John Williams – Stoner

Recensie van John Williams – Stoner (vert. Edzard Krol)

Oorspronkelijk verschenen 19-10-2012: http://www.8weekly.nl/artikel/10281/john-williams-vert-edzard-krol-stoner-tussen-onderbuik-en-neusholte.html

Tussen onderbuik en neusholte

De titelfiguur in Stoner is een universitair docent letterkunde. En het hoofdthema is de liefde: voor een vrouw (of twee), een kind en de literatuur. Dit zijn niet onbeminde, maar wel zeer bekende romaningrediënten. Toch moet het originaliteitscriterium hier (tijdelijk) overboord, want Stoner is haast een ideale roman.

Oorspronkelijk publiceerde de Amerikaan John Williams (1922-1994) Stoner in 1965. Nu, 47 jaar later, volgt de heldere Nederlandse vertaling. Op de eerste pagina kondigt Williams aan dat William Stoner leefde, op de universiteit werkte als hoofddocent, toen stierf en werd vergeten. Hiermee blaast hij het verhaal de adem van volstrekte zinloosheid in, van een verloren leven. Dit zet de lezer op het verkeerde been, want dat is het werkelijk niet. Stoner hoeft niet veel op zichzelf te reflecteren om er blijk van te geven dat hij zijn eigen aard volgt. Bovendien is hij het grootste deel van zijn leven bezig met een van zijn grote liefdes: de Engelse literatuur en het doceren ervan.

Verliefdheid
De gedachte- en zelfs bijna woordeloze kinderjaren van William Stoner, op een boerderij in Missouri begin twintigste eeuw, worden in enkele pagina’s afgedaan. Dan oppert zijn vader dat een landbouwstudie aan de universiteit van Columbia een goede keuze zou zijn. En dus gaat Stoner studeren, werkt hij voor kost en inwoning bij een neef van zijn moeder en schaamt hij zich voor zijn grote lijf. In alles doet hij zijn best, ogenschijnlijk zonder enige bijgedachte. Behalve bij één vak: het voor alle eerstejaars verplichte Engelse letterkunde ‘verontrust hem’.

Vervolgens overkomt hem daar wat hem in de roman meerdere malen zal overkomen: Stoner wordt verliefd, en wel op de taal en de literatuur. Zijn liefde vindt bestendiging in zijn talent, en met behulp van een docent start hij zelf een (beperkte) universitaire loopbaan. Dit leidt tot een even onvermijdelijke als ontroerende verwijdering tussen hem en zijn boerenouders.

… en verliefdheid
Zijn tweede verliefdheid – die voor de literatuur blijkt eeuwig – is minder gelukkig. Geheel verblind valt Stoner voor Edith Bostwick, een meisje opgevoed in een belachelijke onechtheid. Verkrampt heeft ze een vorm aangenomen die haar moeder en de ‘Miss Thorndyke School voor meisjes’ wensten dat ze aannam. Na twee levensechte scènes in Ediths ouderlijk huis wil de lezer het boek in rennen, om daar zowel met een paar rake klappen haar ouders bij zinnen te slaan als de hele bourgeois-kitscherige poppenkast in een ravage te veranderen (want rotzooi is tenminste écht).

De naïeve Stoner trouwt Edith en na tientallen pagina’s huwelijk wil de lezer ook haar wat aandoen – een neiging die met moeite kan worden onderdrukt omdat je weet hebt van de tragische oorzaken voor haar krampachtige persoonlijkheid. Natuurlijk verandert het niets aan het resultaat voor Stoner, namelijk een verloren mogelijkheid op geluk. 

Genade?
Niettemin baart Edith hem een dochter. In haar, alleszeggend Grace genaamd, vindt Stoner enkele korte jaren lang wat soelaas. Hier spat het broze geluk van de pagina’s. Verschroeiend mooi zijn de korte passages waarin Stoner en Grace samen in de studeerkamer zitten te lezen, hij met één gelukkig oog op het ingespannen gezichtje van zijn dochter, zittend aan haar eigen kinderbureau.

Zoveel harmonie is (bijna) nooit blijvend: Edith maakt Grace tot onderwerp van strijd. Onvermijdelijk verwatert hierdoor de band tussen vader en dochter. Stoner accepteert dit – inhoud gevend aan de connotatie van zijn naam – simpelweg omdat hij de onvermijdelijkheid ervan inziet. Dit onvermijdelijke wortelt in de combinatie van zijn eigen natuur, die van zijn vrouw en van de heersende culturele normen.

Overgave en geluk
De constante in het verhaal is zijn liefde voor de literatuur en het leraarschap. Op de universiteit vindt hij twee vrienden én een decenniadurende vijandschap. En net als je als lezer, iets over de helft van het boek, begint te vermoeden dat dit het was, wordt Stoner wederom verliefd. Ditmaal is de blinde overgave wederzijds: het vormt het orgelpunt in zijn leven.

De opeenvolging van zijn liefdes, alle zo verschillend van aard, brengen hem tot de volgende overweging:

Nu, op middelbare leeftijd, begon hij te ervaren dat het noch een genadige staat was, noch een illusie. Hij beschouwde het als een menselijk wordingsproces, een staat die keer op keer, dag in dag uit opnieuw werd uitgevochten en veranderd, door het verlangen, het verstand en het hart.

Het is een hele toer het werkelijke effect van Stoner te beschrijven zonder terug te vallen op vervaalde, sentimentele uitdrukkingen. Een poging daarlangs af te scheren: als gesteld benadert dit in zijn onderwerpkeuze vrij traditionele Amerikaanse verhaal de ideale roman. En natuurlijk begeeft ook ideale literatuur zich ergens tussen ‘het verlangen, het verstand en het hart’. De roman Stoner helt over naar het verlangen en het hart en veroorzaakt fysieke sensaties: iedere wending, ten goede of ten kwade, ervaart de lezer fysiek, ergens tussen onderbuik en neusholte.

Alexis de Tocqueville – Herinneringen aan de omwenteling van 1848

Alexis de Tocqueville (vert. Ineke Mertens) – Herinneringen aan de omwenteling van 1848

Oorspronkelijk verschenen 04-10-2012: http://www.8weekly.nl/artikel/10253/alexis-de-tocqueville-vert-ineke-mertens-herinneringen-aan-de-omwenteling-van-1848-aristocraat-met-zienersoog.htm

Aristocraat-met-zienersoog

De verleiding is groot om een recensie van een werk van Tocqueville als volgt in te richten: men neme zes prachtcitaten, onderstreept de elegante inzichtrijkheid van elk ervan en besluit met een geschreven reverence. Bij dezen.

Natuurlijk is eerst een introductie gepast: Alexis de Tocqueville (1805-1859) is de ‘democratisch aristocraat’, de schrijver van het eerste canonieke werk over de democratie, Over de democratie in Amerika (1835, 1840). Hij was echter ook tien jaar lang nauw betrokken bij de Franse politieke praktijk. Eerst als parlementslid en vervolgens, na de Februarirevolutie, als medeopsteller van de grondwet en later kortstondig als minister van Buitenlandse Zaken. Over zijn politieke carrière na de ‘omwenteling van 1848’, schreef Tocqueville zijnHerinneringen.

Bespeurt u de revolutionaire wind?
Zelf opent hij met de stelling dat het boek puur bedoeld is ter ‘geestelijke ontspanning’, en dat de eerlijkheid ervan – hij beschrijft enkel wat hij zelf gezien en gedacht heeft en lijkt inderdaad prettig genoeg weinig achter te houden – het ongeschikt maakt voor publicatie. Verderop geeft hij echter aan dat een zucht naar publieke erkenning een van zijn zwaktes is. Samen met de slimheid en fijne stijl verraadt dit Tocquevilles werkelijke bedoeling met het boek: postume publicatie.

