Thierry Baudet – De aanval op de natiestaat

Thierry Baudet – De aanval op de natiestaat

Nationalisme, c’est la guerre. Toch?

Oorspronkelijk verschenen 15-07-2012: http://www.8weekly.nl/artikel/10141/thierry-baudet-de-aanval-op-de-natiestaat-nationalisme-c-est-la-guerre-toch.html

In het Nederlandse publieke debat blijft de aanval van rechts komen. De nieuwste spraakmakende charge is het proefschrift van Thierry Baudet. Hij polemiseert, schmiert en katapulteert drogredeneringen, maar maakt ook een aantal krachtige punten.

Onlangs promoveerde Thierry Baudet (1983) – NRC-columnist en samensteller van twee mooie bundels over het conservatisme, Conservatieve vooruitgang enRevolutionair verval – op De aanval op de natiestaat. Desondanks is de uit het Engels vertaalde, maar verder onaangepaste versie van dit werk meer publicistisch dan hard-wetenschappelijk. Natuurlijk kent Baudet zijn klassiekers – uitvoerig bespreekt hij vanuit historisch en rechtsfilosofisch perspectief de staatsvorming van de laatste eeuwen –,  maar hij maakt deze ondergeschikt aan zijn polemische these. Baudet poneert dat het onvermijdelijk is dat het door de elite gekoesterde supranationalisme en multiculturalisme de rechtsstaat en de politieke vertegenwoordiging ondermijnen, omdat die niet kunnen voortbestaan zonder nationaal ‘wij’, zonder samenhang biedende en legitimiteit verlenende collectieve identiteit.

De grenzenloze wereld
Baudets motto is dan ook Paul Scheffers ‘Zonder “wij” gaat het niet’. Ten minste gedeeltelijk heeft hij hier gelijk: al dan niet impliciet gaat de Europese elite nog altijd uit van een conceptie van een grenzenloze wereld, waarin het onderscheid tussen ‘wij’ en ‘zij’ is weggedacht. Zij ziet deze trend als zowel onvermijdelijk als wenselijk, reden waarom zij meent dat de nog bestaande grenzen, die relicten van een voorbije wereld, net zo goed kunnen worden opgeheven.

Dit opheffen gebeurt van binnenuit doordat het multiculturalisme, gedefinieerd als de stroming die ook op macroniveau ieder verschil accepteert, de gedeelde identiteit verzwakt. Van buitenaf gebeurt dit doordat de internationale organisaties steeds brokjes nationale soevereiniteit weghappen. Samen vormen deze trends ‘de aanval op de natiestaat’. Een voor een loopt Baudet de internationale organisaties af, achtereenvolgens de internationale hoven, de WHO, de VN Veiligheidsraad en, natuurlijk, de EU. Wat hij beargumenteert is hoe deze allemaal, anders dan in theorie, op onvoorziene wijze bevoegdheden naar zich toe trekken, hoe ze politieke beslissingen nemen en hoe deze beslissingen niet door het recht maar door bestaande machtsverhoudingen worden bepaald.

Universele geldigheid
In deze beschrijvingen is Baudet op zijn best. Zijn kritiek is raak en ook deelt hij vileine steekjes uit. Bijvoorbeeld: het supranationalisme ‘is in feite een terugkeer naar de gelaagde jurisdictie van vóór de opkomst van moderne staten. Het is een soort mediëvisme.’ Een schoolboekvoorbeeld van hoe een discours los te wrikken: de EU betekent geen voor- maar áchteruitgang!

Het gehele mensenrechtendiscours, en met name de uitvoering daarvan, is onvermijdelijk door politiek vertroebeld. Evenmin kunnen de neoliberale ideeën van de WHO universeel geldig genoemd worden – een spaarzaam moment waarop de gemiddelde ‘linksmensch’ het hartgrondig met Baudet eens zal zijn.

De aanval op de natiestaat is volgens Baudet moedwillig. De naoorlogse elites waren doordrongen van de door François Mitterand gemunte wijsheid ‘Le nationalisme, c’est la guerre!’ Dat kán zo zijn, maar dat hangt maar net af van de precieze nationalismevorm. Bovendien stelt Baudet – en hij stelt dat terecht – dat de samenleving niet buiten een collectieve identiteit kan, en die valt niet funderen op verdraagzaamheid of verschilverheerlijking alleen.

