Umberto Eco – De begraafplaats van Praag

Complot op bestelling

Oorspronkelijk verschenen 31-01-2011: http://www.8weekly.nl/artikel/8952/umberto-eco-vert-yond-boeke-en-patty-krone-de-begraafplaats-van-praag-complot-op-bestelling.html

Met een hoop geschal en gedoe werd het aangekondigd: het nieuwe boek van literaire ster Umberto Eco. De hitsige kaft, de titel De begraafplaats van Praag en het onderwerp — een complottenbouwer in de grootse en chaotische negentiende eeuw  zullen op het eerste gezicht aan Dan Brown doen denken. Maar uiteraard, en gelukkig, doet de inhoud dat niet.

Eco’s hoofdpersoon in deze historisch correcte roman is de verzonnen kapitein Simonini. Hij leidt aan een vreemde vorm van geheugenverlies en wordt door ene Sigmund Froïd aangeraden via ‘autohypnose’ zijn leven te reconstrueren. Simonini’s reconstructie brengt de lezer bij allerlei grote gebeurtenissen in de tweede helft van de negentiende eeuw: beginnend bij het revolutiejaar 1848 via de opmars van Garibaldi en de Italiaanse ‘Risorgimento’, naar de Parijse Commune en de Dreyfus-affaire. Tegen deze achtergronden verdient Simonini, als notaris, zijn geld met het vervalsen van documenten. En niet enkel testamenten, maar vooral authentieke documenten die dienen om complotten aan te tonen. Van de jezuïeten, de vrijmetselaars en allerlei satanisten, en het liefst verzint Simonini over de Joden.

Odi ergo sum
Al van jongs af aan is Simonini vervuld van een hevig antisemitisme. Het hoofdstuk waarin Simonini wordt geïntroduceerd heet ‘Wie ben ik’, en wat volgt is een reeks tirades tegen alle rassen, en natuurlijk met name de Joden. Siminoni’s lijfspreuk is ‘Odi ergo sum’: ik haat dus ik ben. Steeds weer voert Eco heel gevat personages op die in hun uitspraken onbewust de volstrekte onzinnigheid van dergelijke rassenhaat blootleggen. Daarvoor is Simonini blind, maar hij ziet wel waarin de kracht van complotten schuilt, zo blijkt uit hetgeen hij over Dumas pèresJoseph Balsamo beweert:

Dumas biedt eenieder die gefrustreerd is (individuen zowel als volkeren) de uitleg voor diens falen: het was iemand anders, op de Donderberg, die je ondergang heeft beraamd.

Wanneer Simonini doorbabbelt over zijn afkeer van de Joden, dreig je soms bijna de verwerpelijkheid daarvan te vergeten. Vakkundig voorkomt Eco dat, door toespelingen op de ‘eindoplossing’, of een tussenzinnetje als ‘arbeit macht frei’.

Naast haat staat Simonini’s leven in het teken van eten. Bij wijlen, soms op het irritante af, lijkt De begraafplaats van Praag een culinaire gids. Ook in de beschrijvingen van de complotten put Eco uit zijn eruditie. Natuurlijk ligt aan de basis van het complot de haat, gecombineerd met de bruikbaarheid ervan in het politieke machtsspel. Simonini plagieert uit bestaande complottheorieën, zoals Sue’s Le Juif errant. En heel belangrijk: hij heeft een goed gevoel voor de tijdgeest in zijn keuze voor de juiste vijand en diens wapen.

Avonturenroman
Bij vlagen leest De begraafplaats van Praag als een avonturenroman. Eco heeft zelfs, zoals gebruikelijk in zulke romans, veel paginagrote plaatjes opgenomen. Het is een letterlijk fantastische geschiedenis, doordrenkt van Eco’s overvloedige taal, maffe historische feiten en ironische blik:

Al een eeuw lang doet de Parijzenaar niets liever dan barricades opwerpen, en dat die vervolgens bij het eerste het beste kanonschot bezwijken, lijkt hem niet te deren: barricades werp je op om je een held te voelen.

Maar spannend als een avonturenroman wordt het boek jammer genoeg nooit. Hoewel de oorzaak van Simonini’s plotselinge geheugenverlies lang een raadsel blijft, is het van begin af aan duidelijk dat Eco Simonini opvoert als de auteur van de Protocollen van de wijzen van Zion. Vergeleken met Eco’s andere grote complottenroman De slinger van Foucault, nog erudieter, ingenieuzer, en veel duizelingwekkender, legt De begraafplaats van Praag het simpelweg af. Maar het is wel een échte Eco, en dus voor de liefhebber een aanrader.

Laurent Binet – HhhH

Poëzie van de geschiedschrijving

Oorspronkelijk verschenen 27-12-2010: http://www.8weekly.nl/artikel/8892/laurent-binet-vert-liesbeth-van-nes-hhhh-poezie-van-de-geschiedschrijving.html

In veel Nederlandse boekhandels liggen stapels boeken met de intrigerende titel HhhH. Het is een niet-commercieel debuutwerk, waarvoor auteur Laurent Binet de kleine Prix Goncourt ontving; voorvoelen de boekhandelaars soms een verkoophit? Voor deze ene keer mag het, want met HhhH betreedt Binet bijna onontgonnen terrein door op unieke wijze geschiedenis en fictie te kruisen.

HhhH is de afkorting voor wat de SS’ers over de positie van Reinhard Heydrich zeiden: ‘Himmlers Hirn Heiβt Heydrich’ (Himmlers hersens heten Heydrich). Hij is de perfecte nazi, Himmlers tweede man, rijzende ster binnen het nazisysteem en protector van Bohemen en Moravia (Tsjechië). Daar voert Heydrich een schrikbewind, hij is ‘de Beul van Praag’. Gelukkig is hij ook sterfelijk. Op 27 mei 1942 vindt de belangrijkste geslaagde verzetsdaad van de Tweede Wereldoorlog plaats: Heydrich wordt verwond en sterft binnen een week. De aanslagplegers Gabčík, Kubiš en Valčík, met achter hen nog talloze mensen uit het verzet, zijn de helden van Binets boek.