Wel zijn de Herinneringen onaf. Er zitten kleine lacunes in de tekst en bovendien is Tocqueville niet toegekomen aan de periode van juni 1848 (ná de straatgevechten van die maand) tot juni 1849, het moment dat hij minister werd.

Na een analyse van de opmaat tot het revolutiejaar 1848, haalt Tocqueville – en hier start de citatenronde – allereerst zijn eigen gelijk. Evenals in Over de democratie in Amerika geeft hij er blijk van met een zienersoog de maatschappelijke onderstroom te kunnen analyseren. Hij richt, eind januari van dat jaar, in de Kamer van Afgevaardigden de vraag aan parlementaire dovemansoren: ‘Bespeurt u niet… hoe zal ik het zeggen?… dat er een revolutionaire wind waait?’ Tevergeefs smeekt hij: ‘Bezweer het nu het nog kan!’

Revolutie en anarchie
Wat onherroepelijk volgt is ondermeer een ronduit spannend ooggetuigenverslag van de revolutionaire straatgevechten. Tocqueville betreurt de onredbaar blijkende constitutionele monarchie van Lodewijk Filips, en bezingt zijn politieke idealen:

Ik voelde dat mijn eigen zaak verloren was. Ik had de mooiste jaren van mijn jeugd beleefd in een samenleving waarin met het herwinnen van de vrijheid ook welvaart en grandeur leken terug te keren. Ik had me een voorstelling gemaakt van een gematigde en geordende vrijheid, begrensd door het geloof, de zeden en de wetten. (…) Ik had het gevoel dat ik ontroostbaar zou zijn bij haar verlies, en zag nu dat ik haar zou moeten opgeven.

Mede doordat de revolutionairen geen duidelijke leiding, geen nieuwe Robespierre, kregen, kon met de nieuwe Franse Republiek (de tweede) de orde terugkeren. En ondanks dat hij een constitutionele monarchie meer geschikt acht om de vrijheid te verdedigen, steunde Tocqueville deze nieuwe staatsvorm wel.

Zelfkritiek
Onderwijl tuimelen puntige observaties en snedige analyses over elkaar heen. Onscrupuleus ontleedt Tocqueville zowel de kwaliteiten van medepolitici als van zichzelf. Al genoemd is zijn zucht naar erkenning; daaraan gerelateerd is zijn chronische onzekerheid. Bovendien is hij allesbehalve een inspirerend spreker. Zijn benoeming van een van de oorzaken hiervan mag tevens dienen ter illustratie van zijn elegante stijl:

De waarheid is voor mij een zo kostbaar en zeldzaam iets dat ik haar (…) niet graag in een discussie op het spel zet. Het is een licht dat ik vrees te doven door ermee te zwaaien.

Natuurlijk zijn niet alle Fransen grote sprekers – al zijn ze waarschijnlijk wel allemaal fervente polemici. Tocqueville haalt in herinnering

(…) een van mijn Normandische buren, een groot liefhebber van de polemiek, aan wie de goden echter de schone gave van spreekvaardigheid hadden onthouden en die zich, zodra ik zijn opvatting  bestreed, naar huis haastte en me per ommegaande schriftelijk liet weten wat hij had willen zeggen.

Psycholoog annex
In de beoordeling van medepolitici weegt Tocqueville evenzeer hun hele karakter als hun directe politieke kwaliteiten. Zijn beschrijvingen zijn dusdanig origineel dat de waarschijnlijke onbekendheid van de huidige lezer met de besproken politici weinig meer uitmaakt. Zo hoef je ene Barbès niet te kennen om jezelf te kunnen verkneukelen bij Tocqueville’s oordeel:

Hij was een van die mannen in wie de demagoog, de dwaas en de ridder zo vermengd zijn dat het onmogelijk te zeggen valt waar de een eindigt en de ander begint.

Dergelijke elegantie is in onze politieke commentaren zeldzaam. Wel kan de vijftigste opmerking in deze trant gaan vermoeien. Op die paar momenten blijkt het boek wat gedateerd en dus kwetsbaar. Dit geldt evengoed voor de beschrijvingen van de diplomatieke relaties van Frankrijk tijdens Tocquevilles ministerschap. Desalniettemin moge het duidelijk zijn dat Tocqueville, deze grote aristocraat, de onovertroffen politiek waarnemer, psycholoog, socioloog en staatsman (enzovoort), zichzelf met zijn Herinneringen alle recht doet.

W.G. Sebald – Logies in een landhuis

W.G. Sebald (vert. Ria van Hengel) – Logies in een landhuis

Zwart gekrioel

Oorspronkelijk verschenen 28-09-2012: http://www.8weekly.nl/artikel/10245/w-g-sebald-vert-ria-van-hengel-logies-in-een-landhuis-zwart-gekrioel.html

De lijst van winnaars van de Nobelprijs voor de Literatuur is enigszins vertekend doordat de prijs nooit postuum wordt uitgereikt. Vandaar, en enkel vandaar, prijkt op de laureatenlijst niet de naam van een van de grootste schrijvers van de laatste decennia, de op 57-jarige leeftijd verongelukte W.G. Sebald (1944-2001).

Wie bekend is met werk van Sebald, met bijvoorbeeld Austerlitz of De ringen van Saturnus, zal onderschrijven dat de bewering dat hij de ultieme literaire erkenning zou hebben gekregen niet buitensporig is. Ook het nu verschenen, door Ria van Hengel voortreffelijk vertaalde Logies in een landhuis (oorspronkelijk 1991), getuigt van de vermogens van deze meester van de melancholie.

Zes portretten: zes kunstwerken
Zoals in alle boeken van de in Duitsland geboren W.G. Sebald – ‘Winfried Georg’, maar de voorletters worden niet uitgeschreven omdat Sebald grote weerzin koesterde tegen deze ‘nazinaam’ – spelen ook hier herinnering, traditie en de tijd hun prominente rollen. Het verschil met zijn veelal documentaireachtige romans is dat Logies in een landhuis een bundel portretten is. Zes keer strijkt Sebald tijdelijk neer op een plek waar een kunstenaar korter of langer heeft geresideerd (een schilder, vier schrijvers, en een schrijver-schilder). Op die plek schetst hij, afgewisseld met eigen indrukken, op een mijmerende en altijd invoelbare wijze de kunst of de strijd van de betreffende artiest.

Nu zijn bundels van schrijvers over medekunstenaars doorgaans vooral interessant voor mensen met speciale interesse in ofwel de inspiratiebronnen van de schrijver, ofwel in typeringen van kunstenaars en hun werk. Maar dit elegant uitgegeven boek – waarin, zoals in meer van Sebalds boeken, de illustraties de tekst ondersteunen, verrijken of mystificeren – wijkt af van die regel. De beschreven kunstenaars worden zelf personages, en tussen de essays zelf bestaan allerlei impliciete verbanden.

Ideaal bomenlandschap
En dus vormt het geen belemmering voor het leesplezier als de lezer, evenals de schrijver dezes, (bijna) niets afweet van Johann Peter Hebel, Eduard Mörike of Jan Peter Tripp. Dit vermeerdert enkel de verrassingseffecten in tekst én beeld. En eenmaal uit, is de kans groot dat de lezer niet weet of hij zich nu op Sebalds andere werk of op dat van de beschreven Robert Walser, ‘helderziende in het klein’, moet storten.

Sebald begint met de negentiende-eeuwer Hebel, een fysiocraat die de samenleving op landbouw en natuurrecht wilde funderen en een organische verbinding bepleitte tussen boer en monarch. Dit begin is goed gekozen, want in Hebels wijze ‘almanakverhalen’ blijft de chaos, reeds aangekondigd door de Franse Revolutie, nog op een afstand. Maar in de dan volgende episoden grijpen gekte en de chaos gestaag verder om zich heen.

