Amerikanen dromen struisvogeldromen

Oorspronkelijk verschenen 08-11-2012: http://defusie.net/amerikanen-dromen-struisvogeldromen/

Wat is conservatisme in Amerika?

Bijna de helft van de Amerikaanse stemmers verkoos de Republikeinse kapitalist Mitt Romney als president boven de weldenkende en sociaalvoelende Democraat Barack Obama. Vraag: hoe kan dat? In een derde deel van een conservatief drieluik wijst historicus en politicoloog Alexander van Kesteren in de richting van een antwoord. Dit schuilt namelijk in het fascinerende Amerikaans-conservatieve discours: over de vervorming van the American dream.

Ter bekrachtiging van de raadselachtige Republikeinse populariteit voldoen twee snelle blikken op de Amerikaanse sociaal-economische werkelijkheid. Ten eerste, waar president Obama bezig is de economische ongelijkheid terug te dringen, bepleitte Romney de ongelijkheidvergrotende ongehinderde marktwerking.

Dit terwijl – het kan niet vaak genoeg benadrukt worden – de Amerikaanse ongelijkheid de afgelopen 40 jaar al zo sterk is toegenomen. Niet toevallig vanaf het moment dat de conservatieven politieke macht begonnen te verwerven. Eerst enkele cijfers, waarna hieronder meer gesuikerde culturele argumenten volgen. De onderstaande tabel, afkomstig van The Washington Post, bevat de veranderingen over de periode 1970-2008 in het reële inkomen: de rijkste 0,1% is er 385% (!) op vooruitgegaan, de onderste 90% niets.

 

De kloof tussen het gemiddelde inkomen in de ‘top 5-10%’ en de onderste 90% geeft aan dat de Amerikaanse middenklasse gestaag verdwijnt. Buitendien maken andere bronnen duidelijk dat de sociale mobiliteit de laatste decennia drastisch is afgenomen. Onvermijdelijke conclusie: de Amerikaanse dromen komen niet meer uit; zij gaan niet meer van ‘rags to riches’. Desondanks heeft ongeveer de helft van die onderste 90% – waaronder een deel van Romney’s 47% ‘verliezers’! – vol overtuiging Republikeins gestemd, waarmee zij er in principe voor kozen de miljonairs verder te verrijken en zichzelf te benadelen. De Amerikanen dromen struisvogeldromen.

De hiermee opgeworpen vraag – waarom stemt half Amerika lijnrecht in tegen haar eigen economisch belang? – wordt in een terecht vermaard boek uit 2004 door Thomas Frank in de titel hergeformuleerd: What’s the matter with Kansas? Zijn ondertitel wijst richting het antwoord: How conservatives won the heart of America. Spitsvondig beschrijft Frank hoe het armlastige en vóór 1964 overwegend democratische Kansas, het geografische hart van Amerika, verwerd tot een ultraconservatieve staat.

De transformatie van Kansas loopt synchroon aan, en staat bij Frank symbool voor, de bredere opkomst van het conservatisme. Het is het verhaal van een tweespalt. Van een nieuwe draai aan het al langer bestaande, polyinterpretabele idee dat Amerika uit twee naties bestaat. In de Amerikaanse collectieve zelfperceptie kreeg het idee van de twee naties een nieuwe inhoud in de sixties en werd het verankerd ten tijde van Nixons presidentschap. De essentie ervan is dat er twee ‘soorten Amerikanen’ zijn, conservatieven en progressieven. In de kenmerkende conservatieve voorstelling van zaken is het een tegenstelling tussen de veelal christelijke, patriottische en ‘hardwerkende’ middle Americans, de NASCAR-fans, de zo stille meerderheid die telkens wordt overstemd door deze ontwortelde intellectuelen, deze moralistische en latté drinkende Amerikanen aan de oost- en westkust.

Voor de duidelijkheid: anno 2012 worden deze conservatieven niet meer overstemd. Zie enkel de borden in de tuinen van de sub- en exurbia: ‘NO TAX!’ ‘MARRIAGE’S A SACRAMENT!’ Of nog vulgairder: ‘GOD HATES FAGS!’ ‘ABORTION IS BLOODY MURDER!’ Het zijn extreme uitingen van breedgedeelde meningen. Het onthult het volgende: voor de dromende, conservatieve helft van de Amerikanen gaat politiek helemaal niet over economie. Want de economie kan en moet worden overgelaten aan de ‘natuurlijke’ krachten van de vrije markt (vandaar het ‘no tax’). Nee, politiek gaat over cultuur. En specifieker nog over de conservatieve strijd tegen de door progressieven geperverteerde, permissieve samenleving.

