Maar u hongert ook naar de overwinning!

Recensie van: Laurent Binet (vert. Liesbeth van Nes) – Niets gaat zoals verwacht. Eerder verschenen 26-02-2013: http://www.8weekly.nl/artikel/10550/laurent-binet-vert-liesbeth-van-nes-niets-gaat-zoals-verwacht-maar-u-hongert-ook-naar-de-overwinning.html

Na zijn virtuoze, bestsellende HhhH ging Laurent Binet op stap met de campagne van François Hollande, de huidige Franse president. Het verslag dat hij hiervan schreef, is doordrenkt met Binets eigenzinnige stijl.

De Nederlandse lezer die Hollande enkel kent van het tv-journaal zal waarschijnlijk hetzelfde denken als Binets eigen uitgever aanvankelijk dacht: ‘Dat wordt strontvervelend… hij is oninteressant, geen charisma, te saai.’ Ook de Fransen noemden hem ‘vlaflipje’, ‘bosaardbeitje’, belichaming van het ‘Weke Links’. Nu is Hollande inderdaad Heydrich niet, maar opmerkelijk en het beschrijven waard is hij wel degelijk.

West Wing-stijl
Van juni 2011 tot en met mei 2012 volgt Binet van dichtbij Hollandes verkiezingscampagne. Hij gaat mee met fabrieksbezoeken, zit aan bij diners en tactische besprekingen, registreert het gesteggel binnen de rommelige meerstromingenpartij de Parti Socialiste (PS) en praat met omcirkelende journalisten en politieke medestanders (onder wie veel huidige ministers). Het resultaat is een verhelderend West Wing-achtig dagboekverslag van het campagnegekrioel. Waarbij in de vertaling overigens een broodnodige ‘wie is wie in de Franse politiek’ is opgenomen.

Nu is Binet natuurlijk geen doorsnee-journalist. Typerend is zijn commentaar op de objectieve aanpak van de journaliste Yasmine Reza, die in 2007 met de Sarkozy-campagne meeliep: ‘Ik weet nu al dat ik niet tot een dergelijke distantie in staat ben.’ Zo kennen HhhH-lezers hem weer: Binet is geen fly on the wall.

Geschiedenis, of de 75 procent
Binets sympathie voor Hollande zweeft als die van de eerste de beste kiezer. Het ene moment wil hij Hollande stemmen en probeert hij herhaaldelijk taxichauffeurs over te halen dat ook te doen. Dan vlakt zijn enthousiasme af. Om vervolgens weer op te laaien, maar wel voor Jean-Luc Mélenchon, de presidentskandidaat van de nog linksere Front de Gauche. Hij raakt ontwapend – en ontwapent op zijn beurt de lezer – wanneer hij Melenchon uitvoerig hoort verwijzen naar een historisch congres in 1920: ‘Dat is het, ik wil op hem stemmen, het is sterker dan ikzelf, zodra er over geschiedenis wordt gepraat kan ik me er niet tegen verzetten.’

Hij schudt zijn wispelturigheid definitief af wanneer hij vlak daarna Hollande de langverwachte inhoudelijk linkse toespraak hoort geven (Hollande schijnt een sterk spreker te zijn). Diens aankondiging van maatregelen als de 75 procent belasting op het inkomen boven een miljoen begeestert zowel Binet als de socialistische aanhang.

Drie soorten kaas
Naast van de tactici, de idealisten en de baantjes- en prestigejagende figuren uit Hollandes entourage, schetst Binet ook een inzichtelijk beeld van het campagnevolgende journaille. Hij bekritiseert hun onhebbelijkheid om na afloop van een sessie hun aantekeningen op elkaar af te stemmen, om zich ervan te verzekeren niets te hebben gemist. Vanzelfsprekend levert dit een uniforme verslaggeving op. Deze uniformiteit wordt nog versterkt door eenzelfde blik: zo ziet Binet als Hollande een broodje eet verschillende journalisten rondom hem nauwgezet noteren: ‘Met drie soorten kaas.’

Tegenover de onmatige Nicolas Sarkozy werd Hollande natuurlijkerwijs gepresenteerd als de ‘normale kandidaat’. Dit kan misleiden, want Binets portret is dat van een gelaagde man. Gelijk iedere presidentskandidaat wil Hollande macht. Wat hem echter vooral kenmerkt is zijn figuurlijke taalgebruik en neiging om steevast wat milde ironie op de achtergrond te laten meeklinken. Hiermee lijkt Hollande afstand te houden ten opzichte van de menselijke komedie. Verder blijkt Hollande een improvisator – tot wanhoop van zijn adviseurs – en besteedt hij vele uren aan het (her)schrijven van zijn toespraken.

De judoka Hollande
Opvallend zijn ten slotte zijn replieken. Hollande is een judoka; hij gebruikt de kracht van de tegenstander, incasseert de aanval, ‘slorpt ze op en gebruikt ze als eigen munitie’. Het boek wemelt van de elegante voorbeelden hiervan. Geconfronteerd met de uitspraak van een tegenstander: ‘Eerlijk is eerlijk, kunt u zich Hollande als president voorstellen? Een droom’, reageert Hollande: ‘Ja, ik onthoud dat woord: het is een mooie droom. Ik ben blij dat hij ook droomt.’

Schitterend toch? Een net iets ander voorbeeld:

Een jongeman in de menigte roept: ‘We hebben honger!’ Hij [Hollande] concludeert op komisch-gaullistische wijze: ‘U hebt honger, ik weet het, maar u hongert ook naar de overwinning!’ (bijval van de menigte).

De titel Niets gaat zoals verwacht is raadselachtig. Die citeert Hollandes reactie wanneer hij hoort van de val van Dominique Strauss-Kahn. Verwijst hij tevens naar de onverwachtheid van zijn uiteindelijke overwinning? Naarmate die dichterbij komt – verkiezingsdatum: 6 mei 2012 – schrijft Binet zichzelf minder in de tekst. Dat is jammer, want het was juist de spanning tussen zijn campagneregistratie, zijn waardering daarvan en zijn belevenissen die dit boek levendig maken. De waardering blijft overeind: een origineel verslag, fijn ingekleurd door Binets eigenzinnige stijl en Hollandes charmante karakter.

Woorden? Ja hoor, woorden!

recensie van: Joris Note – Wonderlijke wapens. eerder verschenen 22-02-2013: http://www.8weekly.nl/artikel/10540/joris-note-wonderlijke-wapens-woorden-ja-hoor-woorden.html

Wonderlijke wapens is een uiterst subversief boek. Het bolt op van de verrassingen: van poëtische woede en van schrijversrevoltes tegen de status quo.

In elk van de nauw samenhangende essays belicht de Belg Joris Note (1949) een schrijver die de literaire taal – het ‘wonderlijke wapen’ – inzet om een laakbare politieke toestand te bekritiseren. Politiek heeft hier weinig van doen met het parlementaire handwerk. Nee, politiek is dat wat de bestaande regels ter discussie stelt. In ieder essay zoekt Note, romanschrijver en criticus, naar een punt waar literatuur politiek wordt of (soms) politiek literair; waar beide grootheden samenkomen als ruziezoekers, openbrekers van toestanden, als vernielers en vernieuwers.

Majestueus Frans
Het is onvermijdelijk dat dit wat vaag klinkt. Laat me ter verduidelijking Notes beste en mooiste voorbeeld van een schrijver die het ‘wonderlijke wapen’ hanteerde wat uitvoeriger behandelen. In verschillende essays beschrijft Joris Note de in Nederland maar weinig bekende Aimé Césaire. Geboren te Martinique zocht deze volksvertegenwoordiger, dichter en (toneel)schrijver de juiste verhouding tot het kolonialistische Frankrijk. En vooral tot het idioom van dat land. Césaire beoogde een kritiek te leveren op de hypocriete koloniale rationaliteit die de Afrikaanse eigenheid huldigde, zonder de Afrikaan rechten toe te kennen. Juist die Afrikaansheid maakte dat de Afrikanen er nog niet klaar voor zouden zijn. Wilde de Afrikaan rechten, dan moest hij zijn eigen cultuur loochenen en Frans(er) worden.