Bijzonder
Binets grote inspiratiebron is de roman/geschiedenis Le mors aux dents (1935) van Vladimir Pozner. In de eerste helft van dat boek beschrijft Pozner zijn onderzoek, in de tweede helft de daarop stoelende roman (overigens doet Van Reybrouck inDe plaag iets soortgelijks). Op eigen postmoderne wijze gaat Binet met Pozners idee aan de haal. In 257 sterk afwisselende paragrafen  soms feitelijk-historisch, soms meer romanesk  verweeft hij de geschiedenis van de moordaanslag op Heydrich met zijn historisch onderzoek daarna.

Binets probleem is dat over de verzetsmensen nagenoeg geen bronnenmateriaal beschikbaar is. Over Heydrich is natuurlijk genoeg bekend. Nadat Binet in sterke korte scènes diens opkomst binnen het nazisysteem heeft beschreven, twijfelt hij hardop in welke vorm de opmaat tot de aanslag op Heydrich te beschrijven, klem als hij zit tussen het willen vertellen over de door hem bewonderde verzetsmannen en zijn integriteit als historicus. Toch slaagt hij daarin, zijn werkbare en mogelijkheden tot romantisering biedende middenweg is ‘ik stel me zo voor dat…’, en variaties daarop.

Door de combinatie van zijn openlijke twijfel en de steeds uitgesproken liefde voor het onderwerp, weet Binet natuurlijk handig sympathie voor zijn boek op te wekken. Neem een innemende passage als deze, volgend op een citaat van Goebbels over ene ‘Gregory’:

Wie die Gregory is, echt, ik heb geen flauw idee. En laat u niet in de luren leggen door mijn zogenaamd nonchalante toon, want ik heb gezocht!

Geniaal idee
In feite recenseert Binet zijn eigen onderzoek. Steeds beschrijft hij alle mogelijke kritiek, om die vervolgens te weerleggen of uit te leggen dat het nu eenmaal niet anders kon. Anderzijds tornt hij niet aan zijn historische integriteit. Maar doordat Binet zichzelf de ruimte gunt literaire middelen te gebruiken, spreekt uit HhhHbovenal de inspirerende schoonheid van de historiografie en de liefde voor het geschiedenisverhaal. Enkel maakt hij wat schoonheidsfoutjes door overbodige zinnen als ‘er is wel eens resoluter gesproken’ op een citaat te laten volgen.

De aanslag wordt op de eerste bladzijde aangekondigd. Na driehonderd bladzijden zijn we daar aanbeland, en zelfs dan (en ook erna) is het razend spannend. Na de aanslag volgen represailles waarbij duizenden mensen sterven. Binet doordenkt zijn boek overtuigend met de wat contra-intuïtieve gedachte dat de aanslag op Heydrich op dat moment in de geschiedenis al die levens waard was. Dat is iets om op te kauwen, net als het gehele HhhH dat is. Na het lezen van dit boek kun je maar een conclusie trekken, en dat is dezelfde als die Binet trok na het lezen van Pozners werk: ‘Dit is gewoon geniaal.’

Meindert Fennema – Geert Wilders. De tovenaarsleerling

Nederlands meest controversiële politicus

Oorspronkelijk verschenen 09-09-2010: http://www.8weekly.nl/artikel/8638/meindert-fennema-geert-wilders-de-tovenaarsleerling-nederlands-meest-controversiele-politicus.html

De politieke carrière van de meest controversiële Nederlandse politicus Geert Wilders is een aaneenschakeling van opvallende manoeuvres en episodes – mede daardoor is zijn PVV zo groot. Hoog tijd dat iemand het verhaal van al die opvallendheden in kaart brengt. Dat heeft Meindert Fennema gedaan; met Geert Wilders. De tovenaarsleerling heeft hij een interessant en buitengewoon prettig leesbaar boek geschreven, dat echter ook dubieuze kanten heeft.

Hoogleraar in de politieke theorie van etnische verhoudingen Meindert Fennema begint met Wilders’ vroege jaren binnen de VVD. Daar begon hij in 1990 als fractiemedewerker. Zijn expertisegebied was de sociale zekerheid, maar hij koesterde speciale belangstelling voor Oost-Europa en het Midden-Oosten. Wilders’ onaflatende werklust en zijn publicaties wekten de aandacht van toenmalig VVD-leider Frits Bolkestein, en dat gaf Wilders’ carrière vaart. Van zijn kant heeft Wilders altijd met weemoed teruggedacht aan de tijd dat de moedige Bolkestein de VVD leidde; binnen de latere centrumkoers kreeg Wilders weinig ruimte voor zijn standpunten. Uiteindelijk gevolg hiervan was zijn breuk met de VVD.

Islamkritiek
Als eenmansfractie verwoordde hij zijn anti-islamstandpunt met toenemende kracht. Vanaf midden 2005 koppelde hij daar, in navolging van Fortuyn, de stelling aan dat ‘de politieke elite’ ervoor zorgt dat de ‘islamisering’ ongestoord de samenleving binnen kan dringen. De bedreigingen stroomden de afgelopen vijf jaar binnen, als gevolg waarvan Wilders’ leven bepaald wordt door de beveiligingsvoorschriften. Het is verbazingwekkend te lezen hoe die beveiliging in eerste instantie was geregeld; Wilders werd aanvankelijk in Kamp-Zeist ondergebracht, in de twee cellen waar eerder de Libische Lockerbie-verdachten hadden gezeten.

Interessante gedeelten in het boek zijn die waarin Fennema uitvoerige aandacht besteedt aan de steeds wisselende politieke vrienden van, en invloeden op Wilders. Natuurlijk komt ook de ieder welbekende electorale opmars van de PVV aan bod, culminerend in de 24 zetels tijdens de Tweede Kamerverkiezingen van juni 2010.