In het gezichtsveld van de gemiddelde conservatieve kiezer is een gargantueske blinde vlek ontstaan: deze conservatief ziet niet dat de economische situatie, zowel individueel als collectief, juist door de politiek wordt bepaald. Wonderlijk genoeg koppelt hij of zij niet de decennialange stagnatie van hun inkomens, de gebrekkige werknemersrechten, de verkrotting van hun buurten, de groeiende tentenkampen of het feit dat één flinke ziekte een hele familie financieel kan ruïneren aan het conservatief-Republikeinse denken en beleid van de laatste 40 jaar. Volgens Frank heeft de niet-rijke conservatief zich in de luren laten leggen door een big business-elite achter de schermen: “Cultural anger is marshalled to achieve economic ends. And it is these economic achievements – not the forgettable skirmishes of the never-ending culture wars – that are the movement’s greatest monuments.”

Waar de conservatieve groepen wisselen, is hét conservatisme blijvend. Nieuwe conservatieve monumentenbouwers in spe waren Romney en zijn kandidaat vicepresident Paul Ryan. Rond de verkiezingen stond Romney een relatief gematigde positie voor. Van nature is hij een pragmatist en bovendien worden Amerikaanse Verkiezingen gewonnen in het midden. Maar vergis u niet, indien gekozen waren hij en Ryan als een springveer teruggeschoten naar meer geprononceerd conservatieve stellingen  – alleen al om de eigen achterban tevreden te houden.

In de beknopte beschrijving van het hedendaagse Amerikaanse conservatisme is een andere ‘hoe is het mogelijk’-vraag terzijde blijven liggen. Namelijk: hoe kunnen mensen in een land geënt op dynamiek, optimisme en toekomstgerichtheid zichzelf conservatief achten?

Het zijn tegenpolen in het Europese onbewuste. Maar opvallend genoeg hebben de Amerikanen ze vernuftig samengebracht: het Amerikaanse conservatisme heeft zich weten te verknopen met die Amerika typerende dynamiek, met jeugd, optimisme, energieke kracht en de speciale beloften die voornamelijk voor schijnen te komen in Amerikaanse dromen. Deze conservatieve Amerikaanse droomtraditie wordt vervolledigd met een nadruk op economisch liberalisme en individuele vrijheid, sterke (christelijk-)moralistische waarden en een flink arbeidsethos.

Het onoverkomelijke bezwaar hiertegen is, nogmaals, dat dit energieke vooruitgangsstreven de afgelopen 40 jaar heeft bijgedragen aan een samenleving die enkel de allerrijksten bevoordeelt. En het probleem is structureel, want doordat Romney geen president wordt, krijgt het Kansasiaanse conservatisme de kans om de Republikeinse Partij verder naar rechts te bewegen. Net als 4 jaar geleden is de – nu verbetener – hoop op Obama gestoeld. Hij moet de komende jaren zijn sociaal-economische programma’s voltooien, en zo de conservatieve Amerikanen tonen dat op betere pensioen- of uitkeringsregelingen geen gedroomde Apocalyps, maar een iets gemakkelijker leven volgt.

Laat ons hopen.

Patrick DeWitt – De gebroeders Sisters

Patrick DeWitt – De gebroeders Sisters

Fijngestampte hersens, hartzeer en de dood

Oorspronkelijk verschenen 01-05-2012: http://www.literairnederland.nl/2012/05/01/fijngestampte-hersens-hartzeer-en-de-dood/

Het is 1851, in Californië is dat de tijd van de Koorts. De alom aanwezige Amerikaanse cowboys worden wild van goudzucht. Door deze contreien trekken de titelbroers in De gebroeders Sisters. Hun doel is simpel: Hermann Kermit Warm moet dood.

Charlie en Eli Sisters zijn beruchte moordenaars, met een faam à la Buffalo Bill. Het verschil is dat de broers Sisters in loondienst zijn, en wel bij de Commodore, een autoritaire en zelfgenoegzame rijkaard. Hun doelwit, Warm, is goud aan het zoeken in de buurt van San Francisco en wordt daar in de gaten gehouden door een andere medewerker van de Commodore. Om bij Warm in de buurt te komen reizen de broers door het koortsige cowboyland.