Aimé Césaire

En Césaire schreef in het Frans. Want het Creools, zijn oorspronkelijke taal, miste de gelaagdheid om te kunnen uitdrukken wat hij wilde zeggen. Als gevolg hiervan loerde het gevaar van assimilatie. Maar Césaire vond een uitweg, en die is poëtisch overweldigend: hij ging een dusdanig complex, precies en majestueus Frans spreken dat ‘zelfs de Fransen hem niet meer begrepen’.

Zijn aristocratische, geheel eigen taal overvleugelde het overheersende idioom en schiep daarmee de ruimte tot kritiek. Hoe nodig dit was, blijkt uit voorbeelden waarin Franse parlementariërs Césaire toebijten dat hij de Fransen wel wat dankbaarder mag zijn. Tegen deze combinatie van blanke hoogmoed en gebrek aan schuldbewustzijn dicht Césaire woedend:

Architect met de blauwe ogen
Ik daag je uit

Pas goed op architect want de Rebel zal niet sterven zonder
Iedereen duidelijk te maken dat jij de bouwer bent van een wereld vol pestilentie.

Wondrooswoorden: taalmaker en taalconsument
Nu bestaat niet alleen de koloniale, maar iedere maatschappij uit taalmaker en taalconsument. Telkens weer roepen Note en de door hem aangehaalde schrijvers – onder wie Ezra Pound, Herman Gorter, de speechende Congolese premier Patrice Lumumba – op tot verzet tegen dit taalconsumentisme. Hier steekt Note definitief zijn rebelse kop op: wanneer een individu zich onttrekt aan het consumentisme, dan noemt hij dat een verzet tegen de status quo en daarmee een politiek schandaal.

Authentiek taalgebruik heeft dus altijd een politieke implicatie. Zoals een dichter-rebel het zegt in een toneelstuk van wederom Césaire (dat te mooi is om niet te citeren):

Vergeefs laat u in de lauwheid van uw keel twintig keer dezelfde armetierige troost rijpen dat wij mompelaars van woorden zijn.

Woorden? Als wij stukken wereld hanteren, als we met geëxalteerde continenten trouwen, als we rokende poorten forceren – woorden, ja hoor, woorden! Maar woorden van vers bloed, woorden die vloedgolven zijn en wondroos en malaria en lava en bosbranden, en vlammend vlees en vlammende steden…

Met Césaires antikoloniale strijd sympathiseren is gemakkelijk voor de moreel comfortabele 21e-eeuwse lezer. Voor ons zijn waarschijnlijk de werkelijke wondroos- en malariawoorden de uitingen van populismestemmers en de reaguurders van Geen Stijl. Terzijde: voor een Nederlandse lezer bezit het Vlaams van Note, met net dat tikkeltje meer flamboyance ook iets heel eigens – en dús politieks.

Schoppen tegen Pauw & Witteman
Voor Note is gelijkheid de politieke essentie, en om dat te bereiken moet de zwijgende het woord nemen. Veelvuldig, onder meer bij Gorter en in de Mariken van Nieumeghen, draait het om het leren van de ongeschoolde, de verheffing van Mariken, de zwarte of de arbeider. Dit helpt het individu een andere, meer democratische (taal)wereld binnen. Overigens wordt dit thema, aangekomen bij de laatste essays, wel wat voorspelbaar.

Note deelt ferme schoppen uit tegen de consensusmaatschappij, tegen de Pauw & Witteman-opinies. Zo bekritiseert hij op aannemelijke wijze David van Reybroucks Congo. Een geschiedenis, dat door de hele wereld in gezellige harmonie werd bejubeld (zie ook mijn recensie). Uitstekend, dit schoppen waar te weinig geschopt wordt.

En ‘echte’ literatuur schopt altijd. Want haar stem is authentiek en dus politiek schandalig. Mede daarom stelt Note boudweg dat mensen meer moeten lezen. Schiet maar raak: uitgekauwd, naïef, paternalistisch? Ook die predicaten hebben iets gemakzuchtigs. Notes oprechte idealisme heeft zeker ook iets verfrissends. Het is goed dat in deze gedesillusioneerde wereld (op literatuurgebied tenminste) iemand af en toe dit blijft benadrukken: dat de literatuur een loswoeler is, het onzichtbare zichtbaar maakt en daarmee een wapen kan vormen tegenover de zelfvoldane tweeling van politieke status quo en versteende taal.

Bart Tromp – De loden bal van het socialisme

Recensie van Bart Tromp – De loden bal van het socialisme

Oorspronkelijk verschenen 25-11-2012: http://www.8weekly.nl/artikel/10366/bart-tromp-de-loden-bal-van-het-socialisme-wat-zit-er-op-de-kont-van-de-rode-haan.html

Wat zit er op de kont van de rode haan?

Ongevoelig voor modieuze ideeën werd Bart Tromp (1944-2007) binnen de PvdA eerst als rechts en vervolgens als links gezien (met ongeveer dezelfde opvattingen). Vanuit potige analyses bekritiseerde hij veelvuldig de ondoorzichtige, en vaak weinig intellectuele PvdA-koers. Maar nog het meest waardevolle aan de bundeling essays is de charmante wijze waarop hij de sociaal-democratische traditie verheldert. 

Bart Tromp, onder meer bijzonder hoogleraar internationale betrekkingen, functioneerde zijn hele intellectuele leven ‘als geweten van de Nederlandse sociaaldemocratie, zij het dat achtereenvolgende leidende figuren hem niet als zodanig erkenden’. In 2010 verscheen er onder de titel Geschriften van een intellectuele glazenwasser al een globaal overzicht van zijn werk. De verzameling stukken in De loden bal van het socialisme, liefdevol ingeleid door Job Cohen, is echter veel specifieker; puur gericht op het socialisme en de sociaal-democratie. Weliswaar verschillen insteek, toon en publicatiedatum, maar Tromps consistente denken leidt ertoe dat de essays tezamen een elkaar soms overlappende, prettig samenhangende mozaïek vormen. 

Tussen kladderadatsj en gas- en waterleidingsocialisme
Het interessantste thema is de spanning in de geschiedenis van het socialisme (van 1891 tot nu) tussen het utopische toekomstbeeld en de dagelijkse politieke praktijk. Deze spanning is inherent aan de politieke partij, en al helemaal aan het marxisme. Marx zelf wilde immers geen ‘recepten voor toekomstige gaarkeukens’ formuleren (eenieder mocht zelf weten hoe een omelet te bakken). De frictie kreeg haar standaardvorm in het revisionismedebat dat aanving bij Karl Kautsky en Eduard Bernstein (over beiden is een ideeënbiografisch essay opgenomen). Kautsky hield vast aan de orthodoxe theses van de verdwijnende middenklasse en de afstevening van het kapitalisme op een apocalyptische ineenstorting, waarna de socialistische maatschappij ‘daar’ zou zijn.

Precies die ongetoetste stellingen werden door de revisionistische Bernstein empirisch weerlegd. Nu zaten de leden van de Duitse Sociaal-Democratische Partij niet duimendraaiend te wachten op de grote kladderadatsj. Integendeel, zij probeerden om gestaag het lot van de arbeiders te verbeteren – net als de Engelse ‘gas- en waterleidingsocialisten’ (de Fabians) en de SDAP-wethouders in Nederland dat deden. Dit ijveren voor lotsbetering was ‘de weg der geleidelijkheid’. Of zoals die eigenzinnige polemist G.B. Shaw het optreden van de Fabian Sidney Webb karakteriseerde: ‘Het onvermijdelijke, maar laag-bij-de-grondse, langzame, aarzelende, laffe pad naar de rechtvaardigheid.’

