Verlang het onmogelijke!

Doris Wintgens Hötte (red.) – Utopia 1900-1940. Visies op een nieuwe wereld

(Oospronkelijk verschenen 16-10-2013: http://www.8weekly.nl/artikel/11027/doris-wintgens-hotte-red-utopia-1900-1940-visies-op-een-nieuwe-wereld-verlang-het-onmogelijke.html)

Hachelijk maar prikkelend, in allerlei opzichten, is de utopie als onderwerp van een kunsttentoonstelling- en catalogus. Over kunst en haar duizelingwekkende ambities.

Het is goed discussiëren over wat een utopie is – dus laten we daar mee aanvangen. In haar inleiding in de catalogus van de nieuwe Lakenhal-tentoonstelling ‘Utopia 1900-1940. Visies op een nieuwe wereld’ – te zien tot 5 januari 2014 – bundelt conservator Doris Wintgens Hötte losjes een aantal utopiecriteria: een utopie is maakbaar; wil radicaal breken met het verleden ten einde een volstrekt nieuwe samenleving te creëren. Hiertoe ontwikkelen de betreffende kunstenaars een eigen beeldtaal, die in staat dient te zijn om radicaal nieuwe sociale verhoudingen te scheppen. Nu, dit klinkt aardig. Maar maakt deze definitie het niet veel te makkelijk zomaar iedere kunstenaar tot utopist te bestempelen die leeft in een woelige, imperfecte wereld en die met zijn vernieuwende kunst ‘iets teweeg wil brengen’ bij de toeschouwer?

Tussen het construct en de grillige lijn
Die vraag is even gemakkelijk als terecht. In de Utopia-voorstelling worden niet alleen de constructivisten (dat is vrij gangbaar) maar ook de expressionisten (dat is juist controversieel) als utopische strevers gekarakteriseerd. Bekende constructivisten als Vladimir Tatlin, Kazimir Malevich, Theo van Doesburg en El Lissitzky ijverden op momenten inderdaad voor een door de techniek en geometrische lijn vormgegeven nieuwe wereld, gekenmerkt door orde, zuiverheid en harmonie.

Daarentegen zagen de expressionisten de doorgeschoten rationaliteit, de techniek en de machine juist als instrumenten van vervreemding en onderdrukking, als een nieuwe fase in de verwijdering van de westerse mens van haar werkelijke natuur. Zie daar al een eerste probleem, want de doorsnee utopie is gebaat bij ten minste enige mate van rationalisme en uniformerend collectivisme. Het is immers de bedoeling een hele samenleving langs nieuw vormgegeven lijnen te construeren –iets dat nu eenmaal duizendmaal eenvoudiger gaat met geometrische constructies, dan met de eigenzinnigheid van afwijkend gekleurde innerlijke expressies.

Bovendien praktiseerden bijvoorbeeld de Die Brücke-expressionisten toch vooral hun individualistische, met naaktheid, dans en vrije seks gevulde kunst- én levensstijl. Uit die levensstijl rijst geprononceerd een middelvinger naar de bourgeois op, zeker, en hun schilderijen zijn prachtig – zie in de tentoonstelling bijvoorbeeld de verscheidene doeken en houtsneden van Ernst Ludwig Kirchner – maar afgezien van wat gratuite vernieuwingsretoriek kan toch niet gezegd worden dat ze over een utopisch programma beschikten. (Koen Kleijn reageerde, in een bijlage van De Groene Amsterdammer, op de stelling dat de kunstenaars van Die Brücke ‘hun utopie leefden’: “Je zou ook kunnen zeggen dat Kirchner deed wat zijn piemel hem ingaf.” – zowel hun idealen als vrijzinnige, communeachtige levensstijl doen ook denken aan (de clichébeelden uit) de jaren zestig).

Redding der mensheid?
En toch doen Wintgens Hötte en expressionismekenner Gregor Langfeld in de catalogusessays hun uiterste best de expressionisten in die utopiemal te persen. Slaan ze de plank dan zó erg mis? Nee, ze hebben ook wel een punt: verschillende varianten neigen naar, of zijn inderdaad, als utopisch te karakteriseren. De stilistisch ontzettend diverse stroming – wat wil je ook met al die individualisten – incorporeert zowel de kunstenaar-revolutionairen als de vroege Bauhaus-kunstenaars van vlak na de alles ontwrichtende Eerste Wereldoorlog (op een moment dus dat maatschappelijke vernieuwing absolute noodzaak was geworden). In de tentoonstelling zijn hiervan respectievelijk rauwe affiches en duizelingwekkend ambitieuze architectuurschetsen en –foto’s opgenomen. Afgezien van deze expressionistische architecten ligt het raakvlak van veel expressionistische kunst – en eveneens van bijvoorbeeld Emil Nolde’s eerdere, heftige Die Tänzerin – met de utopie volgens mij simpelweg in de kracht van haar wezen, dus van de expressie. In een sterke verwoording van beschouwer Hendrik Marsman:

Het expressionisme was revolutionair (…) het was één felle, verwilderde, letterlijk hartverscheurende kreet om de redding der mensheid, der wereld.

