Slavoj Žižek – Eerst als tragedie, dan als klucht

Slavoj Žižek (vert. Ineke van der Burg) – Eerst als tragedie, dan als klucht

Na de komedie, de apocalyps

Oorspronkelijk verschenen 25-01-2012: http://www.8weekly.nl/artikel/9735/slavoj-zizek-vert-ineke-van-der-burg-eerst-als-tragedie-dan-als-klucht-na-de-komedie-de-apocalyps.html

Al in 2009 schreef Slavoj Žižek Eerst als tragedie, dan als klucht. Maar het is een boek over crises, en dus nog altijd zeer actueel: op de crisis volgt de komedie. Maar wat komt er daarna?

Žižek is de cultfilosoof bij uitstek, ‘het denkbeest uit Ljubljana’, woest behaard en behept met vele tics (‘and so on, and so on’). Ook is hij een van de inspiratoren van Occupy, een beweging waarover hijzelf, als zovelen, ambigue gevoelens heeft. Want hun protest is zeker prijzenswaardig, maar wat willen ze nu eigenlijk? Toch sprak Žižek op Occupy Wall Street de aanmoedigende en hoopgevende woorden: ‘The taboo is broken, we do not live in the best possible world, we are allowed and obliged even to think about alternatives.’

L’histoire se repète?

Alle stellingen uit het voorgaande citaat worden inEerst als tragedie, dan als klucht door Žižek belicht. Hij ontleent de titel aan een samenspel van Marx en Hegel. De laatste stelde dat als een gebeurtenis zich éénmaal voordoet, deze afgedaan kan worden als toeval. Maar herhaalt de gebeurtenis zich, dan getuigt dat van een diepere historische noodzaak.

Met het ‘kluchtige’ dat Marx aan de herhaling toevoegt, bedoelde hij dat we ons – na de eerste gebeurtenis, ‘de tragedie’ – slechts inbeelden dat we nog geloven in de betreffende ideologie of samenlevingsinrichting. Žižek gaat hiermee aan de haal en zegt dat wij, eenentwintigste-eeuwse cynici, onszelf alleen inbeelden dat we niet meer in de inrichting van onze samenleving geloven. Zoals wel vaker na zo’n zwiepende stelling slaat Žižek de onderbouwing over om snel toe te schrijven naar een volgende prikkelende these.

Postmodern kapitalisme
Nu ziet Žižek in 9/11 en de dotcom-bubble de tragedie van onze tijd, en in de kredietcrisis de klucht. Het hieraan onderliggende systeem is (natuurlijk) het kapitalisme. De tot crises leidende speculaties laten zien dat dit niet een puur rationeel of ‘natuurlijk’ systeem is. Integendeel, het kapitalisme is een gemankeerde ideologie als vele anderen. Zij die bekend zijn met Žižeks werk zal dit niet verrassen, maar het kapitalisme manifesteert zich na mei ’68, de laatste keer dat het onder werkelijke druk stond, op zeer ingenieuze wijze.

Dit zijn de passages waarin Žižek op zijn best is. Na mei ’68 zijn ons geen nieuwe rechten, maar enkel nieuwe ‘permissies’ – abortus, homohuwelijk, allerlei andere vrijheden – verleend. Anders dan rechten vergroten permissies onze macht niet. Maar, en hierin zit de verleidelijke crux, de permissies maken ons leven wel veel makkelijker.

Žižek vult dit aan met een verwijzing naar zijn vroegere leermeester Jacques Lacan wanneer hij vraagt: ‘Zeg me wie u bent. Wat voor soort object wilt u zijn? Wat kan het hiaat van uw verlangen vullen?’ In tegenstelling tot de eerdere, ‘zingevende’ ideologieën moet het kapitalisme de leegte in de mens juist openhouden:

Hoe de overheersende ideologie het gemis aan een vaste identiteit niet langer verdringt, maar direct inzet voor het op gang houden van het eindeloze proces van de consumentistische ‘herschepping van jezelf’.

Een nieuw communisme
De tweede fundamentele kapitalismekritiek is dat dit systeem door haar voortdurende radicaliseringen, crises en heruitvindingen – er moeten zich immers continu nieuwe investeringsmogelijkheden aandienen – niet werkelijk te beteugelen valt. Hierom noemt Žižek tussenvormen zoals het Rijnlandmodel onhoudbaar, maar helaas (weer) zonder duidelijk te maken waarom dit nu zo is.

Zijn kapitalismekritiek, die gelukkig veel verder gaat dan het ‘mainstream’ kortzichtige gezeur over de bankiersbonussen – dat sterk afleidt van de veel dieperliggende problemen van het kapitalistisch systeem – valt enkel toe te juichen. Maar waarom moet hij nu per se een ‘radicaal alternatief’ bepleiten, en dit ook nog ‘communisme’ dopen? Dit is bevreemdend, want terwijl u nu denkt aan de Goelag doelt Žižek hiermee simpelweg en oncontroversieel op de bescherming van de commons; van water, voedsel, energie, milieu en ook cultuur en onderwijs.

In deze conclusie zit de uiteindelijke waarde van Žižeks boek. Om nog iets te redden van de commons, van onze wereld, moeten we de kapitalistische, circulaire ‘komisch-tragische’ beweging onderbreken. Want anders? Dan, zal Žižek zeggen, de Apocalyps.

Tony Judt & Timothy Snyder – Denken over de twintigste eeuw

Tony Judt & Timothy Snyder (vert. Wybrand Scheffer) – Denken over de twintigste eeuw

Grote en kleine waarheden

Oorspronkelijk verschenen 31-12-2011: http://www.8weekly.nl/artikel/9680/tony-judt-timothy-snyder-vert-wybrand-scheffer-denken-over-de-twintigste-eeuw-grote-en-kleine-waarheden.html

De degeneratieve spierziekte ALS verhinderde Tony Judt (1948-2010) te schrijven, maar weerhield hem niet te publiceren. Na Het land is moe en De Geheugenhut, volgt met Denken over de twintigste eeuw zijn laatste, wellicht bijzonderste boek: het is namelijk een gesprek.

Het idee hiervoor kreeg historicus Timothy Snyder – schrijver van ondermeerBloedlanden. Europa tussen Hitler en Stalin – toen hij het nieuws van Judts ziekte vernam. Ieder hoofdstuk begint met een deel waarin Judt vertelt over zijn leven. Op een gegeven moment intervenieert Snyder dan met een vraag of een tegenwerping vanuit zijn eigen expertise, waarna zich een geestrijke dialoog ontwikkelt over de geschiedenis en de tegenwoordige tijd, overlopend van zowel intelligente als elegante inzichten.

