de Spaanse kunstschaatsbond. Dus wat doet Rosquelles? Hij bouwt haar een ijsbaan. Dat doet hij met gemeenschapsgeld en dus in het geheim, in het leegstaande, labyrintische Palacio Benvingut.

Rosquelles’ verhaallijn is het meest onambigu en vormt het houvast voor de lezer. Wanneer de andere twee verhaallijnen zich richting de ijsbaan bewegen, beginnen de panelen te schuiven, en valt het verhaal alleen nog intuïtief te duiden. Menselijke verlangens, schimmig dan wel domweg onbeantwoord, vermengen zich met inkijkjes in andere dimensies, diabolisch aandoende werelden. Het is als Twin Peaks op papier, maar dan vergezeld van Bolaño’s terloopse scherpe observaties en een Latijns-Amerikaanse sfeer.

Hoop en nihilisme
Wanneer ook Gasparín verliefd wordt en bovendien het Palacio Benvingut betreedt, nadert het moment suprême. Het is Bolaño eigen dat alles toch anders verloopt dan verwacht. Een ander raadsel is waarom er op de muur van de leeszaal van het Paleis geen protserige of elegante Latijnse spreuk geschreven staat, maar het Argentijnse ‘Coraje Canejo!’ (‘Houd moed, verdomme!’).

Hoewel, misschien is het wel de meest belangwekkende tekst denkbaar. De paradoxale combinatie van onverschilligheid tegenover de afgrond, nihilistische kracht én een flinter hoop, past zowel bij de sfeer van deze roman als bij al Bolaño’s werk. Het maakt ook De ijsbaan een bijzonder werk, een boek om in te verdwijnen.

Hernán Rivera Letelier – De christus van Elqui

Hernán Rivera Letelier – De christus van Elqui

Krankzinnigen en heiligen

Oorspronkelijk verschenen 09-04-2012: http://www.literairnederland.nl/2012/04/09/krankzinnigen-en-heiligen/

Hij heeft een missie, de christus van Elqui. Hij predikt, geneest zieken en hij, zo gaat althans het gerucht, wekt doden tot leven. Daarbij is hij naarstig op zoek naar zijn eigen Maria Magdalena.

De oorspronkelijke titel van het nu vertaalde De christus van Elqui is, bij de speciale gratie van het Spaans, oneindig veel mooier: El arte de la resurrección. De Chileen Hernán Rivera Letelier (1950) won met het boek in 2010 de Premio Alfaguara, een grote prijs in de Spaanstalige letterenwereld. Het verhaal van deze gereïncarneerde, ‘wederopgestane’ christus speelt zich af op ‘het terrein van de duivel’, rond de mijnen en dorpen in de Atacamawoestijn. Het is de plek waar Letelier zelf groot is geworden. In de mijnen werkte Letelier van jongs af aan en in de woestijn predikte zijn vader.

Maar de titelfiguur in Leteliers roman ontleent zijn naam en karakter niet aan zijn vader, maar aan een prediker die decennia geleden rondtrok in de woestijn. Het is zijn verhaal dat door Letelier als uitgangspunt wordt genomen. De echte naam van de christus van Elqui luidt Domingo Zárate Vega. Een aantal jaren woonde hij als kluizenaar in het Elqui-dal, waar hij goddelijke visioenen kreeg en begon te geloven dat hij een reïncarnatie van Christus was. En zoals het een christus betaamd – en bovendien heeft hij het zijn overleden moeder beloofd – reist hij rond om goede werken uit te voeren.

Dat gaat niet altijd even gemakkelijk. Al in de eerste scène ondergaat hij een beproeving: door een groep mijnwerkers wordt hij gevraagd om te proberen hun tijdens een flinke zuipsessie plots voor dood neergevallen kameraad, Lazarus geheten, weer tot leven te wekken. De christus van Elqui waagt een poging, en tijdens zijn geprevel en gemurmel begint Lazarus inderdaad tekenen van leven te vertonen. Maar het blijkt geen ware resurrectie, enkel de bekroning van de grap die Lazarus en zijn kameraden met de christus van Elqui uithalen.

Zo’n grap is problematisch, want ook deze christus weet ‘dat je om prediker te zijn niet alleen moet geloven, maar ook geloofwaardig moet zijn.’ Op andere momenten wordt er wel met ontzag naar zijn preken geluisterd. Bovendien schijnt de christus van Elqui inderdaad wonderen te hebben verricht, al blijft het bewijs hiervoor apocrief. Het is vooral de gelovigheid van de mijnwerkers die te wensen overlaat. Zo krijgt hij op zijn pleidooi voor een matige alcoholconsumptie de bulderende reactie: ‘Beter een kutwijn dan wijwater, maat!’

Desondanks is deze christus zelf allerminst een ontzagwekkende heilige. Zijn profetieën zijn doorspekt met pseudo-intelligente en maar halfgrappige clichés. Een voorbeeld: ‘Hij die over gebaande wegen gaat, laat geen sporen achter’. Om het zo maar te zeggen: zijn preken zijn meer hemeltergend dan hemelwijzend. En tegenover de vrouwen is hij vooral een smeerlap, een ‘wellustige sater’, die – zo geeft hij zelf ook toe – het als deel van zijn heilige missie ziet een eigen Maria Magdalena te vinden, een vrouwelijke apostel die hem volgt ‘met hart en ziel’.

