Het mysterie van het ontbrekende conservatisme

Opinie/achtergrond: HET MYSTERIE VAN HET ONTBREKENDE CONSERVATISME

Oorspronkelijk verschenen 07-09-2012: http://defusie.net/het-mysterie-van-het-ontbrekende-conservatisme/

Het is één van de meest interessante Nederlandse partijpolitieke vragen: waarom kende Nederland afwisselend wel communisten, centrumdemocraten en populisten, maar nooit een conservatieve partij? In dit eerste deel van een drieluik onderzoekt historicus en politicoloog Alexander van Kesteren ‘het mysterie van het ontbrekende conservatisme’, en betoogt hij dat een wending naar het conservatisme waardevol zou kunnen zijn.

Er zijn conservatieven die menen dat een zwangerschap na verkrachting uitgesloten is – en die een abortus zondiger lijken te vinden dan een verkrachting. Veel Nederlanders zien zo’n reactionaire, wanstaltige opvatting als exemplarisch voor het hele conservatisme.

Dat er eveneens welvoelende conservatieven bestaan die gruwen van dergelijke ideeën is in Nederland veel minder bekend. Dit zijn de conservatieven die een fundamentele kritiek uitoefenen op de wereld ‘als markt en strijd’, en die de fysieke, morele en existentiële kwetsbaarheid van de mens kennen en haar daarom willen beschermen en wapenen. Combineer dergelijke ideeën met het moedeloos makende gebrek aan politieke visie, en een passage gloort: waarom zou er niet een politieke partij of beweging putten uit het conservatieve ideeënarsenaal?

Een uitgeroeide moerasplant?
Het abortusvoorbeeld suggereert reeds het antwoord: het zou op dit moment electorale zelfmoord zijn. Het conservatisme heeft, om het op z’n eenentwintigste-eeuws te zeggen, een imagoprobleem. Dit probleem zit ingebakken in de gangbare Van Daledefinitie, namelijk “verkleefdheid aan het bestaande/behoudzucht”. Voor deze ene keer geeft de taalautoriteit niet alleen antwoord, maar neemt het ook stelling: “Dat het begrip conservatisme in Nederland is verworden tot een soort scheldwoord, valt te betreuren omdat het hier om een eerbiedwaardige politiek-filosofische traditie met waardevolle elementen gaat.”Zoals altijd heeft Van Dale gelijk.

De totstandkoming van deze pejoratieve conservatismedefinitie wordt in ‘Conservatieve gedachten’ (1977) door de socioloog J.A.A. van Doorn in ‘Conservatieve gedachten’ besproken: “Helaas heb ik ondanks nijvere naspeuringen geen conservatief kunnen vinden. Ik heb uit dit gedeelte van het onderzoek de indruk overgehouden dat het gaat om een door progressieve aanwending van milieuvijandige besproeiingsmiddelen uitgeroeide moerasplant.”

Een door progressieve aanwending van milieuvijandige besproeiingsmiddelen uitgeroeide moerasplant.

Behoud én verandering
Het ideaaltypische conservatisme behelst altijd verzet tegen grote of te bruusk doorgevoerde veranderingen in een gegeven toestand. Het koestert de historisch gegroeide, ‘delicate organiek’ van de samenleving en bekritiseert de tegenwoordig veelgeproefde opvatting dat alleen het rationeel legitimeerbare bestaansrecht heeft. Het zijn de bestaande wetten, tradities en conventies die de beproevingen van de geschiedenis hebben doorstaan en hun geschiktheid hebben bewezen om het maatschappelijk fundament te vormen.

Nu bestaan er echter ook zogeheten herstelconservatieven. De opzienbarende combinatie tussen radicaliteit en conservatisme wordt verklaard doordat zij opereren nádat een samenleving van haar ‘juiste koers’ is afgeweken; deze conservatieven pleiten dan ook allereerst voor een ingrijpend herstel, om vervolgens weer een gematigde koers aan te kunnen houden.

In ieder geval meent ook iedere weldenkende conservatief dat soms verandering simpelweg geboden is, praktisch dan wel moreel. En daarnaast noodzaakt ieder behoud ook een bepaalde mate van verandering – denk Di Lampedusa’s Tijgerkat: “Als we willen dat alles blijft zoals het is, moet alles anders worden.”