Een ideeëngeschiedenis
Tony Judt is van geboorte Brits, later verhuisd naar Amerika, maar een kind van uit Oost-Europa geëmigreerde marxistische joden. Met zo’n achtergrond moet een verweving van biografie en geschiedenis natuurlijk vruchtbare resultaten opleveren. Judt verknoopt bijvoorbeeld ‘het joodse vraagstuk’ met zijn adolescente geloof in het Zionisme en met beelden van de naoorlogse joodse gemeenschap in Engeland. Ook schetst hij de esthetisch fijnzinnige sferen van het Engeland in de jaren dertig, evenals het Cambridge van zijn studentenjaren eind jaren zestig.

In het gesprek komen zowel deze tot de verbeelding sprekende plaatsen – fin de siècle Wenen, de vallende reus Amerika nu –, als de grote twintigste-eeuwse sociale, culturele en intellectuele onderwerpen voorbij. Bijvoorbeeld de verhouding van de intellectueel tot ‘de grote en de kleine waarheden’. Grote waarheden behelzen overtuigingen over grote kwesties en doelen die offers en kleine onwaarheden vergen, terwijl kleine waarheden gaan over vast te stellen feiten:

De vraag is of je er principieel mee instemt dat de interpretatie uit naam van de toekomst wordt geformuleerd of dat je vindt dat er aan het eind van elke dag geïnterpreteerd moet worden

Moeten we alle economen vermoorden?
Een hele trits geëngageerde intellectuelen, van Zola tot Aron, wordt beoordeeld, eindigend met Tony Judt zelf. Want niet alleen was Judt historicus, het beroemdst om zijn Na de oorlog, evenzo was hij een polemisch essayist. Als een van de weinigen nam hij direct stelling tegen de Irak-oorlog en kwam hij enkele jaren geleden met het zinnige, maar uiterst controversiële voorstel om het Israëlisch-Palestijnse conflict te beslechten door beider partijen in een enkele staat te verenigen.

Iedereen die enigszins bekend is met Judts werk weet dat hij een hartstochtelijk voorvechter is van een herstel, of beter vernieuwing, van de sociaal-democratische waarden. Ook in dit werk roept hij op tot een hardnekkige verdediging van de naoorlogse verworvenheden. Het is een overbekende maar o zo belangrijke riedel: voor iedereen betaalbare gezondheidszorg en onderwijs, en een sociaal vangnet voor hen die het maatschappelijk niet kunnen bolwerken.

Ook hier schuwt hij de polemiek niet: Hayek, Thatcher en neoliberale consorten kunnen het krijgen: ‘Ik denk dat iedereen erbij gediend zou zijn als we (…) alle economen zouden vermoorden. De uitzonderingen zijn bekend, dus die kunnen we misschien gratie aanbieden.’

Wij, barbaren
Pessimistisch zijn Snyder en Judt – natuurlijk – als het gaat over het huidige kennisniveau en het gebruik van de geschiedenis. Wij zijn verworden tot Alessandro Baricco’s ‘barbaren’, die wat rondneuzen in het verleden en er, ongeacht plaats of context, uitpikken wat ons goeddunkt. We herdenken gebeurtenissen enkel nog in een vacuüm: ‘nooit meer München’, ‘nooit meer Hitler’. Maar geïsoleerd zijn dit onbegrijpelijke, enkel voor valse politieke retoriek nuttige leuzen.

Ze moeten allereerst begrepen worden in de twintigste eeuw, die hevige honderd jaar waarin zoveel draaide om ‘het uitvoeren, het uitleven van de negentiende-eeuwse manieren om te reageren op de industriële revolutie en de crisis van de massamaatschappij.’ De implicatie is duidelijk: nu alle negentiende-eeuwse ideeën zijn uitgeprobeerd, moeten we het goede zien te behouden en tevens op zoek te gaan naar nieuwe, kleine waarheden. De basis daarvoor ligt in het begrip van de twintigste eeuw, en dus in van inzicht doordrenkte boeken als deze.

Peter Kanne – Gedoogdemocratie. Heeft stemmen eigenlijk wel zin?

Peter Kanne – Gedoogdemocratie. Heeft stemmen eigenlijk wel zin?

Apologie voor de luie burger

Oorspronkelijk verschenen 28-10-2011: http://www.8weekly.nl/artikel/9519/peter-kanne-gedoogdemocratie-heeft-stemmen-eigenlijk-wel-zin-apologie-voor-de-luie-burger.html

In de tendentieuze ondertitel van dit boek is de kernthese samengevat: politici luisteren niet naar burgers, en langzamerhand worden de burgers dit zat. Waarom überhaupt nog stemmen, Den Haag doet immers toch wat het wil.

Met veel cijfers en voorbeelden uit de alledaagse Nederlandse politiek van het afgelopen decennium onderzoekt Peter Kanne het vermeende gat tussen kiezerswil en daadwerkelijke politieke actie. Met dit boek lijkt Kanne, werkzaam bij marktonderzoekbureau TNS NIPO, aan te willen sluiten op de almaar duidelijker wordende politieke onvrede onder de burgers. In simpel taalgebruik schijnt Kanne de gemiddelde Nederlandse burger inzicht te willen bieden in actuele politieke trends.

Kannes procentpunten
Zijn poging is dapper. En voor de Telegraaflezer die op dit boek stuit en door de titel wordt verleid, is ook het resultaat potentieel waardevol. De wisseling in standpunten, de verwaterende ideologieën en de opkomst van de nieuwe sociaal-culturele dimensie komen aan bod om de verslechterende verhouding tussen politieke partij en kiezer te beschrijven.

Maar meer dan beschrijven wordt het niet. Want Kanne werkt vooral met statistiek, en hoewel zijn procentpunten een solide houvast geven, bieden ze nauwelijks verklaring. Nu verwijst Kanne wel af en toe naar recente politicologische literatuur, maar altijd naar de meest uitgekauwde, en hij geeft er nooit een eigen draai aan.

Zorgzaam en veilig

Dit neemt niet weg dat zijn cijfers wel zeggingskracht hebben. Kanne geeft in een kwadrant weer hoe de discrepantie tussen partijen en kiezers er werkelijk uit ziet. In het licht van de vaak gehoorde bewering dat partijen ideologisch nauwelijks van elkaar zijn te onderscheiden, is het opvallend te zien dat veel kiezers zich meer in het midden bevinden dan de partijen van hun voorkeur. De gemiddelde PVDA- en GroenLinks-kiezers zijn minder links en minder progressief dan deze partijen, terwijl kiezers van de meer rechtse en meer conservatieve VVD en CDA zowel linkser als progressiever zijn.

