Zuur wil glans

recensie: Jonathan Franzen (vert. Nelleke van Maren en Barber van de Pol) – Het Kraus-project

(Oorspronkelijk verschenen 22-12-2013: http://www.8weekly.nl/artikel/11201/jonathan-franzen-vert-nelleke-van-maren-en-barber-van-de-pol-het-kraus-project-zuur-wil-glans.html)

Het Kraus-project is Jonathans Franzens hommage aan Karl Kraus, de Grote Hater: ‘Zuur wil glans, en roest zegt dat het alleen maar bijtend is.’

Het citaat pareert het gratuite verwijt van negativisme. En pareren is nodig, want het cultuurpessimisme smaakt ons niet; cultuurpessimisten serveren wij graag en direct af als azijnpissers die improductieve gevechten leveren met de een of andere onvermijdelijkheid. Maar het cultuurpessimisme van Karl Kraus (1874-1936) was niet enkel afbrekend, maar in zijn doorwrochtheid en satirische kracht juist zeer vruchtbaar. Hij haatte uit liefde; hij polemiseerde omdat hij de verregaande aantasting van zijn geliefde cultuur wilde tegengaan. Deze aantasting van taal en verbeeldingskracht zag hij als een ‘ontmenselijking’. Voor hem was de ontmenselijking niet een gevolg, maar juist de oorzaak van de Eerste Wereldoorlog. Dit perspectief zette hem aan tot zijn polemische kruisvaart. En de unieke, gestileerde én actuele wijze waarop hij zijn heilige strijd voerde, rechtvaardigt Franzens Het Kraus-project.

1:5
Een waarschuwing: Het Kraus-project is een rommelig boek. Jonathan Franzen, auteur van de nieuwste ‘Great American Novels’ De correcties en Vrijheid, vertaalde en becommentarieerde twee essays van Kraus. In het eerste essay, ‘Heine en de gevolgen’ (1910), kraakt Kraus de gezwollen Weense journalistiek. De oorzaken van het journalistieke falen voert hij terug op de romanticus Heinrich Heine, die de cultuurpagina beroemd maakte en de lichtheid in de Duitse literatuur introduceerde. En in ‘Nestroy en het nageslacht’ (1912) bespreekt Kraus de satiricus die hem voorkomt als Heines antithese: de Oostenrijkse theaterschrijver Johann Nestroy (1801-1862).

Daarnaast biedt het boek broodnodig, overvloedig commentaar op Kraus. Niet alleen van Franzen, maar ook van Kraus-kenners Paul Reitter en de bekende Weense schrijver Daniel Kehlmann. Verhouding Kraus en commentaar 1:5. Voor een deel ligt dit aan Kraus’ opzettelijk moeilijke stijl: ‘Ik wil dat de vrucht van mijn zwoegen is dat er met scherper oog wordt gelezen.’ En dus is een interpretenteam nodig om Kraus begrijpelijk te maken. En dan nog merkt Kehlmann sporadisch op: ‘Wie weet in godsnaam wat Karl Kraus hier bedoelt?’ De voetnoten worden verder gevuld met de parallellen die Franzen trekt tussen Wenen 1910 en Amerika 2013 trekt én zijn eigen ervaringen toen hij als 22-jarige aspirant-schrijver in Berlijn studeerde (en daar Kraus ontdekte). Dit is interessant voor Franzenfans – al is de bleue Jonathan soms wat ergerlijk. In ieder geval klopt Franzens persoonlijke tekst wat lucht in het boek.

Fonkelingen in de chaos
De lezer die de strijd aandurft wordt beloond: Kraus is zo scherp als mogelijk, en zijn tirades fonkelen zowel boven als onder de oppervlakte. Zijn polemiek richt zich vooraleerst op versuikerd en uitgehold taalgebruik. Maar voor Kraus zijn taal en ethiek nauw verbonden. Dit verklaart de causale relatie die hij ziet tussen de taalerosie en de catastrofe van 1914. Zo schrijft hij:

Lijfelijk aanwezig, geestelijk weerzinwekkend, perfect zoals hij is, hoopt deze tijd te worden ingehaald door komende tijden en dat de kinderen die verwekt zijn door de verweving van sport en machine en met krant zijn gevoed, dan nog beter kunnen lachen.