Rode veren of geen rode veren?
Maar deze ‘reformistische’ praktijk had niets van doen met de theorie. Wat Bernstein rond 1900 beoogde was beide noodzakelijke grootheden te verzoenen. Met zijn revisionisme (de theorie van het reformisme) formuleerde hij als eerste de beginselen van een sociaal-democratische partij. Over de beginselpartij schrijft Tromp in een ander essay: 

Het wezen van een beginselpartij is zowel dat ze richting geeft aan het maatschappelijk gebeuren als dat ze als sluis functioneert voor de eisen en verlangens die vanuit de maatschappij op het politiek stelsel afkomen. Beginselen vormen in dit beeld richtingaanwijzer én zeef.

In stukken uit 1975-1990, een jaar of tachtig na het revisionismedebat, hamert Tromp erop dat de PvdA nog steeds de mythe van de radicaal andere (socialistische) maatschappij ‘als een loden bal aan de enkels’ met zich meesleept. Het droombeeld van het socialistische ideaal op aarde doet de alleszins opmerkelijke sociaal-democratische successen – voorbeeld: de emancipatie van een groot bevolkingsdeel tot staatsburger – stomweg verbleken.

Vervolgens verandert de PvdA wel, maar in plaats van zich als de hierboven geschetste beginselpartij te positioneren in het zinnige midden, schiet ze door naar het andere uiterste: onder Kok schudt de partij immers de rode veren af en laat de PvdA het beginsel van ‘de breideling van het kapitalisme’ los. Tromp, die hierdoor van een rechtse tot een linkse PvdA’er wordt, benoemt het gevolg: ‘Zonder ideologische veren loopt de rode haan in zijn blote kont.’ En hij heeft gelijk, wat inmiddels, anno 2012, door de meeste partijprominenten wordt onderkend.

De Cassandra van de PvdA
Tevens bekritiseert hij steevast het gebrek aan interne partijdemocratie van de PvdA (die, niet te vergeten, natuurlijk ook zijn PvdA was). Bij wijlen vliegen de vraagtekenkannonades over de pagina’s. Zo sneert hij naar de PvdA dat deze in plaats van beginselpartij verwordt tot ‘een uitzendbureau voor Kamerleden en een reclamebureau voor de lijst-Kok’.

De rijkelijk gevulde bundel wordt nog verlevendigd doordat Tromp de fijne kunst van het citeren beheerst. Bovendien maken alleen al de stukken over de Duitse socialisten, de Fabians en de prachtig afgeschilderde Clement Attlee dit boek de moeite waard. Anderzijds is het onvermijdelijk dat sommige essays gedateerd zijn, al is het maar omdat een hekelstuk over de verschraling van de democratie en de laakbare, toenemende rol van de media nu niets nieuws meer biedt. Toch is het begrijpelijk dat ook die stukken zijn opgenomen als bewijs en eerbetoon aan Bart Tromp; in Job Cohens woorden, ‘de Cassandra van de Partij van de Arbeid’.

Thierry Baudet – De aanval op de natiestaat

Thierry Baudet – De aanval op de natiestaat

Nationalisme, c’est la guerre. Toch?

Oorspronkelijk verschenen 15-07-2012: http://www.8weekly.nl/artikel/10141/thierry-baudet-de-aanval-op-de-natiestaat-nationalisme-c-est-la-guerre-toch.html

In het Nederlandse publieke debat blijft de aanval van rechts komen. De nieuwste spraakmakende charge is het proefschrift van Thierry Baudet. Hij polemiseert, schmiert en katapulteert drogredeneringen, maar maakt ook een aantal krachtige punten.

Onlangs promoveerde Thierry Baudet (1983) – NRC-columnist en samensteller van twee mooie bundels over het conservatisme, Conservatieve vooruitgang enRevolutionair verval – op De aanval op de natiestaat. Desondanks is de uit het Engels vertaalde, maar verder onaangepaste versie van dit werk meer publicistisch dan hard-wetenschappelijk. Natuurlijk kent Baudet zijn klassiekers – uitvoerig bespreekt hij vanuit historisch en rechtsfilosofisch perspectief de staatsvorming van de laatste eeuwen –,  maar hij maakt deze ondergeschikt aan zijn polemische these. Baudet poneert dat het onvermijdelijk is dat het door de elite gekoesterde supranationalisme en multiculturalisme de rechtsstaat en de politieke vertegenwoordiging ondermijnen, omdat die niet kunnen voortbestaan zonder nationaal ‘wij’, zonder samenhang biedende en legitimiteit verlenende collectieve identiteit.

De grenzenloze wereld
Baudets motto is dan ook Paul Scheffers ‘Zonder “wij” gaat het niet’. Ten minste gedeeltelijk heeft hij hier gelijk: al dan niet impliciet gaat de Europese elite nog altijd uit van een conceptie van een grenzenloze wereld, waarin het onderscheid tussen ‘wij’ en ‘zij’ is weggedacht. Zij ziet deze trend als zowel onvermijdelijk als wenselijk, reden waarom zij meent dat de nog bestaande grenzen, die relicten van een voorbije wereld, net zo goed kunnen worden opgeheven.

Dit opheffen gebeurt van binnenuit doordat het multiculturalisme, gedefinieerd als de stroming die ook op macroniveau ieder verschil accepteert, de gedeelde identiteit verzwakt. Van buitenaf gebeurt dit doordat de internationale organisaties steeds brokjes nationale soevereiniteit weghappen. Samen vormen deze trends ‘de aanval op de natiestaat’. Een voor een loopt Baudet de internationale organisaties af, achtereenvolgens de internationale hoven, de WHO, de VN Veiligheidsraad en, natuurlijk, de EU. Wat hij beargumenteert is hoe deze allemaal, anders dan in theorie, op onvoorziene wijze bevoegdheden naar zich toe trekken, hoe ze politieke beslissingen nemen en hoe deze beslissingen niet door het recht maar door bestaande machtsverhoudingen worden bepaald.

Universele geldigheid
In deze beschrijvingen is Baudet op zijn best. Zijn kritiek is raak en ook deelt hij vileine steekjes uit. Bijvoorbeeld: het supranationalisme ‘is in feite een terugkeer naar de gelaagde jurisdictie van vóór de opkomst van moderne staten. Het is een soort mediëvisme.’ Een schoolboekvoorbeeld van hoe een discours los te wrikken: de EU betekent geen voor- maar áchteruitgang!

Het gehele mensenrechtendiscours, en met name de uitvoering daarvan, is onvermijdelijk door politiek vertroebeld. Evenmin kunnen de neoliberale ideeën van de WHO universeel geldig genoemd worden – een spaarzaam moment waarop de gemiddelde ‘linksmensch’ het hartgrondig met Baudet eens zal zijn.

De aanval op de natiestaat is volgens Baudet moedwillig. De naoorlogse elites waren doordrongen van de door François Mitterand gemunte wijsheid ‘Le nationalisme, c’est la guerre!’ Dat kán zo zijn, maar dat hangt maar net af van de precieze nationalismevorm. Bovendien stelt Baudet – en hij stelt dat terecht – dat de samenleving niet buiten een collectieve identiteit kan, en die valt niet funderen op verdraagzaamheid of verschilverheerlijking alleen.

