Recensies en artikelen

Philip Zimbardo – Het Lucifer Effect

Het Stanford Prison Experiment nader bekeken

Oorspronkelijk verschenen 18-10-2010: http://www.8weekly.nl/artikel/8709/philip-zimbardo-vert-rein-gerritsen-en-pleun-van-vliet-het-lucifer-effect-het-stanford-prison-experiment-nader-bekeken.html

In 1971 voerde Philip Zimbardo het Stanford Prison Experiment uit. Vrijwel direct verwierf het wereldfaam; iedereen heeft erover gehoord, al is het maar via de (misleidende) film Das Experiment. Maar van de belangrijkste les uit het experiment  hoe krachtig omgevingsinvloeden de mens kunnen beïnvloeden  lijkt de samenleving nog nauwelijks te zijn doordrongen. Daarom schreef Zimbardo Het Lucifer Effect.

De helft van dit lijvige boek bestaat uit een intrigerende, gedetailleerde beschrijving van het Stanford Prison Experiment (SPE). Het oorspronkelijke doel van dit experiment was om meer te weten te komen over de psychologie van gevangenschap. 24 psychologisch normale studenten werden onderverdeeld in gevangenen en bewakers. Bij de onderzoeksopzet werd aan vele psychologische factoren gedacht – strenge regels, een verstoorde tijdsbeleving –, die mee moesten helpen de gevangenen in een zo realistisch mogelijke omgeving te kunnen observeren. De gevolgen zijn waarschijnlijk bekend: bijna alle gevangenen en bewakers ontleenden hun identiteit, en daarmee samenhangend hun gedrag, aan hun rol van gevangene of bewaker. De bewakers begonnen de gevangenen in toenemende mate te vernederen, en de gevangenen schikten zich verbazingwekkend genoeg in een hulpeloze rol.

Abu Ghraib
Ook onderzoeksleider Zimbardo, hoogleraar in de sociale psychologie, kon de door hemzelf tot stand gebrachte gevangenissituatie niet meer zien vanuit een objectief, ethisch verantwoord perspectief. Hij bekeek het SPE enkel vanuit zijn rol van gevangenisopzichter, die hem ingaf de gevangenis te beschermen. Iemand van buitenaf was nodig om Zimbardo en zijn staf tot de realiteit terug te roepen en het experiment af te breken. De fysieke, psychologische en seksuele vernederingen liepen volledig uit de hand.

Decennia later, toen Zimbardo de televisiebeelden van de Irakese gevangenis Abu Ghraib voorbij zag komen, realiseerde hij zich hoezeer de implicaties van het SPE veronachtzaamd werden. Het lukte hem aangesteld te worden als getuige-deskundige in het proces tegen de in Abu Ghraib werkzame sergeant Chip Frederick – en hij begon te schrijven aan wat Het Lucifer Effect zou worden.

Situationele hypothese
De kern van de bevindingen uit het SPE is dat systemische omgevingsinvloeden gewone mensen kunnen verleiden tot het kwaad. Het begint bij het systeem, dat bestaat uit:

 

(…) individuen en instituten wier ideologie, normen, waarden en macht Situaties creëren, en van waaruit wordt voorgeschreven aan welke rol en verwachtingen acceptabel gedrag van Personen binnen dat systeem dient te voldoen.

De Personen worden in hoge mate gestuurd door de verwachtingen van het systeem. Dit kan leiden tot zowel de banaliteit van het kwaad, als tot de banaliteit van het goede. Deze situationele hypothese staat haaks op het wijdverbreide idee dat het menselijk handelen te verklaren valt vanuit zijn eigen unieke neigingen (de dispositionele hypothese).

Weten we dit?
Eigenlijk weten wij dit al. Maar, zo stelt Zimbardo, onze samenleving is er nog steeds niet op ingericht. Neem bijvoorbeeld de rechtsstaat, die veroordeelt individuen en nooit systemen. Natuurlijk zijn ook individuen schuldig aan situaties, maar dan vooral omdat zij zich niet bewust zijn van de kracht van de omgevingsinvloeden. Zimbardo betoogt overtuigend dat door omgevingsinvloeden in Amerikaanse gevangenissen in Irak en Afghanistan, zoals Abu Ghraib, er in minstens 400 gevallen – en hoogstwaarschijnlijk veel meer – is gemarteld, waarbij zeker tientallen doden zijn gevallen.

Zimbardo haalt vele tientallen voorbeelden en onderzoeken aan om de situationele hypothese te ondersteunen. Een stuk minder had ook gekund zonder dat er iets van de strekking verloren was gegaan. Maar Zimbardo lijkt met dit boek er voor eens en voor altijd in te willen rammen dat we ons bewust moeten worden van de omgeving. Hij poogt zijn relaas wat te verluchtigen door literaire verwijzingen of woordgrapjes, maar die komen gezocht of flauw over (‘Sergeant Clay bleek toch niet zo kneedbaar’). Los van zulke ergerlijke schoonheidsfoutjes herbergt Het Lucifer Effect sterke sociaalpsychologische inzichten en vooral een essentiële moraliserende functie; ter bewustwording van de corrumperende effecten van de systemen op de mens.

Philipp Blom – Het verdorven genootschap

De gedurfde denker Diderot

Oorspronkelijk verschenen 08-12-2010: http://www.8weekly.nl/artikel/8835/philipp-blom-vert-pon-ruiter-het-verdorven-genootschap-de-gedurfde-denker-diderot.html

Waarom hebben Voltaire en Rousseau monumentale graven in het Panthéon, en liggen Holbach en Diderot in het onbeduidende Parijse kerkje Saint-Roch? Nee, niet omdat de eerste twee per se meer belangwekkende dingen hadden te zeggen, maar simpelweg omdat zij de ideeëncompetitie voor het nageslacht hebben gewonnen. Om het een en ander recht te trekken schreef Philipp Blom Het verdorven genootschap.

Het grote publiek kent Philipp Blom van De duizelingwekkende jaren. Europa 1900 – 1914. Naast het fin de siècle heeft deze historicus ook passie voor de achttiende-eeuwse Franse denkers, en dan met name voor baron Paul-Henri Thiry d’Holbach (1723-1789) en Denis Diderot (1713-1784). Het verdorven genootschap draait om deze twee denkers, de eerste totaal vergeten, de tweede altijd even genoemd als encyclopedist, soms als schrijver, nooit als filosoof. Zij waren domweg hun tijd te ver vooruit. Toch was Holbachs salon – in Rue des Moulins 10, vlakbij het Louvre – tussen 1750 en 1775 de beroemdste van Parijs. Hume, Franklin en Adam Smith maakten daar veelvuldig hun opwachting. De salon was de broedplaats voor de atheïstische, pragmatische denkers, ‘de vergeten radicalen van de Verlichting’.