Buitenissigheden
In zijn bespreking van het multiculturalisme begint Baudet te schmieren. Zijn eerste ondeugd is dat hij obscure bronnen en buitenissige, in de media gehypte voorbeelden als exemplarisch opvoert. Weliswaar erkent hij die buitenissigheid, maar dit weerhoudt hem er niet van er een pagina of vijftien aan te besteden. Sommige voorbeelden zijn zelfs ronduit foutief, zoals het door Baudet klakkeloos van de feministe Susan M. Okin overgenomen cijfer van 200.000 polygame Parijse gezinnen waarbij de mannen werd toegestaan meerdere vrouwen uit immigratielanden te laten overkomen. Dit cijfer bleek afkomstig uit een roddelblad.

Het wordt heel bont als Baudet niet alleen beweert dat de EU geen oorlog heeft voorkomen – misschien nog enigszins verdedigbaar – maar dat deze organisatie, door de natiestaat te verzwakken, zelf een oorlog in de hand werkt. Want:

Verre van inherent oorlogszuchtig, is opkomen voor nationale soevereiniteit in feite de enige stabiele en intrinsiek vreedzame politieke vorm. De enige soort oorlogen die natiestaten vanuit hun wezen kunnen voeren, zijn defensief.

Dit is een wel erg opzichtige onwaarheid. Natuurlijk voeren natiestaten aanvalsoorlogen, wat lukrake voorbeelden: de Eerste Wereldoorlog, imperialistisch Japan of veel van de recente oorlogen die Amerika voerde.

In andere woorden: als De aanval op de natiestaat geen krachtige argumenten te berde brengt, dan is het wel spraakmakend omdat Baudet grove fouten maakt. En oh ja, Baudet bepleit een ‘multicultureel of open nationalisme’, en een ‘soeverein kosmopolitisme’. Vanuit een stevig verankerde natiestaat en nationale identiteit moet respectievelijk internationale samenwerking en culturele uitwisseling worden gezocht. Dit is weer heel zinnig, en waarschijnlijk ook nuttig om de pendule terug te krijgen in het midden, en niet te laten doorslaan – zoals pendules gewoon zijn – naar een wel erg rechtse zijde.

Thierry Baudet en Michiel Visser (redactie) – Revolutionair verval

Thierry Baudet en Michiel Visser (redactie) – Revolutionair verval

Voer voor idealisten

Oorspronkelijk verschenen 26-04-2012: http://www.8weekly.nl/artikel/9967/thierry-baudet-en-michiel-visser-redactie-revolutionair-verval-voer-voor-idealisten.html

Het conservatisme heeft in Nederland altijd een opmerkelijk kleine rol gespeeld. Al te vaak wordt het gedefinieerd als starre behoudzucht. Dat dit zowel onjuist als betreurenswaardig is, wordt bewezen door de bundel Revolutionair verval. Deze toont de rijkheid van de conservatieve traditie.

Onder de redactie van Thierry Baudet en Michiel Visser hebben meer en minder bekende schrijvers – onder andere Dalrymple, Scruton, Hartmans – achttien uiteenlopende denkers uit de achttiende en negentiende eeuw geportretteerd. In 2010 volgden Baudet en Visser al hetzelfde succesvolle procedé in Conservatieve vooruitgang, waarin zij portretten van twintigste-eeuwse denkers bundelden. In beide bundels is de gedeelde grond het conservatisme. De traditie van conservatief denken blijkt goed voer voor idealisten en sowieso voor eenieder die vandaag de dag over politiek en cultuur nadenkt, omdat het actuele ideeën op een verrassende en soms zelfs ontwrichtende manier reflecteert.