Naarmate dit gebeurt, en de personages zich in leven of werk meer en meer begeven op de afgrond, of net over de rand, verschuift Sebald de nadruk naar ieders wens om via het schrijven houvast te (her)krijgen. Over de schrijver-schilder Keller – wiens dromerige, door een vrouw half kapot geknipte Ideaal bomenlandschap de omslag tooit – zegt hij:

De kunst van het schrijven is de poging het zwarte gekrioel te bezweren dat de overhand dreigt te krijgen, teneinde een enigszins bruikbare persoonlijkheid in stand te houden.

En over Robert Walser:

Walser moet op dat tijdstip hebben gehoopt dat hij zich al schrijvend, door iets heel zwaars te veranderen in iets bijna gewichtloos, zou kunnen onttrekken aan de schaduwen die vanaf het begin over zijn leven lagen en waarvan hij al vroeg voorziet dat ze onstuitbaar langer worden. Zijn ideaal was het overwinnen van de zwaartekracht.

Allen zullen hebben beseft dat ze met het schrijven de nederlaag enkel tijdelijk konden afhouden. Het maakt hun pogingen des te heroïscher.

Essentieel verlies
Het ‘zwarte gekrioel’ uit het citaat over Keller verwijst naar een ander ankerpunt in de portretten: de betekenis die Sebald toekent aan de fysieke vorm van het schrift van de besproken figuren. De in de tekst opgenomen foto’s tonen die vormen: zo refereert Kellers ‘zwarte gekrioel’ aan zijn schots door elkaar heen staande krabbels. En van de Pruis Hebel worden rigide classificaties getoond, van de maanstanden tot de belastingindex.

Onderwijl is iedere duiding van Sebald treffend, is zijn stijl vloeiend, zijn toon sympathiek en houdt hij continu de balans tussen wikken, wegen en doorstomen. Natuurlijk zijn de essays inhoudelijk veel rijker dan hier kan worden aangegeven, maar het is veelzeggend dat het boek de (eveneens chronologische) opbouw volgt van Hebel naar Walser naar Tripp, van vredige orde naar de chaos en het mysterie. Sebald lijkt te suggereren dat er iets essentieels verloren is gegaan.

Rob Hartmans – Vijandige broeders?

Rob Hartmans – Vijandige broeders?

Nationaal en democratisch socialisme

Oorspronkelijk verschenen 12-09-2012: http://www.8weekly.nl/artikel/10222/rob-hartmans-vijandige-broeders-nationaal-en-democratisch-socialisme.html

In 1930 barstten de sociaal-democraten van het vertrouwen. De Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) bezat zowel een solide basis als de nog verheugender overtuiging dat binnenkort de meerderheid het vanzelfsprekende sociaal-democratische gelijk zou inzien. Natuurlijk bleek dit toekomstbeeld al te rooskleurig – en het waren de fascisten die dit als eerste duidelijk maakten.

De veelzijdige fascistische dreiging maakte de SDAP (die in 1946 een doorstart maakte als PvdA) bewust van haar fouten. Partijprominenten als Willem Banning spraken van sociaal-democratische ‘onbetaalde rekeningen’ die wél werden voldaan door de nationaal-socialisten. De sociaal-democratie verwaarloosde de middenklasse, opereerde te rationeel-uitleggerig en had bovenal maar weinig oog voor het verlangen naar collectieve zingeving, voor vaderlandsliefde en andere ‘opiaten’.

Een politieke en ideologische kentering
In feite zat de SDAP klem tussen de nog altijd gedeeltelijk aangehangen marxistische theorie en de pragmatische, ‘burgerlijke’ politiek. Volgens de rigide marxistische schemata bestaat de middenklasse immers niet, hebben de arbeiders geen vaderland en is religie het voorbeeld bij uitstek van vals bewustzijn! Dat het nationaal-socialisme de partij deed realiseren dat theorie en praktijk afweken en dat ze er met streng rationalisme alleen niet kwamen, wil niet zeggen dat die politieke stroming electoraal gezien ook werkelijk zo’n grote bedreiging voor haar was. Maar wat hier telt, is dat dit door de SDAP wel als zodanig werd verondersteld. Dit nu is het uitgangspunt in het doorwrochte Vijandige broeders?van Rob Hartmans, onder meer de vaste recensent van non-fictie in De Groene Amsterdammer.

Zijn vernieuwende centrale these is dat grotendeels als gevolg van de ervaren dreiging van het fascisme – en minder door de economische crisis of de wens uit haar politieke isolement te breken – de SDAP tussen grofweg 1933 en 1937 een politieke en ideologische heroriëntering doormaakte. De electorale en existentiële dreiging was overduidelijk, doordat de partij over de grens kon waarnemen hoe respectievelijk de Duitse Sociaal-Democratische Partij (SDP) het onderspit dolf tegenover Hitlers NSDAP, en hoe de sociaal-democraten (en communisten) vervolgens massaal in concentratiekampen belandden.

De SDAP koos voor meer pathos, zo wordt vooral zichtbaar in de Arbeiders Jeugd Centrale (AJC) en in de propaganda rond het terecht fameuze ‘Plan voor de Arbeid’ (1935). Ideologisch was de verandering nog ingrijpender: de partij omarmde de natie, richtte zich meer op het hele volk en niet op enkel de arbeidersklasse, en liet alle voorbehouden varen in de acceptatie van democratie en aanverwante instituties.

Hunkering van het antikapitalistisch hart
Het genoemde Plan van de Arbeid markeert de ommezwaai. Zo gebruikte de SDAP veel propaganda om het onder de aandacht te brengen (‘Het moet, het kan! Op voor het Plan!’). Ideologisch belangwekkend was dat de partij met het Plan voor de eerste keer een werkelijk alternatief presenteerde voor de wijze waarop de regering omging met de crisis. Het Plan bevatte zelfs de indertijd rondzingende contouren van een anticyclische conjunctuurpolitiek. De sociaal-democraten verlieten hiermee op een beslissend punt de marxistische theorie, aangezien er daarin van werd uitgegaan dat de economische ontwikkeling niet te sturen viel en dat het kapitalistische systeem uiteindelijk noodzakelijkerwijs afstevende op de eigen ondergang.

De crisisbestrijding van het Plan was gelijk ook fascismebestrijding. Zoals ‘Stuuf’ Wiardi Beckman, de toenmalige sociaal-democratische ‘kroonprins’, het formuleerde:

Hartmans benadrukt: het Plan was het ‘ja’ van de SDAP.

Titelbroers?
De broeders uit de titel zijn het socialisme en het nationaal-socialisme. Dit verwijst zowel naar de veronderstelde concurrentie tussen beiden – zie het door Beckman genoemde ‘antikapitalistisch hart’ – als naar de vermeende onderlinge verwantschap. Om even actueel te gaan: de PVV en haar schalkse ideoloog Martin Bosma proberen de in naam verwante stromingen gelijk te stellen: zo noemt Bosma Hitler en Den Uyl bloedverwanten.

Die gelijkstelling is belachelijk, maar Hartmans betoogt dat het niettemin zaak is om de moeite te nemen dergelijke stellingen te ontkrachten. Hij heeft een punt, en waarschijnlijk belemmert de op achterflap prijkende PVV-verwijzing de verkoop geenszins – overigens prima, omdat Hartmans een goed boek heeft geschreven.

Ondanks het ‘socialisme’ in beider namen had de SDAP niets wezenlijks gemeen met de extremistische nationaal-socialisten. Want de sociaal-democraten kozen voor de redelijke, linkse middenweg. In retrospectief bleek dit de enige vruchtbare transformatie denkbaar, omdat de SDAP hiermee de fundamenten legde voor de succesvolle, naoorlogse PvdA.