Ook opmerkelijk is dat het gros van de kiezers het beste valt onder te brengen bij het wereldbeeld ‘zorgzame regio’, waarin de regelingen van de verzorgingsstaat centraal staan. Maar de politieke elite doet natuurlijk iets heel anders, die is al decennia lang die regelingen aan het opheffen en aan het inperken (de vraag in hoeverre dit onvermijdelijk is daargelaten). Het wereldbeeld dat dan ook meer aansluit op de voorkeuren van de politieke elite is dat van de meer atomistische, meer mondiaal gerichte prestatiemaatschappij.

Het gaat om de inhoud
Deze discrepanties zijn ook zichtbaar in de sociaal-economische verhouding van de gemiddelde kiezer tot het huidige (gedoog)kabinet. CDA-kiezers zijn veel linkser, en andere kiezers stemden PVV omwille van hun AOW-standpunt – dat breekpunt, weet u nog? Het is een van Kannes vele, maar helaas overbekende voorbeelden van punten waarop de kiezer zich ‘knollen voor citroenen laat verkopen’. Keer op keer benadrukt Kanne dus de veelvuldige fouten van de politieke partijen. Weliswaar stelt hij in een bijzinnetje dat ook de kiezers en de media een rol spelen, maar hij vervolgt direct met de veel hardere stelling dat de partijen de absolute hoofdverantwoordelijken zijn voor de mislukkende vertegenwoordigende democratie.

En dat is al te makkelijk. Jazeker, partijen draaien, liegen en huichelen, en dat is alleszins laakbaar. Maar tegelijkertijd zijn ook de burgers in deze mediademocratie te kortzichtig en te lui om een politicus te ondersteunen die durft te wijzen op de realiteit. Het probleem is toch ook dat de ontevreden, maar zelfgenoegzame burgers niet de tijd en moeite voor de politiek willen opbrengen die nodig is om te kunnen begrijpen wat er inhoudelijk gaande is. Het burgerlijke geklaag heeft daarom vaak iets gratuits.

Duidelijk is dat verandering noodzakelijk is. Kanne stelt terecht dat ons partijenstelsel op de schop moet. Maar naast de aflatende burgers gaat hij ook niet in op de gigantische impact van de veelbepalende media. Het is de wisselwerking binnen deze politieke drie-eenheid die de kaders van het politieke spel bepaalt – en ieder voorstel tot werkelijke verandering dient deze wisselwerking te adresseren.

Zygmunt Bauman – Vloeibare tijden. Leven in een eeuw van onzekerheid.

Zygmunt Bauman (vert. J.M.M. de Valk) – Vloeibare tijden. Leven in een eeuw van onzekerheid.

Vloeibare Tijden

Oorspronkelijk verschenen 29-08-2011: http://www.8weekly.nl/artikel/9387/zygmunt-bauman-vert-j-m-m-de-valk-vloeibare-tijden-leven-in-een-eeuw-van-onzekerheid-vloeibare-tijden.html

Onzekerheid heerst. Zowel collectief als individueel zijn wij, ‘de meest vertroetelde en verwende mensen van allen’, angstig en bezorgd over onze veiligheid. Eminent socioloog Zygmunt Bauman (1925) duidt deze vreemde, maar voor iedereen herkenbare onzekerheid.

Er is geen boek over de tijdsgeest van de afgelopen decennia waarin Bauman niet meerdere keren wordt aangehaald, vaak in de vorm van een klinkende, en zelfs elegant geformuleerde stelling. Een nadere kennismaking met zijn werk is dan ook aanbevelenswaardig. En het recent vertaalde Vloeibare tijden vormt daarop een goede, toegankelijke inleiding. De titel verwijst naar de ‘vloeibare moderniteit’ – bij Bauman volgend op de moderniteit -, die wordt gekenmerkt door de veranderlijkheid van zowel instituties als individuen, de desintegratie van verzorgingsstaat en samenleving, de scheiding van (mondiale) macht en (lokale) politiek, het onvermogen tot langetermijnplanning en de oproep tot flexibiliteit.

Het zelfversterkende effect van angst

Al deze kenmerken werken onduidelijkheid in de hand. Tegelijkertijd groeit de angst voor het noodlot. Vol ontzetting beziet de burger hoe de samenleving schijnbaar onverdedigbaar staat tegenover terrorisme, milieu- of economische crises. Dit leidt ertoe dat voor zowel samenleving als individu veiligheid het grote thema wordt. Het is de staat die deze moet verzorgen; haar legitimiteit is al decennia aan het verschuiven van een beschermer tegen sociale achteruitgang, richting een beschermer van de persoonlijke veiligheid.

Natuurlijk blijft het noodlot onweerstaanbaar. Dus wat doen wij, broze mensen? We zoeken plaatsvervangende doelstellingen om het teveel aan existentiële angst op af te reageren. We verdiepen ons bijvoorbeeld in de vijf tekenen van depressie of te hoge bloeddruk en scheppen zo de illusie het bestaan tenminste deels te controleren. Maar zowel collectief als individueel geldt: des te meer we bezig zijn de angstaanjagende wanorde te bestrijden, des te meer we haar vergroten. Bauman hamert erop: angst bezit een zelfversterkend effect. De tegenwoordig veelgeziene uitvlucht is ook al niet hoopgevend:

De droom om de onzekerheid minder afschrikwekkend en het geluk blijvender te maken door zijn ego te veranderen, en zijn ego te veranderen door zijn uiterlijk te veranderen, is de ‘utopie’ van de jagers – een ‘gedereguleerde’, ‘geprivatiseerde’ en ‘geïndividualiseerde’ versie van de vroegere droombeelden van de goede samenleving.

De tijd staat niet stil!
De ‘jagers’ zijn de individuen en kapitalistische bedrijven op zoek naar respectievelijk opwinding en winst. Zij creëren niets blijvends. Tegelijkertijd moeten zij (wij) altijd door: de economie moet groeien om gezond te blijven, en ook het individu mag ‘niet achterblijven’, de tijd staat immers niet stil! Deze vaak alleen kwantitatieve voortgang is een soort eindeloze stoelendans. Tevens verdwijnt uit de gedereguleerde samenlevingen langzaam alle solidariteit, haar credo wordt: ‘Ieder voor zich en God voor ons allen en naar de duivel met de achterblijvers.’

En die achterblijvers? Die vormen een permanent overtollige klasse. En ze gaan rellen in Londen. Of op een andere schaal: zie de vluchtelingenkampen in de Hoorn van Afrika, die nu de laatste Somalische vluchtelingen, maar al decennialang permanent honderdduizenden van deze overtolligen (Bauman: ‘menselijke afvalproducten’) herbergen.