Ideeënstrijd
Blom stipt in dit boek een hardnekkige kwaal van de westerse maatschappij aan: nog steeds valt in maatschappelijke tendensen het theologische denken, en daarmee een gebrek aan verlichting, te herkennen. Neem het wijdverbreide streven naar het onbereikbare perfecte lichaam, de steeds weer terugkerende angst voor de Apocalyps, of Hollywoods weergave van expliciet geweld, maar nooit van seks. Het was misschien anders geweest wanneer niet Voltaire en Rousseau maar Holbach en Diderot als belangrijkste verlichtingsdenkers de geschiedenisboekjes waren ingegaan.

Maar dat gebeurde niet, want ‘hun laatste slag verloren ze’. Enerzijds was het de cynicus Voltaire die, via effectief reputatiemanagement, al bij leven ervoor wist te zorgen dat hij goede kans maakte om uit te groeien tot hét verlichtingssymbool. Anderzijds was het Rousseau, die dankzij zijn kind en vrijheid verheerlijkende, paradoxaal genoeg half paternalistische, maatschappijfilosofie perfecte uitgangspunten bood voor zowel de Romantiek als de in staatsterreur uitmondende Franse Revolutie.

Durf te weten
Maar nu over de ware helden van Bloms boek: denker en salonhouder Holbach schreef clandestiene boeken zoals Le Christianisme dévoilé, waarin hij, gebruikmakend van rede en natuurfilosofie, zeer systematisch de theologie ontwrichtte. Over zijn persoonlijke leven is helaas minder bekend. Blom beschrijft Diderots persoonlijkheid daarentegen dankbaar. Uit deze beschrijving rijst het beeld van een innemende man, befaamd om zijn gedurfde, geestrijke denken, schrijven en debatteren.

In tegenstelling tot Voltaire, die vreesde voor de moraal in een godloze wereld, en het genie Rousseau, wiens persoonlijkheid de uitkomsten van zijn filosofie bepaalde, leefde Diderot Horatius’ aansporing ‘durf te weten’ ten volle na. Samen met Holbach en salonvrienden had hij een missie: de menselijke wereld ontdoen van alle religie en hypocrisie, om vervolgens optimistisch en zonder schuldbesef te leven in het verlichte besef dat de materiële wereld het enige bestaande is.

Grote mannen
Sommige gevolgtrekkingen die Blom maakt in Het verdorven genootschap zijn, door lacunes in het bronnenmateriaal, slecht onderbouwd. En daarnaast vervalt hij wel erg vaak in herhalingen: dat Holbach een voortreffelijke wijnkelder heeft noemt hij minstens zes keer. Hij schrijft soepel over de twee grote vergeten mannen van de Verlichting en komt met een paar verrassende feiten over het denken van Holbach en Diderot. Jammer dat Bloms stijl soms net te populair is ingericht.

Beiden stelden dat de hartstocht uiteindelijk het primaat over de rede heeft. Zoals Diderot in een iets andere context zei: ‘er hangt een stukje testikel onder aan onze meest verheven gevoelens’. Het is niet toevallig dat Nietzsche een grote bewonderaar was: ‘Voltaire was de laatste grote geest van het oude Frankrijk, Diderot de eerste grote geest van het nieuwe.’ Een grote geest was het, nu nog de erkenning.

 

Orlando Figes – De Krimoorlog of de vernedering van Rusland

Doorbraak van het moderne

Oorspronkelijk verschenen 20-01-2011: http://www.8weekly.nl/artikel/8935/orlando-figes-vert-henk-moerdijk-en-lieske-simon-de-krimoorlog-of-de-vernedering-van-rusland-doorbraak-van-het-moderne.html

Uit de Krimoorlog (1853-1856) kennen we Florence Nightingale, de eerste oorlogscorrespondenten en ‘de charge van de lichte brigade’. Maar dat deze geschiedenis meer noemenswaardigs herbergt, toont Orlando Figes in De Krimoorlog of de vernedering van Rusland. Over de oorlog waarin zoveel moderne verschijnselen hun première kenden.

Halverwege de negentiende eeuw zorgt de machtsbalans van het ‘Concert van Europa’ al decennialang voor vrede. Maar dan bedreigt Rusland rond 1840-1850 het reeds verzwakte Ottomaanse Rijk omdat het de Ottomaanse christelijk-orthodoxe burgers wil beschermen. De toenemende dreiging maakt dat vooral Groot-Brittannië, indertijd groot voorvechter van vrijheid, beschaving en (zeker niet in het minst) vrijhandel, zich sterk bemoeit met de bescherming van de ‘zieke man van Europa’. Al deze verwikkelingen worden door Figes uitgebreid beschreven, zijn boek is net zozeer een diplomatieke als een militaire geschiedenis.

Religieus fanatisme
Figes is de eerste historicus die bronnen uit alle vier betrokken landen – ook Frankrijk – heeft nageplozen, wat een genuanceerde analyse mogelijk maakt van de beleidsvorming. Zo onthult hij de grote rol van religie in de opmaat tot de Krimoorlog. In onze tijd is het onmogelijk onbekend te zijn met religieus fanatisme, maar tot ongeveer vijftien jaar geleden werd de rol van religie vaak gebagatelliseerd. Destijds schrijvende historici geloofden niet dat religieuze drijfveren dusdanig medebepalend konden zijn voor het rationeel geachte beleid van moderne staten. Een andere ontdekking is de sterke russofobie van de machtig geworden Britse publieke opinie, versterkt door de (onrealistische) gedachte dat Rusland een bedreiging voor India zou kunnen vormen.

Eind 1853 vangt de Krimoorlog aan. Een coalitie van Britse, Franse en Turkse troepen verplettert in de eerste slagen het Russische leger. De oorzaak daarvan is vooral de minié, het westerse moderne geweer dat een tot vier keer zo groot bereik bleek te hebben – de soldaten ontdekten dit pas tijdens de gevechten – als de verouderde Russische musket. Dat de Krimoorlog, met als oorlogscentrum de beroemde slag bij Sebastopol, zo lang doorsleept, valt te wijten aan de stuitende opeenvolging van fouten van dronken, ouderwets denkende of domweg volstrekt incompetente bevelhebbers.

