Decadente democratie

recensie: Remieg Aerts & Peter de Goede (red.) – Omstreden democratie. Over de problemen van een succesverhaal.

(Oorspronkelijk verschenen 06-08-2013: http://www.8weekly.nl/artikel/10842/remieg-aerts-peter-de-goede-red-omstreden-democratie-over-de-problemen-van-een-succesverhaal-decadente-democratie.html)

Bedreigen verschijnselen van decadentie – eurocrisis, medialogica, populisme – onze democratie? Het is aan de politicologen, hoeders van de democratische regeringsvorm, om deze verschijnselen te duiden.

Het democratisch principe is onbetwist – zelfs de dictatuur, de totale niet-democratie, noemt zich zo. En dus is het predicaat ‘democratisch’ een nietszeggende lege huls. De discussie dient dan ook te gaan over concrete en ideale democratievormen. Precies dat is wel omstreden. ‘Omstreden democratie’ heet dan ook het 36 deelonderzoeken omvattende project van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). In het gelijknamige boek, geredigeerd door hoogleraar politieke geschiedenis Remieg Aerts en medewerker van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) Peter de Goede, wordt een goed deel van deze onderzoeken toegelicht.

De medialogica
Alle richten zich op de Nederlandse democratie, en dan voornamelijk – want dat is waar de politicoloog mee gepreoccupeerd is – op haar feilen. Gelijk iedere stevig verankerde democratie is de Nederlandse een historische hybride, momenteel gekenmerkt door ‘verschijnselen van decadentie’. In deze bundel worden deze verschijnselen opgesplitst en uitgespit in drie delen, achtereenvolgens vanuit de perspectieven van de historische ontwikkeling, van de om zich heen grijpende medialogica en, wellicht het meest leerrijk, vanuit dat van de ‘democratische paradoxen’.

Niet ieder resultaat is even opwindend. Nu zijn de artikelen die verslag doen van statistisch onderzoek van nature saai, máár nuttig. Ze behandelen veelgestelde, maar nooit eenduidig beantwoorde vragen als ‘Wat is het effect van horse race journalistiek [nieuws over steigers en dalers in de peilingen] op het stemgedrag van nog zwevende kiezers?’ of ‘Wat is het effect op het stemgedrag van gepersonaliseerde politiek, van politici die in campagnetijd een expliciet beroep doen op hun eigen emoties?’ (denk aan de recente campagnespot van Diederik Samsom en zijn gezin).

De respectievelijke antwoorden: succes trekt aan, en dus neigen zwevende kiezers naar stijgers in de peilingen. En vaak laagopgeleide, meer autoritaire en cynische kiezers, niet (meer) gebonden aan partij of ideologie, worden aangesproken door gepersonaliseerde politiek. Daarentegen worden de aan thema of partij gelieerde kiezers er vaak juist door afgestoten. Dit betekent dat de politicus die gepersonaliseerde politiek inzet kiezers kan winnen, maar tevens het risico neemt andere kiezers te verliezen.

Overbelasting door democratie?
In de historische en meer politiek theoretische stukken komen veelbesproken trends voorbij als de verschuiving van government naar governance, de (on)mogelijkheid van het ideale debat en de schijnbaar onoverbrugbare spanning tussen representatief en effectief bestuur. Steeds wordt gevraagd naar de verhouding tussen een fenomeen en de democratische legitimiteit. Binnen deze ratjetoe aan artikelen – overeenkomsten en verschillen worden weliswaar aangeduid, maar de onderzoeksthema’s vliegen soms alle kanten op – is het meest prikkelende artikel dat van Gijs van Oenen, universitair hoofddocent in Rotterdam. Hij noemt zijn onderzoek ‘de theorie van interactieve metaalmoeheid’. Klinkt schrikwekkend, maar het is zowel begrijpelijk als enerverend.

Want waar de andere onderzoekers ervan uitgaan dat de democratie, in welke zin dan ook, verbetering behoeft, is de these van Van Oenen een volstrekt tegenovergestelde: ‘We lijden aan overbelasting door democratie.’ Hij vat democratie op als de politieke implicatie van de continu voortschrijdende emancipatie. Veel Nederlanders – ten minste degenen die tot kritisch denken in staat zijn – zijn politiek inmiddels geëmancipeerd, en dus dragen zij (wij) de volle verantwoordelijkheid voor de democratisch tot stand gebrachte wetten en normen. Deze democratische zeggenschap is zowel een recht als een verantwoordelijkheid.

