Richting de grote lemmingenconcatenatie

recensie: Margaret MacMillan (vert. Inge Kok en Peter Diderich) – 1914

(Oorspronkelijk verschenen 15-01-2014: http://www.8weekly.nl/artikel/11234/margaret-macmillan-vert-inge-kok-en-peter-diderich-1914-richting-de-grote-lemmingenconcatenatie.html)

De Eerste Wereldoorlog: zo catastrofaal, zo eeuwbepalend en zo stompzinnig. De blijvend intrigerende vraag: Hoe was het mogelijk?

Het historische clichébeeld over de totstandkoming van de Eerste Wereldoorlog ziet er ongeveer uit als volgt. Met behulp van Stefan Zweigs klassieke Die Welt von Gestern wordt gesuggereerd dat het wereldconflict uit het niets kwam, dat het een kneuzig diplomatiek bedrijfsongeval was. Zweig typeert de periode voor 1914 als ‘het gouden tijdperk’. Het verstand had gezegevierd en oorlog, geweld en radicaliteit waren letterlijk onvoorstelbaar geworden (op dit punt kan de historicus, zoals MacMillan, ervoor kiezen om een parallel te trekken met het zogenaamd ‘posthistorische’ heden). Het volgende beeld is dat van de Europese grootmachten die zich, vastgekluisterd als ze waren aan iets dat door moest gaan voor ‘staatsraison’, als een blind kluwen aan lemmingen de afgrond in storten.

Ketenmetafoor
Dit beeld biedt natuurlijk een schijnverklaring. Vraag blijft wáárom de Europese staten zich zo gedroegen. Deze vraag wordt door Margaret MacMillan (1943), de Canadese historica die eerder een geprezen boek over de Versailles-conferentie schreef, vertaald als: waarom deden de ministers, generaals, monarchen en diplomaten wat ze deden? Haar ruim 700 schone pagina’s tellende antwoord schept een totaal Europabeeld; 1914 is geen puur diplomatieke geschiedenis waarin de motieven van de actoren gestut worden met wat verwijzingen naar feiten en statistieken. Het weidse boek biedt inzicht in augustus 1914 door de totale context te laten zien. Voordat MacMillan toekomt aan de beschrijvingen van de elkaar steeds rapper opvolgende diplomatieke crises in Marokko en de Balkan, neemt ze alle ruimte voor de beschrijving van karakters, illustratieve gebeurtenissen en tendensen. Ze schrijft zeer elegant, en met een oog voor fijne details, citaten, anekdotes en parallellen geeft ze kleur en reliëf aan een op zichzelf wel bekende grote geschiedenis van Europa van 1890 tot 1914.

Zo toont ze inzichtrijk dat er noch een specifieke tendens was die de boventoon voerde, noch dat de schuld gemakkelijk bij één staat – Oostenrijk-Hongarije, Duitsland, Rusland? – gelegd kan worden:

Was hij [keizer Wilhelm II] de schuld van de Eerste Wereldoorlog? Was het Tirpitz? Grey? Von Moltke? Berchtold? Poncaré? Of was het niemands schuld? Zouden we niet veel eerder moeten kijken naar instituties of ideeën? Generale staven met teveel macht, absolutistische regeringen, sociaal darwinisme, de cultus van het offensief en van het nationalisme?

Uiteindelijk benadrukt ze de invloed van zowel instituties en cultuur als de beslissingen van de ‘grote mannen’.

Crisisje buitelen
Haar weldadige uitweidingen over de Europese cultuur tonen de vreemde tegenstellingen. Haaks op Zweigs ‘oorlog is irrationeel en primitief’ staat het ‘oorlog is onlosmakelijk deel van de menselijke natuur’. Tegenover de voortschrijdende ‘rationaliteit’, staat het vervaarlijke mengsel van sociaal-darwinisme, vernieuwingsdrang en nationalistische dan wel aristocratische ideeën over eer (dit laatste, zo ridderlijke concept van eer sneuvelde op zo’n armzalige, ‘onesthetische’ wijze in de gore oorlogspraktijk: ‘Drie man en een machinegeweer kunnen een bataljon helden tegenhouden.’).

Maar dat zijn dissonerende toekomstklanken. In het decennium vóór 1914 accelereerde gaandeweg de wapenwedloop en verdiepten de allianties zich. Meer en meer stonden Duitsland en Oostenrijk-Hongarije tegenover Engeland, Frankrijk en Rusland. De door MacMillan ingelegde mozaïek laat prachtig zien hoe gaandeweg dergelijke patronen insleten, allianties bestendigden en men zich almaar hardnekkiger vastklampte aan risicovolle mentaliteiten.