Franzen benadrukt: dergelijke citaten passen naadloos op onze tijd. Sowieso is Franzen steeds het kippetje dat inpikt om de actuele parallel te benadrukken, al is hij een veel suffiger en voorspelbaarder pessimist dan de immer schurende en verbazende Kraus. Maar of je bovenstaande citaten nu wel of niet op onze tijd betrekt – het kán wel –, huiveren zal je.

In hetzelfde huiveringwekkende verband past een van Kraus beroemde apocalyptische aforismen: ‘We waren ontwikkeld genoeg om machines te bouwen, maar te primitief om er voor te zorgen dat ze ons dienen.’ Dit is de ook nu nog geldige these; machine, technologie en puur utilitarisme komen op; taal, literatuur en ethiek gaan neer. Het gevolg hiervan is, bijt Kraus de lezer toe, dat het in zijn geestelijke vermogens aangetaste publiek niet in staat is zich te weren tegen de nationalistische krantenleugens die de Eerste Wereldoorlog inleidden. En een actueel gevolg hiervan, doceert Franzen, is bijvoorbeeld dat wij niet in staat zijn de huidige digitale technologie – van het dwangmatig Facebook checken tot de wereldwijde dataroaming van de spionagediensten – onder controle te houden.

Die Fackel
Wanneer Kraus ageerde tegen de woordenmishandeling, formuleerde hij in essentie ‘het verband tussen mishandelde woorden en mishandelde lichamen’. Zijn project kreeg vorm in Die Fackel, het door hemzelf uitgegeven en tussen 1911 en 1936 ook helemaal zelf volgeschreven (bijna-)wekelijkse tijdschrift. In Die Fackel bekritiseerde hij vaak de mix van esthetiek en de Weense ‘impressionistisch’ geworden journalistiek:

Een zanger terwijl ze alleen boodschapper moet zijn, rapporterend waar ze zou moeten zingen, het oog te veel op het doel gericht om te zien waar een kleur brandt, verblind voor haar doel uit vreugde om het schilderkunstige, vloek van de literaire utiliteit, geest van de utiliteratuur.

In deze stijl gaat hij door en door. De laakbare hybride van de ‘utiliteratuur’ voert hij terug op Heines erfenis:

Het meeste profijt heeft ze gehad van die Heinrich Heine, die de Duitse taal zo uit het keurslijf heeft bevrijd, dat iedere kantoorbediende aan haar borsten kan frunniken. Het afgrijselijke aan het schouwspel is het verwisselbare van deze talenten, die op elkaar lijken als rotte eieren.

Cultiveer uw taalgebruik
Kraus hanteert vaak dit soort satire. De populariteit van Heine is jeugdsentiment: ‘Je had mazelen, je had Heine, en je wordt warm bij de herinnering aan iedere koorts uit je jeugd.’ Verder bedoelt hij: of de journalistiek nu over een tramongeluk of een kroning rapporteert, ze beschrijft alles op dezelfde manier, hooguit na wat adjectievengehussel: ‘Alles past altijd op alles.’ Overgeheveld naar onze tijd treft deze kritiek de alomtegenwoordige meninkjes in de inwisselbare blogs en columns. (Even grappig als gruwzaam is dat ook de achterflap van Het Kraus-project een best staaltje hiervan toont: daar staat dat het ‘een geweldig, en zelfs zeer persoonlijk boek van de grootste schrijver van deze tijd’ is – even los van de goedkope superlatieven, maar het is alleszeggend dat ‘zeer persoonlijk’ boven ‘geweldig’ gaat.)

Als Franzen of ik dit zegt, klinkt het al snel vitterig. Maar bij Kraus is dit, mede dankzij zijn gecodeerde stijl, nooit het geval. Hij bijt en rafelt en blijft zo ver weg van standaarduitingen, dat zijn scherpzinnige kritiek levendig blijft, ook honderd jaar na dato. En sindsdien heeft de versuikerde middlebrow-cultuur – zeg maar: de ‘De Wereld Draait Door’-cultuur – enkel meer terrein op de hoogcultuur gewonnen. En al is de cultuur weerbaarder gebleken dan Kraus dacht, zijn waarschuwing blijft van belang: met de neergang van taal en verbeeldingskracht, vergruist onze verdediging tegen de veelvormige barbarij.