En hij komt haar op het spoor, namelijk Magalena (wiens vader ruzie had met de man van het geboorteregister, die daarop de ‘D’ wegliet). In het mijnwerkerskamp La Providencia, oftewel De Luis, heeft zij haar ‘gaarkeuken van de liefde’ opgezet. In de hoek van haar slaapkamertje staat een bijna manshoog Mariabeeld; waarvan ze, als zij haar ‘kerkgangers’ ontvangt, nog wel het gelaat met een fluwelen lapje bedekt.

In De Luis voltrekt zich het voornaamste gedeelte van dit met bijbelverwijzingen doorspekte verhaal. Het meest intrigerende verhaalonderdeel is dat rond Don Anónimo, ‘De gek met de bezem’, die iedere dag de woestijn gaat vegen. Hij schijnt ooit meegereisd te zijn met een trein vol krankzinnigen. Evenals de meeste krankzinnigen en heiligen – waartussen de grens, niet onverwacht, permeabel is – draagt Don Anónimo een weerzinwekkend geheim met zich mee.

Magalena verkrijgt in de perceptie van de lezer daadwerkelijk iets heiligs wanneer ze deze arme man liefdevol opneemt. Ook de christus van Elqui woont een korte tijd bij hen, wat de mooiste stukken oplevert in deze meestentijds toch tegenvallende roman. Mede als gevolg van teveel flauwe grappen en verwijzingen lukt het de lezer maar niet zijn of haar houding tegenover ofwel de heilige prostituee Magalena ofwel de christus van Elqui te bepalen. Alsof Letelier ons wil laten herinneren dat we het beoordelen van een christus altijd al moeilijk vonden.

Rond ieder Latijns-Amerikaans verhaal, zeker wanneer het zich afspeelt in een zinderende woestijn, zweemt het modieuze predikaat ‘magisch-realisme’. Zo ook op deze boekcover. De vreemde trekken van De Luis zijn allerminst onrealistisch en zeker niet vergelijkbaar met bijvoorbeeld Marquez’ magische Macondo. De christus van Elqui bezit evenmin magische kwaliteiten. Hij zou het graag anders zien, maar wanneer hij probeert te vliegen resulteert dat toch gewoon in een smak op de grond. Wat sommige mensen er niet van weerhoudt te beweren dat de prediker ‘echt een paar meter had gevlogen terwijl hij als een aangeschoten vogel wild met zijn armen fladderde.’

Omwille van het onderwerp is Leteliers roman wellicht beter te vergelijken met dat andere recente Latijns-Amerikaanse hoogtepunt, De oorlog van het einde van de wereld van Vargas Llosa, zelf evenmin een echte magisch realist. Maar De christus van Elqui bevat de scherts die Vargas Llosa’s apocalyptische meesterwerk niet bezit. Het is ook als gevolg van diezelfde scherts dat het boek uit balans raakt. Na de twintigste halfgrappige, vaak naar seksuele uitspattingen verwijzende beschrijving is het wel genoeg geweest.

Bovendien werkt de combinatie tussen bevreemding – die haast noodzakelijk optreedt door de extreme locatie, de beknopte verhaallijnen van de krankzinnigen en door de aanwezigheid van de profeet – en de satire niet goed. De eigenaardigheden van de profeet zijn eventjes leuk, maar deze moeten niet de overhand nemen. Onwillekeurig rijst het verlangen om meegezogen te worden in ofwel de zengende realiteit van de woestijn ofwel in haar luchtspiegelingen. En dat gebeurt niet.

 

 

Huis van de Poëzie 2012

reportage: Huis van de Poëzie 2012

Dolen in schoonheid

Oorspronkelijk verschenen 29-01-2012: http://www.8weekly.nl/artikel/9755/huis-van-de-poezie-2012-dolen-in-schoonheid.html

Het Huis van de Poëzie is een terugkerend succesfenomeen. De versie van 2012 was inmiddels de zesde op rij, als altijd georganiseerd op een bijzondere Utrechtse locatie. Ditmaal worden de dichters ontvangen in het Centraal Museum, waar hun poëzie zich kan mengen met het fameuze Vikingschip en de door oude en nieuwe Hollandse meesters geschilderde taferelen.

Als ieder jaar vindt het Huis van de Poëzie plaats in de laatste week van januari, rondom Gedichtendag en de uitreiking van de VSB Poëzieprijs – zouden de organisatoren ooit de ironie hebben begrepen van het feit dat zij poëzie over het voetlicht willen brengen in de week dat ook Auschwitz wordt herdacht (op de datum dat het in 1945 bevrijd werd, de 27e)? Of is het zo bedoeld, als om te onderstrepen dat T.W. Adorno’s hamerende regel ‘Na Auschwitz is geen poëzie meer mogelijk’ al te vaak verkeerd wordt begrepen? Want, natuurlijk, poëzie is noodzakelijk. En nergens is meer poëzie te vinden dan hier, in het ontvangende Huis van de Poëzie.

Live-poëziebloemlezing
Wederom is een hele trits beroemde dichters te gast, van Rutger Kopland tot de recente P.C. Hooft-prijswinnaar Tonnus Oosterhoff. Maar eveneens als gewoonlijk is het een crime om hen te vinden, althans, om de dichter te vinden naar wie je op zoek bent. De dichters zijn verspreid over pakweg vijftien zaaltjes (soms zalen), en vormen zo samen, zoals het motto van dit Huis van de Poëzie het verwoordt, ‘de enige live-poëziebloemlezing waar je zelf doorheen kunt lopen’.