Belevingswereld
Fennema uit zijn bewondering voor zowel het uithoudingsvermogen als de politieke kwaliteiten van Wilders. Sowieso handhaaft hij bijna het gehele boek door een politiek neutrale, naar sympathie neigende toon. Enkel in het hoofdstuk over het lopende proces tegen Wilders spreekt Fennema zich uit: tégen vervolging. De overdreven ondertitel ‘De tovenaarsleerling’ lijkt overigens vooral uit verkoopoverwegingen op de kaft te prijken.

Het grote probleem met dit verder goede boek is dat Fennema Wilders niet heeft gesproken, maar toch schrijft hij – weliswaar zeer aannemelijk – alsof hij weet hoe Wilders politieke beslissingen beredeneerde en zijn politieke leven tot nu toe heeft ervaren. Een voorbeeld: ‘Hij begon ook de spanning te voelen die het proces met zich meebracht.’ In een tv-programma zei Fennema dat hij dergelijke gevoelens had vernomen van anonieme bronnen rond Wilders – maar dan nog komt het uit een nergens vermelde, secundaire bron.

Hetzelfde probleem komt naar voren bij een passage waarin wordt vermeld dat ‘der Blonde Engel’ verschillende affaires heeft gehad (die Fennema heeft opgenomen om te laten zien dat Wilders geen heilige is):

Ook journalisten en zelfs vrouwelijke Kamerleden van andere fracties deden er een moord voor om, al was het maar voor een nacht, de eenzaamheid van de politiek gevangene te verlichten. Zijn gedwongen isolement werkte als een magneet.

Verfrissend
Het hangt af van het ingenomen perspectief hoeveel waarde er moet worden gehecht aan deze kritiekpunten. Fennema heeft niet dé politieke biografie over Wilders willen schrijven, maar ‘slechts’ een beschrijving van diens politieke carrière. En afgezien van het genoemde kritiekpunt is de documentatie in orde, al komt Fennema niet met veel nieuwe feiten (zo is er helaas geen nieuws over de herkomst van de donaties aan de PVV). Desalniettemin is het interessant en verfrissend om alle episodes uit het door hypes vaak onoverzichtelijk gemaakte politieke leven van Wilders achter elkaar te lezen. Het wegpoetsen van de open gaten is een dubieuze beslissing, maar zorgt er tegelijkertijd wel voor dat dit boek zo prettig wegleest. Vooral dat maakt dit boek een aanrader voor iedere politieke junk.

Herta Müller – Ademschommel

In balans met de hongerengel

Oorspronkelijk verschenen 20-02-2010: http://www.8weekly.nl/artikel/8148/herta-muller-vert-ria-van-hengel-ademschommel-in-balans-met-de-hongerengel.html

De Nobelprijs voor de Literatuur ging in 2009 naar Herta Müller. De motivering van de Academie was dat Müller ‘met de concentratie van de poëzie en de vrijheid van het proza het landschap van de misdeelden schildert’. Ademschommel is daar een proeve van. Daarin beschrijft Müller op unieke wijze de geestelijke overlevingsstrijd van een individu in een Russisch werkkamp. 

In 1944 werd in Roemenië Antonescu’s fascistische regime door de Russen omvergeworpen. Alle in Roemenië woonachtige Duitsers werden opgeroepen om mee te helpen in de Russische ‘wederopbouw’. Naast de moeder van Herta Müller werd ook Oskar Pastior in een kamp tewerkgesteld. Hij maakte aantekeningen van zijn kampleven, en voor zijn overlijden in 2006 gaf hij Müller toestemming om die in een roman te verwerken. In die aantekeningen ligt de basis van Ademschommel.

1 gram brood
En zo ontrukt Herta Müller een donkere periode aan de vergetelheid. In een poëtische, maar concrete vorm beschrijft ze het kampleven van haar hoofdpersonage, Leopold Auberg. Vijf jaar brengt hij door in het kamp. Het grootste gedeelte daarvan wordt in beslag genomen door de praktische noden waartoe het kampleven hem dwingt: hoe vul je je maag met tweemaal per dag koolsoep zonder kool en hoe mat je jezelf niet te veel af bij het kolen- of slakkenscheppen. Want je weet: ‘1 schep = 1 gram brood’. Met al zijn macht probeert Leo een zekere balans te houden. Soms ligt die balans in hemzelf, zoals bij het kolenscheppen met de ‘harteschop’, soms zoekt hij die buiten zichzelf, zoals wanneer hij een ademschommel tracht te vinden:

Bij het appèl trainde ik mij om mezelf te vergeten terwijl ik in de houding stond, en het in- en uitademen niet van elkaar te scheiden. En mijn ogen omhoog te draaien zonder mijn hoofd op te heffen. En aan de hemel een hoek van een wolk te zoeken waaraan je je botten kon hangen. Als ik mezelf was vergeten en de hemelse haak had gevonden, hield die me vast.

Hongerengel
Omstandigheden en objecten waarmee Leo te maken heeft, duidt hij zoals de primitieve mens dat moet hebben gedaan. Hij heeft geen enkele controle op de situatie, maar wel de wetenschap dat de honger te erg kan worden, dat ziekte en uitputting op ieder moment toe kunnen slaan. Daardoor gaan die grootheden een eigen leven leiden. Om te overleven, moet hij de hongerengel in de ‘veloverbeentijd’ zien te misleiden: ‘Ik zal zijn weegschaal bedriegen wanneer de hongerengel mij weegt. Net zo licht als mijn gespaarde brood zal ik zijn. En net zo moeilijk te bijten.’

Müller schrijft schitterend over Leo’s beleving van zoiets onelegants als cement of het ritme van het kolenscheppen. Hij dwingt zichzelf het aangename te zoeken, om de geuren van de fabriek in zijn voordeel te herinterpreteren:

Het lukte mij om aangenaam verslaafd te raken, omdat ik de substanties niet wilde toestaan giftig over mij te beschikken. Aangenaam verslaafd betekent niet dat ik mij ermee verzoende (…) Noodzakelijk en een foltering, omdat ik ze geloofde hoewel ik wist waarvoor ik ze nodig had.