 

Thierry Baudet – De aanval op de natiestaat

Thierry Baudet – De aanval op de natiestaat

Nationalisme, c’est la guerre. Toch?

Oorspronkelijk verschenen 15-07-2012: http://www.8weekly.nl/artikel/10141/thierry-baudet-de-aanval-op-de-natiestaat-nationalisme-c-est-la-guerre-toch.html

In het Nederlandse publieke debat blijft de aanval van rechts komen. De nieuwste spraakmakende charge is het proefschrift van Thierry Baudet. Hij polemiseert, schmiert en katapulteert drogredeneringen, maar maakt ook een aantal krachtige punten.

Onlangs promoveerde Thierry Baudet (1983) – NRC-columnist en samensteller van twee mooie bundels over het conservatisme, Conservatieve vooruitgang enRevolutionair verval – op De aanval op de natiestaat. Desondanks is de uit het Engels vertaalde, maar verder onaangepaste versie van dit werk meer publicistisch dan hard-wetenschappelijk. Natuurlijk kent Baudet zijn klassiekers – uitvoerig bespreekt hij vanuit historisch en rechtsfilosofisch perspectief de staatsvorming van de laatste eeuwen –,  maar hij maakt deze ondergeschikt aan zijn polemische these. Baudet poneert dat het onvermijdelijk is dat het door de elite gekoesterde supranationalisme en multiculturalisme de rechtsstaat en de politieke vertegenwoordiging ondermijnen, omdat die niet kunnen voortbestaan zonder nationaal ‘wij’, zonder samenhang biedende en legitimiteit verlenende collectieve identiteit.

De grenzenloze wereld
Baudets motto is dan ook Paul Scheffers ‘Zonder “wij” gaat het niet’. Ten minste gedeeltelijk heeft hij hier gelijk: al dan niet impliciet gaat de Europese elite nog altijd uit van een conceptie van een grenzenloze wereld, waarin het onderscheid tussen ‘wij’ en ‘zij’ is weggedacht. Zij ziet deze trend als zowel onvermijdelijk als wenselijk, reden waarom zij meent dat de nog bestaande grenzen, die relicten van een voorbije wereld, net zo goed kunnen worden opgeheven.

Dit opheffen gebeurt van binnenuit doordat het multiculturalisme, gedefinieerd als de stroming die ook op macroniveau ieder verschil accepteert, de gedeelde identiteit verzwakt. Van buitenaf gebeurt dit doordat de internationale organisaties steeds brokjes nationale soevereiniteit weghappen. Samen vormen deze trends ‘de aanval op de natiestaat’. Een voor een loopt Baudet de internationale organisaties af, achtereenvolgens de internationale hoven, de WHO, de VN Veiligheidsraad en, natuurlijk, de EU. Wat hij beargumenteert is hoe deze allemaal, anders dan in theorie, op onvoorziene wijze bevoegdheden naar zich toe trekken, hoe ze politieke beslissingen nemen en hoe deze beslissingen niet door het recht maar door bestaande machtsverhoudingen worden bepaald.

Universele geldigheid
In deze beschrijvingen is Baudet op zijn best. Zijn kritiek is raak en ook deelt hij vileine steekjes uit. Bijvoorbeeld: het supranationalisme ‘is in feite een terugkeer naar de gelaagde jurisdictie van vóór de opkomst van moderne staten. Het is een soort mediëvisme.’ Een schoolboekvoorbeeld van hoe een discours los te wrikken: de EU betekent geen voor- maar áchteruitgang!

Het gehele mensenrechtendiscours, en met name de uitvoering daarvan, is onvermijdelijk door politiek vertroebeld. Evenmin kunnen de neoliberale ideeën van de WHO universeel geldig genoemd worden – een spaarzaam moment waarop de gemiddelde ‘linksmensch’ het hartgrondig met Baudet eens zal zijn.

De aanval op de natiestaat is volgens Baudet moedwillig. De naoorlogse elites waren doordrongen van de door François Mitterand gemunte wijsheid ‘Le nationalisme, c’est la guerre!’ Dat kán zo zijn, maar dat hangt maar net af van de precieze nationalismevorm. Bovendien stelt Baudet – en hij stelt dat terecht – dat de samenleving niet buiten een collectieve identiteit kan, en die valt niet funderen op verdraagzaamheid of verschilverheerlijking alleen.

Buitenissigheden
In zijn bespreking van het multiculturalisme begint Baudet te schmieren. Zijn eerste ondeugd is dat hij obscure bronnen en buitenissige, in de media gehypte voorbeelden als exemplarisch opvoert. Weliswaar erkent hij die buitenissigheid, maar dit weerhoudt hem er niet van er een pagina of vijftien aan te besteden. Sommige voorbeelden zijn zelfs ronduit foutief, zoals het door Baudet klakkeloos van de feministe Susan M. Okin overgenomen cijfer van 200.000 polygame Parijse gezinnen waarbij de mannen werd toegestaan meerdere vrouwen uit immigratielanden te laten overkomen. Dit cijfer bleek afkomstig uit een roddelblad.

Het wordt heel bont als Baudet niet alleen beweert dat de EU geen oorlog heeft voorkomen – misschien nog enigszins verdedigbaar – maar dat deze organisatie, door de natiestaat te verzwakken, zelf een oorlog in de hand werkt. Want:

Verre van inherent oorlogszuchtig, is opkomen voor nationale soevereiniteit in feite de enige stabiele en intrinsiek vreedzame politieke vorm. De enige soort oorlogen die natiestaten vanuit hun wezen kunnen voeren, zijn defensief.

Dit is een wel erg opzichtige onwaarheid. Natuurlijk voeren natiestaten aanvalsoorlogen, wat lukrake voorbeelden: de Eerste Wereldoorlog, imperialistisch Japan of veel van de recente oorlogen die Amerika voerde.

In andere woorden: als De aanval op de natiestaat geen krachtige argumenten te berde brengt, dan is het wel spraakmakend omdat Baudet grove fouten maakt. En oh ja, Baudet bepleit een ‘multicultureel of open nationalisme’, en een ‘soeverein kosmopolitisme’. Vanuit een stevig verankerde natiestaat en nationale identiteit moet respectievelijk internationale samenwerking en culturele uitwisseling worden gezocht. Dit is weer heel zinnig, en waarschijnlijk ook nuttig om de pendule terug te krijgen in het midden, en niet te laten doorslaan – zoals pendules gewoon zijn – naar een wel erg rechtse zijde.

Ryu Murakami – De Karaokeoorlog

 

Ryu Murakami – De Karaokeoorlog

Niets in de wereld zal ooit veranderen

Oorspronkelijk verschenen 10-07-2012: http://www.literairnederland.nl/2012/07/10/de-karaokeoorlog-ryu-murakami/

De figuren in De karaokeoorlog zijn verdoemd of waanzinnig of juist heel erg ‘eenentwintigste-eeuws’. Toestanden die prima samen blijken te gaan.

Het is een mengeling van bevreemding, slapstick en stiekeme maatschappijkritiek die Ryu Murakami de lezer biedt. Ter verheldering: het gaat hier niet om Haruki. Zijn naamgenoot Ryu Murakami (1952) schijnt in Japan al even beroemd te zijn, en is naast schrijver ook filmmaker. In Nederland verscheen eerder van hem In de Misosoep.

De uitgangssituatie is opmerkelijk. In een moderne Japanse stad ontmoet een groep jonge mannen elkaar geregeld om karaoke te zingen en steen-papier-schaarwedstrijden te spelen. Allemaal zijn ze hun leven lang genegeerd en onbemind gebleven. De existentiële leegte druipt van deze samenkomsten af, om het zo maar te zeggen. Ligt de oorzaak van deze ellende misschien in de ‘tijdsgeest’, die ‘in wezen een onderdrukkend waardesysteem was, voornamelijk gebaseerd op de absolute zekerheid dat niets in deze wereld ooit zou veranderen’?