Passender dan ‘lopen’ zou ‘dolen’ zijn geweest. Want dat is wat menig bezoeker doet: je dwaalt, vraag wat rond, knikt ‘a-ja!’ en twintig seconden toch weer ‘o-nee!’, om vervolgens zowel nog meer verontrust als toch ook gesterkt te worden door de eveneens zoekende blikken van anderen. Want vanavond is de doler niet alleen. Toch kom je dan opeens in een zaal terecht waar alle andere mensen – het Huis was weer goedbezocht – én een dichter zich blijken op te houden.

Het zichtbare
Te midden van de verrassende, maar gepaste museale stilte treedt dan bijvoorbeeld Judith Herzberg op. Of Rutger Kopland, die in de Kapel van het Centraal Museum grote indruk maakt met zijn ‘Aan het grensland’-gedichten, waarvan het derde deel – lees ook de eerste twee! – luidt:

Je kijkt over het land en je noemt het
het grensland maar dit land heeft geen naam

je denkt dat het land daar voor jou bedoeld is
maar je weet het is voor niemand bedoeld

je wilt dat dit land er altijd al was
er altijd zal zijn maar er is geen altijd

je weet het toeval heeft je gemaakt en breekt je
ergens weer af waar en wanneer in dit land

je leest: dit uitzicht is het geval
en: het geheim van de wereld is het zichtbare

niet het onzichtbare

Een heel andere stijl – natuurlijk – is die van Ester Naomi Perquin, die in de gedichten van haar binnenkort te verschijnen bundel Celinspecties haar ervaringen als gevangenisbewaarder heeft verwerkt. Wim Brands op zijn beurt dicht in ‘Ruimtevaart’ over zijn grootvader, die de maanlanding betwist maar wel gelooft in de engel die hij ooit heeft zien verschijnen:

Mijn ongeloof beantwoordde hij
met schouderophalen en zei
dat ik te jong was
om het verschil te begrijpen tussen
vruchteloos opstijgen en
noodgedwongen/ afdalen.

Oude grootheden en jong talent
Naast alle optredens van hedendaagse Nederlandse dichters wordt ook wat aandacht besteed aan de poëzie van de oude meester W.F. Hermans – wiens gedichten net in een verzameld werk zijn uitgebracht – en de als dichter onbekende Franz Kafka. De poëzie van deze laatste wordt, heel toepasselijk, in de bibliotheek voorgedragen en bovendien voorzien van commentaar door de stichting voor literair erfgoed Salon Saffier.

Naast hedendaags en dood talent zwermt er ook jong talent door het Huis. Zo dragen in de International Room jonge buitenlandse dichters voor. En er lijkt een nieuwe eenentwintigste-eeuwse troubadour te groeien in de persoon van Kapabel, die verhalen, of parabels zo je wilt, vertelt in een originele hiphopstijl, soms begeleid door muziek. In deze intieme setting levert vooral zijn bijzondere ritmegebruik krachtig effect op.

Silent Poetry
De programmering is dus sterk afwisselend. Het valt verder op dat er relatief veel jongeren aanwezig zijn en sowieso dat het gewoon weer heel druk is. Terwijl – enkele uitzonderingen daargelaten – poëziebundels maar niet schijnen te verkopen, is de podiumpoëzie blijkbaar heel populair.

En dan ook nog in dit museum. Nu heeft een museum ’s nachts al iets schitterends – poëzie noch kunst hoort immers in het volle daglicht. Helemaal bijzonder – en een beetje verwarrend – wordt het in het ‘silent poetry’-gedeelte. Onder anderenMenno Wigman draagt gedichten voor die hij losjes relateert aan de schilderijen van Abraham Bloemaert die overal om dichter en publiek heen hangen (de tentoonstelling ‘Het Bloemaert-effect’ lijkt overigens zeer de moeite waard). Zeer passend is zijn ‘Glazenwasser ziet schilderijen’, waarvan hier het tweede gedeelte:

Op acht hoog kunst. Dat meisje daar, die lach,
wie heeft haar zo bespied dat ze immuun

voor complimenten mijn gezicht in kijkt?
En wanneer breekt die sperwer uit zijn lijst?

Ik hang hier als een ijskoud schilderij
waar niemand oog voor heeft, ik poets en zwoeg

en maak het uitzicht vrij – schilder er maand
na maand onvervalste wolken bij.

Kijk. Daar kruipt al zonlicht in mijn lijst.

De luisteraar bedenkt een hele trits bruikbare metaforen, die nieuw (‘zon’)licht werpen op de schilderijen om hem heen, alsook op de poëzie, vooral wanneer het gedicht al bekend was. En uiteindelijk is dat natuurlijk het poëtische doel, waarin betekenissen vloeien en bekende schoonheid verandert en nieuwe schoonheid ontdekt wordt. Het thema van deze Gedichtendag is dan ook ‘Stroom’.

Na alle gehoorde pracht gaan de luisteraars richting drank. Sommigen mijmeren nog wat, en overwegen misschien de mogelijkheid zich te laten insluiten voor de nacht. Misschien heeft iemand dat wel gedaan, en heeft hij of zij nog een aantal uren rondgedoold, omhuld door de poëtische nagalm en de vernieuwde schoonheid van de schilderijen.