Het moderne
Naast de eerste geïndustrialiseerde oorlog was de Krimoorlog ook de laatste oorlog waarin ridderlijke akkoorden plaatsvonden, bijvoorbeeld wapenstilstanden om de gewonden van het slagveld te kunnen wegvoeren. Gaandeweg het conflict werden de mogelijkheden van de moderne oorlogsvoering ontdekt, evenals manieren om de bijkomende verschrikkingen in goede banen te leiden. Zo was er Nikolaj Pirogov, die voor het oorlogsziekenhuis het levensreddende triage-systeem bedacht, waarbij om effectiever te kunnen opereren onderscheid werd gemaakt tussen gewonden (licht, zwaar of onredbaar).

Ook nieuw was dat de Britse publieke opinie, gevoed door op de Krim aanwezige oorlogscorrespondenten, ervoor zorgde dat de wederwaardigheden van de gewone soldaat meer aandacht kregen en bovendien verbeterd werden. Ook Figes laat veelvuldig, net als in zijn bejubelde Fluisteraars, gewone soldaten en burgers aan het woord, wat deze geschiedenis vol ontberingen aan kleur doet winnen.

Historian
De Krimoorlog resulteerde in een machtsafname van de autoritaire Heilige Alliantie, en dan voornamelijk van Rusland, dat naast de verpletterende nederlaag in de Krimoorlog ook tweederde van de 750.000 soldatendoden had te betreuren. Indirect schiep het zo de diplomatieke voorwaarden voor de nationale eenwording van Italië en Duitsland.

Op Amazon.com werd Figes afgelopen jaar betrapt op het anoniem afkraken van medehistorici. Geen enkel boek over de Russische geschiedenis ontsnapte aan de bijtende kritieken van ‘historian’. Natuurlijk behalve dat van Figes, waarbij de anonieme recensent noteerde: ‘ik hoop dat hij eeuwig blijft schrijven’. Daar geeft hij zichzelf wat veel lof, maar met De Krimoorlog of de vernedering van Ruslandlaat Figes wel weer zien wat een uitstekende historicus hij is.

 

Hilary Mantel – Wolf Hall

Held in een krakende kosmos

Oorspronkelijk verschenen 21-11-2010: http://www.8weekly.nl/artikel/8776/hilary-mantel-vert-ine-willems-wolf-hall-held-in-een-krakende-kosmos.html

Engeland tussen 1500 en 1535: land van mythes, hypocrisie en strijd tussen kroon en kerk. Thomas Cromwell, voorvader van Oliver, klimt op van smidszoon tot de rechterhand van de beruchte koning Henry VIII. Over deze vernuftige Cromwell heeft Hilary Mantel het absoluut schitterende Wolf Hall geschreven, waarvoor zij in 2009 de Booker Prize ontving.

Om die schittering te kunnen ervaren moet de Nederlandse lezer, met waarschijnlijk alleen kennis van Henry VIII en zijn vrouwen, wel over wat doorzettingsvermogen beschikken. Want in Mantels bijna 700 pagina’s tellende roman wordt de Engelse geschiedenis als bekend voorondersteld. Het wemelt van de niet geïntroduceerde Engelse historische figuren, waarvan er ook nog eens buitensporig veel Henry, Richard of Mary heten. Enigszins vertroostend is dat zelfs de personages vaak moeten nadenken wanneer een ander personage enkel met de voornaam wordt aangeduid. Maar wanneer de orde langzaam de overhand op deze historische chaos neemt, gaat Wolf Hall op een andere manier wemelen: van scherpe, kort aaneengesloten zinnen die samen de ene na de andere meeslepende prachtpassage vormen.

Cromwell
Het middelpunt van die pracht is Thomas Cromwell, de alleskunner die zonder adellijke familie – wat nog nooit was vertoond – uitgroeit tot de man die feitelijk het Engelse koninkrijk bestuurt. Bij zo’n beschrijving ben je geneigd te denken aan een soort kardinaal Richelieu, maar Cromwell, weliswaar ‘de man met het voorkomen van een zondaar’, is werkelijk een zelf nadenkend, goed mens. Letterlijk tussendoor verliest Cromwell zijn vrouw en twee van zijn kinderen aan de ‘zweetziekte’. Zijn verdriet wordt nauwelijks expliciet gemaakt, maar juist daardoor lijkt de ontroerende kracht ervan alleen maar toe te nemen. Hij stort zichzelf nog meer op zijn werk. Dankzij zijn beschermheer kardinaal Wosley en zijn talent voor het bedenken van oplossingen voor de meest netelige kerkelijke en hoofse zaken, klimt Cromwell op tot hoofdadviseur van de koning:

De hovelingen merken dat hij de loop der dingen kan ombuigen, kan smeden. Hij kan de angsten van mensen indammen en hun een gevoel van zekerheid geven in een in zijn voegen krakende kosmos: dit volk, dit vorstenhuis, dit miserabele regenachtige eiland aan het randje van de wereld.

Anne Boleyn
Cromwells oplossingen zijn hard nodig binnen de Engelse krakende kosmos. Het ‘ketterse’ protestantisme tiert – schrijver en dogmaticus Thomas More is bezig met een inquisitie – en daar komt nog eens bovenop dat de getrouwde Henry VIII wil scheiden om te kunnen trouwen met Anne Boleyn. Om dat te bewerkstelligen forceert hij samen met Cromwell een breuk met de paus in Rome, en plaatst hij zichzelf aan het hoofd van de Engelse kerk. Overigens stopt het boek voordat Henry Anne Boleyn laat onthoofden.

De zestiende-eeuwse diplomatie is doordrenkt met de privélevens van de adel. Vaak staat daarin de verhouding centraal tussen seks en huwelijk enerzijds en de christelijke wetten anderzijds. Vuistregel is dat een christelijke gelofte heilig is, tenzij je genoeg macht hebt om er onderuit te komen. Steeds komt de hypocrisie van de christelijk-maatschappelijke praktijk naar voren: ‘overspel wordt niet onderbroken vanwege de vasten.’ Naast verholen en onverholen grappen is het verhaal ook spookachtig, passend bij het mistige zestiende-eeuwse Engeland.