Aan de politiek-militaire toppen ontstond een gerationaliseerd complex van beelden en belangen die de kans op oorlog aanzienlijk deed toenemen. Het beste voorbeeld hiervan is de diplomatieke blufstrategie, die in de jaren vóór 1914 – jaren van toenemend crisisje duikelen 1905-1908-1911-1912-1913 – zeker voor Oostenrijk-Hongarije enkele malen goed had uitgepakt. MacMillan: ‘Maar wat doe je als ze je uitdagen om je bluf waar te maken?’

Onbehagen en zelfgenoegzaamheid
Een voor een werden de ketenen van de grote lemmingenconcatenatie vastgeklonken. Wel benadrukt MacMillan: een uitweg vinden werd moeilijker, maar zou ten allen tijde mogelijk blijven. Naast de mogelijkheid van een kentering als gevolg van een individuele beslissing, accentueert ze de rol van toeval en stipt ze ‘wat als’-momenten aan. Zo waren de personen die mogelijk een matigende invloed hadden kunnen uitoefenen – Stolypin, Cailleaux, Kiderlen, Raspoetin – meer of minder plotseling van het wereldtoneel verdwenen.

Vlak voor augustus 1914 is Europa ‘een merkwaardige mengeling van onbehagen en zelfgenoegzaamheid’. In een opvallende brief aan zijn vrouw schrijft de fatalistische Duitse Kanselier Bethmann Holweg:

Als we weer eens met de staart tussen de benen uit deze affaire opduiken (…) stap ik op. Maar voordat ik dat doe, zal ik een verzoek indienen om ons te ontdoen van het leger en ons onder Japans protectoraat te stellen, zodat we ongestoord geld kunnen verdienen en volkomen argeloos verder kunnen leven.

Dit soort eigenaardige mentaliteiten, de blufpolitiek en een aantal vergissingen en verkeerde inschattingen – sommigen bagatelliseerden de oorlog en geloofden werkelijk ‘voor de kerst weer thuis te zijn’ – leidden de wereldbrand in. En daarbij kwamen de grote motieven: Oostenrijk-Hongarije wilde per se Servië te grazen nemen, het lompe Duitsland wilde zich niet nog een keer op zijn nummer laten zetten, Groot-Brittannië was misschien te onduidelijk over haar te volgen koers: want had Duitsland Frankrijk ook aangevallen als ze zeker hadden geweten dat ze het dan tegen de Fransen, Russen én Britten hadden moeten opnemen?

Veelvuldig biedt MacMillan inzicht in situaties door een historische vergelijking te maken. De meest tot de verbeelding sprekende is een aan Barbara Tuchman ontleende anekdote over president Kennedy en de Cubacrisis: JFK weerstond de druk van zijn adviseurs om de Sovjet-Unie aan te vallen, mede doordat hij recent Tuchmans The Guns of August had gelezen, over de rommelige ontstaanswijze van de Eerste Wereldoorlog. Voilà: over hoe een historische klassieker een atoomoorlog voorkwam. Onwaarschijnlijk natuurlijk, maar wel juist: MacMillans weinig vernieuwende, maar fijn lezende 1914 zou eenzelfde effect kunnen hebben.

Zuur wil glans

recensie: Jonathan Franzen (vert. Nelleke van Maren en Barber van de Pol) – Het Kraus-project

(Oorspronkelijk verschenen 22-12-2013: http://www.8weekly.nl/artikel/11201/jonathan-franzen-vert-nelleke-van-maren-en-barber-van-de-pol-het-kraus-project-zuur-wil-glans.html)

Het Kraus-project is Jonathans Franzens hommage aan Karl Kraus, de Grote Hater: ‘Zuur wil glans, en roest zegt dat het alleen maar bijtend is.’

Het citaat pareert het gratuite verwijt van negativisme. En pareren is nodig, want het cultuurpessimisme smaakt ons niet; cultuurpessimisten serveren wij graag en direct af als azijnpissers die improductieve gevechten leveren met de een of andere onvermijdelijkheid. Maar het cultuurpessimisme van Karl Kraus (1874-1936) was niet enkel afbrekend, maar in zijn doorwrochtheid en satirische kracht juist zeer vruchtbaar. Hij haatte uit liefde; hij polemiseerde omdat hij de verregaande aantasting van zijn geliefde cultuur wilde tegengaan. Deze aantasting van taal en verbeeldingskracht zag hij als een ‘ontmenselijking’. Voor hem was de ontmenselijking niet een gevolg, maar juist de oorzaak van de Eerste Wereldoorlog. Dit perspectief zette hem aan tot zijn polemische kruisvaart. En de unieke, gestileerde én actuele wijze waarop hij zijn heilige strijd voerde, rechtvaardigt Franzens Het Kraus-project.