Nu even niet
Dit laatste onderschrijft iedereen. Maar de nadelen ervan worden niet of nauwelijks benoemd. Hier trekt Van Oenen een inzichtelijke parallel met de veelbesproken ervaring van de 21e-eeuwse twintiger en dertiger, die in zijn of haar privéleven de last torst van de volledige maakbaarheid en dus volledige eigen verantwoordelijkheid. Van Oenen stelt het foucaultiaans: ‘Wij zijn (…) emancipatoir gedisciplineerd.’ Net zoals we de regie willen over ons eigen leven, willen we ook onze verantwoordelijkheid nemen en meebeslissen over de collectieve regelgeving. Alleen: we worden soms simpelweg hondsmoe van die oneindige verantwoordelijkheid. Soms willen we gewoon even niet meer. Zowel in het privéleven als in onze rol van verantwoordelijk burger is het immers ook nooit klaar; we kunnen nooit genoeg eigen verantwoordelijkheid nemen.

Dit ‘nu even niet’ is Van Oenens interactieve metaalmoeheid. Het is het meest in het oog springende voorbeeld van de democratische paradoxen die op wel meer plekken in deze bundel hun eigenaardige gezichten tonen. Al die zinnige ideeën die we vatten onder de brede noemer van de democratie, blijken telkens weer te botsen. Het zijn deze onvermijdelijke paradoxen die de vormgeving van de democratie omstreden maken.

Klassieker: Alexis de Tocqueville – Over de democratie in Amerika

Klassieker: Alexis de Tocqueville – Over de democratie in Amerika

De grootsheid van een democratisch aristocraat

Oorspronkelijk verschenen 19-07-2011: http://www.8weekly.nl/artikel/9324/de-grootsheid-van-een-democratisch-aristocraat-klassieker-alexis-de-tocqueville-over-de-democratie-in-amerika.html

Wij zijn allen democraten. We beschouwen de democratie als een a priori gegeven, zelfs zozeer dat ook de ontevredenen haar niet ter discussie zullen stellen. Maar het is niet allemaal hosanna. De fundamentele oorzaken daarvan worden uitgelegd door een van de allergrootste politieke filosofen ooit, Alexis de Tocqueville.

Tocqueville, de ‘aristocraat in het hart en democraat in het verstand’, licht vanuit een neutraal perspectief de eerste democratische samenleving van de moderne tijd, de Amerikaanse, volledig door. Daarmee legt hij tegelijk de grootste fouten en weldaden van de democratie bloot. Om misverstanden voor te zijn: Tocqueville bedoelt met een democratische samenleving niet alleen dat het politieke bestel democratisch is ingericht, maar vooral een maatschappelijke toestand van gelijkheid. ZijnOver de democratie in Amerika (in twee delen uitgebracht, in 1835 en 1840) is onder andere hierdoor allesbehalve een taai vertoog over het staatsbestel. Integendeel: het zindert van verrassende of verontrustende politieke, sociologische en psychologische inzichten alsook – en hier spreekt puur mijn persoonlijke voorkeur – van Tocquevilles prachtig geuite wanhoop over de onvermijdelijke teloorgang van de aristocratische waarden.

Op hol geslagen massa’s
Het is zeker niet vanzelfsprekend dat uitgerekend Alexis de Tocqueville (1805-1859) het eerste canonieke werk over de democratie heeft geschreven. Tocqueville kwam namelijk uit een aristocratische familie, die al eeuwenlang behoorde tot de zeer zelfbewuste noblesse d’épée, de zwaardadel. Tijdens de Jacobijnse Terreur, die volgde op de Franse Revolutie, zaten zijn ouders tien maanden lang in de gevangenis in afwachting van de guillotine – gelukkig viel Robespierres hoofd eerder.

Dergelijke anekdoten moeten verteld worden om te begrijpen welke proporties het imaginaire standbeeld van de intellectuele held Tocqueville dient aan te nemen. Sinds de Franse Revolutie werd democratie door velen, en zeker door de aristocratische klasse, gelijkgesteld aan anarchie. Maar niet door Tocqueville, die aantoonde dat het angstbeeld van de democratie als een op hol geslagen massa enkel een hersenschim is.