Het is Leo’s intuïtieve reactie om de kampellende geestelijk te kunnen verdragen. Müller verpakt zijn strijd in een overvloed aan poëtische beelden. Die blijven echter te allen tijde reëel; intuïtief voelt de lezer aan dat het zo kan gaan, dat deze banale objecten en omstandigheden op deze mythische manier door de geest geduid kunnen (of misschien: moeten) worden. De combinatie van die concrete poëzie met Leo’s verbeeldingsstrijd maakt Ademschommel een uniek werk.

Hans Achterhuis – De utopie van de vrije markt

Hebzucht is goed!

Oorspronkelijk verschenen 19-05-2010: http://www.8weekly.nl/artikel/8417/hans-achterhuis-de-utopie-van-de-vrije-markt-hebzucht-is-goed.html

De Wall Street-bankiers belichamen met hun hebzucht de hoogste deugdzaamheid. Gordon Gekko’s ‘Greed is good’ wordt zowel in Amerika als, in iets mindere mate, Europa helemaal niet ironisch opgevat; velen geloven werkelijk in dit neoliberale adagium. In De utopie van de vrije markt ontleedt utopie-expert Hans Achterhuis op toegankelijke wijze de aard en kwalen van het neoliberalisme.

Ook Achterhuis was deelgenoot van de wijdverbreide blindheid voor de utopische aspecten van het neoliberalisme. Iedereen accepteerde klakkeloos de toverformule van de intrinsiek harmonieuze vrije markt die overal efficiëntie en welvaart zou brengen. De oorzaak hiervan is dat iedere ideologie zichzelf presenteert als een onontkoombare en natuurlijke visie op de werkelijkheid. Bijna iedereen kijkt door een, in dit geval, neoliberale bril naar de werkelijkheid. Bovendien doet iedereen mee aan het neoliberale kapitalisme, waardoor het een objectief, door niemand bedacht proces lijkt te zijn. Zoals de commissie-De Wit stelde: iedereen is medeschuldig aan de huidige kredietcrisis – en daarmee is er geen hoofdschuldige.

De neoliberale Marx
Maar het neoliberalisme heeft wel degelijk een eigen Marx: Ayn Rand. In Europa totaal onbekend, maar niet in Amerika, getuige de verkoopcijfers van haar magnum opus Atlas shrugged (1957, vertaald als Atlas in staking) dat de afgelopen decennia alleen de Bijbel op de Amerikaanse bestsellerlijsten voor zich duldde. Achterhuis wil dat veranderen en wijdt daarom tientallen pagina’s aan de in Atlas shrugged ontvouwde utopie. Binnen Rands ‘Atlantis’ dient iedereen te handelen vanuit het eigen rationele eigenbelang; niets mag de hebzucht naar alsmaar meer in de weg staan. Het is een samenleving waarin behoefte, hulp en gemeenschappelijkheid verboden zijn. Dit neoliberalisme predikt ‘de utopie van de begeerte’. Ziet u deze hemel op aarde al voor u?

Vele Amerikanen, nog altijd, in ieder geval wel. Zij houden van de Atlassen uit de titel. Dat zijn vrije, geniale producenten die uit onvrede over toenemende staatsinterventie de samenleving verlaten, om ‘achter de bergen’ een nieuw Atlantis te ontwikkelen. In de jaren vijftig en zestig had Rand een eigen kring van geloofsgenoten gevormd onder wie zich, zo oordeelde zij, een paar van zulke Übermenschen bevonden. Een van hen was Alan Greenspan, de man die tot 2006 president van de Fed was (de Amerikaanse Federal Reserve Bank). Onder deze overtuigde neoliberaal konden de banken de risico’s nemen die hebben geleid tot de huidige kredietcrisis. Dit geeft een goed beeld van hoe ver de invloed van Rands neoliberalisme strekt.

Solidariteit
De utopie van de vrije markt staat bol van sterke argumentatie, mooie inzichten en koppelingen van beide aan zowel actuele (kranten)publicaties als oude denkers. Na de uiteenzetting van Rands utopie schetst Achterhuis een historisch en filosofisch overzicht van de inrichting van de menselijke economie. Dat levert beslissende, soms halfvergeten argumenten op tegen het neoliberalisme.

Hier is maar ruimte voor één voorbeeld: Émile Durkheims concept van ‘organische solidariteit’. Dit houdt in dat binnen de geïndividualiseerde moderne maatschappij door de arbeidsverdeling wel degelijk een sterke onderlinge verbondenheid bestaat. De intelligente bankier (zoals Rands Atlassen) krijgt alleen de ruimte veel geld te verdienen als anderen binnen de samenleving het vuilnis ophalen of de zorg regelen. Ieder individu is een orgaan binnen het grotere lichaam van de samenleving. Het neoliberalisme geeft hoog op van de vrijheid van het individu, maar vergeet dat die enkel in verbondenheid tot stand kan komen.

Nieuwe balans
Achterhuis’ De utopie van de vrije markt is een slimme, rücksichtslose analyse van de aard en opkomst van het neoliberalisme. Hij neemt de lezer bij de hand en leidt hem heel rustig, zonder morele vooroordelen, langs een wijd scala aan feiten en ideeën. De onvermijdelijke conclusie van dit belangwekkende betoog luidt: het neoliberalisme is onze samenleving vergaand aan het beschadigen. De oplossing? Een nieuwe balans tussen vrije markt, burgermaatschappij en staat.

Philip Zimbardo – Het Lucifer Effect

Het Stanford Prison Experiment nader bekeken

Oorspronkelijk verschenen 18-10-2010: http://www.8weekly.nl/artikel/8709/philip-zimbardo-vert-rein-gerritsen-en-pleun-van-vliet-het-lucifer-effect-het-stanford-prison-experiment-nader-bekeken.html

In 1971 voerde Philip Zimbardo het Stanford Prison Experiment uit. Vrijwel direct verwierf het wereldfaam; iedereen heeft erover gehoord, al is het maar via de (misleidende) film Das Experiment. Maar van de belangrijkste les uit het experiment  hoe krachtig omgevingsinvloeden de mens kunnen beïnvloeden  lijkt de samenleving nog nauwelijks te zijn doordrongen. Daarom schreef Zimbardo Het Lucifer Effect.