Anti-dogmatiek
Maar welke inhoud – welke ideeën, waarden – heeft het ‘echte’ conservatisme? Deze vraag is pertinent onbeantwoordbaar – en dit verklaart natuurlijk ook een deel van het onbegrip. De specifieke vorm van het conservatisme is altijd afhankelijk van tijd en plaats, van historisch moment en culturele context. Aldus is het fel gekant tegen iedere vorm van dogmatiek, tegen van de praktijk losgezongen abstracte idealen – hoe welluidend ook – en tegen alle verschillen negerende ideologische blauwdrukken. Zie hier tevens de primaire reden voor de oppositie van het conservatisme tegen de andere twee grote ideologieën, het socialisme en liberalisme.

Vandaar ook de opmerkelijke verscheidenheid aan conservatief genoemde politici of politieke denkers. Een willekeurig rijtje: Burke, De Maistre, Disraeli, Spengler, Aron, Thatcher, Scruton, Palin of Romney’s running mate Paul Ryan.

Hierin is een grove historische driedeling mogelijk: het Britse conservatisme is het meest gematigd, prudent en op traditie gericht; het soms radicale Europees-continentale benadrukt de deugd en de tragische mens; en het meer groteske, hier verder buiten beschouwing gelaten, Amerikaanse conservatisme is daarentegen heel dynamisch, economisch liberaal en in de regel weinig intellectueel.

De broze mens heeft traditie, symboliek, deugd en conventie nodig.

De broze mens
Zoals vaker is het Burke die een meest waardevolle conservatismekern verwoordt. Hij doet dit in één van zijn prachtige schotschriften gericht tegen de Franse revolutionairen (het is veelzeggend dat conservatieven in de regel zoveel mooier schrijven dan andere politiek commentatoren): als je al het niet-rationele wegsnijdt, alle opsmuk rücksichtslos verwijdert, wat bedekt dan nog de “defects of our naked, shivering nature”?[1]

Dit betekent op individueel niveau: de broze mens heeft traditie, symboliek, deugd en conventie nodig als gids en als troost. En collectief gezien: met liberalisme alleen ‘houd je de boel niet bij elkaar’. Voor het voortbestaan van een samenleving zijn tenminste enige preliberale of traditionele waarden van absoluut levensbelang.

Dit geeft inhoud aan het grote conservatieve cultuurkritische potentieel: het fulmineert tegen zowel de excessen van marktwerking als tegen de uniformerende commerciële (beeld)cultuur en het vrijblijvende non-ethos van ‘je eigen ding doen’. Daarentegen huldigt het conservatisme juist zowel het historische en culturele verschil als bepaalde deugden.

Nieuw idealisme
Als gesteld schieten sommige zelfbenoemde conservatieven door in starre behoudzucht of stompzinnig autoritarisme, maar het hier verdedigde conservatisme doet dat juist niet. Evenmin als andere denkstromingen is het conservatisme zaligmakend. Maar zoals Van Dale zei, de onterecht vergeten Europese conservatieve traditie herbergt belangwekkende elementen. Tegenover het starre bourgeoisdenken kan het conservatisme als ‘het nieuwe idealisme’ staan, als een denktraditie met een zo zeldzame eigen visie op mens en samenleving.

Ten slotte moet ook worden toegegeven dat het conservatisme soms doorschiet in een wellustige, esthetisch prachtige onlogica, waaruit een langoureuze, melancholische toon kan klinken. De door Bart-Jan Spruyt, voortrekker van de conservatieve Edmund Burke Stichting (waarover in een volgend stuk meer), gegeven conservatismedefinitie mag hiervoor exemplarisch heten: conservatisme is “ideologie geworden heimwee, een gefluisterde schreeuw dat alles moet blijven zoals het nooit geweest is.”[2] Absurditeit, schoonheid en intuïtieve waarheid: zeldzaamheden waar het de huidige politiek zo vaak aan ontbreekt. Om nog maar eens te benadrukken dat dit conservatisme een vruchtbare inspiratiebron voor Nederlandse politici kan zijn.