Nieuwe politieke wetenschap
Wel dienen er bij de instelling van een democratie bepaalde richtlijnen in acht te worden genomen. De noodzaak van deze richtlijnen vormt Tocquevilles beginpunt. Hij ziet in de eeuwen voor hem een alomtegenwoordige, gestage trend richting gelijkheid. Om deze reden acht hij, ondanks de Franse en Europese Restauratie – in Tocquevilles Frankrijk hadden amper 5 op de 1000 inwoners stemrecht – de opkomst van de democratische toestand onstuitbaar. Omdat de Europeanen alleen bezig waren op krampachtige wijze de democratie de weg te versperren, hadden zij geen oog voor zowel haar deugden als kwalen. Daarom propageert Tocqueville ‘een nieuwe politieke wetenschap voor een geheel nieuwe wereld’. Deze had als doel:

De democratie onderrichten, waar mogelijk haar overtuigingen nieuw leven inblazen, haar zeden zuiveren, haar bewegingen regelen (…) haar staatsbestel aanpassen aan tijd en plaats, het wijzigen naargelang de omstandigheden en de mensen: dat is vandaag de eerste plicht die is opgelegd aan hen die de samenleving leiden.

En op welke wijze kon men beter leren hoe dit moest dan door de volwassen Amerikaanse democratie te bestuderen? Tocquevilles Over de democratie in Amerika gaat dus eigenlijk nauwelijks over Amerika, maar veel meer over de daar zichtbare algemene democratische tendensen, waaruit de Europeanen lering moesten trekken.

Individualisme
Veelvuldig maakt Tocqueville gebruik van de tegenstelling democratie versus aristocratie. Het eerste en bepalende verschil daartussen komt naar voren in de volgende beroemde vergelijking: ‘De aristocratie had van alle burgers een lange ketting gemaakt die van paysan tot koning liep; de democratie breekt de ketting en legt elke schakel apart.’ In de democratie is iedere burger gelijk en vrij, maar als mogelijk schadelijk neveneffect van deze positieve conditie kan een atomistische samenleving ontstaan.

Belangrijkste boosdoener is het individualisme, dat binnen de democratie is ontstaan: een rustig en weloverwogen gevoel dat de burger ertoe aanzet zich terug te trekken in de eigen kleine privékring. Dat leidt ertoe dat iedere burger ‘onafhankelijk maar zwak’ is, en dat hij niet-persoonlijke zaken het liefst aan de staat overlaat.

Zie hier de reden waarom liberalen, waaronder onze jeune premier Mark Rutte – wiens goedkeuring zelfs de omslag van de nieuwe Nederlandstalige, schitterend verzorgde uitgave ‘siert’ – Tocqueville zo gretig omarmen. Want Tocqueville waarschuwt voor het gevaar dat door de individualistische houding van de burger een monsterlijke overheid ontstaat, wier tentakels zich langzaam maar zeker uitstrekken over alle gebieden van de samenleving. Op deze wijze dreigt de democratie te evolueren richting een ‘mild despotisme’:

Een immense en beschermende macht (…) die zich als enige belast met de zorg voor hun genietingen en het toezicht op hun lot. Zij is absoluut, nauwkeurig, regelmatig, vooruitziend en zachtmoedig. Zij zou op het vaderlijk gezag lijken als zij, evenals dat gezag, tot taak zou hebben de mensen voor te breiden op de volwassenheid, maar zij probeert juist niets anders te doen dan hen onherroepelijk in hun kindertijd vast te houden.

Associaties
De Amerikanen hebben hierop een tegenwicht gevonden, namelijk de associatievorming. Binnen de associatie leren de burgers hoe hun eigenbelang aansluit op het algemeen belang, leren zij de ‘kunst van de vrijheid’ en het belang van samenwerking. Nog altijd zien ‘Neo-Tocquevillianen’ associatievorming en lokale democratische participatie als essentiële maatschappelijke buffers tegen een te machtige centrale staat en tegen een mogelijke tirannie van de meerderheid (een begrip dat door Tocqueville is gemunt). Rutte en consorten zullen dit volmondig en met de hen zo eigen glimlach beamen: de burger die eindelijk eens de verantwoordelijkheid neemt, en niet enkel vragend naar vadertje staat kijkt.

Maar de observator Tocqueville destilleerde nog meer mooie inzichten uit de Amerikaanse democratische processen. Bijvoorbeeld de nieuwe vorm van stabiliteit: het gros van de burgers is continu met de eigen materialistische belangen bezig, waardoor hun overtuigingen onveranderlijk zijn en ze niets liever willen dan publieke rust. Tocqueville noemt dit zelfs de enige overgebleven ‘politieke hartstocht’: immers, niets is zo slecht voor de handel als een revolutie.