De helft van dit lijvige boek bestaat uit een intrigerende, gedetailleerde beschrijving van het Stanford Prison Experiment (SPE). Het oorspronkelijke doel van dit experiment was om meer te weten te komen over de psychologie van gevangenschap. 24 psychologisch normale studenten werden onderverdeeld in gevangenen en bewakers. Bij de onderzoeksopzet werd aan vele psychologische factoren gedacht – strenge regels, een verstoorde tijdsbeleving –, die mee moesten helpen de gevangenen in een zo realistisch mogelijke omgeving te kunnen observeren. De gevolgen zijn waarschijnlijk bekend: bijna alle gevangenen en bewakers ontleenden hun identiteit, en daarmee samenhangend hun gedrag, aan hun rol van gevangene of bewaker. De bewakers begonnen de gevangenen in toenemende mate te vernederen, en de gevangenen schikten zich verbazingwekkend genoeg in een hulpeloze rol.

Abu Ghraib
Ook onderzoeksleider Zimbardo, hoogleraar in de sociale psychologie, kon de door hemzelf tot stand gebrachte gevangenissituatie niet meer zien vanuit een objectief, ethisch verantwoord perspectief. Hij bekeek het SPE enkel vanuit zijn rol van gevangenisopzichter, die hem ingaf de gevangenis te beschermen. Iemand van buitenaf was nodig om Zimbardo en zijn staf tot de realiteit terug te roepen en het experiment af te breken. De fysieke, psychologische en seksuele vernederingen liepen volledig uit de hand.

Decennia later, toen Zimbardo de televisiebeelden van de Irakese gevangenis Abu Ghraib voorbij zag komen, realiseerde hij zich hoezeer de implicaties van het SPE veronachtzaamd werden. Het lukte hem aangesteld te worden als getuige-deskundige in het proces tegen de in Abu Ghraib werkzame sergeant Chip Frederick – en hij begon te schrijven aan wat Het Lucifer Effect zou worden.

Situationele hypothese
De kern van de bevindingen uit het SPE is dat systemische omgevingsinvloeden gewone mensen kunnen verleiden tot het kwaad. Het begint bij het systeem, dat bestaat uit:

 

(…) individuen en instituten wier ideologie, normen, waarden en macht Situaties creëren, en van waaruit wordt voorgeschreven aan welke rol en verwachtingen acceptabel gedrag van Personen binnen dat systeem dient te voldoen.

De Personen worden in hoge mate gestuurd door de verwachtingen van het systeem. Dit kan leiden tot zowel de banaliteit van het kwaad, als tot de banaliteit van het goede. Deze situationele hypothese staat haaks op het wijdverbreide idee dat het menselijk handelen te verklaren valt vanuit zijn eigen unieke neigingen (de dispositionele hypothese).

Weten we dit?
Eigenlijk weten wij dit al. Maar, zo stelt Zimbardo, onze samenleving is er nog steeds niet op ingericht. Neem bijvoorbeeld de rechtsstaat, die veroordeelt individuen en nooit systemen. Natuurlijk zijn ook individuen schuldig aan situaties, maar dan vooral omdat zij zich niet bewust zijn van de kracht van de omgevingsinvloeden. Zimbardo betoogt overtuigend dat door omgevingsinvloeden in Amerikaanse gevangenissen in Irak en Afghanistan, zoals Abu Ghraib, er in minstens 400 gevallen – en hoogstwaarschijnlijk veel meer – is gemarteld, waarbij zeker tientallen doden zijn gevallen.

Zimbardo haalt vele tientallen voorbeelden en onderzoeken aan om de situationele hypothese te ondersteunen. Een stuk minder had ook gekund zonder dat er iets van de strekking verloren was gegaan. Maar Zimbardo lijkt met dit boek er voor eens en voor altijd in te willen rammen dat we ons bewust moeten worden van de omgeving. Hij poogt zijn relaas wat te verluchtigen door literaire verwijzingen of woordgrapjes, maar die komen gezocht of flauw over (‘Sergeant Clay bleek toch niet zo kneedbaar’). Los van zulke ergerlijke schoonheidsfoutjes herbergt Het Lucifer Effect sterke sociaalpsychologische inzichten en vooral een essentiële moraliserende functie; ter bewustwording van de corrumperende effecten van de systemen op de mens.

Philipp Blom – Het verdorven genootschap

De gedurfde denker Diderot

Oorspronkelijk verschenen 08-12-2010: http://www.8weekly.nl/artikel/8835/philipp-blom-vert-pon-ruiter-het-verdorven-genootschap-de-gedurfde-denker-diderot.html

Waarom hebben Voltaire en Rousseau monumentale graven in het Panthéon, en liggen Holbach en Diderot in het onbeduidende Parijse kerkje Saint-Roch? Nee, niet omdat de eerste twee per se meer belangwekkende dingen hadden te zeggen, maar simpelweg omdat zij de ideeëncompetitie voor het nageslacht hebben gewonnen. Om het een en ander recht te trekken schreef Philipp Blom Het verdorven genootschap.

Het grote publiek kent Philipp Blom van De duizelingwekkende jaren. Europa 1900 – 1914. Naast het fin de siècle heeft deze historicus ook passie voor de achttiende-eeuwse Franse denkers, en dan met name voor baron Paul-Henri Thiry d’Holbach (1723-1789) en Denis Diderot (1713-1784). Het verdorven genootschap draait om deze twee denkers, de eerste totaal vergeten, de tweede altijd even genoemd als encyclopedist, soms als schrijver, nooit als filosoof. Zij waren domweg hun tijd te ver vooruit. Toch was Holbachs salon – in Rue des Moulins 10, vlakbij het Louvre – tussen 1750 en 1775 de beroemdste van Parijs. Hume, Franklin en Adam Smith maakten daar veelvuldig hun opwachting. De salon was de broedplaats voor de atheïstische, pragmatische denkers, ‘de vergeten radicalen van de Verlichting’.