Buitenissigheden
In zijn bespreking van het multiculturalisme begint Baudet te schmieren. Zijn eerste ondeugd is dat hij obscure bronnen en buitenissige, in de media gehypte voorbeelden als exemplarisch opvoert. Weliswaar erkent hij die buitenissigheid, maar dit weerhoudt hem er niet van er een pagina of vijftien aan te besteden. Sommige voorbeelden zijn zelfs ronduit foutief, zoals het door Baudet klakkeloos van de feministe Susan M. Okin overgenomen cijfer van 200.000 polygame Parijse gezinnen waarbij de mannen werd toegestaan meerdere vrouwen uit immigratielanden te laten overkomen. Dit cijfer bleek afkomstig uit een roddelblad.

Het wordt heel bont als Baudet niet alleen beweert dat de EU geen oorlog heeft voorkomen – misschien nog enigszins verdedigbaar – maar dat deze organisatie, door de natiestaat te verzwakken, zelf een oorlog in de hand werkt. Want:

Verre van inherent oorlogszuchtig, is opkomen voor nationale soevereiniteit in feite de enige stabiele en intrinsiek vreedzame politieke vorm. De enige soort oorlogen die natiestaten vanuit hun wezen kunnen voeren, zijn defensief.

Dit is een wel erg opzichtige onwaarheid. Natuurlijk voeren natiestaten aanvalsoorlogen, wat lukrake voorbeelden: de Eerste Wereldoorlog, imperialistisch Japan of veel van de recente oorlogen die Amerika voerde.

In andere woorden: als De aanval op de natiestaat geen krachtige argumenten te berde brengt, dan is het wel spraakmakend omdat Baudet grove fouten maakt. En oh ja, Baudet bepleit een ‘multicultureel of open nationalisme’, en een ‘soeverein kosmopolitisme’. Vanuit een stevig verankerde natiestaat en nationale identiteit moet respectievelijk internationale samenwerking en culturele uitwisseling worden gezocht. Dit is weer heel zinnig, en waarschijnlijk ook nuttig om de pendule terug te krijgen in het midden, en niet te laten doorslaan – zoals pendules gewoon zijn – naar een wel erg rechtse zijde.

Kysia Hekster – De Poetinshow

Kysia Hekster – De Poetinshow

Een wijs raafje  

Oorspronkelijk verschenen 07-06-2012: http://www.literairnederland.nl/2012/06/07/de-poetinshow-kysia-hekster/

Een 18e-eeuwse Russische edelman schijnt te hebben gezegd: ‘Despotisme getemperd door sluipmoord, dat is onze Magna Charta’. Voor het huidige Rusland dient deze bon mot aangepast te worden, tot ‘autoritarisme gedempt door volkswoede’.

Kremlin-ideoloog Vladislav Soerkov bedacht hier zelfs een term voor. Hij noemde het ‘soevereine democratie’. In essentie betekent dit ‘dat de baas beslist en dat het volk door verkiezingen aan kan geven dat het instemt met wat de baas beslist.’ Zolang de economie groeide en de verkiezingen niet al te openlijk vervalst werden namen de Russen zowel dit democratische tekort als de mediapropaganda, het hoge sterftecijfer, de zwakke gezondheidszorg, het terrorisme etc. voor lief. Maar de verkiezingsfraude bij de meest recente verkiezingen bleek te openlijk, waardoor de volkswoede de Russische onverschilligheid overtrof.

Voor een verklaring van waarom de soevereine democratie kon werken, lijkt het vooral nodig om naar de geschiedenis te kijken. Ideologische excessen, eerst het communisme en daarna de kapitalistische ‘shocks’, hebben de Russen murw gebeukt. Het nu tien jaar durende autoritaire president- en premierschap van Vladimir Poetin – sinds 7 mei 2012 is hij weer president – bracht de Russen de orde waarnaar ze zo verlangden. Opmerkelijk is dat zelfs tijdens de protesten de (onvervalste) goedkeuringspercentages voor Poetin rond de 50% bleven schommelen. Er zijn dus genoeg mooie vragen te stellen. In De Poetinshow. En het Rusland voor de Russen probeert NOS-correspondente Kysia Hekster tot een antwoord te komen op één daarvan, namelijk: hoe kijken de Russen naar Poetin?

De Poetinshow verwijst naar de regelmatig in de Russiche tv-journaals uitgezonden beelden van bijvoorbeeld de vitale, half onblote president te paard op de toendra. Of van Poetin die zogenaamd twee antieke amforen uit de Zwarte Zee opvist. Maar de Poetinshow is ook de naam van een jaarlijks terugkerende tv-show waarin Poetin vragen beantwoordt die zijn ingestuurd door gewone burgers. De show houdt de façade hoog, kanaliseert wat van de maatschappelijke onrust en speelt en passant in op een aloude Russische reflex: ‘De bojaren plegen bedrog, de tsaar is onschuldig.’

Maar Hekster richt zich vooral op de Russische burger. Ze is journaliste, en als zodanig gaat ze te werk. Ze bespreekt opmerkelijke nieuwsfeiten van de afgelopen jaren, en interviewt betrokkenen: van de agent die in een populair filmpje op RUtube (de Russische variant van) de alomtegenwoordige corruptie beklaagt – Rusland moet de 154e plaats op de index van Transparancy International delen met Guinee-Bissau – tot de Oezbeekse immigrant die probeert te overleven in het xenofobe Russische klimaat.

Zeer sporadisch gebruikt Hekster andere middelen, en de lezer wenst dat ze dat veel vaker had gedaan. Neem de volgende Poetinverklarende fabel: ‘Een raaf zit in een boom met een groot stuk kaas in zijn bek. Een vos zit beneden aan de stam te wachten en vraagt: “Ga je op Poetin stemmen, raafje?” “Ja!” roept de raaf uit, en het stuk kaas valt naar beneden. De vos gaat ermee aan de haal. De raaf denkt bij zichzelf: wat nou als ik nee gezegd had? Had het iets uitgemaakt?’

Beter het kwaad dat je kent, dan het onbekende kwaad: het Russische volk wil bovenal de onzekerheid vermijden. Daarbij denken de patriottische Russen nog altijd vol schaamte terug aan Poetins voorganger, de alcoholist en kapitalistenpaaier Boris Jeltsin. In zijn show wordt Poetin dan ook gepresenteerd als de absolute tegenhanger van zowel Jeltsin als van de gemiddelde Russische man – die voornamelijk als gevolg van drankmisbruik op zijn 62e overlijdt. Daarentegen drinkt Poetin niet en presenteert hij zichzelf als de grote patriot, als gedisciplineerd en plichtsgetrouw. Poetin maakt de Rus weer trots op zijn land. Het belangrijkste van alles: hij bracht stabiliteit. Allereerst economisch. Desondanks is de economie van BRIC-land Rusland nog te zeer – Hekster noemt voor 60% van de staatsinkomsten – afhankelijk van de belastingen op energie-export.

En, zoals het raafje al dacht, wat is het alternatief? Zo voert Hekster als ‘grote held’ van de oppositie Aleksej Navalny op. Navalny maakte naam als corruptiebestrijder, en wordt getipt als mogelijke toekomstige presidentskandidaat. Maar tegelijkertijd pleit hij er ook voor om alle arbeidsmigranten het land uit te zetten. Dit pleidooi is niet alleen wanstaltig en potentieel inhumaan, maar ook vanuit economisch opzicht heel erg dom. Want uit VN-berekeningen blijkt dat de Russische economie, als gevolg van de negatieve verhouding tussen het geboorte- en sterftecijfer, de komende decennia 36 miljoen arbeidsmigranten nodig zal hebben.