Roberto Bolaño (vert. Arie van der Wal) – Moordende hoeren

Optocht van de lachende en lijdende mensheid

Oorspronkelijk verschenen 11-11-2011: http://www.8weekly.nl/artikel/9547/roberto-bolano-vert-arie-van-der-wal-moordende-hoeren-optocht-van-de-lachende-en-lijdende-mensheid.html

Wederom een nieuwe Bolaño-vertaling, de schrijver rond wie sinds zijn dood in 2003 een gigantische mythevorming en een literaire hausse bestaat. De verhalenbundel Moordende hoeren bevestigt zijn meesterschap. De suggestie: dat de wereld verdoemd is – en dat er toch nog hoop is.

John Banville schreef vermoedelijk de mooiste, meest toepasselijke zin over Bolaño’s werk denkbaar: ‘One imagines a man strolling into the Valley of Death with his hands in his pockets, whistling.’ In de kolossus 2666 gaat dit letterlijk op – met natuurlijk Ciudad Juárez als ‘the Valley of Death’ –, terwijl in Moordende hoeren de dood een minder letterlijke, maar niet minder krachtige aanwezigheid op de achtergrond is.

Verdoemde werelden
De verdoemde wereld waarin Bolaño’s verhalen zich afspelen is de Chileense, of breder gezegd de Latijns-Amerikaanse wereld van de afgelopen veertig jaar. Dit is de droomloze Latijns-Amerikaanse wereld na de moord op Salvador Allende en de martelingen van Pinochet, Videla en collega’s. In de woorden van een typisch Bolaño-karakter:

Ik denk aan de dichters die zijn gestorven op de pijnbank, aan aids, aan een overdosis, aan allen die net als ik geloofden in het Latijns-Amerikaanse paradijs en stierven in de Latijns-Amerikaanse hel.

De werelden van Bolaño zijn droomloos, maar opmerkelijk genoeg zijn de personages uit zijn verhalen – onder wie ook hier weer de vaker bij Bolaño voorkomende Arturo Belano – dat nooit helemaal. Allemaal proberen ze door te gaan, vaak gedreven door een vast geloof in de kracht van literatuur.

Maar ze hangt niet op
Neem het verhaal ‘Vagebond in Frankrijk en België’ waarin B met tegenzin naar een natuurwetenschappelijk museum wordt gesleurd. Hij dwaalt door de zalen, komt terecht in een zaal waarin machines staan die ‘golven in materialen kunnen aanbrengen’. En plotseling dwingen plotselinge pijnscheuten in zijn borst hem neer te hurken:

B doet zijn ogen dicht maar kan nog steeds de silhouetten van de machines zien, even hardnekkig als de pijn in zijn borst, machines die misschien geen machines zijn maar onbegrijpelijke sculpturen, de optocht van de lijdende en lachende mensheid naar het niets.

De troosteloosheid en apocalyptische doem van het beeld is immens: door fysieke en geestelijke pijnen gekweld beseft B hoe de mens zich door eigen toedoen onvermijdelijk richting afgrond begeeft. Maar na de laatste geciteerde zin is er ogenschijnlijk niets meer aan de hand. Het verhaal ‘golft’ nog wat op en neer tussen afgrond en kalmte, waarna B een meisje – dat hij leuk vindt, natuurlijk – terugbelt. De laatste zinnen van zowel de stroef lopende conversatie als van het verhaal:

Dat had ik niet moeten zeggen. En hij denkt: M gaat ophangen. Hij klemt zijn tanden op elkaar, onwillekeurig vertrekt zijn gezicht in een grimas. Maar M hangt niet op.

Rauwheid
Sommige verhalen zijn heel filmisch, anderen juist heel rauw of bevreemdend op een andere manier. Zoals het verhaal over een eigenlijk heel sympathieke necrofiel (die in gesprek raakt met de geest van het lijk waarop hij net is klaargekomen).

In het titelverhaal wordt beschreven hoe een vrouw een man op tv ziet, gefascineerd raakt en naar hem op zoek gaat. Uiteindelijk vindt ze hem, neemt ze hem mee naar huis en tijdens de daaropvolgende seks profeteert zij haar moord op hem. Maar hij weet haar woorden niet van haar gekreun te onderscheiden en vlucht niet – waarna deze ‘harteloze prinses’ hem vastbindt en haar profetie nogmaals, en nu duidelijker, uitspreekt en zijn lot voltrekt.

Dit soort profetieën zijn in alle verhalen in Moordende hoeren te vinden, letterlijk zoals hier of anders wel door de lezer vermoed. Steeds houd je rekening met daden resulterend in de ‘tol van pijn of vervreemding die we uiteindelijk zouden betreuren’. In twee of drie verhalen lijkt Bolaño met zijn suggestieve, simpele taal helaas in trucjes te vervallen. Deze vormen slappe aftreksels van waartoe hij in staat is. Des te meer jammer, omdat ze wat afbreuk dreigen te doen aan de andere tien verhalen. Want die zijn allemaal verontrustend goed.

Wilhelm Genazino – Geluk als het geluk ver te zoeken is

Wilhelm Genazino (vert. Gerrit Bussink) – Geluk als het geluk ver te zoeken is

Een van de kinderen

Oorspronkelijk verschenen 22-06-2011: http://www.8weekly.nl/artikel/9264/wilhelm-genazino-vert-gerrit-bussink-geluk-als-het-geluk-ver-te-zoeken-is-een-van-de-kinderen.html

Voor veel filosofie- en letterenstudenten het grote angstbeeld: netjes afgestudeerd, om dan toch te verzanden in een geesteloos baantje. Dit is al werkelijkheid voor Gerhard Warlich, de hoofdpersoon van Wilhelm Genazino’s voortreffelijke Geluk als het geluk ver te zoeken is.