De waanzin loert, of is misschien al overal. Hun activiteiten lijken bizarre rituelen, waarbij ze steeds ‘in abnormale mate’ lachen. De gemiddelde lezer zal denken dat een steen-papier-schaarwedstrijd één van de meest simplistische spellen ter wereld is. Niet bij deze jongens: ‘De deelnemers schreeuwden, sprongen op en neer, lachten hysterisch, rolden over de vloer, sloegen met hun hoofd tegen de muren, kregen stuiptrekkingen in willekeurige ledematen en braakten soms zelfs van te grote opwinding. Het vreemde was dat deze verwoede voorstellingen zowaar de uitkomst leken te beïnvloeden.’

Tot grote opwinding van de rest begaat één van hen, Sugioka, al snel in het boek een moord. Hij steekt Yanagimoto Midori dood, een ‘tante’, oftewel een ‘oba-san’. Oba-sans zijn: ‘Levensvormen die niet langer evolueren. En iedereen kan in een oba-san veranderen. Jonge vrouwen, natuurlijk, maar ook jongemannen, zelfs mannen van middelbare leeftijd – zelfs kinderen. Je wordt een oba-san zodra je de wil om te evolueren verliest.’ Het lijken Nietzsche’s laatste mensen, die in een eeuwige, schijnbaar comfortabele vegetatieve staat verkeren, en daardoor iets van hun mens-zijn verliezen.

Ryu Murakami’s schets van de moderne maatschappij stikt van de oba-sans. Verschillenden ervan heten Midori, en zij hebben samen het ‘Midori Genootschap’ opgericht. Alsof veel mensen niets meer gemeen hebben dan een gedeelde naam. Hoe dan ook, de Midori’s betreuren hun vermoorde medelid Yanagimoto. De wil tot wraak brengt deze voorheen zo uitgebluste vrouwen weer tot leven. Het verleent zin, hun ogen schitteren weer en als gevolg daarvan vinden ook de mannen hen weer aantrekkelijk.

De wreker – dat wil zeggen: één van de Midori’s – komt met een sashimi-mes gebonden op het uiteinde van een swiffer. De Midori’s verenigen samurai en huisvrouwen. Met dit originele wapen wordt aldus Sugioka vermoord. En zo ontstaat er een soort vendetta tussen beide groepen, tot groot genoegen van alle betrokkenen: ‘Wat is dat eigenlijk voor geks met dat wraakgedoe? Je wordt er vanbinnen helemaal wee van!’

De term ‘karaoke’ betekent ‘leeg orkest’. Wil Murakami wijzen op het atomisme van de moderne maatschappij, op de spirituele leegte als gevolg van een ontbrekend zingevingssysteem? Het is een verdedigbare interpretatie. De leegte wordt door de hoofdpersonen opgevuld met die zekerheid die enkel waanzinnigen bezitten, nog van extra zin voorzien door de cultus van de wraak: ‘Als je er goed over nadenkt, is moord het enige wat tegenwoordig überhaupt nog iets betekent.’ Vanuit het perspectief van de hoofdpersonen van dit boek – en Murakami impliceert misschien wel: voor de gemiddelde moderne mens – lijkt dit waar: geen waarheid, geen zin, geen ontwikkeling. Enkel ja of nee: te zijn of niet te zijn.

Maar de afwisseling tussen hilariteit en de waanzin van hij of zij die het zeker weet, is niet het enige dat Murakami biedt. Hij lardeert het met inzichtrijke psychologische observaties, voornamelijk over de banaliteit van de contemporaine mens. En, heel sporadisch, laat hij een van de hoofdpersonen een jeugdherinnering ophalen, één die bij verrassing werkelijk kan ontroeren, zonder door grotesk gelach of door een perverse rationalisatie te worden verpest.

Het zijn zeldzame pareltjes in een zwijnenstal. Maar die zwijnenstal is vol intrigerende vuiligheid, en dat maakt Murakami’s De karaokeoorlog de moeite waard.

Kysia Hekster – De Poetinshow

Kysia Hekster – De Poetinshow

Een wijs raafje  

Oorspronkelijk verschenen 07-06-2012: http://www.literairnederland.nl/2012/06/07/de-poetinshow-kysia-hekster/

Een 18e-eeuwse Russische edelman schijnt te hebben gezegd: ‘Despotisme getemperd door sluipmoord, dat is onze Magna Charta’. Voor het huidige Rusland dient deze bon mot aangepast te worden, tot ‘autoritarisme gedempt door volkswoede’.

Kremlin-ideoloog Vladislav Soerkov bedacht hier zelfs een term voor. Hij noemde het ‘soevereine democratie’. In essentie betekent dit ‘dat de baas beslist en dat het volk door verkiezingen aan kan geven dat het instemt met wat de baas beslist.’ Zolang de economie groeide en de verkiezingen niet al te openlijk vervalst werden namen de Russen zowel dit democratische tekort als de mediapropaganda, het hoge sterftecijfer, de zwakke gezondheidszorg, het terrorisme etc. voor lief. Maar de verkiezingsfraude bij de meest recente verkiezingen bleek te openlijk, waardoor de volkswoede de Russische onverschilligheid overtrof.

Voor een verklaring van waarom de soevereine democratie kon werken, lijkt het vooral nodig om naar de geschiedenis te kijken. Ideologische excessen, eerst het communisme en daarna de kapitalistische ‘shocks’, hebben de Russen murw gebeukt. Het nu tien jaar durende autoritaire president- en premierschap van Vladimir Poetin – sinds 7 mei 2012 is hij weer president – bracht de Russen de orde waarnaar ze zo verlangden. Opmerkelijk is dat zelfs tijdens de protesten de (onvervalste) goedkeuringspercentages voor Poetin rond de 50% bleven schommelen. Er zijn dus genoeg mooie vragen te stellen. In De Poetinshow. En het Rusland voor de Russen probeert NOS-correspondente Kysia Hekster tot een antwoord te komen op één daarvan, namelijk: hoe kijken de Russen naar Poetin?

De Poetinshow verwijst naar de regelmatig in de Russiche tv-journaals uitgezonden beelden van bijvoorbeeld de vitale, half onblote president te paard op de toendra. Of van Poetin die zogenaamd twee antieke amforen uit de Zwarte Zee opvist. Maar de Poetinshow is ook de naam van een jaarlijks terugkerende tv-show waarin Poetin vragen beantwoordt die zijn ingestuurd door gewone burgers. De show houdt de façade hoog, kanaliseert wat van de maatschappelijke onrust en speelt en passant in op een aloude Russische reflex: ‘De bojaren plegen bedrog, de tsaar is onschuldig.’

Maar Hekster richt zich vooral op de Russische burger. Ze is journaliste, en als zodanig gaat ze te werk. Ze bespreekt opmerkelijke nieuwsfeiten van de afgelopen jaren, en interviewt betrokkenen: van de agent die in een populair filmpje op RUtube (de Russische variant van) de alomtegenwoordige corruptie beklaagt – Rusland moet de 154e plaats op de index van Transparancy International delen met Guinee-Bissau – tot de Oezbeekse immigrant die probeert te overleven in het xenofobe Russische klimaat.

Zeer sporadisch gebruikt Hekster andere middelen, en de lezer wenst dat ze dat veel vaker had gedaan. Neem de volgende Poetinverklarende fabel: ‘Een raaf zit in een boom met een groot stuk kaas in zijn bek. Een vos zit beneden aan de stam te wachten en vraagt: “Ga je op Poetin stemmen, raafje?” “Ja!” roept de raaf uit, en het stuk kaas valt naar beneden. De vos gaat ermee aan de haal. De raaf denkt bij zichzelf: wat nou als ik nee gezegd had? Had het iets uitgemaakt?’