Ruttes ideaal?
Maar lezend over dit ongebreidelde materialisme, blijkt er toch meer aan de hand te zijn dan de simplificerende ‘recht-op-en-neer-filosofie’ van Rutte en het rechts-populisme doet vermoeden. Tocqueville als politiek psycholoog hamert namelijk continu op de geestelijke nivellering binnen de democratische samenleving:

Ik zie een ontelbare massa eendere en gelijke mensen die voortdurend met zichzelf bezig zijn om zich kleine en platvloerse genoegens te verschaffen waarmee zij hun ziel vullen.

De associatievorming mag dan een antidotum tegen het despotisme vormen, tegen de teloorgang van de werken van de geest, het artistieke, het spirituele – of hoe je het ook noemen wilt – is binnen de democratische toestand veel moeilijker een tegenwicht te vinden:

Wat ik de gelijkheid verwijt, is niet dat zij de mensen aanzet tot het najagen van verboden genoegens, maar dat zij hen volledig doet opgaan in de zoektocht naar toegestane genoegens.

In de gelijkheidstoestand lijkt vaak enkel het economisch nut waarde te worden toegekend; de waarden van de geest zijn onbekend. De massa streeft onbekommerd af naar een toestand van dierlijke eenvormigheid. Dit wordt mede veroorzaakt doordat in de democratische situatie mensen minder snel iets van de ander willen aannemen of leren. Zij kunnen de ander niet zien als superieur, maar altijd enkel als gelijke, waardoor zij ‘voortdurend worden teruggeworpen op hun eigen rede als de meest zichtbare en de meest nabije bron van de waarheid’.

Streven naar grootsheid
Daarentegen hebben burgers alle vertrouwen in de opinie van de meerderheid, allemaal zijn ze immers gelijken, dus dan moet de waarheid toch bij het grootste aantal te vinden zijn? Tocqueville voorspelt het geloof in de publieke opinie: ‘De meerderheid leeft dus in een permanente staat van zelfaanbidding; alleen dankzij vreemdelingen of hun eigen ervaring krijgen de Amerikanen oog voor bepaalde waarheden.’

De democratie acht Tocqueville onvermijdelijk, maar hij betreurt de verloren ‘grandeur’ van de aristocratie, die er juist toe aanzet de geest ‘op te laten stijgen naar de hogere regionen van het denken’ en die haar ‘op natuurlijke wijze rijp [maakt] voor de sublieme en bijna goddelijke liefde voor de waarheid.’ Wat kan er gedaan worden om toch nog iets van deze grootsheid te behouden? Tocqueville komt hier helaas niet verder dan een pleidooi, dat de Nederlandse politici nooit zullen durven navolgen:

De wetgevers van democratieën en alle eerbare en verlichte mensen die er leven, moeten dus onophoudelijk alles in het werk stellen om de zielen te verheffen en die op de hemel gericht te houden.

De liberale traditie
Het is in deze kritische liberale traditie, waarin de democratie zowel wordt omarmd als op haar fouten gewezen, waarin een waakzaam en integer burger dient te staan. Van de grote gevaren waarop Tocqueville wijst, die van de zwakke eenling tegenover een almachtige staat of de tirannieke meerderheid, en die van een alles doordringende en omlaaghalende geestesnivellering, behoren burgers zich ten volste bewust zijn.

Het is onvermijdelijk dat dit essay te weinig recht doet aan de 800 pagina’s van Tocquevilles Over de democratie in Amerika. Vooral het tweede boek loopt over van inzichten die na 170 jaar nog altijd geldig zijn en weten te verrassen. Tussendoor voorspelt Tocqueville en passant de Koude Oorlog, om zo maar wat te noemen. Enkel een voorbeeld om duidelijk te maken dat er over deze grootse politieke filosoof, Machiavelli gelijk, nog zoveel meer te zeggen – en te lezen – valt.

Anton van Hooff – Athene. Het leven van de eerste democratie

Anton van Hooff – Athene. Het leven van de eerste democratie

Over de bakermat

Oorspronkelijk verschenen 04-05-2011: http://www.8weekly.nl/artikel/9159/anton-van-hooff-athene-het-leven-van-de-eerste-democratie-over-de-bakermat.html

In de inleiding op zijn Athene. Het leven van de eerste democratie benadrukt Anton van Hooff het belang van het bestuderen van de oudheid voor de beschaving, cultuur, democratie. Tweehonderd bladzijden verder is zijn gelijk bewezen: Atheense burgeridealen confronteren onze samenleving met haar fouten.