Ideeënstrijd
Blom stipt in dit boek een hardnekkige kwaal van de westerse maatschappij aan: nog steeds valt in maatschappelijke tendensen het theologische denken, en daarmee een gebrek aan verlichting, te herkennen. Neem het wijdverbreide streven naar het onbereikbare perfecte lichaam, de steeds weer terugkerende angst voor de Apocalyps, of Hollywoods weergave van expliciet geweld, maar nooit van seks. Het was misschien anders geweest wanneer niet Voltaire en Rousseau maar Holbach en Diderot als belangrijkste verlichtingsdenkers de geschiedenisboekjes waren ingegaan.

Maar dat gebeurde niet, want ‘hun laatste slag verloren ze’. Enerzijds was het de cynicus Voltaire die, via effectief reputatiemanagement, al bij leven ervoor wist te zorgen dat hij goede kans maakte om uit te groeien tot hét verlichtingssymbool. Anderzijds was het Rousseau, die dankzij zijn kind en vrijheid verheerlijkende, paradoxaal genoeg half paternalistische, maatschappijfilosofie perfecte uitgangspunten bood voor zowel de Romantiek als de in staatsterreur uitmondende Franse Revolutie.

Durf te weten
Maar nu over de ware helden van Bloms boek: denker en salonhouder Holbach schreef clandestiene boeken zoals Le Christianisme dévoilé, waarin hij, gebruikmakend van rede en natuurfilosofie, zeer systematisch de theologie ontwrichtte. Over zijn persoonlijke leven is helaas minder bekend. Blom beschrijft Diderots persoonlijkheid daarentegen dankbaar. Uit deze beschrijving rijst het beeld van een innemende man, befaamd om zijn gedurfde, geestrijke denken, schrijven en debatteren.

In tegenstelling tot Voltaire, die vreesde voor de moraal in een godloze wereld, en het genie Rousseau, wiens persoonlijkheid de uitkomsten van zijn filosofie bepaalde, leefde Diderot Horatius’ aansporing ‘durf te weten’ ten volle na. Samen met Holbach en salonvrienden had hij een missie: de menselijke wereld ontdoen van alle religie en hypocrisie, om vervolgens optimistisch en zonder schuldbesef te leven in het verlichte besef dat de materiële wereld het enige bestaande is.

Grote mannen
Sommige gevolgtrekkingen die Blom maakt in Het verdorven genootschap zijn, door lacunes in het bronnenmateriaal, slecht onderbouwd. En daarnaast vervalt hij wel erg vaak in herhalingen: dat Holbach een voortreffelijke wijnkelder heeft noemt hij minstens zes keer. Hij schrijft soepel over de twee grote vergeten mannen van de Verlichting en komt met een paar verrassende feiten over het denken van Holbach en Diderot. Jammer dat Bloms stijl soms net te populair is ingericht.

Beiden stelden dat de hartstocht uiteindelijk het primaat over de rede heeft. Zoals Diderot in een iets andere context zei: ‘er hangt een stukje testikel onder aan onze meest verheven gevoelens’. Het is niet toevallig dat Nietzsche een grote bewonderaar was: ‘Voltaire was de laatste grote geest van het oude Frankrijk, Diderot de eerste grote geest van het nieuwe.’ Een grote geest was het, nu nog de erkenning.

 

Orlando Figes – De Krimoorlog of de vernedering van Rusland

Doorbraak van het moderne

Oorspronkelijk verschenen 20-01-2011: http://www.8weekly.nl/artikel/8935/orlando-figes-vert-henk-moerdijk-en-lieske-simon-de-krimoorlog-of-de-vernedering-van-rusland-doorbraak-van-het-moderne.html

Uit de Krimoorlog (1853-1856) kennen we Florence Nightingale, de eerste oorlogscorrespondenten en ‘de charge van de lichte brigade’. Maar dat deze geschiedenis meer noemenswaardigs herbergt, toont Orlando Figes in De Krimoorlog of de vernedering van Rusland. Over de oorlog waarin zoveel moderne verschijnselen hun première kenden.

Halverwege de negentiende eeuw zorgt de machtsbalans van het ‘Concert van Europa’ al decennialang voor vrede. Maar dan bedreigt Rusland rond 1840-1850 het reeds verzwakte Ottomaanse Rijk omdat het de Ottomaanse christelijk-orthodoxe burgers wil beschermen. De toenemende dreiging maakt dat vooral Groot-Brittannië, indertijd groot voorvechter van vrijheid, beschaving en (zeker niet in het minst) vrijhandel, zich sterk bemoeit met de bescherming van de ‘zieke man van Europa’. Al deze verwikkelingen worden door Figes uitgebreid beschreven, zijn boek is net zozeer een diplomatieke als een militaire geschiedenis.

Religieus fanatisme
Figes is de eerste historicus die bronnen uit alle vier betrokken landen – ook Frankrijk – heeft nageplozen, wat een genuanceerde analyse mogelijk maakt van de beleidsvorming. Zo onthult hij de grote rol van religie in de opmaat tot de Krimoorlog. In onze tijd is het onmogelijk onbekend te zijn met religieus fanatisme, maar tot ongeveer vijftien jaar geleden werd de rol van religie vaak gebagatelliseerd. Destijds schrijvende historici geloofden niet dat religieuze drijfveren dusdanig medebepalend konden zijn voor het rationeel geachte beleid van moderne staten. Een andere ontdekking is de sterke russofobie van de machtig geworden Britse publieke opinie, versterkt door de (onrealistische) gedachte dat Rusland een bedreiging voor India zou kunnen vormen.

Eind 1853 vangt de Krimoorlog aan. Een coalitie van Britse, Franse en Turkse troepen verplettert in de eerste slagen het Russische leger. De oorzaak daarvan is vooral de minié, het westerse moderne geweer dat een tot vier keer zo groot bereik bleek te hebben – de soldaten ontdekten dit pas tijdens de gevechten – als de verouderde Russische musket. Dat de Krimoorlog, met als oorlogscentrum de beroemde slag bij Sebastopol, zo lang doorsleept, valt te wijten aan de stuitende opeenvolging van fouten van dronken, ouderwets denkende of domweg volstrekt incompetente bevelhebbers.