Beter het kwaad dat je kent, dan het onbekende kwaad: het Russische volk wil bovenal de onzekerheid vermijden. Daarbij denken de patriottische Russen nog altijd vol schaamte terug aan Poetins voorganger, de alcoholist en kapitalistenpaaier Boris Jeltsin. In zijn show wordt Poetin dan ook gepresenteerd als de absolute tegenhanger van zowel Jeltsin als van de gemiddelde Russische man – die voornamelijk als gevolg van drankmisbruik op zijn 62e overlijdt. Daarentegen drinkt Poetin niet en presenteert hij zichzelf als de grote patriot, als gedisciplineerd en plichtsgetrouw. Poetin maakt de Rus weer trots op zijn land. Het belangrijkste van alles: hij bracht stabiliteit. Allereerst economisch. Desondanks is de economie van BRIC-land Rusland nog te zeer – Hekster noemt voor 60% van de staatsinkomsten – afhankelijk van de belastingen op energie-export.

En, zoals het raafje al dacht, wat is het alternatief? Zo voert Hekster als ‘grote held’ van de oppositie Aleksej Navalny op. Navalny maakte naam als corruptiebestrijder, en wordt getipt als mogelijke toekomstige presidentskandidaat. Maar tegelijkertijd pleit hij er ook voor om alle arbeidsmigranten het land uit te zetten. Dit pleidooi is niet alleen wanstaltig en potentieel inhumaan, maar ook vanuit economisch opzicht heel erg dom. Want uit VN-berekeningen blijkt dat de Russische economie, als gevolg van de negatieve verhouding tussen het geboorte- en sterftecijfer, de komende decennia 36 miljoen arbeidsmigranten nodig zal hebben.

Vreemd genoeg trekt Hekster niet de voor hand liggende conclusies. Om die lacune gedeeltelijk te vullen: de meeste Russen demonstreren voor eerlijker verkiezingen. Wanneer Poetin die op een geloofwaardige manier weet te bieden, en onderwijl aan de macht kan blijven, dan is er geen enkele reden om aan te nemen dat de soevereine democratie niet voortgezet kan worden. Dit betekent ook een continuering van het van overheidswege toegestane (vaak letterlijke) monddood maken van journalisten, of het opsluiten van de lastige oligarchen. Hekster citeert een Russin die zegt: ‘Onze wet is als een deur die in het midden van een open veld staat. Je kúnt door de deur gaan, als je dat wil.’

Hekster somt karakteristieken op, en daarvan weer voorbeelden. Het onoverkomelijke probleem van haar boek is dan ook dat iedereen die structureel de krant leest al deze tendensen al kent. Hekster beschrijft niets nieuws, en de manier waarop ze het bekende te berde brengt is al evenmin bijzonder. Afzonderlijk zouden de hoofdstukken niet misstaan als achtergrondverhaal in de meeste kranten, maar boekwaardig is De Poetinshow, ondanks de potentie die het onderwerp herbergt, simpelweg niet.

Haar stijl is in orde, hoewel soms slordig en nergens sprankelend. Enkel een paar scherpe zinnetjes doen de lezer opveren – zoals op het einde, in haar beantwoording van de vraag of de Poetinshow nu afgelopen is: ‘De toeschouwers kijken een andere kant op, naar de werkelijkheid.’ En waarom put ze niet wat meer uit die ontzettende, tot de verbeelding sprekende Russische cultuur en geschiedenis? Dat doet ze domweg niet, enkele obligate verwijzingen naar Lermontov en Dostojevski daargelaten.

Er verschijnen teveel boeken die na een half jaar alweer vergeten zijn. Maar De Poetinshow is eigenlijk nu al oud nieuws, in dezelfde zin als de krant van vorige week dat is. Hekster heeft niet meer gedaan dan een journalistiek stuk verlengd tot 190 pagina’s. En waarom er niet wat meer raafjes in opgenomen? Want die maakt wel wat goed. Bovendien geeft de fabel van deze kaasetende vogel impliciet het antwoord op de vraag of Rusland zal evolueren tot een volwaardige democratie: nee, voorlopig niet.

Antony Beevor – De Tweede Wereldoorlog

Antony Beevor (vert. Corrie van den Berg, Carola Kloos, Pieter de Smit en Albert Witteveen) – De Tweede Wereldoorlog

De hydra

Oorspronkelijk verschenen 07-07-2012: http://www.8weekly.nl/artikel/10123/antony-beevor-vert-corrie-van-den-berg-carola-kloos-pieter-de-smit-en-albert-witteveen-de-tweede-wereldoorlog-de-hydra.html

Het is een absolute tour de force, het samenpersen in één enkel boek van het meest omvangrijke en meest indringende conflict ooit. En dan moet het ook nog leesbaar zijn. Het is precies wat Antony Beevor heeft gedaan: in 900 soepel geschreven pagina’s vangt hij de Tweede Wereldoorlog.

In verschillende interviews heeft Beevor (1946) gezegd dit boek te willen schrijven omdat hij zich, telkens wanneer hij werd voorgesteld als expert op het gebied van de Tweede Wereldoorlog, een bedrieger voelde. Weliswaar schreef hij veelgeprezen boeken over onder meer de slag om Stalingrad en D-day, maar hij meende dat zijn kennis over het integrale conflict tekortschoot. Zijn knagende geweten is prijzenswaardig, zeker gezien de alom aanwezige mediacharlatans- en beuzelaars. Bij het knagen voegde Beevor de daad en hij schreef De Tweede Wereldoorlog.

De relatie tussen de fronten
In dit ontzaglijke verhaal onderscheidt Beevor twee rode draden (ook omdat hij er moeilijk duizend kan onderscheiden). De eerste wortelt in de door hem ervaren kennislacune. Hij probeert telkens de relatie van het ene tot het andere front te ontleden. Zo begint Beevor zijn verhaal niet bij de Duitse inval in Polen (Fall Weiβ), maar bij de slag bij Halhin-Gol (het Nomonhan-incident). Hier werden de Japanners, in augustus 1939, teruggeslagen door de Russen onder het commando van de bijna mythische Georgi Zjoekov. Gevolg: de Japanners richten zich op China en de Grote Oceaan, wat de Russen weer de mogelijkheid gaf om troepen vrij te maken voor het in 1941 zo hachelijke oostfront.

De Materialschlacht, zo bepalend voor het finale oorlogsresultaat, was dus niet enkel een kwestie van ‘meer is beter’ – ‘het land met de meeste tanks wint’ –, maar simpelweg ook van vaak politiek getinte beslissingen over het waar troepen en materiaal te positioneren. Zo spreidden de Britten te veel, en hield Hitler, tot wanhoop van zijn generaals, gedurende de hele oorlog 400.000 soldaten in Noorwegen paraat. En natuurlijk werd de opeenstapeling van vernietigende macht doorkruist door de oorlogschaos en de ongehoord vaak voorkomende intens domme beslissingen – het doet je afvragen wat ze destijds leerden op die prestigieuze militaire academies…

Ontzettende koppen
Op al deze punten kan de Tweede Wereldoorlog beschreven worden als een hydra-achtig conflict. Maar de militair historicus Beevor heeft ook veel aandacht voor de ontzettendheid van haar koppen, de ongeziene verwoesting en ‘de machteloosheid van de meeste gewone stervelingen tegenover de historische gebeurtenissen die hen als een immense kracht overspoelden’. Naast de Holocaust het geschatte totaal van 60 tot 70 miljoen doden, de evenzo miljoenen verminkten, psychisch beschadigden en verkrachten niet meegerekend. Groteske cijfers. Vandaar, natuurlijk, de plicht van eenieder om achter de cijfers zo veel mogelijk individuen te onderscheiden. En deze plicht wordt enkel versterkt door het besef dat de totalitaire systemen ontmenselijking als het grote middel en vaak ook als doel hadden.