De goede kant van het conservatisme
In hun ‘ten geleide’ benadrukken Baudet en Visser wijselijk dat conservatief niet tegenover progressief staat, maar tegenover revolutionair. Hoe kan iemand immers tegen vooruitgang zijn? Zij stellen dat een belangrijk verschil tussen het conservatisme en die andere twee grote ideologieën, het liberalisme en het socialisme, is dat het conservatisme uitgaat van een pessimistischer mensbeeld. Dit lijkt juist, zolang we het hedendaagse optimistische Amerikaanse conservatisme buiten beschouwing laten. De klassieke conservatief acht mens en samenleving weliswaar verbeterbaar (met moeite), maar allerminst te perfectioneren:

Conservatieven wijzen op dat [menselijk] tekort, en zoeken naar manieren om de nadruk op individualisme enerzijds, en staatsmacht anderzijds, te temperen ten gunste van sociale, gemeenschappelijke waarden en instituties,zonder welke de staatsmacht in hun ogen ontspoort, de vrije markt corrumpeert, en het individu een betekenisloze abstractie blijft.

Deze stelling van de samenstellers toont het conservatisme van zijn goede kant. Natuurlijk is het vaak zo geweest dat geprivilegieerden hun betere positie legitimeerden door zich te beroepen op het conservatieve denken (en dit aldus te misbruiken). Evenzo is het conservatisme het denken van de matiging, van de ‘common sense’ en de rem op de soms al te onstuimige geschiedenis. Wanneer de samenleving te veel verwacht van de mens en diens rationele vermogens, dan waarschuwt de conservatief in de trant van Edmund Burke, de esthetisch begenadigde ‘conservatismevader’:

Politics ought to be adjusted, not to human reasonings, but to human nature, of which the human nature is but a part, and by no means the greatest part.

Chymistry versus stupidity
Het conservatisme verzet zich dan ook tegen, in David Humes frase, ‘philosophical chymistry’; het van de realiteit losgezongen denken. Zo betwistte de grote Samuel Johnson het in het abstracte denken – en in onze tijd! – als zaligmakend gepresenteerde ethos dat de mens het geluk moest najagen. Alsof dat bereikbaar is wanneer je ernaar op zoek gaat: ‘Wat is geluk? Waar vindt men dat?’

Veel van de geportretteerde conservatieven waarschuwen dat wanneer alles wordt afgeschaft wat niet logisch-rationeel valt te beargumenteren, het leven kleurloos en de maatschappij atomistisch wordt – en bovendien zijn dan alle buffers tegen de barbarij weggedacht. We dienen te onthouden dat, paradoxaal genoeg, preliberale waarden noodzakelijk zijn voor het voortbestaan van de liberale samenleving.

Bij veel van de Britse denkers die in de bundel worden besproken, komt het ‘probleem van het conservatisme’ aan de orde, namelijk dat de preliberale waarde, de traditie of het vooroordeel niet moeten worden benoemd. Want eenmaal gearticuleerd staat het automatisch ter discussie. Dit verleidde Walter Bagehot tot de bewering dat een volk dat in politieke vrijheid wil blijven leven, maar beter kan beschikken over één bepaalde eigenschap: ‘stupidity’. De notoir revolutionaire Fransen denken te veel na. Het Engelse volk daarentegen

blinkt uit in real sound stupidity. Het is zo dom (en daarmee wijs), dat het decommon sense meer vertrouwt dan de consistentegevolgtrekkingen van het abstracte denken.

Om in te grasduinen
Onvermijdelijk is de ene bijdrage interessanter dan de ander, maar ook de mindere stukken zijn lezenswaardig. In een prettige mix wordt het conservatisme van de bekende denkers afgewisseld met (in Nederland) minder bekende figuren als Hugues Félicité Robert de Lamennais en August Wilhelm Rehberg. Overigens worden ook de Nederlandse anti-revolutionairen Guillaume Groen van Prinsterer en Abraham Kuyper behandeld.

Dit is een heerlijk boek om in te grasduinen. Op momenten krijgt de lezer het gevoel dat iedere nieuwe pagina een inspirerend idee kan brengen. Dat deze frisheid kan bestaan komt, nogmaals, doordat de conservatieve traditie in Nederland is veronachtzaamd. Revolutionair verval toont dat Alexander Popes domzinnige ‘Whatever is, is right’, in geen geval mag worden toegeschreven aan de echte conservatieve denkers. Want die zijn soms dwaas, soms eng-autoritair, maar evenzo vaak wijs en origineel.