Nu heeft de Canadees Patrick DeWitt (1975) met dit boek twee belangwekkende Canadese literaire prijzen gewonnen, de Governor General’s Literary Award en de Writers Trust Prize. Eveneens was hij vorig jaar genomineerd voor de Man Booker Prize. Tijdens het lezen van pakweg de eerste tientallen pagina’s kan deze wetenschap bevreemden: het lijkt een doorsnee western, en aanvankelijk is onduidelijk waarom DeWitts roman het literaire niveau van pakweg Karl May ontstijgt – laat staan dat het in de buurt komt van de romans van de hedendaagse meester Cormac McCarthy.

Maar gestaag begint het boek te bevallen, en dat in steeds grotere mate. Er zit veel meer in dan de eerste lezersblik bevroedt. En dan niet alleen de amusante manier waarop DeWitt zowel de tandenborstel als de telefoon introduceert.

Ja, de gebroeders Sisters moorden, en dat kunnen ze verdomd goed. Zonder enig literair voor- of naspel vallen de doden. Maar deze ogenschijnlijk gebroederlijk moordende mannen zijn allerminst hetzelfde: ‘Ons bloed is hetzelfde, we gebruiken het alleen verschillend.’ Hebben ze daarom van DeWitt de zo contradictoir op gebroeders volgende achternaam Sisters meegekregen? Anders dan de harte- en achteloos moordende Charlie, een drinker, blijkt de ik-persoon Eli helemaal geen kille moordenaar. Juist niet: alleen op drift kan hij moorden.

Maar wanneer hij eenmaal in zo’n driftbui verkeert, dan is hij al briesend tot alles in staat. Natuurlijk weet Charlie dit en evenzo weet hij, broer als hij is, precies hoe Eli zo te manipuleren dat hij, als ware hij een opwindpoppetje, tot gebries en gemoord overgaat: ‘Mijn naam is Eli Sisters, jij hoerenjong, en als je niet opschiet en me brengt wat ik gevraagd heb schiet ik je ter plekke overhoop.’

Dit is Eli Sisters, en het is eigenlijk een ontzettend sympathieke man. Het is een opmerkelijke prestatie van DeWitt dat waarschijnlijk elke lezer met Eli zal meeleven, ondanks zijn waarlijk moordlustige drift: ‘De hersens van de man kleurden paars van het bloed en schuim borrelde tussen de plooien omhoog. Ik trok mijn been op en stampte met mijn volle gewicht de hiel van mijn laars in het gat van zijn schedel, waardoor wat ervan over was verbrijzelde en zo compleet werd platgewalst dat het niet meer als menselijk hoofd herkenbaar was. Toen ik mijn voet weer optilde, voelde het alsof ik hem uit de natte modder trok.’

De sympathie van de lezer wordt namelijk opgewekt door Eli’s gemijmer. Steeds meer begint hij te peinzen over het leven en over vrouwen. Het leidt hem tot alleszins terechte vragen: waarom moord ik eigenlijk, en zou ik er niet mee stoppen? De antwoorden volgen beetje bij beetje. Deze deelantwoorden worden afgewisseld met bijna-verliefdheden, maar toch vooral met moorden, waarmee Eli varieert op het ‘eerst schieten, dan vragen stellen’.

Af en toe, en zeker in het begin, lijkt DeWitt teveel een procedé te volgen. Dit gaat als volgt: in ieder kort hoofdstuk speelt zich een opvallende situatie af, waarin de broers hun ruige reputatie versterken, en dan eindigt het met een quasi-reflectieve mijmer van Eli Sisters. Maar ook wat dit betreft komt het boek op gang, worden Eli’s kronkels prikkelender en laat het boek de voorspelbare trant los.

Terwijl zijn broer zich iedere avond ongans drinkt aan de brandewijn, raakt de peinzende Eli vervuld van walging van zijn professie – en daarmee vervuld van zelfhaat. Het lijkt erop dat de moord op Warm zijn laatste klus voor de Commodore zal zijn. Eli’s mentale ontwikkeling en de reis van de gebroeders Sisters wordt afgewisseld met twee vreemde, enkele pagina’s tellende ‘intermezzo’s’. In het eerste treft Eli een zeven- of achtjarig meisje, die hem in haar droom had gezien: ‘“Ik kwam voor in je droom?” “Er kwam een man in voor. Een man die ik niet kende en niet mocht.” “Was het een goede of een slechte man?” Ze fluisterde: “Het was een beschermde man.”’