De woede en energie bevatten mogelijkerwijs de opmaat tot een utopisch programma. De expressionistische kunstenaars van 1918-1922 stippelden zelf geen pad uit naar een expressionistisch Utopia, maar schilderden en preekten wel voor het socialisme of anarchisme, afgewerkt met een expressionistische toets.

Dan nog de laatste expressionismevertakking, zelf ook weer rijk bebladerd: het in 1919 door Walter Gropius opgerichte Bauhaus, in latere jaren hét constructivistische nest, neigde in haar beginjaren sterk naar het expressionisme. Diezelfde Gropius had in deze periode met onder meer Bruno Taut de socialistisch geïnspireerde Arbeitsrat für Kunst opgericht. Bruno Taut zelf was een expressionistisch architect en voortrekker van de plannen voor de (inderdaad utopisch-expressionistische) revolutionaire glasbouw van Die Gläserne Kette. In 1919 – wat nogal een jaar geweest moet zijn – publiceerde Taut tekeningen voor ‘Alpine Architektur’, waarin hij een Alpentop ‘bekroont’ met gigantische glazen gebouwen. Voor de sceptici pende hij onderaan een berispend Goethecitaat neer: “Men verlangt zo zelden het onmogelijke van de mens.”

Doemvolle Heiland
Utopisch of niet, de expressionistische kunstenaars verliezen hun politieke illusies na de Eerste Wereldoorlog – bij sommigen wordt het er uitgeslagen door de Duitse rechtse vrijkorpsen – waarna de interbellaire nieuwe zakelijkheid intreedt. Het constructivisme zal het nog enkele jaren langer volhouden. Maar ook zij wordt bijvoorbeeld in Sovjet-Rusland al snel tot meer conformisme gedwongen. Opvallend wat dat betreft is de keuze van de omslag van zowel de catalogus als de verspreide affiches: daarop prijkt Malevich figuratieve ‘Twee mensen in een landschap’ (1931-32). Hier heeft Malevich – schilder van het iconische ‘Zwarte vierkant’ – inmiddels zijn nieuwe hemelsbestormende suprematisme afgezworen. Bovendien mag de gezichtloosheid van beide figuren opgevat worden als een verwijzing naar de onderdrukking van het individu in de Sovjet-Unie, en dus naar dystopische communistische elementen. Voor een tentoonstelling die de maffe ambitie en visionaire kracht van de utopie wil huldigen – dat neem ik tenminste zo maar aan – is het toch een opmerkelijke keuze om juist met dit impliciet voor utopieën waarschuwende schilderij de boer op te gaan.

Goed, genoeg gewikt. De variëteit van de tentoonstelling prikkelt. Er zijn meubels, melkkannetjes, houtsneden en dodenmaskers, filmstills (de catalogus bevat tevens een essay van Judit Boszan over expressionisme en constructivisme en de film) en verrassende foto’s van zowel ‘Ausdrückstanz’ als van theaterdecors. Er hangt schilderwerk van onder veel anderen Pechstein, Von Jawlensky – zie zijn doemvolle Heilandsgesicht: nemesis II – Wiegers, Meidner, Van der Leck, een sculptuur van Rudolf Belling en tevens een schilderij waarop de dandy een verrassend model is voor de nieuwe mens in de constructivistische utopie. En vermag ze de toeschouwer nog te bewegen? Die potentie heeft ze zeker, deze afwisselend mooie, visionaire, duizelingwekkend ambitieuze, ontwrichtende en grappige kunst.

Wij eisen menselijkheid

Recensie van: Ernst Toller – Een jeugd in Duitsland (vertaling John Luteijs)

Eerder verschenen (24-03-2013): http://www.8weekly.nl/artikel/10613/ernst-toller-vert-john-luteijs-een-jeugd-in-duitsland-wij-eisen-menselijkheid.html

Nog altijd geniet Ernst Toller bekendheid als expressionistisch dichter en toneelschrijver. Maar ook was hij een revolutionair.

Uitgeverij Schokland heeft de lovenswaardige taak op zich genomen om ieder jaar twee à drie zeer verzorgde ‘kritische klassieken’ te publiceren. Dit zijn boeken die toevalligerwijs wat in de vergetelheid zijn geraakt en die een politiek-maatschappelijk appel paren aan literaire kwaliteit. De vorige kritische klassieker was Arthur Koestlers Nacht in de middag, de nieuwste titel is Ernst Tollers Een jeugd in Duitsland. Toller publiceerde deze memoires van zijn jeugd en adolescentie in 1933, ‘op de dag dat in Duitsland mijn boeken werden verbrand’. Dit deed hij dus niet in Duitsland, maar bij het Amsterdamse Querido, dat Duitse exilliteratuur uitgaf.