[1] E. Burke (2005) [1790] Reflections on the revolution in France. The works of the Right Honourable Edmund Burke, VOL. III. (of 12). zie: http://www.gutenberg.org/files/15679/15679-h/15679-h.htm#REFLECTIONS: 332.

[2] Een parafrase van een zin van Benno Barnard. B.J. Spruyt (2009) Als je eenmaal hebt liefgehad. Over dr. J. T. Doornenbal. geloof, cultuur en politiek. Zoetermeer: Uitgeverij Boekencentrum.

Thierry Baudet en Michiel Visser (redactie) – Revolutionair verval

Thierry Baudet en Michiel Visser (redactie) – Revolutionair verval

Voer voor idealisten

Oorspronkelijk verschenen 26-04-2012: http://www.8weekly.nl/artikel/9967/thierry-baudet-en-michiel-visser-redactie-revolutionair-verval-voer-voor-idealisten.html

Het conservatisme heeft in Nederland altijd een opmerkelijk kleine rol gespeeld. Al te vaak wordt het gedefinieerd als starre behoudzucht. Dat dit zowel onjuist als betreurenswaardig is, wordt bewezen door de bundel Revolutionair verval. Deze toont de rijkheid van de conservatieve traditie.

Onder de redactie van Thierry Baudet en Michiel Visser hebben meer en minder bekende schrijvers – onder andere Dalrymple, Scruton, Hartmans – achttien uiteenlopende denkers uit de achttiende en negentiende eeuw geportretteerd. In 2010 volgden Baudet en Visser al hetzelfde succesvolle procedé in Conservatieve vooruitgang, waarin zij portretten van twintigste-eeuwse denkers bundelden. In beide bundels is de gedeelde grond het conservatisme. De traditie van conservatief denken blijkt goed voer voor idealisten en sowieso voor eenieder die vandaag de dag over politiek en cultuur nadenkt, omdat het actuele ideeën op een verrassende en soms zelfs ontwrichtende manier reflecteert.

De goede kant van het conservatisme
In hun ‘ten geleide’ benadrukken Baudet en Visser wijselijk dat conservatief niet tegenover progressief staat, maar tegenover revolutionair. Hoe kan iemand immers tegen vooruitgang zijn? Zij stellen dat een belangrijk verschil tussen het conservatisme en die andere twee grote ideologieën, het liberalisme en het socialisme, is dat het conservatisme uitgaat van een pessimistischer mensbeeld. Dit lijkt juist, zolang we het hedendaagse optimistische Amerikaanse conservatisme buiten beschouwing laten. De klassieke conservatief acht mens en samenleving weliswaar verbeterbaar (met moeite), maar allerminst te perfectioneren:

Conservatieven wijzen op dat [menselijk] tekort, en zoeken naar manieren om de nadruk op individualisme enerzijds, en staatsmacht anderzijds, te temperen ten gunste van sociale, gemeenschappelijke waarden en instituties,zonder welke de staatsmacht in hun ogen ontspoort, de vrije markt corrumpeert, en het individu een betekenisloze abstractie blijft.

Deze stelling van de samenstellers toont het conservatisme van zijn goede kant. Natuurlijk is het vaak zo geweest dat geprivilegieerden hun betere positie legitimeerden door zich te beroepen op het conservatieve denken (en dit aldus te misbruiken). Evenzo is het conservatisme het denken van de matiging, van de ‘common sense’ en de rem op de soms al te onstuimige geschiedenis. Wanneer de samenleving te veel verwacht van de mens en diens rationele vermogens, dan waarschuwt de conservatief in de trant van Edmund Burke, de esthetisch begenadigde ‘conservatismevader’:

Politics ought to be adjusted, not to human reasonings, but to human nature, of which the human nature is but a part, and by no means the greatest part.

Chymistry versus stupidity
Het conservatisme verzet zich dan ook tegen, in David Humes frase, ‘philosophical chymistry’; het van de realiteit losgezongen denken. Zo betwistte de grote Samuel Johnson het in het abstracte denken – en in onze tijd! – als zaligmakend gepresenteerde ethos dat de mens het geluk moest najagen. Alsof dat bereikbaar is wanneer je ernaar op zoek gaat: ‘Wat is geluk? Waar vindt men dat?’