Het moderne
Naast de eerste geïndustrialiseerde oorlog was de Krimoorlog ook de laatste oorlog waarin ridderlijke akkoorden plaatsvonden, bijvoorbeeld wapenstilstanden om de gewonden van het slagveld te kunnen wegvoeren. Gaandeweg het conflict werden de mogelijkheden van de moderne oorlogsvoering ontdekt, evenals manieren om de bijkomende verschrikkingen in goede banen te leiden. Zo was er Nikolaj Pirogov, die voor het oorlogsziekenhuis het levensreddende triage-systeem bedacht, waarbij om effectiever te kunnen opereren onderscheid werd gemaakt tussen gewonden (licht, zwaar of onredbaar).

Ook nieuw was dat de Britse publieke opinie, gevoed door op de Krim aanwezige oorlogscorrespondenten, ervoor zorgde dat de wederwaardigheden van de gewone soldaat meer aandacht kregen en bovendien verbeterd werden. Ook Figes laat veelvuldig, net als in zijn bejubelde Fluisteraars, gewone soldaten en burgers aan het woord, wat deze geschiedenis vol ontberingen aan kleur doet winnen.

Historian
De Krimoorlog resulteerde in een machtsafname van de autoritaire Heilige Alliantie, en dan voornamelijk van Rusland, dat naast de verpletterende nederlaag in de Krimoorlog ook tweederde van de 750.000 soldatendoden had te betreuren. Indirect schiep het zo de diplomatieke voorwaarden voor de nationale eenwording van Italië en Duitsland.

Op Amazon.com werd Figes afgelopen jaar betrapt op het anoniem afkraken van medehistorici. Geen enkel boek over de Russische geschiedenis ontsnapte aan de bijtende kritieken van ‘historian’. Natuurlijk behalve dat van Figes, waarbij de anonieme recensent noteerde: ‘ik hoop dat hij eeuwig blijft schrijven’. Daar geeft hij zichzelf wat veel lof, maar met De Krimoorlog of de vernedering van Ruslandlaat Figes wel weer zien wat een uitstekende historicus hij is.

 

Hilary Mantel – Wolf Hall

Held in een krakende kosmos

Oorspronkelijk verschenen 21-11-2010: http://www.8weekly.nl/artikel/8776/hilary-mantel-vert-ine-willems-wolf-hall-held-in-een-krakende-kosmos.html

Engeland tussen 1500 en 1535: land van mythes, hypocrisie en strijd tussen kroon en kerk. Thomas Cromwell, voorvader van Oliver, klimt op van smidszoon tot de rechterhand van de beruchte koning Henry VIII. Over deze vernuftige Cromwell heeft Hilary Mantel het absoluut schitterende Wolf Hall geschreven, waarvoor zij in 2009 de Booker Prize ontving.

Om die schittering te kunnen ervaren moet de Nederlandse lezer, met waarschijnlijk alleen kennis van Henry VIII en zijn vrouwen, wel over wat doorzettingsvermogen beschikken. Want in Mantels bijna 700 pagina’s tellende roman wordt de Engelse geschiedenis als bekend voorondersteld. Het wemelt van de niet geïntroduceerde Engelse historische figuren, waarvan er ook nog eens buitensporig veel Henry, Richard of Mary heten. Enigszins vertroostend is dat zelfs de personages vaak moeten nadenken wanneer een ander personage enkel met de voornaam wordt aangeduid. Maar wanneer de orde langzaam de overhand op deze historische chaos neemt, gaat Wolf Hall op een andere manier wemelen: van scherpe, kort aaneengesloten zinnen die samen de ene na de andere meeslepende prachtpassage vormen.

Cromwell
Het middelpunt van die pracht is Thomas Cromwell, de alleskunner die zonder adellijke familie – wat nog nooit was vertoond – uitgroeit tot de man die feitelijk het Engelse koninkrijk bestuurt. Bij zo’n beschrijving ben je geneigd te denken aan een soort kardinaal Richelieu, maar Cromwell, weliswaar ‘de man met het voorkomen van een zondaar’, is werkelijk een zelf nadenkend, goed mens. Letterlijk tussendoor verliest Cromwell zijn vrouw en twee van zijn kinderen aan de ‘zweetziekte’. Zijn verdriet wordt nauwelijks expliciet gemaakt, maar juist daardoor lijkt de ontroerende kracht ervan alleen maar toe te nemen. Hij stort zichzelf nog meer op zijn werk. Dankzij zijn beschermheer kardinaal Wosley en zijn talent voor het bedenken van oplossingen voor de meest netelige kerkelijke en hoofse zaken, klimt Cromwell op tot hoofdadviseur van de koning:

De hovelingen merken dat hij de loop der dingen kan ombuigen, kan smeden. Hij kan de angsten van mensen indammen en hun een gevoel van zekerheid geven in een in zijn voegen krakende kosmos: dit volk, dit vorstenhuis, dit miserabele regenachtige eiland aan het randje van de wereld.

Anne Boleyn
Cromwells oplossingen zijn hard nodig binnen de Engelse krakende kosmos. Het ‘ketterse’ protestantisme tiert – schrijver en dogmaticus Thomas More is bezig met een inquisitie – en daar komt nog eens bovenop dat de getrouwde Henry VIII wil scheiden om te kunnen trouwen met Anne Boleyn. Om dat te bewerkstelligen forceert hij samen met Cromwell een breuk met de paus in Rome, en plaatst hij zichzelf aan het hoofd van de Engelse kerk. Overigens stopt het boek voordat Henry Anne Boleyn laat onthoofden.