De 41-jarige Warlich, doctor in de filosofie, heeft zich binnen de wasserij opgewerkt van wasbezorger tot manager. Het is een veilig maar lullig baantje, zo dient hij medewerkers te bespioneren om te zien of zij geen ‘ongeoorloofde pauzes’ nemen. Met dit bestaan tracht Warlich zich te verzoenen, maar op steeds talrijkere momenten wordt hij overvallen door het gevoel van de leegte, van een ‘metafysische verbijstering’. Dit neemt toe nadat zijn vriendin Traudel heeft aangekondigd een kind te willen.

Een levensleugen
In een recent interview (NRC, 9 juni 2011) zei Alain de Botton over de menselijke conditie: ‘We zijn als kinderen, we proberen maar wat.’ Wat Genazino met zijn hoofdpersoon beschrijft, is precies zo’n eenentwintigste-eeuws, hulpe- en richtingloos naar betekenis zoekend kind. Warlich heeft zich lang op de been gehouden met een eigen levensleugen, zijn stiekem gekoesterde geloof in zijn eigen superioriteit en een komende navenante beloning:

Van kindsbeen af, zei ik, lijd ik aan de dwangvoorstelling verschoond te zijn door mijn kennis, en mijn ongeluk blijkt juist uit het feit dat ik ook dat nog meen te weten. (…) Ik ben tientallen jaren voorbereid geweest op een beter leven (…) maar dat is nooit aangebroken.

De lezer wordt opgezogen in het verhaal en gaat onvermijdelijk sympathiseren met de hoofdpersoon. Dit gaat des te beter omdat het boek, zoals ook al uit de titel blijkt, geen gitzwarte strekking heeft. Het herbergt treffende en glimlachoproepende passages. Zo laat Warlich, tot ergernis van zijn vriendin Traudel, een broek eindeloos buiten op het balkon hangen, puur om de uitwerking van de natuurkracht daarop te kunnen aanschouwen.

Of neem het moment waarop Warlich dreigt weg te zakken in zijn destructieve stemming, maar door het aanschouwen en uitvoeren van een simpele evolutionaire waarheid weer opkrabbelt: ‘De jongen geeft me met een paar blikken een bevel: Koop ook iets te eten en zet je lichaam weer in elkaar.’ (Waarop Warlich dus maar een sesambroodje gaat kopen).

School voor Kalmering
Warlich speelt met het idee een ‘School voor Kalmering’ op te richten. Daarin wil hij lezingen gaan geven, ‘over geluk in een tijd dat het geluk ver te zoeken is’. Analoog aan de wijze waarop hij zelf dit geluk zoekt, namelijk ‘in het heimelijke’. Zoals zijn blik het etende jongetje vond: ‘Dat houdt in dat ik snel en lenig en behoeftig om me heen kijk tot ik ergens iets zie waaraan mijn behoefte zich kan vastklampen.’

Geluk als het geluk ver te zoeken is is een verhaal over de alledaagsheid. Of beter, want zo ervaart Warlich dat, een verhaal over de dagelijkse – al te menselijke – banaliteit. Maar in dat verhaal heeft Genazino talloze poëtische en al te ware zinnen vervlecht, die de mogelijk verstikkende werking van de alledaagsheid tegengaan. Wanneer de schrik de lezer om het hart slaat – ‘ik zal toch ook niet in zo’n leven verzanden’ –, gaat van deze zinnen een louterende, ja kalmerende werking uit. En wat overblijft is de hoop ‘dat het ook mogelijk is terug te schrikken voor de wurggrepen van de omstandigheden, voor het wijken voor de zelfvertroebeling van de wereld’.

Klassieker: Marguerite Yourcenar – Het hermetisch zwart

Klassieker: Marguerite Yourcenar – Het hermetisch zwart

Hic Zeno

Oorspronkelijk verschenen 12-04-2011: http://www.8weekly.nl/artikel/9105/hic-zeno-klassieker-marguerite-yourcenar-het-hermetisch-zwart.html

Mijn liefde voor Het hermetisch zwart (L’Œuvre au noir, 1968) is in zekere zin atypisch. Op het eerste gezicht vergelijkbare historische romans vind ik (zijnde historicus) vaak goed, dat wel, maar nooit overdonderend. Misschien is de verklaring simpel: schrijfster Yourcenar is hors catégorie. De combinatie van haar elegante stijl – waarin België nog één lijkt, het beste van Wallonië en Vlaanderen vermengd  haar eruditie, verbeeldingskracht en bovenal menselijkheid maakt Het hermetisch zwart uitzonderlijk.

Eerst naar het begin: 1529. Twee getalenteerde neven, opgegroeid in hetzelfde huis, ontmoeten elkaar bij toeval op een Vlaamse doorgangsweg. Beiden willen de wereld bestormen. De een, Henri-Maximilien Ligre, ‘avonturier van de macht’, wil zich aansluiten bij het leger. De ander, Zeno, ‘avonturier van de kennis’ is op weg naar León, om daar bij de prior les te krijgen in de alchemie. Henri-Maximilien verlangt naar heldendom, waarop Zeno antwoordt: ‘Zoek jij je vreugden en je helden maar bij Plutarchus, broeder Henri. Voor mij gaat het erom meer dan een man te zijn.’ Even lopen ze samen op en worden anekdotes opgerakeld. Henri-Maximilien vertelt over een meisje uit het dorp, die heeft gezworen te wachten op Zeno. Deze blijft staan en aarzelt, maar overwint: ‘Een ander wacht me ginds. Ik ga tot hem.’ Tot wie? ‘Hic Zeno,’ zei hij. ‘Ikzelf.’