1:5
Een waarschuwing: Het Kraus-project is een rommelig boek. Jonathan Franzen, auteur van de nieuwste ‘Great American Novels’ De correcties en Vrijheid, vertaalde en becommentarieerde twee essays van Kraus. In het eerste essay, ‘Heine en de gevolgen’ (1910), kraakt Kraus de gezwollen Weense journalistiek. De oorzaken van het journalistieke falen voert hij terug op de romanticus Heinrich Heine, die de cultuurpagina beroemd maakte en de lichtheid in de Duitse literatuur introduceerde. En in ‘Nestroy en het nageslacht’ (1912) bespreekt Kraus de satiricus die hem voorkomt als Heines antithese: de Oostenrijkse theaterschrijver Johann Nestroy (1801-1862).

Daarnaast biedt het boek broodnodig, overvloedig commentaar op Kraus. Niet alleen van Franzen, maar ook van Kraus-kenners Paul Reitter en de bekende Weense schrijver Daniel Kehlmann. Verhouding Kraus en commentaar 1:5. Voor een deel ligt dit aan Kraus’ opzettelijk moeilijke stijl: ‘Ik wil dat de vrucht van mijn zwoegen is dat er met scherper oog wordt gelezen.’ En dus is een interpretenteam nodig om Kraus begrijpelijk te maken. En dan nog merkt Kehlmann sporadisch op: ‘Wie weet in godsnaam wat Karl Kraus hier bedoelt?’ De voetnoten worden verder gevuld met de parallellen die Franzen trekt tussen Wenen 1910 en Amerika 2013 trekt én zijn eigen ervaringen toen hij als 22-jarige aspirant-schrijver in Berlijn studeerde (en daar Kraus ontdekte). Dit is interessant voor Franzenfans – al is de bleue Jonathan soms wat ergerlijk. In ieder geval klopt Franzens persoonlijke tekst wat lucht in het boek.

Fonkelingen in de chaos
De lezer die de strijd aandurft wordt beloond: Kraus is zo scherp als mogelijk, en zijn tirades fonkelen zowel boven als onder de oppervlakte. Zijn polemiek richt zich vooraleerst op versuikerd en uitgehold taalgebruik. Maar voor Kraus zijn taal en ethiek nauw verbonden. Dit verklaart de causale relatie die hij ziet tussen de taalerosie en de catastrofe van 1914. Zo schrijft hij:

Lijfelijk aanwezig, geestelijk weerzinwekkend, perfect zoals hij is, hoopt deze tijd te worden ingehaald door komende tijden en dat de kinderen die verwekt zijn door de verweving van sport en machine en met krant zijn gevoed, dan nog beter kunnen lachen.

Franzen benadrukt: dergelijke citaten passen naadloos op onze tijd. Sowieso is Franzen steeds het kippetje dat inpikt om de actuele parallel te benadrukken, al is hij een veel suffiger en voorspelbaarder pessimist dan de immer schurende en verbazende Kraus. Maar of je bovenstaande citaten nu wel of niet op onze tijd betrekt – het kán wel –, huiveren zal je.

In hetzelfde huiveringwekkende verband past een van Kraus beroemde apocalyptische aforismen: ‘We waren ontwikkeld genoeg om machines te bouwen, maar te primitief om er voor te zorgen dat ze ons dienen.’ Dit is de ook nu nog geldige these; machine, technologie en puur utilitarisme komen op; taal, literatuur en ethiek gaan neer. Het gevolg hiervan is, bijt Kraus de lezer toe, dat het in zijn geestelijke vermogens aangetaste publiek niet in staat is zich te weren tegen de nationalistische krantenleugens die de Eerste Wereldoorlog inleidden. En een actueel gevolg hiervan, doceert Franzen, is bijvoorbeeld dat wij niet in staat zijn de huidige digitale technologie – van het dwangmatig Facebook checken tot de wereldwijde dataroaming van de spionagediensten – onder controle te houden.

Die Fackel
Wanneer Kraus ageerde tegen de woordenmishandeling, formuleerde hij in essentie ‘het verband tussen mishandelde woorden en mishandelde lichamen’. Zijn project kreeg vorm in Die Fackel, het door hemzelf uitgegeven en tussen 1911 en 1936 ook helemaal zelf volgeschreven (bijna-)wekelijkse tijdschrift. In Die Fackel bekritiseerde hij vaak de mix van esthetiek en de Weense ‘impressionistisch’ geworden journalistiek:

Een zanger terwijl ze alleen boodschapper moet zijn, rapporterend waar ze zou moeten zingen, het oog te veel op het doel gericht om te zien waar een kleur brandt, verblind voor haar doel uit vreugde om het schilderkunstige, vloek van de literaire utiliteit, geest van de utiliteratuur.