De zestiende-eeuwse diplomatie is doordrenkt met de privélevens van de adel. Vaak staat daarin de verhouding centraal tussen seks en huwelijk enerzijds en de christelijke wetten anderzijds. Vuistregel is dat een christelijke gelofte heilig is, tenzij je genoeg macht hebt om er onderuit te komen. Steeds komt de hypocrisie van de christelijk-maatschappelijke praktijk naar voren: ‘overspel wordt niet onderbroken vanwege de vasten.’ Naast verholen en onverholen grappen is het verhaal ook spookachtig, passend bij het mistige zestiende-eeuwse Engeland.

Wolf
Dit alles is de constellatie waarbinnen de held Cromwell opereert, met een door Mantel zeer knap weergegeven vernuft. De titel Wolf Hall verwijst naar het gezegde ‘de mens is de mens een wolf’, wat zeker toepasbaar is op de hoofse situaties maar ook op Cromwell zelf. Hij is een wolf voor velen, maar een goede wolf. Een prachtfiguur waar Hilary Mantel haar subtiel geschreven historische drama omheen heeft geweven. Tegen het einde verwacht je als lezer de dood van Cromwell. Geen woord daarover, wel dat Mantel momenteel een vervolg aan het schrijven is.

Andrés Neuman – De eeuwreiziger

Een man met twee ruggen

Oorspronkelijk verschenen 05-11-2010: http://www.8weekly.nl/artikel/8746/andres-neuman-vert-corrie-rasink-de-eeuwreiziger-een-man-met-twee-ruggen.html

Sommige traditionele romans maken dankzij een paar originele vormaspecten en een wonderlijk mooie inhoud de schijnbaar onuitputtelijke mogelijkheden van de roman duidelijk. Zo’n werk is De eeuwreiziger, van de jonge Argentijn (1977) Andrés Neuman. Hierin zijn taal en liefde, de negentiende eeuw en een vleug mysterie vermengd.

Reiziger en vertaler Hans komt, met een baret op zijn hoofd en vergezeld van een mysterieuze hutkoffer, aan in Wandernburg, met de bedoeling na de nacht weer verder te reizen. Maar Wandernburg – ‘zich verplaatsende stad op de gr. tussen Saksen en Pruisen’ – is een bijzondere stad die bijzondere inwoners herbergt. Ook Hans blijft hangen in Wandernburg, waar straten lijken te verschuiven en waarvandaan, zo gaat het gerucht, nog nooit iemand is vertrokken.

Moderne onrust
De meest markante inwoner die Hans in Wandernburg ontmoet is de orgelman. Een man die woont in een grot en op een zeldzame manier op zijn gemak is met zichzelf en de wereld. Hij leert Hans beter kijken naar de natuur en haar haast onmerkbaar veranderende schoonheid. De orgelman is met zijn zuivere onaangepastheid het rustpunt in het boek, dat zich afspeelt tegen de achtergrond van de onstuimige jaren twintig van de negentiende eeuw. Europa heeft, tijdens de Franse Revolutie, van de vrijheid kunnen proeven om die direct weer in te leveren. Tegelijkertijd kondigen zich verstrekkende industriële en sociale veranderingen aan, met daaraan gelieerd een oprijzen van ongedroomde horizonten.

De nieuwe mogelijkheden zorgen voor het startpunt van de moderne onrust, dat telkens terugkomt in De eeuwreiziger: blijven of weggaan, genoegen nemen met wat ik hier heb of vol tinteling het risicovolle avontuur aangaan? Deze onrust tekent zeker de (eeuw)reiziger Hans. Misschien dat een droom van de orgelman hem duidt: als een man met twee ruggen.

Schoonheid
Waar Hans in de grot in contact komt met arbeiders, daar neemt hij ook deel aan de Salon in huize Gottlieb, geleid door de mooie Sophie. Hier worden de politieke, sociale en esthetische standen van zaken bediscussieerd en, wat heel knap is, vanuit ieders perspectief begrijpelijk gemaakt.

Maar de sympathie van de lezer ligt bij de vrijdenkers Sophie en Hans – en hun sympathie ligt toch vooral bij elkaar. Hoewel Sophie zich heeft verloofd met de vastgeroeste, adellijke Rudi Wilderhaus, voelt ze passie enkel voor Hans. Samen werken ze aan Duitse vertalingen van de grote achttiende- en negentiende-eeuwse dichters. Tijdens het vertalen van de vreemde naar de eigen taal, ervaren ze hetzelfde als in hun opbloeiende liefde; waarin het eigen ‘ik’ de persoon van de ander probeert te kennen, te vertalen naar zichzelf. Hierin wordt idealiter, en het ideale benaderen ze, het vreemde van de andere persoon opgenomen zonder dat het eigen individu verloren gaat. Het zoeken naar woorden en schoonheid is een verlengstuk van hun liefde. In een briefwisseling mijmert Hans daarover verder:

Ik zou zeggen dat die ontstaat uit blijheid en vergankelijkheid. (…) Misschien helpt een beeld: schoonheid ontstaat bij het trillen van een brug die tintelende fantasie verbindt met de werkelijkheid. Als de brug trilt is dat een teken dat er iets belangrijks overheen gaat. Ik hoor je voetstappen. De brug trilt.

Originaliteit
De eeuwreiziger
 is een traditionele roman, maar met originele kanten. Zoals de prettige weergave van sommige dialogen, eigenlijk monologen, waarin het actieve luisteren van de tweede persoon wordt weergegeven tussen haakjes (‘ja…’ ‘dat zie ik’, ‘in Jena?’). Ook laat Neuman het verhaal abrupt van de ene situatie in de andere overgaan, maar door de subtiele vooraankondiging van situaties is het de lezer altijd duidelijk waar in het verhaal hij zich bevindt. Toch wat kritiek: in het begin zitten stukjes dialogen die wat haperen en daardoor ongeloofwaardig overkomen.

En wat zit er nu eigenlijk in Hans’ hutkoffer, en hoe komt hij steeds aan de allernieuwste boeken? Verschillende mysteriën lopen door het boek heen en geven het een extra tinteling. Nog een van de vele kwaliteiten van De eeuwreiziger, deze heerlijk sympathieke roman die ‘de brug kan doen trillen’.