Wolf
Dit alles is de constellatie waarbinnen de held Cromwell opereert, met een door Mantel zeer knap weergegeven vernuft. De titel Wolf Hall verwijst naar het gezegde ‘de mens is de mens een wolf’, wat zeker toepasbaar is op de hoofse situaties maar ook op Cromwell zelf. Hij is een wolf voor velen, maar een goede wolf. Een prachtfiguur waar Hilary Mantel haar subtiel geschreven historische drama omheen heeft geweven. Tegen het einde verwacht je als lezer de dood van Cromwell. Geen woord daarover, wel dat Mantel momenteel een vervolg aan het schrijven is.

Boekpresentatie van Andrés Neumans De eeuwreiziger

Vreemdelingschap als noodzaak

Oorspronkelijk verschenen 05-11-2010: http://www.8weekly.nl/artikel/8747/boekpresentatie-van-andres-neumans-de-eeuwreiziger-vreemdelingschap-als-noodzaak.html

Vlak voor zijn dood stelde de gelauwerde Latijns-Amerikaanse schrijver Roberto Bolaño dat ‘de literatuur van de 21e eeuw zal toebehoren aan Andrés Neuman en een paar van zijn zielsverwanten’. Tijdens de boekpresentatie van Neumans roman De eeuwreiziger, op 26 oktober in Spui 25, waren ook filosoof Ger Groot en de Spaanse literatuurkenner en vertaler Bart Vonck lovend over diens kwaliteiten. Neuman zelf was ook aanwezig, en het interview met hem bracht een avond over het vreemde en het eigene, en de vertaling van het eerste naar het laatste.

Het interview van Bart Vonck met Andrés Neuman werd in het Spaans gehouden, waarna een tolk de Nederlandse vertaling leverde. Ondanks dat de vertaling steeds helder en vlot was, maakte het de avond op een prettige manier chaotisch. Wanneer Neuman bijvoorbeeld in het Spaans een grappig antwoord op een vraag van Vonck gaf, lachte de ene helft van de zaal, waarna de Nederlandse vertaling de andere helft van de zaal in staat stelde de grap te waarderen. Neuman zelf leek dit allemaal zeer amusant te vinden, wat deed vermoeden dat een van de redenen om De eeuwreiziger in twee talen te presenteren, bestond uit het kunnen tonen van het vertaalproces. Want in De eeuwreiziger (Spaanse titel: El viajero del siglo) heeft het vertalen in de meest brede zin een centrale plaats: van de ene taal naar de andere, maar ook het vertalen van de ander naar jezelf en de vertaling, de verwerking, van het verleden in het heden.

De supervreemdeling
Het hoofdthema van boek en avond kwam al in de inleiding van Ger Groot naar voren. Hij legde de nadruk op de rol van het fictieve stadje Wandernburg. Dat is de geografische achtergrond van de roman, een stad vreemd voor zichzelf doordat de straten van plek veranderen en door het cartografische heen-en-weergeschuif van Wandernburg tussen Saksen en Pruisen.

Maar niet alleen het stadje Wandernburg dwaalt. Het eerste waar Vonck tijdens het interview naar vraagt is hoe het nu precies zit met de citaten voorin en achterin het boek, bijvoorbeeld George Steiners ‘Bomen hebben wortels, maar mensen hebben benen’. Zoals op iedere vraag deze avond was Neumans antwoord gerelateerd aan zijn ideeën over het vreemde en het eigene – in Neumans woorden: ‘de dialectiek der tegendelen’ – die een voor de mens noodzakelijke spanning oplevert. Direct kon de eerste van vele elegante zinnen worden opgetekend: ‘Het vreemdelingschap is een noodzaak’. Hoofdpersoon Hans, reiziger en vertaler, is ‘de supervreemdeling’, die via het vertalen tracht te begrijpen. Neuman doet er nog een schep bovenop door een intrigerende zin uit Borgès’ verhaal De verrader en de held aan te halen: ‘Hij was geen verrader, hij had alleen tegengestelde loyaliteiten’.

Europa
Neuman, steeds snel in het Spaans doorpratend totdat hij opschrikt omdat hij zich herinnert dat hij de vertaalster aan het woord moet laten, voegt er nog aan toe: ‘Woorden zijn, filosofisch gesproken, altijd geleend.’ Vonck vraagt vervolgens naar de betekenis voor de roman van een tweede citaat, van Adolfo Casais Monteiro: ‘Europa, zul je ooit gelouterd verrijzen uit de brokstukken die je met je meesleept? Zal die dag ooit komen?’ Nu speelt De eeuwreiziger zich af vlak na de Franse Revolutie, ten tijde van de Restauratie, in ‘een Europa van de verloren mogelijkheden’. De parallel met het Europa van nu ligt voor de hand. De Europese samenwerking die alleen maar over economie lijkt te gaan, en de tendens binnen veel afzonderlijke Europese landen om krampachtig de eigen culturele kenmerken te verheerlijken en tegelijkertijd om alles wat enigszins vreemd buiten de deur te houden. Volgens Neuman is er maar één uitzondering: ‘Het enige gebied waar de Europese utopie in is verwezenlijkt, is de wederzijdse uitwisseling van vertaalde literatuur en poëzie.’

De ontmoeting
Een belangrijke inspiratiebron voor De eeuwreiziger, zo geeft Neuman aan, was Franz Schuberts Winterreise (gedichten van Wilhelm Müller, die Schubert als basis voor de gelijknamige muziek gebruikte). De ontmoeting tussen Hans en de orgelman in het begin van het boek is hetzelfde als het begin van die muziekcyclus. In absolute tegenstelling tot Hans blijft de orgelman zijn hele leven op een plek maar met zijn oog voor het kleine ziet hij meer dan sommige wereldreizigers. Hier komt Neumans dialectiek duidelijk naar voren: ‘Hans en de orgelman, de beweging en het op één plaats blijven, trekken samen op’.

Het paradoxale is dat Hans, de eeuwige reiziger, niet verder reist dan Wandernburg. Aan de andere kant: Wandernburg is zelf allerminst onveranderlijk, zo brengt ook de orgelman in, wat de vraag doet rijzen: kan je niet reizen in stilstand? Op een gegeven moment brengen Hans en de orgelman een hele middag samen door met het kijken naar een molen: beweegt-ie of beweegt-ie nou niet? ‘Ik zou zeggen’, belicht Neuman, ‘dat een molen een nomadisch hoofd heeft, maar het onderstel zit stevig vast.’