Na het vorig jaar verschenen Nero en Seneca is dit het tweede werk over de oudheid van classicus Van Hooff. Tussen de regels door lees je zijn liefde voor het onderwerp en de kreten van verrukking die hij, tevergeefs, probeert te onderdrukken. Dit enthousiasmeert de lezer – en dat, zo legt Van Hooff uit, betekent: ‘de godheid is in hem: in het woord enthousiasme zit het Griekse en (in) en theos (godheid)’.

Burgerschap
Van 508 tot 322 regeert in Athene het volk, met slechts een paar korte oligarchische onderbrekingen. Anders dan onze als democratie gemaskeerde ‘electieve aristocratie’, was de Atheense democratie werkelijk een volksregering. Het berustte op direct bestuur en vereiste daarom een hoge mate van burgerparticipatie. In Pericles’ beroemde woorden: ‘Want wij zijn de enigen die iemand die daaraan geen deel heeft, niet beschouwen als een werkeloos, maar als nutteloos iemand’.

Het democratische Athene herbergde 30.000 burgers – slaven, vrouwen en vreemdelingen vielen erbuiten. Belangrijkste politiek orgaan was de volksvergadering, de ekklèsia, die gemiddeld 40 keer per jaar bijeen kwam. Daarin hadden alle Atheense burgers het recht het woord te voeren (isègoria). Daarnaast waren op ieder moment 3200 burgers actief binnen roulerende functies, meestal via loting aangewezen. Roulatie diende als een van de ‘checks’ op mogelijk machtsmisbruik: het voorzitterschap van de ekklèsia rouleerde dagelijks, waardoor een op de vier Atheense burgers een dag in zijn leven ‘president’ was!

Toneel
Dit klinkt allemaal zeer verlicht, maar natuurlijk waren de Atheners net mensen. Wanneer ze weinig trek hadden in een routinematige volksvergadering, en de opkomst op de vergaderingslocatie de Pnyx dus tegenviel, werden staatsslaven ingezet om met een in rode verfstof gedrenkt touw het grote plein schoon te vegen. De daardoor veroorzaakte rode vlek was een teken van slecht burgerschap. Dit neemt niet weg dat politiek ieder deel van het Atheense leven doordrenkte. Een voorbeeld daarvan is het toneel, waarin democratie en beschaving werden samengebracht:

In het mythische gewaad van het treurspel blijven ze wel versluierd. Nooit wordt uitbundig de lof van de volksmacht gezongen. Zulke platte propaganda zou van slechte smaak getuigen. Het Atheense toneel blijft in zijn verwijzing naar de politieke actualiteit even ingehouden en tijdloos als de sculpturen van het Parthenon.

Griekse leefregels als ‘niets te veel’ (mèden agan) werden middels toneel bijgebracht. Voor zowel politieke activiteiten als het bijwonen van het beschavende toneel ontvingen de Atheners vergoedingen – zoals Van Hooff oppert misschien een idee voor onze tijd? Sowieso verwijst Van Hooff veel naar het heden en de recente geschiedenis. Zo geeft hij aan dat de Atheense democratie groot is geworden dankzij het imperialisme: via slavernij en uitbuiting verkregen welvaart bracht de burgers tijd voor de politiek. Is ons stabiele politieke systeem denkbaar zonder de historisch gegroeide en deels op uitbuiting gebaseerde welvaart?

Dèmokratia
Af en toe verrast Van Hooff met dergelijke scherpe uithalen. Maar wat dit boek vooral zo prettig maakt zijn de vele etymologische verwijzingen en, daarmee samenhangend, de vele momenten van verrassing – zo kende Athene tachtig feestdagen – of van herkenning bij in Athene ontstane en aan ons overgeleverde culturele elementen. Dit en meer maakt dit verfijnd geschreven boek zeer informatief, met bovendien steeds precies genoeg herhaling: gymnasiumleraar Van Hooff weet hoe te doceren.

Ten slotte maakt de auteur inzichtelijk hoe, toen de Atheense burgers zich steeds meer in de privésfeer terugtrokken, de bezorgde burgers de godin Dèmokratia invoerden, als vergeefse stoplap. Van Hoof trekt nog maar eens een analogie, nu met het huidige crisisgevoel en het daarom in Den Haag op te richten Huis voor democratie en rechtsstaat. Maar eigenlijk zouden mensen dit soort boeken moeten lezen.