De bijna 900 lange en dichtbedrukte pagina’s maken het noodzakelijk dat Beevor over een soepele schrijfstijl beschikt. Eveneens belangrijk zijn de voorbeelden, zowel als adempauze en als ter verduidelijking. Beevor kiest ze met zorg: nieuw uit de Sovjetarchieven opgeduikelde rapporten, dagboeknotities, ooggetuigenverslagen (prettig genoeg vaak van Vasili Grossman, journalist en schrijver van Leven en lot). Ook gebruikt hij gevarieerde en treffende epitheta, nuttige en ruimtebesparende informatiedragers. Wel lijkt Beevor het meeste werk te maken van de deelonderwerpen waar hij al boeken over geschreven heeft.

Bombast
Sommige passages lezen wat moeizamer, omdat daar de zinnen wat hortend op elkaar volgen. Dit is, gegeven de informatiedichtheid en het ruimtegebrek, bijna niet te vermijden. Kwalijker is dat Beevor soms niet alleen aan de stijl, maar ook aan de nuance voorbijgaat. Zo oogt zijn distillaat van de bezetting van Nederland als de goed-fout geschiedschrijving van Lou de Jong. Op andere punten zet Beevor gelukkig wel de dreigende simplistische dichotomie overboord. Beestjes krijgen de juiste namen, zo kwalificeert hij het doel van de Royal Air Force-bombardementen op Duitsland als ‘het vermoorden van baby’s’.

Hij maakt ook kleine foutjes. Hij doet het bijvoorbeeld voorkomen alsof Hitler blij was met een beklimming door Duitse bergeenheden van de 5600 meter hoge Elbroes, vlak voor de slag om Stalingrad. Maar in werkelijkheid was Hitler woedend, en dreigde hij de betrokkenen voor de krijgsraad te slepen. Een andere aanmerking is de bombast die Beevor zich af en toe toestaat. Betitelingen als ‘een stel geweldige vechtjassen’, of ‘een beer van een vent’ komen relatief vaak voor, en ogen als de taal van de militair historicus. Anderzijds: beschrijf een gevecht, en al helemaal de Tweede Wereldoorlog maar eens zonder naar kitsch neigende heroïek. Maar weinigen zullen dan geneigd zijn over de resterende, eindeloze desolaatheid te lezen.

Kersenbomen
De geallieerde conferenties in vooral Teheran en Jalta zijn aanstootgevend: drie mannen spelen stratego, en wie wint krijgt een paar landen extra. Extra vervelend was dat Stalin dit spelletje het best beheerste. Vooral de Midden- en Oost-Europese volken werden de dupe, terwijl zij al ‘tussen de totalitaire molenstelen bekneld waren geraakt en door de interactie tussen de twee stelsels waren vermalen’. Na de oorlog verbeterde hun lot maar weinig: het westen voerde hen aan de Sovjet-Unie: ‘De ene helft van Europa aan het stalinistische monster moest worden opgeofferd om de andere helft te redden.’ Een historisch offer dat in West-Europa meer aandacht verdient.

Tot slot geeft Beevor een waarschuwing af. Dat de Tweede Wereldoorlog in zo veel landen als het grote referentiepunt dient, is vooral gebaseerd op de dreigende vermaling van het individu en de morele keuzes waartoe zowel staat als individu werden gedwongen. Voor politici is het natuurlijk verleidelijk om in een campagnespeech oorlogsgebeurtenissen te isoleren en bijvoorbeeld te proberen om resonanties van Churchill door te laten klinken, of een overalarmistische vergelijking te maken met de onvergelijkbare situatie van München in 1938. De geschiedenis als kersenboom. Wantrouw iedere politicus die zich bezondigt aan deze misleidende retoriek, want het is pertinent onterecht en uit vals- of domheid ingegeven. Een terecht opgeheven vingertje tot besluit van een goed standaardwerk.

Paul Lucardie en Gerrit Voerman – Populisten in de polder

Paul Lucardie en Gerrit Voerman – Populisten in de polder

Opeenvolgend: aan het volk van Nederland

Oorspronkelijk 12-05-2012: http://www.8weekly.nl/artikel/10019/paul-lucardie-en-gerrit-voerman-populisten-in-de-polder-opeenvolgend-aan-het-volk-van-nederland.html

Ongetwijfeld was het Nederlandse politieke fenomeen van het afgelopen decennium het populisme. Vreemd genoeg was er nog geen overkoepelend werk over verschenen. Nu wel, en ook direct goed:Populisten in de polder is een solide standaardwerk.

De politicoloog Paul Lucardie en de historicus Gerrit Voerman – vaker in tandem onderzoekend – beschrijven in mooi afgemeten hoofdstukken de Nederlandse populistische partijen de SP, Leefbaar Nederland, de LPF, Verdonks TON en, natuurlijk, de PVV. Alvorens deze partijen te belichten, besteden ze aandacht aan zowel de heikele definitiekwestie – wat is populisme? –, als aan de ‘populistische resonanties’ in de Nederlandse geschiedenis.

Helend populisme
Populisme polariseert, maakt cynisch en botst met rechtstatelijke normen in zijn voorstelling van het volk als een eenheid. Dat is waar. Maar evenzo vervullen populistische partijen nuttige functies: ze kunnen enthousiasmeren, de vaak verdorde democratische droom nieuw leven inblazen en de ontstane kloof – de leegte die het populisme voedt – tussen politieke vertegenwoordiging en burger dichten.

Het schoolboekvoorbeeld van dit helend populisme is natuurlijk de politieke vertaling die Pim Fortuyn gaf aan de reële maatschappelijke problemen in de oude volksbuurten tussen buitenlandse nieuwkomers en ‘autochtone’ Nederlanders (excusez le mot). Daar vertoonden de paarse kabinetten een blinde vlek. Maar na Fortuyns adressering verwerd het benoemen van de multiculturele kwalen rap tot politiek gemeengoed.

Meer dan een stijl
Dat zijn effecten – maar wat is populisme? Het is lovenswaardig dat Lucardie en Voerman het populisme zowel streng als genuanceerd definiëren, waardoor er te veel noch te weinig partijen en politici binnen de definitiekaders vallen. De kern van hun populismedefinitie:

Een dunne ideologie of wereldbeschouwing waarin de kloof tussen volk en elite centraal staat, en waarin het volk als betrekkelijk homogeen wordt gezien – vaak, maar lang niet altijd ook als een etnisch of cultureel zuivere eenheid – en de elite wordt verdacht van het zelfzuchtig en corrupt najagen van eigen belangen.

Populisme is dus meer dan een stijl. Hieraan voegen de auteurs het essentiële element toe dat populisten beleidsvoorstellen formuleren om de kloof tussen volk en elite te dichten via mechanismen van de directe democratie, zoals referenda of terugroepmogelijkheden (recall). Vaak, maar niet altijd, kent het populisme ook een charismatische leider à la Fortuyn, die op quasi-religieuze wijze de wil van het volk zegt te belichamen.

Populistisch: ja/nee
Het populistische perspectief is dus manicheïstisch: het ene homogene blok, het zuivere volk, staat tegenover het andere homogene blok, de geperverteerde en perverterende elite. Deze alleszins verdedigbare definitie omvat bijvoorbeeld niet het D’66 – toen nog mét apostrof – van de jaren zestig. Deze partij was ‘democratisch radicaal’, omdat ze wel meer volksinvloed wenste, maar sprak over ‘burgers’ met verschillende belangen in plaats van over één volk. Ditzelfde geldt voor de eerste Nederlandse figuur die populistische elementen vertoont: de schrijver van ‘Aan het volk van Nederland’ (1781), Joan Derk van der Capellen tot den Pol. Hierin riep hij op tot meer burgerinvloed, en instigeerde hij de Patriottentijd.