In deze stijl gaat hij door en door. De laakbare hybride van de ‘utiliteratuur’ voert hij terug op Heines erfenis:

Het meeste profijt heeft ze gehad van die Heinrich Heine, die de Duitse taal zo uit het keurslijf heeft bevrijd, dat iedere kantoorbediende aan haar borsten kan frunniken. Het afgrijselijke aan het schouwspel is het verwisselbare van deze talenten, die op elkaar lijken als rotte eieren.

Cultiveer uw taalgebruik
Kraus hanteert vaak dit soort satire. De populariteit van Heine is jeugdsentiment: ‘Je had mazelen, je had Heine, en je wordt warm bij de herinnering aan iedere koorts uit je jeugd.’ Verder bedoelt hij: of de journalistiek nu over een tramongeluk of een kroning rapporteert, ze beschrijft alles op dezelfde manier, hooguit na wat adjectievengehussel: ‘Alles past altijd op alles.’ Overgeheveld naar onze tijd treft deze kritiek de alomtegenwoordige meninkjes in de inwisselbare blogs en columns. (Even grappig als gruwzaam is dat ook de achterflap van Het Kraus-project een best staaltje hiervan toont: daar staat dat het ‘een geweldig, en zelfs zeer persoonlijk boek van de grootste schrijver van deze tijd’ is – even los van de goedkope superlatieven, maar het is alleszeggend dat ‘zeer persoonlijk’ boven ‘geweldig’ gaat.)

Als Franzen of ik dit zegt, klinkt het al snel vitterig. Maar bij Kraus is dit, mede dankzij zijn gecodeerde stijl, nooit het geval. Hij bijt en rafelt en blijft zo ver weg van standaarduitingen, dat zijn scherpzinnige kritiek levendig blijft, ook honderd jaar na dato. En sindsdien heeft de versuikerde middlebrow-cultuur – zeg maar: de ‘De Wereld Draait Door’-cultuur – enkel meer terrein op de hoogcultuur gewonnen. En al is de cultuur weerbaarder gebleken dan Kraus dacht, zijn waarschuwing blijft van belang: met de neergang van taal en verbeeldingskracht, vergruist onze verdediging tegen de veelvormige barbarij.

Wij eisen menselijkheid

Recensie van: Ernst Toller – Een jeugd in Duitsland (vertaling John Luteijs)

Eerder verschenen (24-03-2013): http://www.8weekly.nl/artikel/10613/ernst-toller-vert-john-luteijs-een-jeugd-in-duitsland-wij-eisen-menselijkheid.html

Nog altijd geniet Ernst Toller bekendheid als expressionistisch dichter en toneelschrijver. Maar ook was hij een revolutionair.

Uitgeverij Schokland heeft de lovenswaardige taak op zich genomen om ieder jaar twee à drie zeer verzorgde ‘kritische klassieken’ te publiceren. Dit zijn boeken die toevalligerwijs wat in de vergetelheid zijn geraakt en die een politiek-maatschappelijk appel paren aan literaire kwaliteit. De vorige kritische klassieker was Arthur Koestlers Nacht in de middag, de nieuwste titel is Ernst Tollers Een jeugd in Duitsland. Toller publiceerde deze memoires van zijn jeugd en adolescentie in 1933, ‘op de dag dat in Duitsland mijn boeken werden verbrand’. Dit deed hij dus niet in Duitsland, maar bij het Amsterdamse Querido, dat Duitse exilliteratuur uitgaf.

Socialistisch ontwaken
Het is gangbaar om Tollers schrijverschap als ‘expressionistisch’ te karakteriseren. Hier doet deze term vooral recht aan zijn krachtige, fragmentarische beschrijving van zijn vroege jeugd: als een wirwar van blikkerende beelden en gedachten die geen duidelijk begin of eind hebben. Deze manier van weergeven verleent een passende mythische zweem aan zijn kinderjaren. Ook richt Toller zich hier al op de ontwikkeling van zijn gevoel voor sociale rechtvaardigheid. Steeds weer worstelt hij met de lichtzinnig geuite antwoorden – ‘omdat God het zo wil’ –, de schrale stopzinnen waarmee volwassenen zijn nieuwsgierige gevraag de pas af willen snijden.