Wanneer Bart Vonck het gesprek op de Salon brengt, een belangrijke plaats van verbale actie in de roman, maakt Neuman verschillende dingen inzichtelijk. Allereerst dat de typische negentiende-eeuwse setting van de door de mooie en intelligente Sophie – met wie Hans een hartstochtelijke liefdesrelatie begint – strak geleide Salon, de grensplaats van Revolutie en Restauratie, het ideale forum is: de uit conventies voortkomende verantwoordelijkheid wordt gecombineerd met een totale vrijheid aan wat de deelnemers kunnen zeggen.

21e ontmoet 19e eeuw
Neuman ziet de roman als een treffen van de (volgens hem ondergewaardeerde) traditionele roman – van Tolstoj, Austen en Flaubert – en de postmoderne 21eeeuwse roman. De achtergrond is 19e-eeuws, maar de lezer zit wel steeds in de hoofden van bijvoorbeeld de deelnemers aan de Salon. ‘Omdat ik nu in Nederland ben’, zei Neuman, ‘is een vergelijking met Big Brother wel leuk’ (lang leve ons cultuurgoed). En inderdaad gaat de lezer zelfs een keer in iemands hoofd mee naar het toilet, wat er voor zorgt dat je de climax van een discussie mist.

Een ander snijvlak van de traditionele en postmoderne roman is de boekenkist van Hans. ‘Vreemd genoeg’, zegt bedenker Neuman, terwijl hij oprecht verbaasd lijkt te kijken, ‘zit daar steeds het boek in dat hij zoekt’. Samen met de vreemde aard van Wandernburg is de kist verantwoordelijk voor het magisch-realistische element in de roman (en dat zien we graag in Zuid-Amerikaanse literatuur). Neuman vervolgt met een metafoor:

Stel jezelf een paardenkoets voor waarin Madame Bovary met haar minnaar zit. In een negentiende-eeuwse roman zouden de gordijntjes dicht zitten, nou, ik heb de gordijntjes opengezet in de hoop ze op een pikante pose te kunnen betrappen.

Dialectiek der tegendelen
Een toehoorder uit de zaal wil weten met wie Neuman zich nu het meest identificeert, Hans of de orgelman? ‘Met Franz, het hondje van de orgelman’, repliceert Neuman, ‘vernoemd naar Kafka en Schubert, en daarbij beschikt hij over een uitstekend muzikaal gevoel’. Dan serieuzer: ‘Met Hans wanneer hij denkt dat hij moet blijven in Wandernburg en moet zijn zoals de orgelman, met de orgelman wanneer hij denkt te moeten reizen als Hans.’ En zo eindigt de avond zoals die begon: met de dialectiek der tegendelen.

Andrés Neuman – De eeuwreiziger

Een man met twee ruggen

Oorspronkelijk verschenen 05-11-2010: http://www.8weekly.nl/artikel/8746/andres-neuman-vert-corrie-rasink-de-eeuwreiziger-een-man-met-twee-ruggen.html

Sommige traditionele romans maken dankzij een paar originele vormaspecten en een wonderlijk mooie inhoud de schijnbaar onuitputtelijke mogelijkheden van de roman duidelijk. Zo’n werk is De eeuwreiziger, van de jonge Argentijn (1977) Andrés Neuman. Hierin zijn taal en liefde, de negentiende eeuw en een vleug mysterie vermengd.

Reiziger en vertaler Hans komt, met een baret op zijn hoofd en vergezeld van een mysterieuze hutkoffer, aan in Wandernburg, met de bedoeling na de nacht weer verder te reizen. Maar Wandernburg – ‘zich verplaatsende stad op de gr. tussen Saksen en Pruisen’ – is een bijzondere stad die bijzondere inwoners herbergt. Ook Hans blijft hangen in Wandernburg, waar straten lijken te verschuiven en waarvandaan, zo gaat het gerucht, nog nooit iemand is vertrokken.

Moderne onrust
De meest markante inwoner die Hans in Wandernburg ontmoet is de orgelman. Een man die woont in een grot en op een zeldzame manier op zijn gemak is met zichzelf en de wereld. Hij leert Hans beter kijken naar de natuur en haar haast onmerkbaar veranderende schoonheid. De orgelman is met zijn zuivere onaangepastheid het rustpunt in het boek, dat zich afspeelt tegen de achtergrond van de onstuimige jaren twintig van de negentiende eeuw. Europa heeft, tijdens de Franse Revolutie, van de vrijheid kunnen proeven om die direct weer in te leveren. Tegelijkertijd kondigen zich verstrekkende industriële en sociale veranderingen aan, met daaraan gelieerd een oprijzen van ongedroomde horizonten.

De nieuwe mogelijkheden zorgen voor het startpunt van de moderne onrust, dat telkens terugkomt in De eeuwreiziger: blijven of weggaan, genoegen nemen met wat ik hier heb of vol tinteling het risicovolle avontuur aangaan? Deze onrust tekent zeker de (eeuw)reiziger Hans. Misschien dat een droom van de orgelman hem duidt: als een man met twee ruggen.

Schoonheid
Waar Hans in de grot in contact komt met arbeiders, daar neemt hij ook deel aan de Salon in huize Gottlieb, geleid door de mooie Sophie. Hier worden de politieke, sociale en esthetische standen van zaken bediscussieerd en, wat heel knap is, vanuit ieders perspectief begrijpelijk gemaakt.

Maar de sympathie van de lezer ligt bij de vrijdenkers Sophie en Hans – en hun sympathie ligt toch vooral bij elkaar. Hoewel Sophie zich heeft verloofd met de vastgeroeste, adellijke Rudi Wilderhaus, voelt ze passie enkel voor Hans. Samen werken ze aan Duitse vertalingen van de grote achttiende- en negentiende-eeuwse dichters. Tijdens het vertalen van de vreemde naar de eigen taal, ervaren ze hetzelfde als in hun opbloeiende liefde; waarin het eigen ‘ik’ de persoon van de ander probeert te kennen, te vertalen naar zichzelf. Hierin wordt idealiter, en het ideale benaderen ze, het vreemde van de andere persoon opgenomen zonder dat het eigen individu verloren gaat. Het zoeken naar woorden en schoonheid is een verlengstuk van hun liefde. In een briefwisseling mijmert Hans daarover verder:

Ik zou zeggen dat die ontstaat uit blijheid en vergankelijkheid. (…) Misschien helpt een beeld: schoonheid ontstaat bij het trillen van een brug die tintelende fantasie verbindt met de werkelijkheid. Als de brug trilt is dat een teken dat er iets belangrijks overheen gaat. Ik hoor je voetstappen. De brug trilt.