Niet toegeven
Sommige vluchtelingen schoppen het tot asielzoeker in de westerse landen. Maar net als de mondiale elite, zo stelt Bauman, verpersoonlijkt de asielzoeker de ‘vloeibare ruimte’, waaruit de huidige onzekerheid voortkomt. Natuurlijk is de mondiale elite onaantastbaar, en dus ‘richten angst en vrees zich op dichterbij gelegen doelen en vertonen zich als populistische angst voor en wrok tegen de “naastbijzijnde vreemden”.’

Het betoog van Bauman is kort, maar elke pagina telt. Bovendien luidt hij terecht de alarmbellen. Bauman waarschuwt waartoe angst – ‘de meest sinistere van de demonen’ – kan uitgroeien. Wanneer we er aan toe geven – en dat mogen we dus niet doen! – versterkt het zichzelf. Dan wordt het toekomstbeeld van een samenleving waarin de welvarenden zich teruggetrokken in gefortificeerde omgevingen puur escapistisch gedragen, terwijl de economisch nuttelozen verpieteren in getto’s, welhaast onvermijdelijk.

Klassieker: Alexis de Tocqueville – Over de democratie in Amerika

Klassieker: Alexis de Tocqueville – Over de democratie in Amerika

De grootsheid van een democratisch aristocraat

Oorspronkelijk verschenen 19-07-2011: http://www.8weekly.nl/artikel/9324/de-grootsheid-van-een-democratisch-aristocraat-klassieker-alexis-de-tocqueville-over-de-democratie-in-amerika.html

Wij zijn allen democraten. We beschouwen de democratie als een a priori gegeven, zelfs zozeer dat ook de ontevredenen haar niet ter discussie zullen stellen. Maar het is niet allemaal hosanna. De fundamentele oorzaken daarvan worden uitgelegd door een van de allergrootste politieke filosofen ooit, Alexis de Tocqueville.

Tocqueville, de ‘aristocraat in het hart en democraat in het verstand’, licht vanuit een neutraal perspectief de eerste democratische samenleving van de moderne tijd, de Amerikaanse, volledig door. Daarmee legt hij tegelijk de grootste fouten en weldaden van de democratie bloot. Om misverstanden voor te zijn: Tocqueville bedoelt met een democratische samenleving niet alleen dat het politieke bestel democratisch is ingericht, maar vooral een maatschappelijke toestand van gelijkheid. ZijnOver de democratie in Amerika (in twee delen uitgebracht, in 1835 en 1840) is onder andere hierdoor allesbehalve een taai vertoog over het staatsbestel. Integendeel: het zindert van verrassende of verontrustende politieke, sociologische en psychologische inzichten alsook – en hier spreekt puur mijn persoonlijke voorkeur – van Tocquevilles prachtig geuite wanhoop over de onvermijdelijke teloorgang van de aristocratische waarden.

Op hol geslagen massa’s
Het is zeker niet vanzelfsprekend dat uitgerekend Alexis de Tocqueville (1805-1859) het eerste canonieke werk over de democratie heeft geschreven. Tocqueville kwam namelijk uit een aristocratische familie, die al eeuwenlang behoorde tot de zeer zelfbewuste noblesse d’épée, de zwaardadel. Tijdens de Jacobijnse Terreur, die volgde op de Franse Revolutie, zaten zijn ouders tien maanden lang in de gevangenis in afwachting van de guillotine – gelukkig viel Robespierres hoofd eerder.

Dergelijke anekdoten moeten verteld worden om te begrijpen welke proporties het imaginaire standbeeld van de intellectuele held Tocqueville dient aan te nemen. Sinds de Franse Revolutie werd democratie door velen, en zeker door de aristocratische klasse, gelijkgesteld aan anarchie. Maar niet door Tocqueville, die aantoonde dat het angstbeeld van de democratie als een op hol geslagen massa enkel een hersenschim is.

Nieuwe politieke wetenschap
Wel dienen er bij de instelling van een democratie bepaalde richtlijnen in acht te worden genomen. De noodzaak van deze richtlijnen vormt Tocquevilles beginpunt. Hij ziet in de eeuwen voor hem een alomtegenwoordige, gestage trend richting gelijkheid. Om deze reden acht hij, ondanks de Franse en Europese Restauratie – in Tocquevilles Frankrijk hadden amper 5 op de 1000 inwoners stemrecht – de opkomst van de democratische toestand onstuitbaar. Omdat de Europeanen alleen bezig waren op krampachtige wijze de democratie de weg te versperren, hadden zij geen oog voor zowel haar deugden als kwalen. Daarom propageert Tocqueville ‘een nieuwe politieke wetenschap voor een geheel nieuwe wereld’. Deze had als doel:

De democratie onderrichten, waar mogelijk haar overtuigingen nieuw leven inblazen, haar zeden zuiveren, haar bewegingen regelen (…) haar staatsbestel aanpassen aan tijd en plaats, het wijzigen naargelang de omstandigheden en de mensen: dat is vandaag de eerste plicht die is opgelegd aan hen die de samenleving leiden.

En op welke wijze kon men beter leren hoe dit moest dan door de volwassen Amerikaanse democratie te bestuderen? Tocquevilles Over de democratie in Amerika gaat dus eigenlijk nauwelijks over Amerika, maar veel meer over de daar zichtbare algemene democratische tendensen, waaruit de Europeanen lering moesten trekken.

Individualisme
Veelvuldig maakt Tocqueville gebruik van de tegenstelling democratie versus aristocratie. Het eerste en bepalende verschil daartussen komt naar voren in de volgende beroemde vergelijking: ‘De aristocratie had van alle burgers een lange ketting gemaakt die van paysan tot koning liep; de democratie breekt de ketting en legt elke schakel apart.’ In de democratie is iedere burger gelijk en vrij, maar als mogelijk schadelijk neveneffect van deze positieve conditie kan een atomistische samenleving ontstaan.

Belangrijkste boosdoener is het individualisme, dat binnen de democratie is ontstaan: een rustig en weloverwogen gevoel dat de burger ertoe aanzet zich terug te trekken in de eigen kleine privékring. Dat leidt ertoe dat iedere burger ‘onafhankelijk maar zwak’ is, en dat hij niet-persoonlijke zaken het liefst aan de staat overlaat.