Is Eli beschermd, en zo ja, wat houdt dat dan in? Zowel Eli als de lezer mogen hierop broeden. Zo ook op de verschillende passages, net over de helft van de roman, waarin de broers en Hermann Kermit Warm samen optreden. De naam van Warm mag haast opgevat worden als een onomatopee: Hermann Kermit Warm is een opmerkelijke figuur. Zijn karakter straalt onafhankelijkheid uit, en is aangekleed met een aantal verwonderlijke tics. Zo begint hij, terwijl hij zich in een levensbedreigende situatie bevindt, te fluiten. De melancholicus Eli raakt direct gecharmeerd: ‘Ik herkende het wijsje niet, maar het was zo’n deuntje als ik altijd graag hoorde: traag en sentimenteel en ongetwijfeld met een bijbehorende tekst die over hartzeer en de dood handelde. (…) Hij was een uiterst getalenteerde fluiter; het lied daalde en steeg, kwinkeleerde in de lucht en verdween toen in de ruisende rivier.’

Maar waarom zitten de gebroeders Sisters achter deze figuur aan? Er blijkt iets met Warm te zijn dat op velen een koortsverhogende uitwerking heeft. Verklapt mag worden dat het plan van de broers, ondanks hun onmiskenbare moordenaarskwaliteiten, anders loopt dan gedacht. Wat volgt onthutst, amuseert ondanks de dood en weet soms zelfs te vertederen. Dit maakt De gebroeders Sisters niet tot een klassieker, maar wel tot een verrassend prettige roman.

Klassieker: Alexis de Tocqueville – Over de democratie in Amerika

Klassieker: Alexis de Tocqueville – Over de democratie in Amerika

De grootsheid van een democratisch aristocraat

Oorspronkelijk verschenen 19-07-2011: http://www.8weekly.nl/artikel/9324/de-grootsheid-van-een-democratisch-aristocraat-klassieker-alexis-de-tocqueville-over-de-democratie-in-amerika.html

Wij zijn allen democraten. We beschouwen de democratie als een a priori gegeven, zelfs zozeer dat ook de ontevredenen haar niet ter discussie zullen stellen. Maar het is niet allemaal hosanna. De fundamentele oorzaken daarvan worden uitgelegd door een van de allergrootste politieke filosofen ooit, Alexis de Tocqueville.

Tocqueville, de ‘aristocraat in het hart en democraat in het verstand’, licht vanuit een neutraal perspectief de eerste democratische samenleving van de moderne tijd, de Amerikaanse, volledig door. Daarmee legt hij tegelijk de grootste fouten en weldaden van de democratie bloot. Om misverstanden voor te zijn: Tocqueville bedoelt met een democratische samenleving niet alleen dat het politieke bestel democratisch is ingericht, maar vooral een maatschappelijke toestand van gelijkheid. ZijnOver de democratie in Amerika (in twee delen uitgebracht, in 1835 en 1840) is onder andere hierdoor allesbehalve een taai vertoog over het staatsbestel. Integendeel: het zindert van verrassende of verontrustende politieke, sociologische en psychologische inzichten alsook – en hier spreekt puur mijn persoonlijke voorkeur – van Tocquevilles prachtig geuite wanhoop over de onvermijdelijke teloorgang van de aristocratische waarden.

Op hol geslagen massa’s
Het is zeker niet vanzelfsprekend dat uitgerekend Alexis de Tocqueville (1805-1859) het eerste canonieke werk over de democratie heeft geschreven. Tocqueville kwam namelijk uit een aristocratische familie, die al eeuwenlang behoorde tot de zeer zelfbewuste noblesse d’épée, de zwaardadel. Tijdens de Jacobijnse Terreur, die volgde op de Franse Revolutie, zaten zijn ouders tien maanden lang in de gevangenis in afwachting van de guillotine – gelukkig viel Robespierres hoofd eerder.

Dergelijke anekdoten moeten verteld worden om te begrijpen welke proporties het imaginaire standbeeld van de intellectuele held Tocqueville dient aan te nemen. Sinds de Franse Revolutie werd democratie door velen, en zeker door de aristocratische klasse, gelijkgesteld aan anarchie. Maar niet door Tocqueville, die aantoonde dat het angstbeeld van de democratie als een op hol geslagen massa enkel een hersenschim is.