Media van de toekomst

Recensie van: Rob Wijnberg – De nieuwsfabriek. Eerder verschenen 09-03-2013: http://www.8weekly.nl/artikel/10571/rob-wijnberg-de-nieuwsfabriek-media-van-de-toekomst.html

Er is beweging in krantenland. Zowel De Nieuwe Pers als Rob Wijnberg lanceren nieuwe digitale kranten. Waarbij Wijnberg ook nog een essay schreef: De nieuwsfabriek.

Oud-hoofdredacteur van NRC Next Rob Wijnberg – wiens geboortejaar 1982 nog altijd verrast – zet in zijn degelijk opgebouwde betoog de aanval in op de verstarde nieuwspraktijk. Hij bespreekt de vele tekortkomingen en, in het kort, de verbeteringsmogelijkheden. Mogelijkheden die hij hoopt te materialiseren in zijn komende, volledig digitale project. Ondertussen is De Nieuwe Pers al van start gegaan, en wel door abonnementen op individuele journalisten aan te bieden in plaats van op een volledige krant.

Nieuws repeteert
Wellicht klinkt daar de muziek van de (nabije) toekomst. In De nieuwsfabriek beschrijft Wijnberg soepel en telkens passend geïllustreerd de fundamentele kwalen van de huidige nieuwspraktijk. Voor veel lezers zal dit bekend zijn: het nieuws negeert de continue materiële vooruitgang, selecteert in plaats daarvan de negatieve trends (verval, fouten, ongelukken) en is ergerlijk repetitief. Aandacht genereert aandacht, media doen telkens weer dezelfde ‘moetjes’ aan – ijs en treinen in de winter, terrassen in de zomer – en conformeren zich aan de weinig opzienbarends voortbrengende cyclus van kwartaalcijfers, prijsuitreikingen en topconferenties.

Bovendien klinkt er door de deels zelfopgelegde extreme bondigheid haast nooit een nieuwe mening: een dwarse opinie behoeft immers meer uitleg dan er in beperkte ruimte gegeven kan worden. Misschien niet verrassend, maar niettemin belangrijk dat Wijnberg benadrukt: ‘Nieuws heeft de ingebakken neiging om bestaande (voor)oordelen te bevestigen en conventionele wijsheden te herkauwen.’ De veelal maatschappelijk betrokken journalisten werken dus mee in en aan een systeem dat de bestaande politieke en economische machten bevoordeelt.

De beeldvormingsparadox
Nieuws is reductionistisch en is dit in toenemende mate langs de lijnen van de commerciële logica. Via de eindeloze herhaling van gemeenplaatsen en stereotypen wordt een eenduidige wereld geschetst die mensen herkennen en waarin ze zich prettig voelen. Het gevolg is een wrang-grappige beeldvormingsparadox: meer media-aandacht leidt tot de verankering van één simpel frame en daardoor tot minder kennis en begrip. Het nieuws is zwart-wit, in flagrante tegenstelling tot de in vele grijstinten voorkomende werkelijkheid.

Bovendien dreigt in infotainmentprogramma’s de ‘tainment’ de overhand te nemen. Wijnberg erkent dat hij soms overdrijft om zijn punt te maken, maar zijn punt bevat voldoende waarheid: ons collectieve venster op de wereld wordt meer en meer ‘de zapservice’. Neem de politieke ‘hoogtepunten’: we herinneren ons de gehypte ‘frames’ – Bos draait, Vogelaar zwijgt, Balkenende zegt dat ze lief lacht –, maar niet de inhoudelijke debatten.

Journalist versus spin, framing, pr
Wijnberg haast zich het bestaan van uitzonderingen te benadrukken, zoals De Groene Amsterdammer en Tegenlicht. Maar ook de kwaliteitskranten beginnen te delen in de malaise (om niet te spreken van het bijna gênant wordende NOS-journaal). Het eerste duidelijke probleem is dat bedrijven almaar meer geld besteden aan hun imago. Hun spin, framing en pr zetten het ideaal van objectiviteit op zijn kop.