Zie hier de reden waarom liberalen, waaronder onze jeune premier Mark Rutte – wiens goedkeuring zelfs de omslag van de nieuwe Nederlandstalige, schitterend verzorgde uitgave ‘siert’ – Tocqueville zo gretig omarmen. Want Tocqueville waarschuwt voor het gevaar dat door de individualistische houding van de burger een monsterlijke overheid ontstaat, wier tentakels zich langzaam maar zeker uitstrekken over alle gebieden van de samenleving. Op deze wijze dreigt de democratie te evolueren richting een ‘mild despotisme’:

Een immense en beschermende macht (…) die zich als enige belast met de zorg voor hun genietingen en het toezicht op hun lot. Zij is absoluut, nauwkeurig, regelmatig, vooruitziend en zachtmoedig. Zij zou op het vaderlijk gezag lijken als zij, evenals dat gezag, tot taak zou hebben de mensen voor te breiden op de volwassenheid, maar zij probeert juist niets anders te doen dan hen onherroepelijk in hun kindertijd vast te houden.

Associaties
De Amerikanen hebben hierop een tegenwicht gevonden, namelijk de associatievorming. Binnen de associatie leren de burgers hoe hun eigenbelang aansluit op het algemeen belang, leren zij de ‘kunst van de vrijheid’ en het belang van samenwerking. Nog altijd zien ‘Neo-Tocquevillianen’ associatievorming en lokale democratische participatie als essentiële maatschappelijke buffers tegen een te machtige centrale staat en tegen een mogelijke tirannie van de meerderheid (een begrip dat door Tocqueville is gemunt). Rutte en consorten zullen dit volmondig en met de hen zo eigen glimlach beamen: de burger die eindelijk eens de verantwoordelijkheid neemt, en niet enkel vragend naar vadertje staat kijkt.

Maar de observator Tocqueville destilleerde nog meer mooie inzichten uit de Amerikaanse democratische processen. Bijvoorbeeld de nieuwe vorm van stabiliteit: het gros van de burgers is continu met de eigen materialistische belangen bezig, waardoor hun overtuigingen onveranderlijk zijn en ze niets liever willen dan publieke rust. Tocqueville noemt dit zelfs de enige overgebleven ‘politieke hartstocht’: immers, niets is zo slecht voor de handel als een revolutie.

Ruttes ideaal?
Maar lezend over dit ongebreidelde materialisme, blijkt er toch meer aan de hand te zijn dan de simplificerende ‘recht-op-en-neer-filosofie’ van Rutte en het rechts-populisme doet vermoeden. Tocqueville als politiek psycholoog hamert namelijk continu op de geestelijke nivellering binnen de democratische samenleving:

Ik zie een ontelbare massa eendere en gelijke mensen die voortdurend met zichzelf bezig zijn om zich kleine en platvloerse genoegens te verschaffen waarmee zij hun ziel vullen.

De associatievorming mag dan een antidotum tegen het despotisme vormen, tegen de teloorgang van de werken van de geest, het artistieke, het spirituele – of hoe je het ook noemen wilt – is binnen de democratische toestand veel moeilijker een tegenwicht te vinden:

Wat ik de gelijkheid verwijt, is niet dat zij de mensen aanzet tot het najagen van verboden genoegens, maar dat zij hen volledig doet opgaan in de zoektocht naar toegestane genoegens.

In de gelijkheidstoestand lijkt vaak enkel het economisch nut waarde te worden toegekend; de waarden van de geest zijn onbekend. De massa streeft onbekommerd af naar een toestand van dierlijke eenvormigheid. Dit wordt mede veroorzaakt doordat in de democratische situatie mensen minder snel iets van de ander willen aannemen of leren. Zij kunnen de ander niet zien als superieur, maar altijd enkel als gelijke, waardoor zij ‘voortdurend worden teruggeworpen op hun eigen rede als de meest zichtbare en de meest nabije bron van de waarheid’.

Streven naar grootsheid
Daarentegen hebben burgers alle vertrouwen in de opinie van de meerderheid, allemaal zijn ze immers gelijken, dus dan moet de waarheid toch bij het grootste aantal te vinden zijn? Tocqueville voorspelt het geloof in de publieke opinie: ‘De meerderheid leeft dus in een permanente staat van zelfaanbidding; alleen dankzij vreemdelingen of hun eigen ervaring krijgen de Amerikanen oog voor bepaalde waarheden.’

De democratie acht Tocqueville onvermijdelijk, maar hij betreurt de verloren ‘grandeur’ van de aristocratie, die er juist toe aanzet de geest ‘op te laten stijgen naar de hogere regionen van het denken’ en die haar ‘op natuurlijke wijze rijp [maakt] voor de sublieme en bijna goddelijke liefde voor de waarheid.’ Wat kan er gedaan worden om toch nog iets van deze grootsheid te behouden? Tocqueville komt hier helaas niet verder dan een pleidooi, dat de Nederlandse politici nooit zullen durven navolgen:

De wetgevers van democratieën en alle eerbare en verlichte mensen die er leven, moeten dus onophoudelijk alles in het werk stellen om de zielen te verheffen en die op de hemel gericht te houden.

De liberale traditie
Het is in deze kritische liberale traditie, waarin de democratie zowel wordt omarmd als op haar fouten gewezen, waarin een waakzaam en integer burger dient te staan. Van de grote gevaren waarop Tocqueville wijst, die van de zwakke eenling tegenover een almachtige staat of de tirannieke meerderheid, en die van een alles doordringende en omlaaghalende geestesnivellering, behoren burgers zich ten volste bewust zijn.

Het is onvermijdelijk dat dit essay te weinig recht doet aan de 800 pagina’s van Tocquevilles Over de democratie in Amerika. Vooral het tweede boek loopt over van inzichten die na 170 jaar nog altijd geldig zijn en weten te verrassen. Tussendoor voorspelt Tocqueville en passant de Koude Oorlog, om zo maar wat te noemen. Enkel een voorbeeld om duidelijk te maken dat er over deze grootse politieke filosoof, Machiavelli gelijk, nog zoveel meer te zeggen – en te lezen – valt.

Tom van der Meer (red.) – Wat als… Pim Fortuyn niet was vermoord

Tom van der Meer (red.) – Wat als… Pim Fortuyn niet was vermoord

Kogel raak: ja/nee

Oorspronkelijk verschenen 24-06-2011: http://www.8weekly.nl/artikel/9271/tom-van-der-meer-red-wat-als-pim-fortuyn-niet-was-vermoord-kogel-raak-ja-nee.html

‘Wat als’-geschiedenis: een onorthodoxe maar inzichtelijke historische methode, of toch zwakzinnige sciencefiction? Tom van der Meer verdedigt de eerste stelling, en bundelde dertien ‘wat als’-verhalen over de Nederlandse geschiedenis.