Vreemd genoeg trekt Hekster niet de voor hand liggende conclusies. Om die lacune gedeeltelijk te vullen: de meeste Russen demonstreren voor eerlijker verkiezingen. Wanneer Poetin die op een geloofwaardige manier weet te bieden, en onderwijl aan de macht kan blijven, dan is er geen enkele reden om aan te nemen dat de soevereine democratie niet voortgezet kan worden. Dit betekent ook een continuering van het van overheidswege toegestane (vaak letterlijke) monddood maken van journalisten, of het opsluiten van de lastige oligarchen. Hekster citeert een Russin die zegt: ‘Onze wet is als een deur die in het midden van een open veld staat. Je kúnt door de deur gaan, als je dat wil.’

Hekster somt karakteristieken op, en daarvan weer voorbeelden. Het onoverkomelijke probleem van haar boek is dan ook dat iedereen die structureel de krant leest al deze tendensen al kent. Hekster beschrijft niets nieuws, en de manier waarop ze het bekende te berde brengt is al evenmin bijzonder. Afzonderlijk zouden de hoofdstukken niet misstaan als achtergrondverhaal in de meeste kranten, maar boekwaardig is De Poetinshow, ondanks de potentie die het onderwerp herbergt, simpelweg niet.

Haar stijl is in orde, hoewel soms slordig en nergens sprankelend. Enkel een paar scherpe zinnetjes doen de lezer opveren – zoals op het einde, in haar beantwoording van de vraag of de Poetinshow nu afgelopen is: ‘De toeschouwers kijken een andere kant op, naar de werkelijkheid.’ En waarom put ze niet wat meer uit die ontzettende, tot de verbeelding sprekende Russische cultuur en geschiedenis? Dat doet ze domweg niet, enkele obligate verwijzingen naar Lermontov en Dostojevski daargelaten.

Er verschijnen teveel boeken die na een half jaar alweer vergeten zijn. Maar De Poetinshow is eigenlijk nu al oud nieuws, in dezelfde zin als de krant van vorige week dat is. Hekster heeft niet meer gedaan dan een journalistiek stuk verlengd tot 190 pagina’s. En waarom er niet wat meer raafjes in opgenomen? Want die maakt wel wat goed. Bovendien geeft de fabel van deze kaasetende vogel impliciet het antwoord op de vraag of Rusland zal evolueren tot een volwaardige democratie: nee, voorlopig niet.

Paul Lucardie en Gerrit Voerman – Populisten in de polder

Paul Lucardie en Gerrit Voerman – Populisten in de polder

Opeenvolgend: aan het volk van Nederland

Oorspronkelijk 12-05-2012: http://www.8weekly.nl/artikel/10019/paul-lucardie-en-gerrit-voerman-populisten-in-de-polder-opeenvolgend-aan-het-volk-van-nederland.html

Ongetwijfeld was het Nederlandse politieke fenomeen van het afgelopen decennium het populisme. Vreemd genoeg was er nog geen overkoepelend werk over verschenen. Nu wel, en ook direct goed:Populisten in de polder is een solide standaardwerk.

De politicoloog Paul Lucardie en de historicus Gerrit Voerman – vaker in tandem onderzoekend – beschrijven in mooi afgemeten hoofdstukken de Nederlandse populistische partijen de SP, Leefbaar Nederland, de LPF, Verdonks TON en, natuurlijk, de PVV. Alvorens deze partijen te belichten, besteden ze aandacht aan zowel de heikele definitiekwestie – wat is populisme? –, als aan de ‘populistische resonanties’ in de Nederlandse geschiedenis.

Helend populisme
Populisme polariseert, maakt cynisch en botst met rechtstatelijke normen in zijn voorstelling van het volk als een eenheid. Dat is waar. Maar evenzo vervullen populistische partijen nuttige functies: ze kunnen enthousiasmeren, de vaak verdorde democratische droom nieuw leven inblazen en de ontstane kloof – de leegte die het populisme voedt – tussen politieke vertegenwoordiging en burger dichten.

Het schoolboekvoorbeeld van dit helend populisme is natuurlijk de politieke vertaling die Pim Fortuyn gaf aan de reële maatschappelijke problemen in de oude volksbuurten tussen buitenlandse nieuwkomers en ‘autochtone’ Nederlanders (excusez le mot). Daar vertoonden de paarse kabinetten een blinde vlek. Maar na Fortuyns adressering verwerd het benoemen van de multiculturele kwalen rap tot politiek gemeengoed.

Meer dan een stijl
Dat zijn effecten – maar wat is populisme? Het is lovenswaardig dat Lucardie en Voerman het populisme zowel streng als genuanceerd definiëren, waardoor er te veel noch te weinig partijen en politici binnen de definitiekaders vallen. De kern van hun populismedefinitie:

Een dunne ideologie of wereldbeschouwing waarin de kloof tussen volk en elite centraal staat, en waarin het volk als betrekkelijk homogeen wordt gezien – vaak, maar lang niet altijd ook als een etnisch of cultureel zuivere eenheid – en de elite wordt verdacht van het zelfzuchtig en corrupt najagen van eigen belangen.

Populisme is dus meer dan een stijl. Hieraan voegen de auteurs het essentiële element toe dat populisten beleidsvoorstellen formuleren om de kloof tussen volk en elite te dichten via mechanismen van de directe democratie, zoals referenda of terugroepmogelijkheden (recall). Vaak, maar niet altijd, kent het populisme ook een charismatische leider à la Fortuyn, die op quasi-religieuze wijze de wil van het volk zegt te belichamen.

Populistisch: ja/nee
Het populistische perspectief is dus manicheïstisch: het ene homogene blok, het zuivere volk, staat tegenover het andere homogene blok, de geperverteerde en perverterende elite. Deze alleszins verdedigbare definitie omvat bijvoorbeeld niet het D’66 – toen nog mét apostrof – van de jaren zestig. Deze partij was ‘democratisch radicaal’, omdat ze wel meer volksinvloed wenste, maar sprak over ‘burgers’ met verschillende belangen in plaats van over één volk. Ditzelfde geldt voor de eerste Nederlandse figuur die populistische elementen vertoont: de schrijver van ‘Aan het volk van Nederland’ (1781), Joan Derk van der Capellen tot den Pol. Hierin riep hij op tot meer burgerinvloed, en instigeerde hij de Patriottentijd.

Lucardie en Voerman maken aannemelijk dat er tussen 1780 en 1990 geen werkelijk Nederlands populisme bestond. Janmaats Centrumdemocraten waren weliswaar populistisch, maar bij hen was het nog fragmentarisch en ondergeschikt aan het nationalisme. Sowieso komt het populisme, in Nederland en elders, in een pure vorm slechts sporadisch voor. Meestal voegen populistische partijen elementen toe uit andere ideologieën. De LPF en de PVV bekrachtigen het populisme met nationalistische en liberale elementen. En bij de eerste werkelijk populistische Nederlandse partij, de SP van de jaren negentig, is een ideologische samensmelting met het socialisme waarneembaar. Maar analoog aan haar toenemende wens tot meebesturen heeft de SP het populisme en het ‘stem tegen’ de laatste jaren wat losgelaten.

Polderkleigrond
Pas sinds 2000 is het populisme nadrukkelijk en continu aanwezig. Wel bleek er een bijzondere politieke figuur als Pim Fortuyn nodig om een Nederlandse populistische traditie – waarvan we inmiddels wel mogen spreken – uit de politieke polderkleigrond te stampen. Populisten in de polder is welgedocumenteerd en gespeend van speculatie. En dat siert het boek, des te meer wanneer je bedenkt dat commentatoren die schrijven over het populisme zich vaak in ‘als-dan’-verhalen verliezen.

Tot slot moet nog één belangrijk inzicht worden vermeld dat oprijst uit de beschrijving van deze nog jonge traditie: om blijvend electoraal succesvol te zijn dient het populisme een koppeling te maken met een andere ideologie, waardoor het een robuuster programma kan opstellen. Dat kenmerkt namelijk alle Nederlandse populistische successen, terwijl Rita Verdonk en het snel neergegane puur populistische Leefbaar Nederland deze koppeling onvoldoende doorvoerden.