Want de registrerende, objectiviteit nastrevende journalist oordeelt niet over de door hem/haar opgetekende meningen. Met als gevolg dat de met veel geld en slimmigheid vormgegeven bedrijfsboodschappen de overhand krijgen. Overtrokken gesteld verwordt de journalist zo tot een boodschappenjongen van het grote geld.

Om dit te overstijgen zou de journalist openlijk de geloofwaardigheid van stellingen moeten inschatten en de rol van bewust gecreëerde beeldvorming daarin blootleggen. Wijnberg negeert dat veel journalisten dit binnen de beperkte ruimte al wel proberen. Maar inderdaad zou je hem kunnen aanvullen door te stellen dat nu werkelijk alles om beeldvorming draait, dit imperatief simpelweg tot een van de eerste journalistieke geboden verheven moet worden.

Oplossingen?
Daarnaast wijst Wijnberg terecht op de overduidelijk afnemende kwaliteit. Zie de afzichtelijke zaterdagbijlagen van zowel het NRC, in handen van de winstzoekende investeringsmaatschappij Egeria, als de Volkskrant, waarin de lifestyleartikelen zijn geschreven om te passen bij de advertenties. Daarentegen is er voor onderzoeksjournalistiek nauwelijks ruimte meer. Alleszeggend is het door Maarten Keulemans geleverde cijfer dat er in de vier kwaliteitskranten in 1995 nog zesenzestig artikelen van 4.000 woorden of meer verschenen, en in 2010 nog slechts zeven. In plaats hiervan kwam niet alleen lifestyle, maar ook de alomtegenwoordige mening. Wijnberg liet turven dat de zes grootste kranten in een enkele week goed waren voor 449 columns en opiniestukken. 449! Ocharme.

Wat Wijnberg wenst is meer zelfreflectie van de jachtige journalistiek. De negentiende-eeuws aandoende ‘nieuwsfabriek’ dient grondig te worden hervormd. Hij pleit onder meer voor een grensoverschrijdende in plaats van nationale redactie-indeling (bijvoorbeeld: ‘redacteur energie’ in plaats van ‘redacteur Rusland’), meer benutting van de grotere mogelijkheden en lagere kosten van digitalisering en in plaats van het eindeloze herkauwen van nieuwsfeiten voor meer achtergrond- en contextverhalen aansluitend bij de actualiteit.

Zijn diagnose is juist en zijn aanzetten tot vernieuwingen prikkelen. Punt blijft: kan het? Een ideaal laat zich relatief gemakkelijk formuleren, maar het inbreken in bestaande mediastructuren is natuurlijk iets anders. Zullen voldoende mensen zich verbinden aan zijn nieuwe krant? Dit essay is degelijk en nuttig, maar vraag blijft of Wijnberg erin zal slagen een levensvatbare, digitale krant te vormen. Dán heeft hij iets werkelijk bijzonders gedaan.

Maar u hongert ook naar de overwinning!

Recensie van: Laurent Binet (vert. Liesbeth van Nes) – Niets gaat zoals verwacht. Eerder verschenen 26-02-2013: http://www.8weekly.nl/artikel/10550/laurent-binet-vert-liesbeth-van-nes-niets-gaat-zoals-verwacht-maar-u-hongert-ook-naar-de-overwinning.html

Na zijn virtuoze, bestsellende HhhH ging Laurent Binet op stap met de campagne van François Hollande, de huidige Franse president. Het verslag dat hij hiervan schreef, is doordrenkt met Binets eigenzinnige stijl.

De Nederlandse lezer die Hollande enkel kent van het tv-journaal zal waarschijnlijk hetzelfde denken als Binets eigen uitgever aanvankelijk dacht: ‘Dat wordt strontvervelend… hij is oninteressant, geen charisma, te saai.’ Ook de Fransen noemden hem ‘vlaflipje’, ‘bosaardbeitje’, belichaming van het ‘Weke Links’. Nu is Hollande inderdaad Heydrich niet, maar opmerkelijk en het beschrijven waard is hij wel degelijk.

West Wing-stijl
Van juni 2011 tot en met mei 2012 volgt Binet van dichtbij Hollandes verkiezingscampagne. Hij gaat mee met fabrieksbezoeken, zit aan bij diners en tactische besprekingen, registreert het gesteggel binnen de rommelige meerstromingenpartij de Parti Socialiste (PS) en praat met omcirkelende journalisten en politieke medestanders (onder wie veel huidige ministers). Het resultaat is een verhelderend West Wing-achtig dagboekverslag van het campagnegekrioel. Waarbij in de vertaling overigens een broodnodige ‘wie is wie in de Franse politiek’ is opgenomen.