Nieuwe politieke wetenschap
Wel dienen er bij de instelling van een democratie bepaalde richtlijnen in acht te worden genomen. De noodzaak van deze richtlijnen vormt Tocquevilles beginpunt. Hij ziet in de eeuwen voor hem een alomtegenwoordige, gestage trend richting gelijkheid. Om deze reden acht hij, ondanks de Franse en Europese Restauratie – in Tocquevilles Frankrijk hadden amper 5 op de 1000 inwoners stemrecht – de opkomst van de democratische toestand onstuitbaar. Omdat de Europeanen alleen bezig waren op krampachtige wijze de democratie de weg te versperren, hadden zij geen oog voor zowel haar deugden als kwalen. Daarom propageert Tocqueville ‘een nieuwe politieke wetenschap voor een geheel nieuwe wereld’. Deze had als doel:

De democratie onderrichten, waar mogelijk haar overtuigingen nieuw leven inblazen, haar zeden zuiveren, haar bewegingen regelen (…) haar staatsbestel aanpassen aan tijd en plaats, het wijzigen naargelang de omstandigheden en de mensen: dat is vandaag de eerste plicht die is opgelegd aan hen die de samenleving leiden.

En op welke wijze kon men beter leren hoe dit moest dan door de volwassen Amerikaanse democratie te bestuderen? Tocquevilles Over de democratie in Amerika gaat dus eigenlijk nauwelijks over Amerika, maar veel meer over de daar zichtbare algemene democratische tendensen, waaruit de Europeanen lering moesten trekken.

Individualisme
Veelvuldig maakt Tocqueville gebruik van de tegenstelling democratie versus aristocratie. Het eerste en bepalende verschil daartussen komt naar voren in de volgende beroemde vergelijking: ‘De aristocratie had van alle burgers een lange ketting gemaakt die van paysan tot koning liep; de democratie breekt de ketting en legt elke schakel apart.’ In de democratie is iedere burger gelijk en vrij, maar als mogelijk schadelijk neveneffect van deze positieve conditie kan een atomistische samenleving ontstaan.

Belangrijkste boosdoener is het individualisme, dat binnen de democratie is ontstaan: een rustig en weloverwogen gevoel dat de burger ertoe aanzet zich terug te trekken in de eigen kleine privékring. Dat leidt ertoe dat iedere burger ‘onafhankelijk maar zwak’ is, en dat hij niet-persoonlijke zaken het liefst aan de staat overlaat.

Zie hier de reden waarom liberalen, waaronder onze jeune premier Mark Rutte – wiens goedkeuring zelfs de omslag van de nieuwe Nederlandstalige, schitterend verzorgde uitgave ‘siert’ – Tocqueville zo gretig omarmen. Want Tocqueville waarschuwt voor het gevaar dat door de individualistische houding van de burger een monsterlijke overheid ontstaat, wier tentakels zich langzaam maar zeker uitstrekken over alle gebieden van de samenleving. Op deze wijze dreigt de democratie te evolueren richting een ‘mild despotisme’:

Een immense en beschermende macht (…) die zich als enige belast met de zorg voor hun genietingen en het toezicht op hun lot. Zij is absoluut, nauwkeurig, regelmatig, vooruitziend en zachtmoedig. Zij zou op het vaderlijk gezag lijken als zij, evenals dat gezag, tot taak zou hebben de mensen voor te breiden op de volwassenheid, maar zij probeert juist niets anders te doen dan hen onherroepelijk in hun kindertijd vast te houden.

Associaties
De Amerikanen hebben hierop een tegenwicht gevonden, namelijk de associatievorming. Binnen de associatie leren de burgers hoe hun eigenbelang aansluit op het algemeen belang, leren zij de ‘kunst van de vrijheid’ en het belang van samenwerking. Nog altijd zien ‘Neo-Tocquevillianen’ associatievorming en lokale democratische participatie als essentiële maatschappelijke buffers tegen een te machtige centrale staat en tegen een mogelijke tirannie van de meerderheid (een begrip dat door Tocqueville is gemunt). Rutte en consorten zullen dit volmondig en met de hen zo eigen glimlach beamen: de burger die eindelijk eens de verantwoordelijkheid neemt, en niet enkel vragend naar vadertje staat kijkt.