Thierry Baudet en Michiel Visser (redactie) – Revolutionair verval

Thierry Baudet en Michiel Visser (redactie) – Revolutionair verval

Voer voor idealisten

Oorspronkelijk verschenen 26-04-2012: http://www.8weekly.nl/artikel/9967/thierry-baudet-en-michiel-visser-redactie-revolutionair-verval-voer-voor-idealisten.html

Het conservatisme heeft in Nederland altijd een opmerkelijk kleine rol gespeeld. Al te vaak wordt het gedefinieerd als starre behoudzucht. Dat dit zowel onjuist als betreurenswaardig is, wordt bewezen door de bundel Revolutionair verval. Deze toont de rijkheid van de conservatieve traditie.

Onder de redactie van Thierry Baudet en Michiel Visser hebben meer en minder bekende schrijvers – onder andere Dalrymple, Scruton, Hartmans – achttien uiteenlopende denkers uit de achttiende en negentiende eeuw geportretteerd. In 2010 volgden Baudet en Visser al hetzelfde succesvolle procedé in Conservatieve vooruitgang, waarin zij portretten van twintigste-eeuwse denkers bundelden. In beide bundels is de gedeelde grond het conservatisme. De traditie van conservatief denken blijkt goed voer voor idealisten en sowieso voor eenieder die vandaag de dag over politiek en cultuur nadenkt, omdat het actuele ideeën op een verrassende en soms zelfs ontwrichtende manier reflecteert.

De goede kant van het conservatisme
In hun ‘ten geleide’ benadrukken Baudet en Visser wijselijk dat conservatief niet tegenover progressief staat, maar tegenover revolutionair. Hoe kan iemand immers tegen vooruitgang zijn? Zij stellen dat een belangrijk verschil tussen het conservatisme en die andere twee grote ideologieën, het liberalisme en het socialisme, is dat het conservatisme uitgaat van een pessimistischer mensbeeld. Dit lijkt juist, zolang we het hedendaagse optimistische Amerikaanse conservatisme buiten beschouwing laten. De klassieke conservatief acht mens en samenleving weliswaar verbeterbaar (met moeite), maar allerminst te perfectioneren:

Conservatieven wijzen op dat [menselijk] tekort, en zoeken naar manieren om de nadruk op individualisme enerzijds, en staatsmacht anderzijds, te temperen ten gunste van sociale, gemeenschappelijke waarden en instituties,zonder welke de staatsmacht in hun ogen ontspoort, de vrije markt corrumpeert, en het individu een betekenisloze abstractie blijft.

Deze stelling van de samenstellers toont het conservatisme van zijn goede kant. Natuurlijk is het vaak zo geweest dat geprivilegieerden hun betere positie legitimeerden door zich te beroepen op het conservatieve denken (en dit aldus te misbruiken). Evenzo is het conservatisme het denken van de matiging, van de ‘common sense’ en de rem op de soms al te onstuimige geschiedenis. Wanneer de samenleving te veel verwacht van de mens en diens rationele vermogens, dan waarschuwt de conservatief in de trant van Edmund Burke, de esthetisch begenadigde ‘conservatismevader’:

Politics ought to be adjusted, not to human reasonings, but to human nature, of which the human nature is but a part, and by no means the greatest part.

Chymistry versus stupidity
Het conservatisme verzet zich dan ook tegen, in David Humes frase, ‘philosophical chymistry’; het van de realiteit losgezongen denken. Zo betwistte de grote Samuel Johnson het in het abstracte denken – en in onze tijd! – als zaligmakend gepresenteerde ethos dat de mens het geluk moest najagen. Alsof dat bereikbaar is wanneer je ernaar op zoek gaat: ‘Wat is geluk? Waar vindt men dat?’

Veel van de geportretteerde conservatieven waarschuwen dat wanneer alles wordt afgeschaft wat niet logisch-rationeel valt te beargumenteren, het leven kleurloos en de maatschappij atomistisch wordt – en bovendien zijn dan alle buffers tegen de barbarij weggedacht. We dienen te onthouden dat, paradoxaal genoeg, preliberale waarden noodzakelijk zijn voor het voortbestaan van de liberale samenleving.

Bij veel van de Britse denkers die in de bundel worden besproken, komt het ‘probleem van het conservatisme’ aan de orde, namelijk dat de preliberale waarde, de traditie of het vooroordeel niet moeten worden benoemd. Want eenmaal gearticuleerd staat het automatisch ter discussie. Dit verleidde Walter Bagehot tot de bewering dat een volk dat in politieke vrijheid wil blijven leven, maar beter kan beschikken over één bepaalde eigenschap: ‘stupidity’. De notoir revolutionaire Fransen denken te veel na. Het Engelse volk daarentegen

blinkt uit in real sound stupidity. Het is zo dom (en daarmee wijs), dat het decommon sense meer vertrouwt dan de consistentegevolgtrekkingen van het abstracte denken.

Om in te grasduinen
Onvermijdelijk is de ene bijdrage interessanter dan de ander, maar ook de mindere stukken zijn lezenswaardig. In een prettige mix wordt het conservatisme van de bekende denkers afgewisseld met (in Nederland) minder bekende figuren als Hugues Félicité Robert de Lamennais en August Wilhelm Rehberg. Overigens worden ook de Nederlandse anti-revolutionairen Guillaume Groen van Prinsterer en Abraham Kuyper behandeld.

Dit is een heerlijk boek om in te grasduinen. Op momenten krijgt de lezer het gevoel dat iedere nieuwe pagina een inspirerend idee kan brengen. Dat deze frisheid kan bestaan komt, nogmaals, doordat de conservatieve traditie in Nederland is veronachtzaamd. Revolutionair verval toont dat Alexander Popes domzinnige ‘Whatever is, is right’, in geen geval mag worden toegeschreven aan de echte conservatieve denkers. Want die zijn soms dwaas, soms eng-autoritair, maar evenzo vaak wijs en origineel.

Hans van Mierlo – Een krankzinnig avontuur

Hans van Mierlo – Een krankzinnig avontuur

De revolutie maken voor hij uitbreekt

Oorspronkelijk verschenen 06-04-2012: http://www.8weekly.nl/artikel/9915/hans-van-mierlo-een-krankzinnig-avontuur-de-revolutie-maken-voor-hij-uitbreekt.html

Ik moet proberen het goed te vertellen.’ Het zijn Hans van Mierlo’s exemplarische woorden uit de iconische campagnespot in 1966. Het bestaande politieke systeem moest de lucht in en de vastgeroeste macht losgepeurd. Van Mierlo’s voornaamste middel hiertoe: zijn heldere taal.

Die taal staat centraal in de tientallen teksten die door vroegere vrienden en medewerkers – Ernst Bakker, Edmond Hofland, Annath Koster, Lennart van der Meulen en Carla Pauw – zijn gebundeld in Een krankzinnig avontuur (waarvan de titel verwijst naar het politieke project D66). Bijna allemaal zijn het toespraken en lezingen: Hans van Mierlo schreef om te spreken. Dat wil niet zeggen dat hij het schrijven verwaarloosde, integendeel: Van Mierlo was een schaver, een taalproever, iemand die ieder woord op de juiste, meest verhelderende plek wilde hebben. Zo begint hij ieder stuk mooi én geestig, een zeldzaam samenspel.

Een populistische revolutie
De kern van de kritiek van D66 op de regenteske politiek luidde natuurlijk dat ze ondoorzichtig en verkalkt was. D66 werd dan ook met uitgesproken populistische motieven opgericht: wanneer de gewone burger in de zogenaamde democratie politiek iets wilde ondernemen, stuitte hij op de muren van het vage Haagse gekonkel. Die muren wilde D66 doen ontploffen, om zo de weg naar de politieke invloed en macht vrijer te maken – het vervolg is bekend: er vond hooguit een verschuiving plaats, zeker geen ontploffing.