Nu is Binet natuurlijk geen doorsnee-journalist. Typerend is zijn commentaar op de objectieve aanpak van de journaliste Yasmine Reza, die in 2007 met de Sarkozy-campagne meeliep: ‘Ik weet nu al dat ik niet tot een dergelijke distantie in staat ben.’ Zo kennen HhhH-lezers hem weer: Binet is geen fly on the wall.

Geschiedenis, of de 75 procent
Binets sympathie voor Hollande zweeft als die van de eerste de beste kiezer. Het ene moment wil hij Hollande stemmen en probeert hij herhaaldelijk taxichauffeurs over te halen dat ook te doen. Dan vlakt zijn enthousiasme af. Om vervolgens weer op te laaien, maar wel voor Jean-Luc Mélenchon, de presidentskandidaat van de nog linksere Front de Gauche. Hij raakt ontwapend – en ontwapent op zijn beurt de lezer – wanneer hij Melenchon uitvoerig hoort verwijzen naar een historisch congres in 1920: ‘Dat is het, ik wil op hem stemmen, het is sterker dan ikzelf, zodra er over geschiedenis wordt gepraat kan ik me er niet tegen verzetten.’

Hij schudt zijn wispelturigheid definitief af wanneer hij vlak daarna Hollande de langverwachte inhoudelijk linkse toespraak hoort geven (Hollande schijnt een sterk spreker te zijn). Diens aankondiging van maatregelen als de 75 procent belasting op het inkomen boven een miljoen begeestert zowel Binet als de socialistische aanhang.

Drie soorten kaas
Naast van de tactici, de idealisten en de baantjes- en prestigejagende figuren uit Hollandes entourage, schetst Binet ook een inzichtelijk beeld van het campagnevolgende journaille. Hij bekritiseert hun onhebbelijkheid om na afloop van een sessie hun aantekeningen op elkaar af te stemmen, om zich ervan te verzekeren niets te hebben gemist. Vanzelfsprekend levert dit een uniforme verslaggeving op. Deze uniformiteit wordt nog versterkt door eenzelfde blik: zo ziet Binet als Hollande een broodje eet verschillende journalisten rondom hem nauwgezet noteren: ‘Met drie soorten kaas.’

Tegenover de onmatige Nicolas Sarkozy werd Hollande natuurlijkerwijs gepresenteerd als de ‘normale kandidaat’. Dit kan misleiden, want Binets portret is dat van een gelaagde man. Gelijk iedere presidentskandidaat wil Hollande macht. Wat hem echter vooral kenmerkt is zijn figuurlijke taalgebruik en neiging om steevast wat milde ironie op de achtergrond te laten meeklinken. Hiermee lijkt Hollande afstand te houden ten opzichte van de menselijke komedie. Verder blijkt Hollande een improvisator – tot wanhoop van zijn adviseurs – en besteedt hij vele uren aan het (her)schrijven van zijn toespraken.

De judoka Hollande
Opvallend zijn ten slotte zijn replieken. Hollande is een judoka; hij gebruikt de kracht van de tegenstander, incasseert de aanval, ‘slorpt ze op en gebruikt ze als eigen munitie’. Het boek wemelt van de elegante voorbeelden hiervan. Geconfronteerd met de uitspraak van een tegenstander: ‘Eerlijk is eerlijk, kunt u zich Hollande als president voorstellen? Een droom’, reageert Hollande: ‘Ja, ik onthoud dat woord: het is een mooie droom. Ik ben blij dat hij ook droomt.’

Schitterend toch? Een net iets ander voorbeeld:

Een jongeman in de menigte roept: ‘We hebben honger!’ Hij [Hollande] concludeert op komisch-gaullistische wijze: ‘U hebt honger, ik weet het, maar u hongert ook naar de overwinning!’ (bijval van de menigte).