Originaliteit
De eeuwreiziger
 is een traditionele roman, maar met originele kanten. Zoals de prettige weergave van sommige dialogen, eigenlijk monologen, waarin het actieve luisteren van de tweede persoon wordt weergegeven tussen haakjes (‘ja…’ ‘dat zie ik’, ‘in Jena?’). Ook laat Neuman het verhaal abrupt van de ene situatie in de andere overgaan, maar door de subtiele vooraankondiging van situaties is het de lezer altijd duidelijk waar in het verhaal hij zich bevindt. Toch wat kritiek: in het begin zitten stukjes dialogen die wat haperen en daardoor ongeloofwaardig overkomen.

En wat zit er nu eigenlijk in Hans’ hutkoffer, en hoe komt hij steeds aan de allernieuwste boeken? Verschillende mysteriën lopen door het boek heen en geven het een extra tinteling. Nog een van de vele kwaliteiten van De eeuwreiziger, deze heerlijk sympathieke roman die ‘de brug kan doen trillen’.

Roberto Bolaño – Het Derde Rijk

Spel, beweging, leven

Oorspronkelijk verschenen 05-10-2010: http://www.8weekly.nl/artikel/8685/roberto-bolano-vert-aline-glastra-van-loon-het-derde-rijk-spel-beweging-leven.html

Postume roem verwierf Roberto Bolaño met de zowel qua inhoud als omvang imposante roman 2666. Zoals dat gaat wanneer een schrijver één groot succes behaalt, worden al zijn eerdere romans nader onderzocht: herbergen die soms ook een flard genialiteit? In het geval van Bolaño’s roman Het Derde Rijk is het antwoord daarop helder: ‘ja’.

De titel kan misleidend zijn. Het Derde Rijk is geen boek over de Tweede Wereldoorlog of over Hitlers imperialistische plannen. In ieder geval verwijst de titel naar een bordspel (een soort Risk, maar dan vele malen ingewikkelder), waarin het militaire verloop van de Tweede Wereldoorlog wordt overgedaan en mogelijkerwijs wordt veranderd. Het spel kent een kleine, maar fanatieke schare spelers over de hele wereld. En in dat spel is hoofdpersoon Udo Berger ‘de Kampioen’.

Costa Brava
Maar de roman gaat niet enkel over dat spel. Het boek kent de vorm van een dagboek, dat de periode beslaat die Udo met vakantie doorbrengt aan de Costa Brava. Hij is daar met zijn vriendin Ingeborg en ze logeren in het hotel waar Udo als kind met zijn ouders kwam en dat nog steeds door de mysterieuze Frau Else wordt geleid. Ingeborg wil een rustige vakantie; gelardeerd met grote hoeveelheden drank overdag naar het strand en ’s avonds naar de discotheek. Udo doet daaraan maar mondjesmaat mee. Hij gaat met Ingeborg en haar vakantievrienden (onder wie ‘de Wolf’ en ‘het Lam’) wel mee op stap, maar trekt zich regelmatig terug op zijn hotelkamer om daar de vele mogelijkheden van het spel ‘het Derde Rijk’ uit te pluizen.

Bovenstaande is in een notendop de feitelijke verhaalstructuur van de roman. Maar in het geval van Bolaño gaat het niet om wat er letterlijk staat, maar om de wereld daarachter, die opgebouwd wordt uit ontelbare suggesties. En al die suggesties komen voort uit ontzettend simpel lijkende zinnen; iedere zin stuurt de vorige net wat bij, en roept zo weer nieuwe suggesties en vage gevoelens op. Het is net als in David Lynch’ meesterlijke tv-serie Twin Peaks (waarnaar Bolaño in2666 verwijst), waarin bijna onzichtbare ironie en absurditeit en een almaar toenemende, voelbare dreiging van het onbekende samengevoegd worden.

Spel
En dan zijn er nog de vragen rond het spel. Udo speelt dat met ‘de Verbrande’, een man die waterfietsen verhuurt en over zijn hele lichaam sporen draagt van verbranding – is dat in de Tweede Wereldoorlog gebeurd? En waarom is Udo zo bezeten van dat spel? Misschien omdat het, net als zijn dagboek, een te controleren gebied is binnen het zo onoverzichtelijke leven (door Udo soms gevreesd om zijn ‘middelmatigheid en absurditeit’). Het ligt allemaal veel ingewikkelder. Ingeborg doet daarentegen geen moeite:

Ingeborg, naakt op het laken, verzekert dat alles simpel is. ‘Zelfs jouw miniaturen.’ Dat blijft ze herhalen tot ze in slaap valt. ‘Miniaturen’. ‘Alles is simpel’. Een hele tijd heb ik naar mijn spel gekeken en nagedacht. (cursivering Bolaño)

En juist daar lijkt het in dit verhaal om te gaan. Niet per se om het nadenken, maar om het feit dat Udo beweegt, dat hij probeert betekenis toe te kennen. Al bewegend raakt Udo verwikkeld in steeds grotere raadsels; het spel lijkt consequenties te hebben die doordringen tot in het ‘echte leven’. Ook die mogelijke consequenties zijn door Bolaño opgebouwd met talrijke halve en hele suggesties. Hoe dat precies zit moet de lezer zelf uitvinden. Sla dit boek open, begin met het veelzeggende motto en lees. Met andere woorden: beweeg.

E.T.A. Hoffmann – Leven en opvattingen van Kater Murr

De bekende romanticus E.T.A. Hoffmann (1776-1822) publiceerde in 1819-1821 zijn misschien wel beste roman, Leven en opvattingen van Kater Murr. Twee verhalen worden daarin verteld, het ene over Kater Murr, het andere over een kunstenaar en een hofintrige. Deze modern aandoende, helaas onaffe, roman is een komedie en romantische tragedie ineen.

Ernst Theodor Wilhelm Hoffmann veranderde uit liefde voor Mozart zijn derde naam in Amadeus. Als schrijver is hij vooral bekend door zijn fabel- en griezelverhalen (denk aan Der Sandmann), maar daarnaast was hij ook jurist, componist en een succesvolle muziekrecensent – achtergronden die te lezen zijn in het nawoord van Francien Markx.