Lucardie en Voerman maken aannemelijk dat er tussen 1780 en 1990 geen werkelijk Nederlands populisme bestond. Janmaats Centrumdemocraten waren weliswaar populistisch, maar bij hen was het nog fragmentarisch en ondergeschikt aan het nationalisme. Sowieso komt het populisme, in Nederland en elders, in een pure vorm slechts sporadisch voor. Meestal voegen populistische partijen elementen toe uit andere ideologieën. De LPF en de PVV bekrachtigen het populisme met nationalistische en liberale elementen. En bij de eerste werkelijk populistische Nederlandse partij, de SP van de jaren negentig, is een ideologische samensmelting met het socialisme waarneembaar. Maar analoog aan haar toenemende wens tot meebesturen heeft de SP het populisme en het ‘stem tegen’ de laatste jaren wat losgelaten.

Polderkleigrond
Pas sinds 2000 is het populisme nadrukkelijk en continu aanwezig. Wel bleek er een bijzondere politieke figuur als Pim Fortuyn nodig om een Nederlandse populistische traditie – waarvan we inmiddels wel mogen spreken – uit de politieke polderkleigrond te stampen. Populisten in de polder is welgedocumenteerd en gespeend van speculatie. En dat siert het boek, des te meer wanneer je bedenkt dat commentatoren die schrijven over het populisme zich vaak in ‘als-dan’-verhalen verliezen.

Tot slot moet nog één belangrijk inzicht worden vermeld dat oprijst uit de beschrijving van deze nog jonge traditie: om blijvend electoraal succesvol te zijn dient het populisme een koppeling te maken met een andere ideologie, waardoor het een robuuster programma kan opstellen. Dat kenmerkt namelijk alle Nederlandse populistische successen, terwijl Rita Verdonk en het snel neergegane puur populistische Leefbaar Nederland deze koppeling onvoldoende doorvoerden.

Thierry Baudet en Michiel Visser (redactie) – Revolutionair verval

Thierry Baudet en Michiel Visser (redactie) – Revolutionair verval

Voer voor idealisten

Oorspronkelijk verschenen 26-04-2012: http://www.8weekly.nl/artikel/9967/thierry-baudet-en-michiel-visser-redactie-revolutionair-verval-voer-voor-idealisten.html

Het conservatisme heeft in Nederland altijd een opmerkelijk kleine rol gespeeld. Al te vaak wordt het gedefinieerd als starre behoudzucht. Dat dit zowel onjuist als betreurenswaardig is, wordt bewezen door de bundel Revolutionair verval. Deze toont de rijkheid van de conservatieve traditie.

Onder de redactie van Thierry Baudet en Michiel Visser hebben meer en minder bekende schrijvers – onder andere Dalrymple, Scruton, Hartmans – achttien uiteenlopende denkers uit de achttiende en negentiende eeuw geportretteerd. In 2010 volgden Baudet en Visser al hetzelfde succesvolle procedé in Conservatieve vooruitgang, waarin zij portretten van twintigste-eeuwse denkers bundelden. In beide bundels is de gedeelde grond het conservatisme. De traditie van conservatief denken blijkt goed voer voor idealisten en sowieso voor eenieder die vandaag de dag over politiek en cultuur nadenkt, omdat het actuele ideeën op een verrassende en soms zelfs ontwrichtende manier reflecteert.

De goede kant van het conservatisme
In hun ‘ten geleide’ benadrukken Baudet en Visser wijselijk dat conservatief niet tegenover progressief staat, maar tegenover revolutionair. Hoe kan iemand immers tegen vooruitgang zijn? Zij stellen dat een belangrijk verschil tussen het conservatisme en die andere twee grote ideologieën, het liberalisme en het socialisme, is dat het conservatisme uitgaat van een pessimistischer mensbeeld. Dit lijkt juist, zolang we het hedendaagse optimistische Amerikaanse conservatisme buiten beschouwing laten. De klassieke conservatief acht mens en samenleving weliswaar verbeterbaar (met moeite), maar allerminst te perfectioneren:

Conservatieven wijzen op dat [menselijk] tekort, en zoeken naar manieren om de nadruk op individualisme enerzijds, en staatsmacht anderzijds, te temperen ten gunste van sociale, gemeenschappelijke waarden en instituties,zonder welke de staatsmacht in hun ogen ontspoort, de vrije markt corrumpeert, en het individu een betekenisloze abstractie blijft.

Deze stelling van de samenstellers toont het conservatisme van zijn goede kant. Natuurlijk is het vaak zo geweest dat geprivilegieerden hun betere positie legitimeerden door zich te beroepen op het conservatieve denken (en dit aldus te misbruiken). Evenzo is het conservatisme het denken van de matiging, van de ‘common sense’ en de rem op de soms al te onstuimige geschiedenis. Wanneer de samenleving te veel verwacht van de mens en diens rationele vermogens, dan waarschuwt de conservatief in de trant van Edmund Burke, de esthetisch begenadigde ‘conservatismevader’:

Politics ought to be adjusted, not to human reasonings, but to human nature, of which the human nature is but a part, and by no means the greatest part.

Chymistry versus stupidity
Het conservatisme verzet zich dan ook tegen, in David Humes frase, ‘philosophical chymistry’; het van de realiteit losgezongen denken. Zo betwistte de grote Samuel Johnson het in het abstracte denken – en in onze tijd! – als zaligmakend gepresenteerde ethos dat de mens het geluk moest najagen. Alsof dat bereikbaar is wanneer je ernaar op zoek gaat: ‘Wat is geluk? Waar vindt men dat?’

Veel van de geportretteerde conservatieven waarschuwen dat wanneer alles wordt afgeschaft wat niet logisch-rationeel valt te beargumenteren, het leven kleurloos en de maatschappij atomistisch wordt – en bovendien zijn dan alle buffers tegen de barbarij weggedacht. We dienen te onthouden dat, paradoxaal genoeg, preliberale waarden noodzakelijk zijn voor het voortbestaan van de liberale samenleving.

Bij veel van de Britse denkers die in de bundel worden besproken, komt het ‘probleem van het conservatisme’ aan de orde, namelijk dat de preliberale waarde, de traditie of het vooroordeel niet moeten worden benoemd. Want eenmaal gearticuleerd staat het automatisch ter discussie. Dit verleidde Walter Bagehot tot de bewering dat een volk dat in politieke vrijheid wil blijven leven, maar beter kan beschikken over één bepaalde eigenschap: ‘stupidity’. De notoir revolutionaire Fransen denken te veel na. Het Engelse volk daarentegen

blinkt uit in real sound stupidity. Het is zo dom (en daarmee wijs), dat het decommon sense meer vertrouwt dan de consistentegevolgtrekkingen van het abstracte denken.

Om in te grasduinen
Onvermijdelijk is de ene bijdrage interessanter dan de ander, maar ook de mindere stukken zijn lezenswaardig. In een prettige mix wordt het conservatisme van de bekende denkers afgewisseld met (in Nederland) minder bekende figuren als Hugues Félicité Robert de Lamennais en August Wilhelm Rehberg. Overigens worden ook de Nederlandse anti-revolutionairen Guillaume Groen van Prinsterer en Abraham Kuyper behandeld.

Dit is een heerlijk boek om in te grasduinen. Op momenten krijgt de lezer het gevoel dat iedere nieuwe pagina een inspirerend idee kan brengen. Dat deze frisheid kan bestaan komt, nogmaals, doordat de conservatieve traditie in Nederland is veronachtzaamd. Revolutionair verval toont dat Alexander Popes domzinnige ‘Whatever is, is right’, in geen geval mag worden toegeschreven aan de echte conservatieve denkers. Want die zijn soms dwaas, soms eng-autoritair, maar evenzo vaak wijs en origineel.