De titel Niets gaat zoals verwacht is raadselachtig. Die citeert Hollandes reactie wanneer hij hoort van de val van Dominique Strauss-Kahn. Verwijst hij tevens naar de onverwachtheid van zijn uiteindelijke overwinning? Naarmate die dichterbij komt – verkiezingsdatum: 6 mei 2012 – schrijft Binet zichzelf minder in de tekst. Dat is jammer, want het was juist de spanning tussen zijn campagneregistratie, zijn waardering daarvan en zijn belevenissen die dit boek levendig maken. De waardering blijft overeind: een origineel verslag, fijn ingekleurd door Binets eigenzinnige stijl en Hollandes charmante karakter.

Kysia Hekster – De Poetinshow

Kysia Hekster – De Poetinshow

Een wijs raafje  

Oorspronkelijk verschenen 07-06-2012: http://www.literairnederland.nl/2012/06/07/de-poetinshow-kysia-hekster/

Een 18e-eeuwse Russische edelman schijnt te hebben gezegd: ‘Despotisme getemperd door sluipmoord, dat is onze Magna Charta’. Voor het huidige Rusland dient deze bon mot aangepast te worden, tot ‘autoritarisme gedempt door volkswoede’.

Kremlin-ideoloog Vladislav Soerkov bedacht hier zelfs een term voor. Hij noemde het ‘soevereine democratie’. In essentie betekent dit ‘dat de baas beslist en dat het volk door verkiezingen aan kan geven dat het instemt met wat de baas beslist.’ Zolang de economie groeide en de verkiezingen niet al te openlijk vervalst werden namen de Russen zowel dit democratische tekort als de mediapropaganda, het hoge sterftecijfer, de zwakke gezondheidszorg, het terrorisme etc. voor lief. Maar de verkiezingsfraude bij de meest recente verkiezingen bleek te openlijk, waardoor de volkswoede de Russische onverschilligheid overtrof.

Voor een verklaring van waarom de soevereine democratie kon werken, lijkt het vooral nodig om naar de geschiedenis te kijken. Ideologische excessen, eerst het communisme en daarna de kapitalistische ‘shocks’, hebben de Russen murw gebeukt. Het nu tien jaar durende autoritaire president- en premierschap van Vladimir Poetin – sinds 7 mei 2012 is hij weer president – bracht de Russen de orde waarnaar ze zo verlangden. Opmerkelijk is dat zelfs tijdens de protesten de (onvervalste) goedkeuringspercentages voor Poetin rond de 50% bleven schommelen. Er zijn dus genoeg mooie vragen te stellen. In De Poetinshow. En het Rusland voor de Russen probeert NOS-correspondente Kysia Hekster tot een antwoord te komen op één daarvan, namelijk: hoe kijken de Russen naar Poetin?

De Poetinshow verwijst naar de regelmatig in de Russiche tv-journaals uitgezonden beelden van bijvoorbeeld de vitale, half onblote president te paard op de toendra. Of van Poetin die zogenaamd twee antieke amforen uit de Zwarte Zee opvist. Maar de Poetinshow is ook de naam van een jaarlijks terugkerende tv-show waarin Poetin vragen beantwoordt die zijn ingestuurd door gewone burgers. De show houdt de façade hoog, kanaliseert wat van de maatschappelijke onrust en speelt en passant in op een aloude Russische reflex: ‘De bojaren plegen bedrog, de tsaar is onschuldig.’

Maar Hekster richt zich vooral op de Russische burger. Ze is journaliste, en als zodanig gaat ze te werk. Ze bespreekt opmerkelijke nieuwsfeiten van de afgelopen jaren, en interviewt betrokkenen: van de agent die in een populair filmpje op RUtube (de Russische variant van) de alomtegenwoordige corruptie beklaagt – Rusland moet de 154e plaats op de index van Transparancy International delen met Guinee-Bissau – tot de Oezbeekse immigrant die probeert te overleven in het xenofobe Russische klimaat.

Zeer sporadisch gebruikt Hekster andere middelen, en de lezer wenst dat ze dat veel vaker had gedaan. Neem de volgende Poetinverklarende fabel: ‘Een raaf zit in een boom met een groot stuk kaas in zijn bek. Een vos zit beneden aan de stam te wachten en vraagt: “Ga je op Poetin stemmen, raafje?” “Ja!” roept de raaf uit, en het stuk kaas valt naar beneden. De vos gaat ermee aan de haal. De raaf denkt bij zichzelf: wat nou als ik nee gezegd had? Had het iets uitgemaakt?’