Misdruk

In Leven en opvattingen van Kater Murr wordt vaak verwezen naar muziek en naar dat wat muziek vermag. Maar dat is niet de enige verwerking van Hoffmanns leven in deze roman. Kater Murr was de naam van zijn eigen kat, en de biografie van de kunstenaar Kreisler die een belangrijke rol speelt in het zich parallel afspelende verhaal, vertoont sterke gelijkenis met die van Hoffmann zelf. Bovendien komen in de roman zowat alle literaire vormen samen – de fabel, grap, waanzin, romance, tragedie – die Hoffmann in zijn schrijverscarrière benutte.
Zoals de titel aangeeft, is de schrijver van het autobiografische verhaal de kat, Murr. Deze heeft papieren uit het manuscript van de kunstenaar Kreisler gebruikt als onderlegger (en stiekem plagieert hij er ook uit). Door een fout van de drukker zijn deze papieren in het uiteindelijke boek blijven zitten. Gevolg daarvan is dat het verhaal van Murr veelvuldig bruusk wordt afgebroken, waarna de roman verdergaat met de vertelling van Kreisler en de hofintrige waarin hij zijdelings is betrokken. Na de eerste verwarring is deze originele vertelstructuur vooral amusant.

Murrs avonturen
De ontwikkeling van het individu, typerend voor literatuur uit de Romantiek, staat in beide verhalen centraal. De kat Murr heeft wetenschappelijke en dichterlijke ambities. Dit hoogmoedige beest – ‘de stralende, hoogst excellente Kater Murr’ – gaat prat op zijn ontwikkeling en op het feit dat hij afstamt van de Gelaarsde Kat. Maar ondertussen wordt hij toch het allerliefste verwend met een lekker hapje, een haringkop of melkpap met boter.

Wanneer Murr niet met zijn neus in de boeken zit, of pompeuze sonnetten schrijft, raakt hij verwikkeld in hilarische avonturen. Hij vecht duels uit en wordt verschillende keren hals over kop verliefd: 

Mijn innerlijke gevoelens liet ik nu geheel de vrije loop. Keer op keer drukte ik haar poot aan mijn lippen en verzekerde dat ik de gelukkigste sterveling zou zijn als ze een beetje van me wilde houden.
‘Ongelukkige,’ zei plotseling een stem vlak achter me, ‘wat doe je! Dit is je dochter Mina!’
De kunst
In het ongeveer even lange verhaal van Kreisler (waar Meester Abraham in voorkomt, een karakter dat ook in Murrs verhaal voorkomt) draait het vooral om de kunst. Kreisler, oud-kapelmeester aan het hof, is een werkelijk integere kunstenaar, op zoek naar de zuivere harmonie. Julia, de boezemvriendin van de prinses, beantwoordt aan zijn ideaal van zuiverheid en roept daarmee zijn liefde op.

Simultaan aan Kreislers zoektocht ontwikkelt er zich een spannende intrige rond het koningshuis. Daar zitten duistere kantjes aan, zoals een schilderij met bepaalde krachten dat aan Wilde’s The Picture of Dorian Gray doet denken. Helaas komt de lezer niet te weten hoe de liefde en intrige aflopen, want Hoffmann stierf voordat hij aan het beloofde derde deel was begonnen. Maar de lezer die moeite doet om de vertelstructuur en de belevingswereld van een kat te volgen, wordt de grote reikwijdte van dit tegelijkertijd hilarische, romantische en spannende werk duidelijk.

 

David van Reybrouck – Congo. Een geschiedenis

Prachtige geschiedenis

Oorspronkelijk verschenen 27-08-2010: http://www.8weekly.nl/artikel/8612/david-van-reybrouck-congo-een-geschiedenis-prachtige-geschiedenis.html

In 2003 zocht cultuurhistoricus, archeoloog en romanschrijver David van Reybrouck naar een boek over de moderne geschiedenis van Congo. Dat bleek niet te bestaan, waarop hij besloot het zelf te gaan schrijven. Het resultaat, Congo. Een geschiedenis, is reeds dertigduizend maal verkocht en wordt alom bejubeld. En dat is absoluut terecht.

Een door een Belg geschreven boek over de geschiedenis van Congo, de voormalige Belgische kolonie, kan niet anders dan een eurocentrisch perspectief hanteren: zowel door de Europese blik van de schrijver, als door het bijna volledige gebrek aan geschreven Congolese bronnen. Van Reybrouck was zich van deze moeilijkheid bewust, maar heeft het op knappe wijze weten af te zwakken door in zijn hele verhaal interviews met contemporaine Congolezen te verwerken.

Kolonisatie – onafhankelijkheid
Mede dankzij de interviews kleurt de microgeschiedenis dit boek: Congolese mijnwerkers, handelaren, politici, rebellenleiders en kindsoldaten verwoorden de speciale schoonheid en gruwel van hun land. De wonderlijkste persoon die Van Reybrouck sprak is zonder twijfel Etienne Nkasi (de man die op de omslag van het boek staat). Het interview met hem begon als volgt:

 

De werken in zijn streek begonnen in 1895. ‘Ik was toen 12, 15 jaar oud,’ zei hij.
‘Papa Nkasi…’
‘Oui?’ Telkens als ik hem aansprak, keek hij enigszins verstrooid op, als was hij vergeten dat hij bezoek had.

Van Reybrouck stelt vast dat Nkasi’s herinneringen aan de jaren 1890 allemaal feitelijk correct zijn: met eigen ogen heeft hij nog de medewerkers van Stanley (de beroemde ontdekkingsreiziger die dokter Livingstone in de jungle terugvond) gezien.

Stanley zette missieposten op in dienst van de Belgische koning Leopold II, die vanaf 1885 Congo tot zijn privé-bezit mocht rekenen. Na wanbeheer nam de Belgische staat het land in 1908 van hem over. Na de Tweede Wereldoorlog groeide het verzet tegen het paternalistische kolonialisme gestaag. Toch kwam de onafhankelijkheid in 1960 plotseling. Zonder gedegen voorbereiding was Congo ineens een onafhankelijke democratische staat. Tot 1965 kende Congo zes verschillende regeringsleiders, waarna de dictator Mobutu het land tot 1997 in een ijzeren, en op alle gebieden desastreuze greep zou houden. Eerst Kabila père en later Kabila fils (de huidige president) volgden hem op, maar geen van beiden wist de sinds 1994 gaande, chaotische burgeroorlog te stoppen. Naar schatting zijn er door directe of indirecte gevolgen van de Congolese Burgeroorlog inmiddels 5,4 miljoen mensen gestorven.