Veel van de geportretteerde conservatieven waarschuwen dat wanneer alles wordt afgeschaft wat niet logisch-rationeel valt te beargumenteren, het leven kleurloos en de maatschappij atomistisch wordt – en bovendien zijn dan alle buffers tegen de barbarij weggedacht. We dienen te onthouden dat, paradoxaal genoeg, preliberale waarden noodzakelijk zijn voor het voortbestaan van de liberale samenleving.

Bij veel van de Britse denkers die in de bundel worden besproken, komt het ‘probleem van het conservatisme’ aan de orde, namelijk dat de preliberale waarde, de traditie of het vooroordeel niet moeten worden benoemd. Want eenmaal gearticuleerd staat het automatisch ter discussie. Dit verleidde Walter Bagehot tot de bewering dat een volk dat in politieke vrijheid wil blijven leven, maar beter kan beschikken over één bepaalde eigenschap: ‘stupidity’. De notoir revolutionaire Fransen denken te veel na. Het Engelse volk daarentegen

blinkt uit in real sound stupidity. Het is zo dom (en daarmee wijs), dat het decommon sense meer vertrouwt dan de consistentegevolgtrekkingen van het abstracte denken.

Om in te grasduinen
Onvermijdelijk is de ene bijdrage interessanter dan de ander, maar ook de mindere stukken zijn lezenswaardig. In een prettige mix wordt het conservatisme van de bekende denkers afgewisseld met (in Nederland) minder bekende figuren als Hugues Félicité Robert de Lamennais en August Wilhelm Rehberg. Overigens worden ook de Nederlandse anti-revolutionairen Guillaume Groen van Prinsterer en Abraham Kuyper behandeld.

Dit is een heerlijk boek om in te grasduinen. Op momenten krijgt de lezer het gevoel dat iedere nieuwe pagina een inspirerend idee kan brengen. Dat deze frisheid kan bestaan komt, nogmaals, doordat de conservatieve traditie in Nederland is veronachtzaamd. Revolutionair verval toont dat Alexander Popes domzinnige ‘Whatever is, is right’, in geen geval mag worden toegeschreven aan de echte conservatieve denkers. Want die zijn soms dwaas, soms eng-autoritair, maar evenzo vaak wijs en origineel.

Roger Scruton – Groene filosofie. Verstandig nadenken over onze planeet

Roger Scruton (vert. Frans van Zetten) – Groene filosofie. Verstandig nadenken over onze planeet

Thuis de wereld redden

Oospronkelijk verschenen 15-03-2012: http://www.8weekly.nl/artikel/9855/roger-scruton-vert-frans-van-zetten-groene-filosofie-verstandig-nadenken-over-onze-planeet-thuis-de-wereld-redden.html

Het is lastig te beoordelen, Roger Scrutons boek over milieubescherming. Bij wijlen een genuanceerd en veelzijdig betoog, maar anderzijds vervalt het soms ook in kortzichtigheid en wensdenken. Wel is het een rechts pleidooi voor milieubescherming, en alleen daarom al lovenswaardig.

Misschien herinner je dit nog: eind 2008 dacht Mark Rutte – tegenwoordig premier van een kabinet dat enkel weet heeft van asfalt, bezuinigingsregels en de manier om Rutger Castricum weg te lachen – met Pamflet van een optimist het startsein van een ‘Groen Rechtse agenda’ te geven. Tussen droom en daad zat een crisis (en de PVV) in de weg, en sindsdien is het stil op het rechtse milieufront. Tot aan het verschijnen van Scrutons Groene filosofie.

Thuiselijkheid
Scruton benadert de milieuproblematiek vanuit het stokpaardje van zijn eigen conservatieve variant, namelijk vanuit het ‘verlies of gebrek aan thuis’. Dat doet hij zeer prettig schrijvend, alsof hij wordt geïnterviewd; de lezer krijgt zijn betoog toegediend in afgemeten hapjes. Tegenover ‘het vrijblijvende nergens van de consumptiemaatschapij’ plaatst hij de ‘oikofilie’, het gevoel en de liefde voor het eigen thuis: ‘De mens is een thuiselijk (Heimatliches) wezen.’ Deze oikofilie wortelt in de lokale gemeenschap, en brengt – instinctief, zo veronderstelt Scruton – een bestendige verantwoordelijkheidszin met zich mee voor de directe omgeving, voor mens, natuur en architectuur.