Het bedaagde populisme van D66 is vaker terug te zien in Van Mierlo’s stukken. Neem een van zijn vele zinnen-met-vleugels: ‘We moeten de revolutie maken voor hij uitbreekt.’ Dat de medeprogressief Den Uyl het potentieel ruikt en de zin overneemt kan nog. Maar vervolgens doet premier Piet de Jong, de ultieme representant van de verkalking, hetzelfde. Van Mierlo: ‘Snikkend ging ik onderuit. Zo zie je hoe je op moet passen.’

Macht en distantie
Van Mierlo’s hoofddoel was een andere staatsinrichting: hij wenste zowel een tweepartijen- als een districtenstelsel (en daarmee een directere band tussen politici en burgers), meer directe democratie, meer parlementair dualisme en als verplicht rijtje op school ‘rekenen-lezen-schrijven-democratie’. Ook als je het hier niet direct mee eens bent, blijft het waardevol omdat de hervormingsgezinde Van Mierlo op een structureel onderliggend probleem wijst.

Voor dergelijke hervormingen is namelijk een grondwetswijziging en dus een parlementaire tweederde meerderheid nodig. Maar de politieke partijen zullen nooit iets doen wat hun eigen bestaan bedreigt. Het dilemma wordt helemaal duidelijk wanneer Van Mierlo de lezer vraagt zich in te denken welk antwoord politici zouden geven op de volgende gewetensvraag: kunt u zich iets voorstellen wat goed is voor het land, maar slecht voor de partij? Van Mierlo noemt het de kern van een van de randvoorwaarden van het staatsmanschap:

Dat is het vermogen om macht te kunnen prijsgeven als zij niet meer functioneel kan zijn ten opzichte van het doel dat de macht rechtvaardigt. Met andere woorden: dat is het vermogen tot distantie ten opzichte van het instinct.

Vaak volgt op dergelijke, hem karakteriserende stukken Van Mierlo’s gepaste bekrachtiging: ‘En zo is het.’ Macht corrumpeert bijna altijd, en dus is tegenmacht noodzakelijk.

Van Mierlo’s kritiek staat nog steeds. En de teksten zijn evenzo actueel doordat de samenstellers de al te gedateerde passages, over bijvoorbeeld de contemporaine ‘kleine politiek’, eruit hebben geknipt. Wat overblijft zijn Van Mierlo’s lucide analyses van de Nederlandse politiek: de dingen die Van Mierlo tien, twintig of veertig jaar geleden adresseerde, zijn ook vandaag nog vers geperst en als nieuw gepresenteerd op de opiniepagina’s te vinden.

Engagement
Echter, de beschouwingen over het buitenland en de internationale betrekkingen zijn minder onderhoudend. Ook deze getuigen van Van Mierlo’s intelligentie, maar ondanks zijn ministerschappen van Defensie en Buitenlandse Zaken herbergen deze stukken weinig interessants voor de hedendaagse lezer.

Enkele stukken richten zich op cultuur en literatuur. Zo ook het rijkste betoog, de laudatio die Van Mierlo uitsprak toen zijn vriend Cees Nooteboom in 2004 de P.C. Hooftprijs kreeg uitgereikt. Vol eruditie, warmte en oog voor schoonheid. Ook roept Van Mierlo meerdere malen op tot een groter politiek engagement onder intellectuelen, en het is in zijn vervlechting van culturele en politieke opmerkingen dat een hint wordt gegeven van het krachtige resultaat dat een dergelijke inmenging kan opleveren.

Een krankzinnig avontuur toont een ‘echt mens’ in de politiek, iemand met oog voor zijn eigen fouten – Van Mierlo benadrukt deze verschillende keren –, met beschaving en wellevendheid, met zowel politiek inzicht als literair en artistiek gevoel. Nog mooier zou het zijn als er een biografie aan Hans van Mierlo (1931-2010) zou worden gewijd. Zodat zijn leven eens werkelijk goed zal worden verteld.

Roger Scruton – Groene filosofie. Verstandig nadenken over onze planeet

Roger Scruton (vert. Frans van Zetten) – Groene filosofie. Verstandig nadenken over onze planeet

Thuis de wereld redden

Oospronkelijk verschenen 15-03-2012: http://www.8weekly.nl/artikel/9855/roger-scruton-vert-frans-van-zetten-groene-filosofie-verstandig-nadenken-over-onze-planeet-thuis-de-wereld-redden.html

Het is lastig te beoordelen, Roger Scrutons boek over milieubescherming. Bij wijlen een genuanceerd en veelzijdig betoog, maar anderzijds vervalt het soms ook in kortzichtigheid en wensdenken. Wel is het een rechts pleidooi voor milieubescherming, en alleen daarom al lovenswaardig.

Misschien herinner je dit nog: eind 2008 dacht Mark Rutte – tegenwoordig premier van een kabinet dat enkel weet heeft van asfalt, bezuinigingsregels en de manier om Rutger Castricum weg te lachen – met Pamflet van een optimist het startsein van een ‘Groen Rechtse agenda’ te geven. Tussen droom en daad zat een crisis (en de PVV) in de weg, en sindsdien is het stil op het rechtse milieufront. Tot aan het verschijnen van Scrutons Groene filosofie.

Thuiselijkheid
Scruton benadert de milieuproblematiek vanuit het stokpaardje van zijn eigen conservatieve variant, namelijk vanuit het ‘verlies of gebrek aan thuis’. Dat doet hij zeer prettig schrijvend, alsof hij wordt geïnterviewd; de lezer krijgt zijn betoog toegediend in afgemeten hapjes. Tegenover ‘het vrijblijvende nergens van de consumptiemaatschapij’ plaatst hij de ‘oikofilie’, het gevoel en de liefde voor het eigen thuis: ‘De mens is een thuiselijk (Heimatliches) wezen.’ Deze oikofilie wortelt in de lokale gemeenschap, en brengt – instinctief, zo veronderstelt Scruton – een bestendige verantwoordelijkheidszin met zich mee voor de directe omgeving, voor mens, natuur en architectuur.

Scrutons plausibele gedachte is dat mensen in het lokale het milieuprobleem nog als dat van zichzelf kunnen ervaren. In deze ‘sferen van traditionele affectie’ zullen mensen zich associëren in burgerverenigingen, de ‘kleine pelotons’ van conservatismevader Edmund Burke. Ook Burkes intergenerationale contract – ‘tussen de levenden, de doden en de ongeborenen’ – roept Scruton in herinnering wanneer hij pleit voor rentmeesterschap, voor een engagement van de lange termijn.

Tussen verzoening en polemiek
Voor ons, allen in meer of mindere mate kinderen van de jaren zestig, voelt het idee van een zaak die het individu overstijgt en plichten met zich meebrengt altijd wat ongemakkelijk. Toch lijkt Scruton/Burke het gelijk aan zijn zijde te hebben. Wanneer we genoeg verbonden zijn met de omgeving, of zelfs met de natiestaat – bij de grenzen waarvan de loyaliteit halt houdt, aldus Scruton –, zijn we inderdaad bereid tot offers. Samengevat betekent dit groene conservatisme:

Een benadering van milieuproblemen waarin de liefde voor het lokale een centrale plaats krijgt in het beleid, en waarin homeostase en herstelvermogen, in plaats van herordening van de maatschappij en centrale controle, de voornaamste uitkomsten zijn.