Tollers sociaal-kritische vermogen komt snel tot wasdom. Als jonge adolescent al schrijft hij op regelmatige basis bruuske, sociale toestanden aanklagende krantenartikelen. Vervolgens hangt Toller de bohemien uit in Frankrijk. Maar dan wel de bohemien-Duitser: wanneer in 1914 de oorlog uitbreekt, rept hij zich terug naar de heimat om te vrijwilligen bij de artillerie. Gelukkig schudt hij vrij snel de dwaze oorlogsroes van zich af, en schept hij de ruimte om de alomtegenwoordige vreemdheid te noteren. Wanneer een Duitse soldaat paradeert in een Noord-Frans dorp op de laarzen die hij heeft gegapt van een gecrashte Franse piloot:

‘Commes elles sont chiques,’ zeggen de meisjes lachend, ‘Frans,’ lacht de soldaat en hij vertelt hoe hij ze veroverd heeft, ‘vliegtuig boem, kapot.’ De meisjes kijken zwijgend en angstig naar de grond.
‘Vliegtuig kapot, la France kapot,’ zegt de soldaat.
‘Jamais,’ zegt een meisje boos.
‘Jij en ik amour,’ zegt de soldaat.

De Radenrepubliek
De slapstick is onschuldig en verschrikkelijk tegelijkertijd. Tegen het einde van de massaslacht is Toller al ver opgeschoven richting de hoofdmoot van deze memoires: de Duitse revolutie van 1919. Deze leidde tot de kortstondige Münchense Radenrepubliek, waarvan Toller een van de leiders was. Het is ondoenlijk om hier de ondoorzichtige chaos uiteen te zetten die deze Radenrepubliek was. En Toller zal dit met me eens zijn, getuige zijn continue nadruk op onder meer het bestuurlijke onvermogen, het communistische tegenstribbelen en de sabotage van de sociaaldemocraten (die uiteindelijk zelfs kozen voor samenwerking met de rechts-nationalistische en proto-fascistische vrijkorpsen om de Radenrepubliek neer te slaan). Hij uit zijn vertwijfeling: ‘De Radenrepubliek is een roekeloze overval van vertwijfelde arbeidsmassa’s om de verloren Duitse revolutie te redden.’

De memoires van de overtuigde socialist Toller zijn doortrokken van zijn oprechte idealisme. Het boek zit vol beschouwingen over de ontwikkeling van de arbeider, over rechtvaardigheid en hoe die te bewerkstelligen. Deze oprechtheid verzacht het sporadische teveel aan retoriek. Interessant blijft het ook omdat Toller geen standaarddogmaat is. Zo beseft hij dat de verkondigde socialistische leerstellingen nog lang niet bij machte zijn om de over decennia, zo niet eeuwen ingeslepen reflexen bij de arbeiders te vervangen.

Soms is hij zelfs ironisch – wat bijzonder is voor een revolutionair. Zoals wanneer hij de teneur bij een socialistische vergadering becommentarieert: ‘Wee degenen die niet geloven dat het revolutionaire morgenrood over de volgende dag zal schijnen, verraders zijn het, kleinburgers, contrarevolutionairen.’

New York 1939
Het boek is rijk, vol van gebeurtenissen, van idealisme en van de plicht van de mens. In vogelvlucht: na de revolutie volgt een miniatuurversie van de Russische burgeroorlog: rood versus nationalistisch wit. Toller leidt troepen, maar hij is te menselijk om effectief te zijn: gevangengenomen troepen mogen vrij rondlopen – ‘Wij eisen menselijkheid, wij moeten menselijk zijn’ – en vechten dus een paar dagen later weer met de vijand mee.

De Radenrepubliek valt, en Toller duikt onder. Uiteindelijk wordt hij gesnapt en wacht hem vijf jaar gevangenisstraf. Nog een geluk dat hij overleeft – onder meer Max Weber en Thomas Mann getuigen in zijn voordeel –, want duizenden medestanders worden doodgeschoten dan wel doodgeknuppeld. Hieronder bevinden zich linkse prominenten als Eugen Leviné, Kurt Eisner, Gustav Landauer, en iets eerder natuurlijk Liebknecht en Luxemburg.

In de beklemmend beschreven gevangenschap weet Toller de gekte op afstand te houden, hij schrijft er zelfs een aantal populaire, sociaal-kritische toneelstukken. Zijn idealisme en de plichten die hij daaruit ziet voortvloeien houden hem in leven en in 1923 komt hij vrij. Uiteindelijk zal Toller zijn dood zelf kiezen, in New York in 1939. Maar dat is misschien het onderwerp van een ander boek.