Stel nu dat, heel actueel, Nederland niet had meegedaan aan de euro. Welke gevolgen zou dat dan hebben gehad? Dergelijke counterfactuals zijn de startpunten van de alternatieve geschiedenis, een in Amerika en Engeland vrij populaire, maar onder Nederlandse historici toch doorgaans verguisde werkwijze. Want te speculatief, te fantastisch.

Iffie-geschiedenis
Van der Meer is zich terdege bewust van deze controversiële reputatie, en wapent zich hiertegen in zowel een inleiding als een nabeschouwing. Ter verheldering stelt hij: geschiedenis bestaat uit keerpunten, momenten waarop een kogel doel treft of mist, met als mogelijk resultaat dat een historische zwenk wel of niet wordt ingezet. In de ‘wat als’-geschiedenis – ‘iffie-geschiedenis’ – wordt dus de grote impact van toeval in de keerpunten benadrukt.

De kogelmetafoor verraadt dat vooral militaire geschiedenis zich hier goed toe leent. Neem de Slag om Arnhem, in de bundel opgetekend door Kees M. Paling. Wanneer er bijvoorbeeld geen rustende Duitse pantserdivisies in Arnhem waren gelegerd, dan hadden de Geallieerden deze kunnen winnen. Met als gevolg dat de geallieerden ‘voor Kerstmis 1945’ – en vooral voordat de Russen er waren – in Berlijn hadden kunnen zijn, met weer als gevolg dat het IJzeren Gordijn waarschijnlijk heel anders had gelegen.

Fortuyn premier?
Van der Meer wijst erop dat historici altijd met oorzakelijkheid bezig zijn: x leidde tot y. Maar dat betekent ook dat y anders was, of er helemaal niet was geweest, zonder x – en dan? Inderdaad: wat, als?

Van der Meer wil in deze bundel twee voorwaarden nageleefd zien. Ten eerste een helder en geloofwaardig als-moment – dus niet: wat als Napoleon over kruisraketten had beschikt tijdens de Slag bij Waterloo. De tweede voorwaarde is dat na het veranderde keerpunt het gestarte alternatieve pad zo logisch mogelijk is ingebed in de bekende, feitelijke loop van de geschiedenis. Maar hoe verder in de tijd dat pad wordt geschetst, hoe risicovoller het is. Want hoe houd je al die andere, mogelijk beïnvloede gebeurtenissen in de hand?

Neem het verhaal over de verijdelde aanslag op Fortuyn. Natuurlijk een zeer interessant startpunt voor een alternatief pad. Maar dan? Auteur Jean Tillie laat Fortuyn tactisch opereren, en pas na Balkenende-II premier worden. Ook legt hij Fortuyn een paar van Wilders’ woorden (‘knettergek’) in de mond. Net als in het relaas over Bolkesteins blokkade van de euro, lijken enkel de rechtse poppetjes te zijn ingewisseld. Het maakt duidelijk dat ‘wat als’-geschiedenis een subtiele balans moet vinden tussen al te veel en te weinig verbeeldingskracht.

Niet te kniezerig
Er zit een prettige afwisseling in de dertien geschiedenissen, zowel qua vorm als inhoud. Sommige zijn slechts twee pagina’s lang, beschrijven enkel het als-moment en laten het ‘wat dan’ aan de lezer over. Daarentegen schrijft Rolf Falter honderd jaar door in zijn relaas over de vraag: wat als prins Frederik in 1830 had geluisterd naar Constant-Rebecque en met een laatste poging de Belgische opstand had neergeslagen?

Vliegt hij uit de bocht als hij beschrijft hoe de Nederlandse politieke ontwikkeling binnen een Verenigd Koninkrijk – denk aan de verhouding katholieken-protestanten – een volstrekt andere vorm had gekregen? Dat doet hij niet, want hij maakt aannemelijk dat de Nederlandse geschiedenis een beslissende wending had gekregen. Zonder harde wetenschappelijke pretentie, kan ‘wat als’-geschiedenis op deze manier wel waarde hebben.

En de minder kniezerige vraag: is het een leuk boek? Wel zolang het vooral gaat over de invloed van het keerpunt en niet te veel over het alternatieve pad, dat al snel verwordt tot ongeloofwaardige sciencefiction. En daar zijn Van der Meer cum suis grotendeels in geslaagd.

Anton van Hooff – Athene. Het leven van de eerste democratie

Anton van Hooff – Athene. Het leven van de eerste democratie

Over de bakermat

Oorspronkelijk verschenen 04-05-2011: http://www.8weekly.nl/artikel/9159/anton-van-hooff-athene-het-leven-van-de-eerste-democratie-over-de-bakermat.html

In de inleiding op zijn Athene. Het leven van de eerste democratie benadrukt Anton van Hooff het belang van het bestuderen van de oudheid voor de beschaving, cultuur, democratie. Tweehonderd bladzijden verder is zijn gelijk bewezen: Atheense burgeridealen confronteren onze samenleving met haar fouten.

Na het vorig jaar verschenen Nero en Seneca is dit het tweede werk over de oudheid van classicus Van Hooff. Tussen de regels door lees je zijn liefde voor het onderwerp en de kreten van verrukking die hij, tevergeefs, probeert te onderdrukken. Dit enthousiasmeert de lezer – en dat, zo legt Van Hooff uit, betekent: ‘de godheid is in hem: in het woord enthousiasme zit het Griekse en (in) en theos (godheid)’.

Burgerschap
Van 508 tot 322 regeert in Athene het volk, met slechts een paar korte oligarchische onderbrekingen. Anders dan onze als democratie gemaskeerde ‘electieve aristocratie’, was de Atheense democratie werkelijk een volksregering. Het berustte op direct bestuur en vereiste daarom een hoge mate van burgerparticipatie. In Pericles’ beroemde woorden: ‘Want wij zijn de enigen die iemand die daaraan geen deel heeft, niet beschouwen als een werkeloos, maar als nutteloos iemand’.

Het democratische Athene herbergde 30.000 burgers – slaven, vrouwen en vreemdelingen vielen erbuiten. Belangrijkste politiek orgaan was de volksvergadering, de ekklèsia, die gemiddeld 40 keer per jaar bijeen kwam. Daarin hadden alle Atheense burgers het recht het woord te voeren (isègoria). Daarnaast waren op ieder moment 3200 burgers actief binnen roulerende functies, meestal via loting aangewezen. Roulatie diende als een van de ‘checks’ op mogelijk machtsmisbruik: het voorzitterschap van de ekklèsia rouleerde dagelijks, waardoor een op de vier Atheense burgers een dag in zijn leven ‘president’ was!