Hadrianus en Zeno

Marguerite Yourcenar (1903-1987), pseudoniem (en anagram) van Marguerite Cleenewerck de Crayencour, is de eerste vrouw gekozen in de Académie Française, en is evenzo beroemd om haar Herinneringen aan Hadrianus. Zowel dat boek als Het hermetisch zwart is een fictieve, maar in de geschiedenis verankerde psychologische biografie. Aan beide hoofdpersonen, Hadrianus en Zeno, was Yourcenar ten diepste verknocht. Bij het schrijven van zulke werken, zegt ze, gaat het er bovenal om dit in de gaten te houden: ‘[De] drie kronkelige lijnen die elkaar onophoudelijk naderen en weer uiteengaan: wat een mens dacht te zijn, wat hij heeft willen zijn en wat hij werkelijk was.’

Zeno’s zoektocht naar individualiteit en kennis, naar wat het betekent mens te zijn, levert, samen met zijn streven naar iets groots, ook een deelverklaring voor mijn mateloze bewondering: hij is een universeel ‘groot mens’. Deze natuurfilosoof is onvermoeibaar in het afbreken van de conventies  en dat zijn er best wat in de zestiende eeuw  om vervolgens, door niets gehinderd behalve door de uiterste grenzen van de menselijke conditie, te kijken naar de natuur, naar de mens en naar zichzelf. Dat is ook waar de titel op doelt: het ‘hermetisch zwart’ verwijst naar de fase van alchemie waarin alles verkoold raakt, al het bestaande  het oude raakt opgelost, waarna nieuwe mogelijkheden vrijkomen. Als in het alchemistische devies:

Tot het duistere en onbekende gaan
door wat nog duisterder en onbekender is

Het hermetisch zwart wordt door critici altijd bewierookt, maar vaak gaat dit vergezeld van een kanttekening: Zeno lijkt een al te modern mens, een anachronisme. Het is de vraag of dat waar is, want is hij niet juist een personificatie van de zestiende-eeuwse renaissancistische gedachterevolutie? Prettig is dat de lezer, beter dan in andere historische romans, zich kan identificeren met Zeno. En misschien is de kritiek ook wel ongefundeerd omdat Zeno’s karakter tijdloos is. Dit boek en deze hoofdpersoon kunnen net zo goed als spiegel dienen voor een zestiende-eeuwse als voor een eenentwintigste-eeuwse mens.

Zestiende eeuw
Na de aankondiging van Zeno’s zoektocht naar kennis en individualiteit, verplaatst Yourcenar het verhaal naar zijn jeugd en zijn familie. Dit tegen de achtergrond van de zestiende eeuw, waarin de wereld definitief is ontwaakt uit haar middeleeuwse slaap en waarin de met elkaar contrasterende renaissance en reformatie woeden. De geschiedenis van Zeno’s moeder, de ongelukkige Hilzonde, voert de lezer zelfs naar Münster. Daar bestaat kortstondig het ‘Wederdopersrijk’, door Yourcenar bevolkt met dolle Breughelmensjes.

Hilzonde’s kind (Zeno’s halfzus), Martha, overleeft het bloedbad waarin het Wederdopersrijk eindigde. Haar korte, terloops gebrachte verhaal levert een verstilde fase in het boek op. Martha komt terecht in het gezin van de Ligre’s, bij wie ook Zeno groot werd. Met haar nichtje Bénédicte groeit Martha op in een onafscheidelijk samenzijn dat door Yourcenars menselijke, volstrekt onsentimentele benadering hartverwarmend wordt verbeeld. Zo hartverwarmend dat je als lezer begint te vrezen.

En dan komt de pest, die ‘aan het leven van alle mensen een ongehoord element van gelijkheid verschaft’. En ja, Bénédicte wordt ziek en sterft. In een paar pagina’s durende adem beschrijft Yourcenar zowel het prachtige vermogen van de mens tot ware vriendschap, als de blinde krachten die dat vernietigen. Even duikt Zeno, inmiddels een rondtrekkende arts van middelbare leeftijd, aan Bénédicte’s ziekbed op. Maar hij onthult zichzelf niet aan zijn halfzus, want hij is op de vlucht voor de kerk en andere autoriteiten, die hem beschuldigden van het gebruikelijke riedeltje: van ketterij en het opensnijden van lijken tot sodomie. Zeno’s faam, of beruchtheid, is dan ook groot en wijdverbreid; des te meer reden hij heeft om op te passen. Hij heeft gewerkt voor Zweedse koningen en Arabische sultans, en heeft verschillende boeken getuigend van vrijdenkerij geschreven. De op gang gekomen geruchtenstroom onder het volk mythologiseert zijn daden tot nog grotere proporties.