Bijzonder land
Congo is een bijzonder land. Het wordt ook wel aangeduid als ‘het geologische schandaal’, omdat het vele bijzondere grondstoffen bezit, waaronder uranium, kobalt en coltan. De eerste twee zijn essentieel voor de productie van de atoombom, de derde is dat voor elektronica van gsm tot laptop. Een zwakke staat in combinatie met een overvloed aan grondstoffen is in de wereldgeschiedenis altijd een zeker recept voor binnenlandse ellende gebleken; helaas ook in het geval van Congo, waar buitenlandse mogendheden van de grondstoffen profiteerden en het land zelf er enkel corruptie aan overhield.

Maar de Congolese geschiedenis heeft ook vrolijkere kanten. Het is het land waar de ‘rumble in the jungle’ werd georganiseerd, de beroemde bokswedstrijd tussen Mohammed Ali en George Foreman, die het land maandenlang in zijn ban hield. En het is het land van de muziek, van de ‘Indépendance cha cha’ tot de Congolese rumba.

Het ideale geschiedenisboek
Congo. Een geschiedenis benadert het niveau van het ideale geschiedenisboek: het is spannend, van hoge literaire kwaliteit, historisch accuraat en Van Reybrouck onthoudt zich van gemakkelijke morele oordelen. Het boek heeft een duidelijke structuur waarin ieder hoofdstuk ongeveer een decennium beslaat, maar daarbinnen schiet Van Reybrouck in de chronologie heen en weer (in zijn eigen woorden: ‘Uitzoomen. Wegtrekken. Opnieuw kadreren. Nieuwe focus.’). Hiermee bezigt hij niet alleen beeldende en verrassende geschiedkunde en journalistiek, maar weet hij ook op heldere wijze historische oorzaak en gevolg te verbinden en te verduidelijken. Inderdaad doet zijn boek soms denken aan een prachtig gefilmde historische documentaire, compleet met ‘talking heads’, couleur locale en beelden van de stand van Congo anno 2010.

Don DeLillo – Het punt omega

Genezende literatuur

Oorspronkelijk verschenen 12-07-2010: http://www.8weekly.nl/artikel/8546/don-delillo-het-punt-omega-genezende-literatur.html

De beroemde Amerikaanse schrijver Don DeLillo behandelt in al zijn romans verschijnselen van de moderne samenleving die de menselijke conditie beïnvloeden. In zijn korte, maar verbluffende roman Het punt omega doet hij niet anders. Hier ontvouwt DeLillo gedachten over tijd en ruimte, en door de eigengereide en suggestieve manier waarop creëert hij literatuur van de allerhoogste orde.

Het boek begint met een passage waarin een anonieme man kijkt naar een tot 24 uur uitgerekte versie van de film Psycho. De beschrijving van zijn waarneming van deze ultiem trage film suggereert – zoals dit boek zoveel spannende, niet te beschrijven suggesties doet – een nauwe samenhang met het punt omega. Het idee daarvoor ontleent DeLillo aan de Franse twintigste-eeuwse jezuïet Teilhard de Chardin. Deze stelde dat het universum zich continu ontwikkelt naar een toenemende complexiteit en bewustzijn, met als eindstadium het punt omega. DeLillo legt De Chardins punt omega uit als ‘een sprong uit de biologie’, een implosie van het zelfbewustzijn. In de woorden van een van de personages uit DeLillo’s boek:

We zijn uitgespeeld. De materie wil van het zelfbewustzijn af. Wij zijn het denken en voelen waartoe de materie zich ontwikkeld heeft, en het wordt hoog tijd om dat allemaal weer op te doeken. Dat is wat ons nu beweegt.

Woestijn
Aan het woord is Elster, een oud-academicus en voormalig adviseur van het Amerikaanse leger, die zich tijdelijk heeft afgezonderd in een huisje aan de rand van de woestijn. Daar wordt hij bezocht door de naamloze hoofdpersoon van het boek – niet te verwarren met de man die naar Psycho keek –, die weken bij Elster doorbrengt. In eerste instantie doet hij dat met de bedoeling hem over te halen een documentaire over hem en zijn ervaringen met het Amerikaanse leger in Irak te mogen maken. De twee mannen praten, drinken en zweten. Gaandeweg wordt duidelijk dat hun bewustzijn van de tijd en de (lege) ruimte in de woestijn verandert. De komst van Elsters volwassen dochter Jessie benadrukt dit; zij bezit van nature een dergelijk bewustzijn.

Elster is dan ook dol op haar. Hij verfoeit het tijdsbewustzijn van de mens in de moderne samenleving, dat hij tegenover zijn metgezel benoemt als ‘inferieure tijd’. Volgens hem doet die uiteindelijk de natuur van de mens geweld aan:

Steden zijn gebouwd om de tijd meetbaar te maken, de tijd uit de natuur te halen. Er is een eindeloos aftellen, zei hij. Als je alle bedekking weghaalt en naar binnen kijkt, is angst dat wat resteert. Dit is wat literatuur geacht wordt te genezen. Het epische gedicht, het verhaaltje voor het slapengaan.

Intrigerende spanning
Deze drie mensen, die leven in het vacuüm van de woestijn, worden tegenover de samenleving gesteld. In tegenstelling tot de oppervlakkige jachtigheid van de moderne samenleving zoeken ze alle drie instinctief naar het wezen van de dingen. Elster met onder andere zijn zoekende gemijmer, de naamloze hoofdpersoon die een onconventionele documentaire wil maken en Jessie, die als kind altijd de bewegende lippen van haar vader bestudeerde en imiteerde, om als het ware dat te vinden wat zich áchter de woorden begeeft.

De tegenstelling en het benoemde naderen van het punt omega verlenen aan de roman een wonderlijke en intrigerende spanning, die tegen het einde van het verhaal op een totaal onverwachte wijze tot ontbranding komt. Het is ongelooflijk dat DeLillo al dit en nog veel meer in amper honderd relatief kleine bladzijden weet te omvatten. Hij schrijft met een prachtige, wat ingedikte stijl en weet bovendien aan zijn zinnen en alinea’s een schitterend ritme te geven. De stijl gecombineerd met de eigenzinnige opbouw en inhoud maken dit tot een prachtboek. Terugkomend op Elsters geciteerde uitspraak, doet Het punt omega dat wat de beste literatuur kan doen: het geneest.