Toneel
Dit klinkt allemaal zeer verlicht, maar natuurlijk waren de Atheners net mensen. Wanneer ze weinig trek hadden in een routinematige volksvergadering, en de opkomst op de vergaderingslocatie de Pnyx dus tegenviel, werden staatsslaven ingezet om met een in rode verfstof gedrenkt touw het grote plein schoon te vegen. De daardoor veroorzaakte rode vlek was een teken van slecht burgerschap. Dit neemt niet weg dat politiek ieder deel van het Atheense leven doordrenkte. Een voorbeeld daarvan is het toneel, waarin democratie en beschaving werden samengebracht:

In het mythische gewaad van het treurspel blijven ze wel versluierd. Nooit wordt uitbundig de lof van de volksmacht gezongen. Zulke platte propaganda zou van slechte smaak getuigen. Het Atheense toneel blijft in zijn verwijzing naar de politieke actualiteit even ingehouden en tijdloos als de sculpturen van het Parthenon.

Griekse leefregels als ‘niets te veel’ (mèden agan) werden middels toneel bijgebracht. Voor zowel politieke activiteiten als het bijwonen van het beschavende toneel ontvingen de Atheners vergoedingen – zoals Van Hooff oppert misschien een idee voor onze tijd? Sowieso verwijst Van Hooff veel naar het heden en de recente geschiedenis. Zo geeft hij aan dat de Atheense democratie groot is geworden dankzij het imperialisme: via slavernij en uitbuiting verkregen welvaart bracht de burgers tijd voor de politiek. Is ons stabiele politieke systeem denkbaar zonder de historisch gegroeide en deels op uitbuiting gebaseerde welvaart?

Dèmokratia
Af en toe verrast Van Hooff met dergelijke scherpe uithalen. Maar wat dit boek vooral zo prettig maakt zijn de vele etymologische verwijzingen en, daarmee samenhangend, de vele momenten van verrassing – zo kende Athene tachtig feestdagen – of van herkenning bij in Athene ontstane en aan ons overgeleverde culturele elementen. Dit en meer maakt dit verfijnd geschreven boek zeer informatief, met bovendien steeds precies genoeg herhaling: gymnasiumleraar Van Hooff weet hoe te doceren.

Ten slotte maakt de auteur inzichtelijk hoe, toen de Atheense burgers zich steeds meer in de privésfeer terugtrokken, de bezorgde burgers de godin Dèmokratia invoerden, als vergeefse stoplap. Van Hoof trekt nog maar eens een analogie, nu met het huidige crisisgevoel en het daarom in Den Haag op te richten Huis voor democratie en rechtsstaat. Maar eigenlijk zouden mensen dit soort boeken moeten lezen.

Robert D. Kaplan – Moesson. De Indische Oceaan en de toekomstige wereldmachten

Robert D. Kaplan – Moesson. De Indische Oceaan en de toekomstige wereldmachten

Het toverwoord: handel

Oorspronkelijk verschenen 26-02-2011: http://www.8weekly.nl/artikel/9000/robert-d-kaplan-vert-margreet-de-boer-moesson-de-indische-oceaan-en-de-toekomstige-wereldmachten-het-toverwoord-handel.html

Gestaag zal een multipolaire orde de Amerikaanse hegemonie in de wereld vervangen. Robert D. Kaplan, befaamd journalist, voorspelt dat binnen die orde de Indische Oceaan een centrale plek zal innemen. InMoesson geeft hij een caleidoscopisch en op de geschiedenis gebaseerd beeld van de opmars van deze regio.

Aan de wereldkaart ontleende Kaplan zijn inspiratie. Dat lijkt in eerste instantie vreemd, aangezien de vooruitsnellende (communicatie)technologie de rol van geografie verkleint. Maar dat idee vecht Kaplan overtuigend aan: de toekomst van de wereld wordt bepaald door de samenkomsten van etniciteiten, bevolkingsdruk, terrorisme, grondstoffenvoorraden, milieurampen en handelskanalen. En dat alles is in toenemende mate te vinden langs de kusten van de Indische Oceaan, ‘die zich van de hoorn van Afrika, via het Arabisch schiereiland, de Iraanse hoogvlakte en het Indiase subcontinent helemaal tot aan Indonesië uitstrekt’. Daar woont eenderde van de wereldbevolking, bevindt zich zowel enorme economische groeipotentie als de gehele boog van de islam.

Grote gelijkmaker
De beslissende vraag is die naar wat de wereld van de Indische Oceaan zal bepalen: conflict of handel? Wordt het de laatste, dan zal Kaplans toekomstvoorspelling bewaarheid worden. Zoals veel van de in Moessonopgevoerde stemmen aangeven: ‘onze werkelijke geschiedenis staat geschreven in de moessonwind’. De moesson – van het Arabische ‘mausim’: seizoen – met zijn prachtige regelmaat, staat symbool voor de handel en daarmee voor de verdraagzaamheid die etnische verschillen overbrugt: ‘handel is de grote gelijkmaker tussen mensen en volkeren’.

Vroeger zorgden de moessonwinden voor de wind in de zeilen van de razendsnelle Arabische dhows, in de moderne tijd is de Indische Oceaan ‘de internationale verkeersader van de wereld’. De helft van de wereldhandelsvloot vaart bijvoorbeeld door de nauwe Straat van Malakka. De aan de handelsgroei gelieerde opkomst van de middenklassen geeft reden tot optimisme.

Orde
Maar Kaplans relaas richt zich ook op de aan de Indische Oceaan aanwezige culturen, allemaal in ieder geval schatplichtig aan de islam, het hindoeïsme of het boeddhisme. In gebieden waar de handel bloeit is de tolerantie groot en ontstaan er soms prachtige culturele mengvormen, maar op andere plekken dreigen weer nieuwe etnische conflicten. Kaplan presenteert de oorzaak hiervan eenvoudig zoals die is: ‘een al te grote onzekerheid over wat ook, is het begin van fanatisme’.

Een andere les van Kaplan – adviseur van meerdere Amerikaanse presidenten – is dat macht altijd beter is, zowel strategischer als menslievender, dan helemaal geen macht. Op dit gebied ziet hij veel nieuwe uitdagingen, zo kondigt Kaplan de politieke ineenstorting van het Midden-Oosten al aan. Wat betreft de stabiliteit kunnen supermachten Amerika en China, allebei azend op meer invloed in de Indische Oceaan, elkaar vinden. Reden ook waarom hij de Amerikanen aanmaant om meer aan klimaatbestrijding te doen (wat ook hun imago ten goede zal komen).