Twijfel
Dan, inmiddels over de vijftig, is hij het zwerven beu en besluit hij zich, onder een schuilnaam, als arts te vestigen in Brugge. Het is pas op dat moment, tegen de helft van het boek, dat je als lezer Zeno werkelijk mag leren kennen, dat Yourcenar je toelaat tot zijn overpeinzingen. Deze man blijkt ook een mens. Soms verwondert hij zich zelf over de kracht die hij opbrengt om te blijven twijfelen, misschien verklaard door ‘een eeuwige orde of een bizarre neiging van de materie om zichzelf te overtreffen’. Zijn al die eenzame, opgesloten uren en de constante waakzaamheid voor de autoriteiten het wel waard? Na jaren in Brugge te hebben doorgebracht waagt hij zich buiten de stadsgrenzen en ervaart hij de natuur weer, en het gemak waarmee bestaansvreugde kan worden verworven:

Hij had bijna het gevoel te hebben gespot met de oneindige mogelijkheden van het bestaan door zo lang de wijd geopende wereld te versmaden (…) De verandering was een wedergeboorte en bijna een metempsychose [zielsverhuizing]. De afwisselende beweging van de benen was genoeg om de geest tevreden te stellen.

Maar de filosoof Zeno is nu eenmaal gehecht aan zijn rationeel tot stand gebrachte ontdekkingen, aan de wondere wetten achter de natuur en de sterren. En af en toe is er de beloning, echter nooit een perfecte:

Af en toe beefde men van spanning zoals aan het begin van een transmutatie: een klein beetje goud leek te ontstaan in de smeltkroes van het menselijk brein; het kwam echter niet verder dan tot een equivalent.

Maar Zeno is niet alleen natuurfilosoof, af en toe is hij ook ‘in’ het leven. Hij kent een paar ware vriendschappen en een paar ware liefdes, en verwondert zich over de gevoelens waartoe een mens in staat is. Ook Yourcenars taal straalt deze rustige verwondering uit. Zij beschrijft de mens en zijn conditie eerlijk, vol mildheid maar nooit verexcuserend. Waarnemingen zoals deze over een vrouw, nadat eerst in een halve pagina haar donkere overpeinzing over haar overleden man is beschreven, geven een simpel voorbeeld van de elegante treffendheid: ‘Het beeld van de dode ging terug in de schatkamer van de herinneringen (…) zij hervond de plaats aan tafel die zij geen ogenblik had verlaten’.

Prognosticons
De storm van de tijd heeft in 1569 ook Brugge bereikt. De opstand in de Nederlanden tegen de Spaanse Philips de Tweede is begonnen, en de Spanjaarden vervolgen de ketters waar ze maar kunnen. Indirect wordt Zeno hiervan slachtoffer; hij wordt ‘ontmaskerd’ en in het gevang gezet. Zijn faam levert hem een zorgvuldig en voor de rechters prestigieus proces op, reden waarom veel van zijn werken en daden worden doorgelicht. Het meest tot de verbeelding spreekt zijn Prognosticons van de dingen der toekomst, waarin Zeno een verzameling stellingen presenteert van Epicurus tot Copernicus, vergezeld van hun (vaak kerkelijke) veroordelingen. Zeno’s oordeel over deze ‘balans van de menselijke opinie’ is snoeihard: de mensen tolereren geen afwijkende opvattingen omdat ze ‘de belangrijkheid van de mens aan het wankelen brachten’ – in gevaar is het comfortabele idee van de mens in het centrum van het Al.

De reactie van de zestiende-eeuwse mens zal niet veel anders zijn dan die van de eenentwintigste-eeuwer. Zeno heeft het gehad met de domme mens die hem zo graag wil zien branden. Zijn inzicht in de menselijke aard weerhoudt hem er niet van hard te oordelen:

De onverschilligheid van de wijze voor wie elk land een vaderland is en elke godsdienst een cultus die men op zijn eigen manier kan waarderen, ergerde deze horde van gevangenen al evenzeer; als deze filosofische renegaat, die bovendien geen enkele van zijn ware overtuigingen afzwoer, voor hen allen een zondebok was, dan was dat omdat elk van hen wel eens heimelijk of zelfs onbewust had gewenst uit de kring te breken waarin hij tot zijn dood toe opgesloten zat. De rebel die tegen zijn vorst opstond verwekte bij de volgzame burgers dezelfde afgunstige woede: zijn Nee was een uitdaging aan hun onveranderlijke Ja.

Alchemie
De taal van Het hermetisch zwart bevat een mengsel van Breughels gekke en dommige mensjes, Stendhals psychologie en menselijke dromen en Poussins elegantie. En daarbovenuit rijst Yourcenars milde acceptatie van de mens en bovenal haar (en ook mijn) eigen held Zeno, deze tijdloze, zoekende mens. De zoektocht naar individualiteit wordt onder andere gevangen door de in het boek telkens terugkerende metafoor van het alchemistisch proces: individualiteit en zelfkennis als heilige graal. Natuurlijk is individualiteit tegenwoordig ook het streven, hoewel vaak gepresenteerd en nageleefd in perverse vormen. Zeno combineert dit streven met een verwondering over de menselijke conditie en een aanklacht tegen de heersende conventies.

Eén keer komt Zeno Henri-Maximilien nog tegen, beiden ouder en wijzer, maar intrinsiek nog hetzelfde. Henri-Maximilien, content met zijn eigen tijd, is gelukkig, en zal ook zo sterven. En Zeno, die ondergaat misschien wel het mooiste stervensproces in de wereldliteratuur, waarbij de lezer bij hem blijft totdat het niet meer kan, bevestigend wat de lezer op dat moment al lang weet: hij is meer dan een man.