Beter het kwaad dat je kent, dan het onbekende kwaad: het Russische volk wil bovenal de onzekerheid vermijden. Daarbij denken de patriottische Russen nog altijd vol schaamte terug aan Poetins voorganger, de alcoholist en kapitalistenpaaier Boris Jeltsin. In zijn show wordt Poetin dan ook gepresenteerd als de absolute tegenhanger van zowel Jeltsin als van de gemiddelde Russische man – die voornamelijk als gevolg van drankmisbruik op zijn 62e overlijdt. Daarentegen drinkt Poetin niet en presenteert hij zichzelf als de grote patriot, als gedisciplineerd en plichtsgetrouw. Poetin maakt de Rus weer trots op zijn land. Het belangrijkste van alles: hij bracht stabiliteit. Allereerst economisch. Desondanks is de economie van BRIC-land Rusland nog te zeer – Hekster noemt voor 60% van de staatsinkomsten – afhankelijk van de belastingen op energie-export.

En, zoals het raafje al dacht, wat is het alternatief? Zo voert Hekster als ‘grote held’ van de oppositie Aleksej Navalny op. Navalny maakte naam als corruptiebestrijder, en wordt getipt als mogelijke toekomstige presidentskandidaat. Maar tegelijkertijd pleit hij er ook voor om alle arbeidsmigranten het land uit te zetten. Dit pleidooi is niet alleen wanstaltig en potentieel inhumaan, maar ook vanuit economisch opzicht heel erg dom. Want uit VN-berekeningen blijkt dat de Russische economie, als gevolg van de negatieve verhouding tussen het geboorte- en sterftecijfer, de komende decennia 36 miljoen arbeidsmigranten nodig zal hebben.

Vreemd genoeg trekt Hekster niet de voor hand liggende conclusies. Om die lacune gedeeltelijk te vullen: de meeste Russen demonstreren voor eerlijker verkiezingen. Wanneer Poetin die op een geloofwaardige manier weet te bieden, en onderwijl aan de macht kan blijven, dan is er geen enkele reden om aan te nemen dat de soevereine democratie niet voortgezet kan worden. Dit betekent ook een continuering van het van overheidswege toegestane (vaak letterlijke) monddood maken van journalisten, of het opsluiten van de lastige oligarchen. Hekster citeert een Russin die zegt: ‘Onze wet is als een deur die in het midden van een open veld staat. Je kúnt door de deur gaan, als je dat wil.’

Hekster somt karakteristieken op, en daarvan weer voorbeelden. Het onoverkomelijke probleem van haar boek is dan ook dat iedereen die structureel de krant leest al deze tendensen al kent. Hekster beschrijft niets nieuws, en de manier waarop ze het bekende te berde brengt is al evenmin bijzonder. Afzonderlijk zouden de hoofdstukken niet misstaan als achtergrondverhaal in de meeste kranten, maar boekwaardig is De Poetinshow, ondanks de potentie die het onderwerp herbergt, simpelweg niet.

Haar stijl is in orde, hoewel soms slordig en nergens sprankelend. Enkel een paar scherpe zinnetjes doen de lezer opveren – zoals op het einde, in haar beantwoording van de vraag of de Poetinshow nu afgelopen is: ‘De toeschouwers kijken een andere kant op, naar de werkelijkheid.’ En waarom put ze niet wat meer uit die ontzettende, tot de verbeelding sprekende Russische cultuur en geschiedenis? Dat doet ze domweg niet, enkele obligate verwijzingen naar Lermontov en Dostojevski daargelaten.

Er verschijnen teveel boeken die na een half jaar alweer vergeten zijn. Maar De Poetinshow is eigenlijk nu al oud nieuws, in dezelfde zin als de krant van vorige week dat is. Hekster heeft niet meer gedaan dan een journalistiek stuk verlengd tot 190 pagina’s. En waarom er niet wat meer raafjes in opgenomen? Want die maakt wel wat goed. Bovendien geeft de fabel van deze kaasetende vogel impliciet het antwoord op de vraag of Rusland zal evolueren tot een volwaardige democratie: nee, voorlopig niet.