Maar de observator Tocqueville destilleerde nog meer mooie inzichten uit de Amerikaanse democratische processen. Bijvoorbeeld de nieuwe vorm van stabiliteit: het gros van de burgers is continu met de eigen materialistische belangen bezig, waardoor hun overtuigingen onveranderlijk zijn en ze niets liever willen dan publieke rust. Tocqueville noemt dit zelfs de enige overgebleven ‘politieke hartstocht’: immers, niets is zo slecht voor de handel als een revolutie.

Ruttes ideaal?
Maar lezend over dit ongebreidelde materialisme, blijkt er toch meer aan de hand te zijn dan de simplificerende ‘recht-op-en-neer-filosofie’ van Rutte en het rechts-populisme doet vermoeden. Tocqueville als politiek psycholoog hamert namelijk continu op de geestelijke nivellering binnen de democratische samenleving:

Ik zie een ontelbare massa eendere en gelijke mensen die voortdurend met zichzelf bezig zijn om zich kleine en platvloerse genoegens te verschaffen waarmee zij hun ziel vullen.

De associatievorming mag dan een antidotum tegen het despotisme vormen, tegen de teloorgang van de werken van de geest, het artistieke, het spirituele – of hoe je het ook noemen wilt – is binnen de democratische toestand veel moeilijker een tegenwicht te vinden:

Wat ik de gelijkheid verwijt, is niet dat zij de mensen aanzet tot het najagen van verboden genoegens, maar dat zij hen volledig doet opgaan in de zoektocht naar toegestane genoegens.

In de gelijkheidstoestand lijkt vaak enkel het economisch nut waarde te worden toegekend; de waarden van de geest zijn onbekend. De massa streeft onbekommerd af naar een toestand van dierlijke eenvormigheid. Dit wordt mede veroorzaakt doordat in de democratische situatie mensen minder snel iets van de ander willen aannemen of leren. Zij kunnen de ander niet zien als superieur, maar altijd enkel als gelijke, waardoor zij ‘voortdurend worden teruggeworpen op hun eigen rede als de meest zichtbare en de meest nabije bron van de waarheid’.

Streven naar grootsheid
Daarentegen hebben burgers alle vertrouwen in de opinie van de meerderheid, allemaal zijn ze immers gelijken, dus dan moet de waarheid toch bij het grootste aantal te vinden zijn? Tocqueville voorspelt het geloof in de publieke opinie: ‘De meerderheid leeft dus in een permanente staat van zelfaanbidding; alleen dankzij vreemdelingen of hun eigen ervaring krijgen de Amerikanen oog voor bepaalde waarheden.’

De democratie acht Tocqueville onvermijdelijk, maar hij betreurt de verloren ‘grandeur’ van de aristocratie, die er juist toe aanzet de geest ‘op te laten stijgen naar de hogere regionen van het denken’ en die haar ‘op natuurlijke wijze rijp [maakt] voor de sublieme en bijna goddelijke liefde voor de waarheid.’ Wat kan er gedaan worden om toch nog iets van deze grootsheid te behouden? Tocqueville komt hier helaas niet verder dan een pleidooi, dat de Nederlandse politici nooit zullen durven navolgen:

De wetgevers van democratieën en alle eerbare en verlichte mensen die er leven, moeten dus onophoudelijk alles in het werk stellen om de zielen te verheffen en die op de hemel gericht te houden.

De liberale traditie
Het is in deze kritische liberale traditie, waarin de democratie zowel wordt omarmd als op haar fouten gewezen, waarin een waakzaam en integer burger dient te staan. Van de grote gevaren waarop Tocqueville wijst, die van de zwakke eenling tegenover een almachtige staat of de tirannieke meerderheid, en die van een alles doordringende en omlaaghalende geestesnivellering, behoren burgers zich ten volste bewust zijn.

Het is onvermijdelijk dat dit essay te weinig recht doet aan de 800 pagina’s van Tocquevilles Over de democratie in Amerika. Vooral het tweede boek loopt over van inzichten die na 170 jaar nog altijd geldig zijn en weten te verrassen. Tussendoor voorspelt Tocqueville en passant de Koude Oorlog, om zo maar wat te noemen. Enkel een voorbeeld om duidelijk te maken dat er over deze grootse politieke filosoof, Machiavelli gelijk, nog zoveel meer te zeggen – en te lezen – valt.