 

Jevgeni Zamjatin – Wij

Jevgeni Zamjatin (vert. Dick Peet) – Wij

Majestueus unisono

Oorspronkelijk verschenen 07-03-2011: http://www.8weekly.nl/artikel/9021/jevgeni-zamjatin-vert-dick-peet-wij-majestueus-unisono.html

Een fundamenteel idee van de collectieve ideologie is dat de lastige twijfels inherent aan de menselijke conditie kunnen worden overkomen: de mens moet verworden tot een gelukkige machine. Twintigste-eeuwse romans hebben verschillende kanten van deze dystopische ellende beschreven. Aan het begin van deze romantraditie staat Jevgeni Zamjatins absoluut visionaire Wij. Oorspronkelijk uit 1924, is er nu een heruitgave verschenen.

D-503, wiskundige en bouwmeester van het ruimteschip ‘de Integraal’, houdt rond het jaar 3000 een dagboek bij waarin hij de rationele en collectieve fundamenten van de ‘Vereende Staat’ uiteenzet. Al snel wordt de connectie met de ‘wereld van de Ouden’ duidelijk: er is een Tweehonderdjarige Oorlog geweest, waarbij viervijfde van de mensheid is gestorven. Een van de groepen overlevenden heeft daarna de Vereende Staat opgericht, door middel van ‘de groene muur’ afgescheiden van de natuur in al haar betekenissen: van ‘wilde mensen’, dieren, wolken en vooral van gevoel en individualiteit.

Getayloriseerd geluk
De Vereende Staat tracht, met instemming van bijna iedereen, de mensen te laten leven als onvrije, maar gelukkige machines. Alles is er van glas en in vierkanten vormgegeven. Privacy bestaat niet, enkel in de – op basis van metingen van de individuele lichaamssappen – voorgeschreven seksuele uren mogen de rolgordijnen worden neergelaten. De Staat creëert zo ‘kooien van het ritmische getayloriseerde geluk’. Het historisch bestaande taylorisme is de methode van wetenschappelijk management, waarin letterlijk iedere productiehandeling is gestandaardiseerd om zo efficiënt mogelijk uitgevoerd te kunnen worden. Onder andere de Sovjetcommunisten verheerlijkten de hieruit voortkomende roes, teweeggebracht door collectief gelijkopgaande bewegingen. Alles verloopt in een ‘majestueus unisono’.

Een van de mooiste aspecten van Wij is dat de utopische heilstaat nog niet voltooid is: twijfels, fantasieën en individualiteit kunnen nog de kop opsteken, en de strijd aangaan met het luid gepropageerde idee van rationele helderheid en collectieve roes. Zo zijn er twee vrije ‘persoonlijke uren’ per dag over, waarin ‘het vereende machtige organisme uiteenvalt in aparte cellen’. Bovendien schrijft D-503, al voelt hij zich nog zo ‘vereend’, zijn dagboek vanuit zijn eigen gedachten, wat restjes individualiteit verraadt. Zamjatin, die ook veel satirisch werk heeft geschreven, speelt met de taal. Zo laat hij D-503 tot zijn eigen ergernis ouderwetse woorden met een sentimentele bijklank zeggen. Daarnaast zwerven er vreemde woorden door het boek, die deze onbekende wereld dichterbij brengen.

Een ziel
Het gestaalde, rationeel vormgegeven geluk van modelburger D-503 wordt bedreigd wanneer hij verliefd wordt op I-330. Bij haar ervaart hij zijn herwonnen individualiteit als een zegen; het ‘wij’ is ingeruild voor een ‘ik’ en een ‘zij’. Maar wanneer hij alleen is, zinkt hij weg in diepe twijfels. Zijn alomvattende, harmonieuze ‘vereendheid’ is weggevallen.

Dat D-503 hieronder lijdt wordt ook door de staat opgemerkt. Zie deze satirische passage, een gesprek tussen het hoofdpersonage en een chirurg:

‘Uw zaak staat er slecht voor! Het laat zich aanzien dat er zich een ziel in u gevormd heeft.’
Een ziel? Dat vreemde, klassieke, sinds lang vergeten woord. (…) ‘Dat is… heel gevaarlijk’, stamelde ik. (…) ‘Buitengewoon, búitengewoon interessant! Luistert u eens: zoudt u geen toestemming willen geven… u op sterkwater te zetten?’

Revolutie
Zoals in iedere utopie negeren de machthebbers van de Vereende Staat fundamentele aspecten van de menselijke conditie, leidend tot eendimensionale ellende. Dystopieromans zijn bij uitstek geschikt om de intrinsieke utopische fouten en de werking daarvan binnen het individu bloot te leggen, en Zamjatin begreep dat als eerste. Op originele wijze ridiculiseert hij in het allegorische Wij de op positivistische leest geschoeide Sovjet-utopie. Dit werk verdient meer bekendheid: Zamjatin zou het canonieke rijtje van Orwell, Huxley, Houellebecq etc. moeten aanvoeren.

Ook de Vereende Staat merkt dat het de menselijke conditie nog niet zo gemodelleerd heeft als het had beoogd. Hoewel zij haar burgers altijd heeft voorgehouden dat er geen revoluties meer plaats zullen vinden (wat ook de Sovjetcommunisten propageerden omwille van machtscentralisatie), blijken er kritische burgers actief. En een daarvan is I-330. Op de ‘Dag van Eenstemmigheid’ blijkt het collectief dus toch niet zo eenstemmig, en de Vereende Staat plant zo snel mogelijk de operatie om de fantasie weg te snijden. Dit geeft Zamjatins Wijook nog eens een spannend einde.