Dit zet hij af tegen de door ‘thuislozen’ bevolkte ‘radicale milieubeweging’ en tegen de niet ter verantwoording te roepen ngo’s. Ja, dit zijn extreme, en dus valse tegenstellingen. Nu maken conservatieven zich hier vaker schuldig aan, maar Scrutons vaak sympathieke conservatisme heeft dergelijke retorische trucs niet nodig.

Tegelijkertijd houdt hij wel een midden tussen kritiek op de staat en kritiek op de markt. Bovenstaande steken wisselt hij af door kritiek te leveren op marktfundamentalistisch rechts. Dat erkent in zijn bijziendheid enkel economisch nut – wat overigens ook Ruttes groene agenda kenmerkte. Evenzo geeft Scruton aan dat de linkse milieubeweging en het conservatisme eigenlijk ‘natuurlijke bondgenoten’ zijn. Strategisch wel weer slim.

Eilanden van waarde
Scruton doorspekt zijn pleidooi met culturele verwijzingen, wat doet ademen. Waar vind je nog iemand die zonder met zijn ogen te knipperen durft te beweren dat we, om te bewijzen hoe belangrijk het ‘thuis’ is voor mensen, geen sociologische enquêtes nodig hebben? Daarvoor kunnen we ook terecht bij de Die Walküre of deOdyssee. Daarnaast pleit Scruton – eveneens esthetisch filosoof – voor de bestempeling van de schoonheid van het landschap als ‘heilig’ en dus oncompenseerbaar; om zo ‘eilanden van waarde’ te waarborgen in een ‘zee van prijzen’.

Vervelend genoeg is zijn pleidooi wat onrealistisch: mensen keren niet terug naar een ‘Heimatlichkeit’ en ook zal de consumptiemaatschappij niet ‘opeens’ verdwijnen. En het begint altijd wat te wringen als conservatisme, met zijn geloofsartikel van geleidelijke verandering, wil conserveren wat eerst nog geconstrueerd moet worden. Hanteert Scruton bovendien niet een overoptimistisch mensbeeld (en dat voor de ‘philosophy of imperfection’)?

En o ja, het milieu. Hoe de wereld, en dus niet alleen het beekje achter het huis, te redden? Volgens Scruton gaat China het niet doen, het komt op Amerika aan, dat via ‘geo-engineering’ het initiatief moet nemen. Voor het gemak negerend dat Amerika het land der klimaatsceptici is, en niet het Kyoto-protocol heeft ondertekend. Toch kan Scrutons boek bijdragen: als rechts hiervan een deel overneemt om in eendrachtige samenwerking met links de wereld te redden.

Slavoj Žižek – Eerst als tragedie, dan als klucht

Slavoj Žižek (vert. Ineke van der Burg) – Eerst als tragedie, dan als klucht

Na de komedie, de apocalyps

Oorspronkelijk verschenen 25-01-2012: http://www.8weekly.nl/artikel/9735/slavoj-zizek-vert-ineke-van-der-burg-eerst-als-tragedie-dan-als-klucht-na-de-komedie-de-apocalyps.html

Al in 2009 schreef Slavoj Žižek Eerst als tragedie, dan als klucht. Maar het is een boek over crises, en dus nog altijd zeer actueel: op de crisis volgt de komedie. Maar wat komt er daarna?

Žižek is de cultfilosoof bij uitstek, ‘het denkbeest uit Ljubljana’, woest behaard en behept met vele tics (‘and so on, and so on’). Ook is hij een van de inspiratoren van Occupy, een beweging waarover hijzelf, als zovelen, ambigue gevoelens heeft. Want hun protest is zeker prijzenswaardig, maar wat willen ze nu eigenlijk? Toch sprak Žižek op Occupy Wall Street de aanmoedigende en hoopgevende woorden: ‘The taboo is broken, we do not live in the best possible world, we are allowed and obliged even to think about alternatives.’

L’histoire se repète?

Alle stellingen uit het voorgaande citaat worden inEerst als tragedie, dan als klucht door Žižek belicht. Hij ontleent de titel aan een samenspel van Marx en Hegel. De laatste stelde dat als een gebeurtenis zich éénmaal voordoet, deze afgedaan kan worden als toeval. Maar herhaalt de gebeurtenis zich, dan getuigt dat van een diepere historische noodzaak.

Met het ‘kluchtige’ dat Marx aan de herhaling toevoegt, bedoelde hij dat we ons – na de eerste gebeurtenis, ‘de tragedie’ – slechts inbeelden dat we nog geloven in de betreffende ideologie of samenlevingsinrichting. Žižek gaat hiermee aan de haal en zegt dat wij, eenentwintigste-eeuwse cynici, onszelf alleen inbeelden dat we niet meer in de inrichting van onze samenleving geloven. Zoals wel vaker na zo’n zwiepende stelling slaat Žižek de onderbouwing over om snel toe te schrijven naar een volgende prikkelende these.

Postmodern kapitalisme
Nu ziet Žižek in 9/11 en de dotcom-bubble de tragedie van onze tijd, en in de kredietcrisis de klucht. Het hieraan onderliggende systeem is (natuurlijk) het kapitalisme. De tot crises leidende speculaties laten zien dat dit niet een puur rationeel of ‘natuurlijk’ systeem is. Integendeel, het kapitalisme is een gemankeerde ideologie als vele anderen. Zij die bekend zijn met Žižeks werk zal dit niet verrassen, maar het kapitalisme manifesteert zich na mei ’68, de laatste keer dat het onder werkelijke druk stond, op zeer ingenieuze wijze.

Dit zijn de passages waarin Žižek op zijn best is. Na mei ’68 zijn ons geen nieuwe rechten, maar enkel nieuwe ‘permissies’ – abortus, homohuwelijk, allerlei andere vrijheden – verleend. Anders dan rechten vergroten permissies onze macht niet. Maar, en hierin zit de verleidelijke crux, de permissies maken ons leven wel veel makkelijker.

Žižek vult dit aan met een verwijzing naar zijn vroegere leermeester Jacques Lacan wanneer hij vraagt: ‘Zeg me wie u bent. Wat voor soort object wilt u zijn? Wat kan het hiaat van uw verlangen vullen?’ In tegenstelling tot de eerdere, ‘zingevende’ ideologieën moet het kapitalisme de leegte in de mens juist openhouden:

Hoe de overheersende ideologie het gemis aan een vaste identiteit niet langer verdringt, maar direct inzet voor het op gang houden van het eindeloze proces van de consumentistische ‘herschepping van jezelf’.

Een nieuw communisme
De tweede fundamentele kapitalismekritiek is dat dit systeem door haar voortdurende radicaliseringen, crises en heruitvindingen – er moeten zich immers continu nieuwe investeringsmogelijkheden aandienen – niet werkelijk te beteugelen valt. Hierom noemt Žižek tussenvormen zoals het Rijnlandmodel onhoudbaar, maar helaas (weer) zonder duidelijk te maken waarom dit nu zo is.

Zijn kapitalismekritiek, die gelukkig veel verder gaat dan het ‘mainstream’ kortzichtige gezeur over de bankiersbonussen – dat sterk afleidt van de veel dieperliggende problemen van het kapitalistisch systeem – valt enkel toe te juichen. Maar waarom moet hij nu per se een ‘radicaal alternatief’ bepleiten, en dit ook nog ‘communisme’ dopen? Dit is bevreemdend, want terwijl u nu denkt aan de Goelag doelt Žižek hiermee simpelweg en oncontroversieel op de bescherming van de commons; van water, voedsel, energie, milieu en ook cultuur en onderwijs.

In deze conclusie zit de uiteindelijke waarde van Žižeks boek. Om nog iets te redden van de commons, van onze wereld, moeten we de kapitalistische, circulaire ‘komisch-tragische’ beweging onderbreken. Want anders? Dan, zal Žižek zeggen, de Apocalyps.