Kleurrijk
De reisbeschrijvingen borrelen over van kleur, soms waan je je zelfs even in Sindbads wereld. Wat ook helpt is dat Kaplan zijn relaas doorspekt met geschiedenis, interviews en literaire verwijzingen. Hij trekt veel inzichtelijke historische parallellen, en vooral dat maakt zijn boek een mooie en nuttige aanvulling op Mahbubani’s De eeuw van Azië (dat zich puur richt op de toekomstige economische kracht van Azië). Een fascinerend hoofdstuk is bijvoorbeeld gewijd aan de vrij onbekende handelsnatie Oman en diens Sultan Quaboos, een ‘zonderlinge, erudiete man’. Ook over India’s vele gezichten heeft Kaplan krachtige passages opgenomen, zoals de vergelijking tussen Lord Curzon, ‘onderkoning van India’ en literator Rabindranath Tagore, bedoeld om de harde geopolitieke koers die India nu al is ingeslagen, af te zetten tegen zijn bedachtzame schoonheid.

En soms gaan woorden over schoonheid en realpolitik samen op, zoals in Kaplans uitspraak: ‘echte staatslieden denken tragisch om tragedies te voorkomen’. Wat hij in Moesson neerlegt is een rijke toekomstschets, waarbij hij wel steeds voorzichtigheid inbouwt en aangeeft dat het ook anders kan uitpakken. Maar alle maatschappelijke factoren in ogenschouw genomen, is het hoogst waarschijnlijk dat de kaart van de Indische Oceaan bepalend zal zijn voor het aangezicht van de eenentwintigste eeuw.

Meindert Fennema – Geert Wilders. De tovenaarsleerling

Nederlands meest controversiële politicus

Oorspronkelijk verschenen 09-09-2010: http://www.8weekly.nl/artikel/8638/meindert-fennema-geert-wilders-de-tovenaarsleerling-nederlands-meest-controversiele-politicus.html

De politieke carrière van de meest controversiële Nederlandse politicus Geert Wilders is een aaneenschakeling van opvallende manoeuvres en episodes – mede daardoor is zijn PVV zo groot. Hoog tijd dat iemand het verhaal van al die opvallendheden in kaart brengt. Dat heeft Meindert Fennema gedaan; met Geert Wilders. De tovenaarsleerling heeft hij een interessant en buitengewoon prettig leesbaar boek geschreven, dat echter ook dubieuze kanten heeft.

Hoogleraar in de politieke theorie van etnische verhoudingen Meindert Fennema begint met Wilders’ vroege jaren binnen de VVD. Daar begon hij in 1990 als fractiemedewerker. Zijn expertisegebied was de sociale zekerheid, maar hij koesterde speciale belangstelling voor Oost-Europa en het Midden-Oosten. Wilders’ onaflatende werklust en zijn publicaties wekten de aandacht van toenmalig VVD-leider Frits Bolkestein, en dat gaf Wilders’ carrière vaart. Van zijn kant heeft Wilders altijd met weemoed teruggedacht aan de tijd dat de moedige Bolkestein de VVD leidde; binnen de latere centrumkoers kreeg Wilders weinig ruimte voor zijn standpunten. Uiteindelijk gevolg hiervan was zijn breuk met de VVD.

Islamkritiek
Als eenmansfractie verwoordde hij zijn anti-islamstandpunt met toenemende kracht. Vanaf midden 2005 koppelde hij daar, in navolging van Fortuyn, de stelling aan dat ‘de politieke elite’ ervoor zorgt dat de ‘islamisering’ ongestoord de samenleving binnen kan dringen. De bedreigingen stroomden de afgelopen vijf jaar binnen, als gevolg waarvan Wilders’ leven bepaald wordt door de beveiligingsvoorschriften. Het is verbazingwekkend te lezen hoe die beveiliging in eerste instantie was geregeld; Wilders werd aanvankelijk in Kamp-Zeist ondergebracht, in de twee cellen waar eerder de Libische Lockerbie-verdachten hadden gezeten.

Interessante gedeelten in het boek zijn die waarin Fennema uitvoerige aandacht besteedt aan de steeds wisselende politieke vrienden van, en invloeden op Wilders. Natuurlijk komt ook de ieder welbekende electorale opmars van de PVV aan bod, culminerend in de 24 zetels tijdens de Tweede Kamerverkiezingen van juni 2010.

Belevingswereld
Fennema uit zijn bewondering voor zowel het uithoudingsvermogen als de politieke kwaliteiten van Wilders. Sowieso handhaaft hij bijna het gehele boek door een politiek neutrale, naar sympathie neigende toon. Enkel in het hoofdstuk over het lopende proces tegen Wilders spreekt Fennema zich uit: tégen vervolging. De overdreven ondertitel ‘De tovenaarsleerling’ lijkt overigens vooral uit verkoopoverwegingen op de kaft te prijken.

Het grote probleem met dit verder goede boek is dat Fennema Wilders niet heeft gesproken, maar toch schrijft hij – weliswaar zeer aannemelijk – alsof hij weet hoe Wilders politieke beslissingen beredeneerde en zijn politieke leven tot nu toe heeft ervaren. Een voorbeeld: ‘Hij begon ook de spanning te voelen die het proces met zich meebracht.’ In een tv-programma zei Fennema dat hij dergelijke gevoelens had vernomen van anonieme bronnen rond Wilders – maar dan nog komt het uit een nergens vermelde, secundaire bron.

Hetzelfde probleem komt naar voren bij een passage waarin wordt vermeld dat ‘der Blonde Engel’ verschillende affaires heeft gehad (die Fennema heeft opgenomen om te laten zien dat Wilders geen heilige is):

Ook journalisten en zelfs vrouwelijke Kamerleden van andere fracties deden er een moord voor om, al was het maar voor een nacht, de eenzaamheid van de politiek gevangene te verlichten. Zijn gedwongen isolement werkte als een magneet.

Verfrissend
Het hangt af van het ingenomen perspectief hoeveel waarde er moet worden gehecht aan deze kritiekpunten. Fennema heeft niet dé politieke biografie over Wilders willen schrijven, maar ‘slechts’ een beschrijving van diens politieke carrière. En afgezien van het genoemde kritiekpunt is de documentatie in orde, al komt Fennema niet met veel nieuwe feiten (zo is er helaas geen nieuws over de herkomst van de donaties aan de PVV). Desalniettemin is het interessant en verfrissend om alle episodes uit het door hypes vaak onoverzichtelijk gemaakte politieke leven van Wilders achter elkaar te lezen. Het wegpoetsen van de open gaten is een dubieuze beslissing, maar zorgt er tegelijkertijd wel voor dat dit boek zo prettig wegleest. Vooral dat maakt dit boek een aanrader voor iedere politieke junk.