Scrutons plausibele gedachte is dat mensen in het lokale het milieuprobleem nog als dat van zichzelf kunnen ervaren. In deze ‘sferen van traditionele affectie’ zullen mensen zich associëren in burgerverenigingen, de ‘kleine pelotons’ van conservatismevader Edmund Burke. Ook Burkes intergenerationale contract – ‘tussen de levenden, de doden en de ongeborenen’ – roept Scruton in herinnering wanneer hij pleit voor rentmeesterschap, voor een engagement van de lange termijn.

Tussen verzoening en polemiek
Voor ons, allen in meer of mindere mate kinderen van de jaren zestig, voelt het idee van een zaak die het individu overstijgt en plichten met zich meebrengt altijd wat ongemakkelijk. Toch lijkt Scruton/Burke het gelijk aan zijn zijde te hebben. Wanneer we genoeg verbonden zijn met de omgeving, of zelfs met de natiestaat – bij de grenzen waarvan de loyaliteit halt houdt, aldus Scruton –, zijn we inderdaad bereid tot offers. Samengevat betekent dit groene conservatisme:

Een benadering van milieuproblemen waarin de liefde voor het lokale een centrale plaats krijgt in het beleid, en waarin homeostase en herstelvermogen, in plaats van herordening van de maatschappij en centrale controle, de voornaamste uitkomsten zijn.

Dit zet hij af tegen de door ‘thuislozen’ bevolkte ‘radicale milieubeweging’ en tegen de niet ter verantwoording te roepen ngo’s. Ja, dit zijn extreme, en dus valse tegenstellingen. Nu maken conservatieven zich hier vaker schuldig aan, maar Scrutons vaak sympathieke conservatisme heeft dergelijke retorische trucs niet nodig.

Tegelijkertijd houdt hij wel een midden tussen kritiek op de staat en kritiek op de markt. Bovenstaande steken wisselt hij af door kritiek te leveren op marktfundamentalistisch rechts. Dat erkent in zijn bijziendheid enkel economisch nut – wat overigens ook Ruttes groene agenda kenmerkte. Evenzo geeft Scruton aan dat de linkse milieubeweging en het conservatisme eigenlijk ‘natuurlijke bondgenoten’ zijn. Strategisch wel weer slim.

Eilanden van waarde
Scruton doorspekt zijn pleidooi met culturele verwijzingen, wat doet ademen. Waar vind je nog iemand die zonder met zijn ogen te knipperen durft te beweren dat we, om te bewijzen hoe belangrijk het ‘thuis’ is voor mensen, geen sociologische enquêtes nodig hebben? Daarvoor kunnen we ook terecht bij de Die Walküre of deOdyssee. Daarnaast pleit Scruton – eveneens esthetisch filosoof – voor de bestempeling van de schoonheid van het landschap als ‘heilig’ en dus oncompenseerbaar; om zo ‘eilanden van waarde’ te waarborgen in een ‘zee van prijzen’.

Vervelend genoeg is zijn pleidooi wat onrealistisch: mensen keren niet terug naar een ‘Heimatlichkeit’ en ook zal de consumptiemaatschappij niet ‘opeens’ verdwijnen. En het begint altijd wat te wringen als conservatisme, met zijn geloofsartikel van geleidelijke verandering, wil conserveren wat eerst nog geconstrueerd moet worden. Hanteert Scruton bovendien niet een overoptimistisch mensbeeld (en dat voor de ‘philosophy of imperfection’)?

En o ja, het milieu. Hoe de wereld, en dus niet alleen het beekje achter het huis, te redden? Volgens Scruton gaat China het niet doen, het komt op Amerika aan, dat via ‘geo-engineering’ het initiatief moet nemen. Voor het gemak negerend dat Amerika het land der klimaatsceptici is, en niet het Kyoto-protocol heeft ondertekend. Toch kan Scrutons boek bijdragen: als rechts hiervan een deel overneemt om in eendrachtige samenwerking met links de wereld te redden.