Socialistisch ontwaken
Het is gangbaar om Tollers schrijverschap als ‘expressionistisch’ te karakteriseren. Hier doet deze term vooral recht aan zijn krachtige, fragmentarische beschrijving van zijn vroege jeugd: als een wirwar van blikkerende beelden en gedachten die geen duidelijk begin of eind hebben. Deze manier van weergeven verleent een passende mythische zweem aan zijn kinderjaren. Ook richt Toller zich hier al op de ontwikkeling van zijn gevoel voor sociale rechtvaardigheid. Steeds weer worstelt hij met de lichtzinnig geuite antwoorden – ‘omdat God het zo wil’ –, de schrale stopzinnen waarmee volwassenen zijn nieuwsgierige gevraag de pas af willen snijden.

Tollers sociaal-kritische vermogen komt snel tot wasdom. Als jonge adolescent al schrijft hij op regelmatige basis bruuske, sociale toestanden aanklagende krantenartikelen. Vervolgens hangt Toller de bohemien uit in Frankrijk. Maar dan wel de bohemien-Duitser: wanneer in 1914 de oorlog uitbreekt, rept hij zich terug naar de heimat om te vrijwilligen bij de artillerie. Gelukkig schudt hij vrij snel de dwaze oorlogsroes van zich af, en schept hij de ruimte om de alomtegenwoordige vreemdheid te noteren. Wanneer een Duitse soldaat paradeert in een Noord-Frans dorp op de laarzen die hij heeft gegapt van een gecrashte Franse piloot:

‘Commes elles sont chiques,’ zeggen de meisjes lachend, ‘Frans,’ lacht de soldaat en hij vertelt hoe hij ze veroverd heeft, ‘vliegtuig boem, kapot.’ De meisjes kijken zwijgend en angstig naar de grond.
‘Vliegtuig kapot, la France kapot,’ zegt de soldaat.
‘Jamais,’ zegt een meisje boos.
‘Jij en ik amour,’ zegt de soldaat.

De Radenrepubliek
De slapstick is onschuldig en verschrikkelijk tegelijkertijd. Tegen het einde van de massaslacht is Toller al ver opgeschoven richting de hoofdmoot van deze memoires: de Duitse revolutie van 1919. Deze leidde tot de kortstondige Münchense Radenrepubliek, waarvan Toller een van de leiders was. Het is ondoenlijk om hier de ondoorzichtige chaos uiteen te zetten die deze Radenrepubliek was. En Toller zal dit met me eens zijn, getuige zijn continue nadruk op onder meer het bestuurlijke onvermogen, het communistische tegenstribbelen en de sabotage van de sociaaldemocraten (die uiteindelijk zelfs kozen voor samenwerking met de rechts-nationalistische en proto-fascistische vrijkorpsen om de Radenrepubliek neer te slaan). Hij uit zijn vertwijfeling: ‘De Radenrepubliek is een roekeloze overval van vertwijfelde arbeidsmassa’s om de verloren Duitse revolutie te redden.’

De memoires van de overtuigde socialist Toller zijn doortrokken van zijn oprechte idealisme. Het boek zit vol beschouwingen over de ontwikkeling van de arbeider, over rechtvaardigheid en hoe die te bewerkstelligen. Deze oprechtheid verzacht het sporadische teveel aan retoriek. Interessant blijft het ook omdat Toller geen standaarddogmaat is. Zo beseft hij dat de verkondigde socialistische leerstellingen nog lang niet bij machte zijn om de over decennia, zo niet eeuwen ingeslepen reflexen bij de arbeiders te vervangen.

Soms is hij zelfs ironisch – wat bijzonder is voor een revolutionair. Zoals wanneer hij de teneur bij een socialistische vergadering becommentarieert: ‘Wee degenen die niet geloven dat het revolutionaire morgenrood over de volgende dag zal schijnen, verraders zijn het, kleinburgers, contrarevolutionairen.’

New York 1939
Het boek is rijk, vol van gebeurtenissen, van idealisme en van de plicht van de mens. In vogelvlucht: na de revolutie volgt een miniatuurversie van de Russische burgeroorlog: rood versus nationalistisch wit. Toller leidt troepen, maar hij is te menselijk om effectief te zijn: gevangengenomen troepen mogen vrij rondlopen – ‘Wij eisen menselijkheid, wij moeten menselijk zijn’ – en vechten dus een paar dagen later weer met de vijand mee.

De Radenrepubliek valt, en Toller duikt onder. Uiteindelijk wordt hij gesnapt en wacht hem vijf jaar gevangenisstraf. Nog een geluk dat hij overleeft – onder meer Max Weber en Thomas Mann getuigen in zijn voordeel –, want duizenden medestanders worden doodgeschoten dan wel doodgeknuppeld. Hieronder bevinden zich linkse prominenten als Eugen Leviné, Kurt Eisner, Gustav Landauer, en iets eerder natuurlijk Liebknecht en Luxemburg.

In de beklemmend beschreven gevangenschap weet Toller de gekte op afstand te houden, hij schrijft er zelfs een aantal populaire, sociaal-kritische toneelstukken. Zijn idealisme en de plichten die hij daaruit ziet voortvloeien houden hem in leven en in 1923 komt hij vrij. Uiteindelijk zal Toller zijn dood zelf kiezen, in New York in 1939. Maar dat is misschien het onderwerp van een ander boek.