Hans den Hartog Jager – Het sublieme. Het einde van de schoonheid en een nieuw begin

Hans den Hartog Jager – Het sublieme. Het einde van de schoonheid en een nieuw begin

The sublime is now

Oorspronkelijk verschenen 27-11-2011: http://www.8weekly.nl/artikel/9593/hans-den-hartog-jager-het-sublieme-het-einde-van-de-schoonheid-en-een-nieuw-begin-the-sublime-is-now.html

Urinoirs, kitschvarkens en concepten hebben de ‘MOMA’s’ ingenomen. Deze kunstwerken moeten worden gezien in een bijna eeuwlange kunsttraditie waarin schoonheid niet meer van belang werd geacht. Maar verandering is onderweg, zo betoogt Hans den Hartog Jager. Hij ziet in het afgelopen decennium een voorzichtige wederopstanding van de schoonheid.

Het sublieme staat bol van de over elkaar heen buitelende avant-gardes en manifesten vol ultieme antwoorden op eeuwige vragen. Wat de meesten gemeen hebben is een volstrekt onverschillige houding tegenover schoonheid. Eén anekdote zegt al veel: in 1963 vervaardigt conceptueel beeldhouwer Robert Morris een beeld, Litanies. Een houten kast, bekleed met lood en een sleutelbos eraan met woorden erop verwijzend naar Duchamp. Kunstverzamelaar Philip Johnson koopt het werk, maar betaalt het naar Morris’ smaak niet snel genoeg. Dus wat doet deze? Hij gaat naar de notaris en laat een ‘Statement of Aesthetic Withdrawal’ noteren.

Drie schoonheden
De schrandere Johnson kocht overigens ook het statement. Maar de crux is natuurlijk dat hier de kunstgeschiedenis is gevorderd tot op het punt waarop schoonheid puur een denkproduct is, door de conceptuele kunstenaar naar gelieve weg te nemen of toe te voegen. Den Hartog Jager besteedt een goed deel van zijn vloeiend geschreven essay aan een kunsthistorische beschrijving van de neergang van de schoonheid. Eerst hoe het klassieke schoonheidsideaal overging in het romantische ideaal en vervolgens hoe dit romantische ideaal plaats moest maken voor het onverschillige non-ideaal, maar desalniettemin nooit helemaal is verdwenen.

Het klassieke ideaal behelst het artistieke streven naar ‘hemelse’, absolute perfectie. Maar als gevolg van de voor iedereen beschikbare reproductietechnieken is dit als artistiek ideaal definitief gedateerd (hoewel niet per se ongeliefd): inmiddels heeft iedere photoshopper de hemel binnen bereik. Daarentegen zal het subjectieve ideaal van de romantici nooit verdwijnen, getuige haar bekende, naar de menselijke conditie verwijzende hoofddoel:

Het zoeken naar een vorm, een oplossing, voor het existentiële dilemma van de mens die door alles en iedereen was verlaten, zowel door God als zijn eigen geest.

Grenzen van de geest
Maar dat deze romantische kunstopvatting het moeilijk had blijkt bijvoorbeeld uit Barnett Newmans manifest The sublime is now: ‘De moderne kunst werd gedreven door het verlangen de schoonheid te vernietigen.’ Want schoonheid, zo zeiden vele kunstenaars (deels) terecht, dit ‘bourgeoisidee’, heeft de neiging af te leiden van diepere lagen en inzichten.

De meerwaarde van dit boek ligt in het feit dat Den Hartog Jager beschrijft én toont – het is rijkelijk bezaaid met mooie (!) en verrassende kunstafbeeldingen – dat sinds 9/11 de (romantische) schoonheid terug is. Hij zelf werd zich dit gewaar bij het zien van Olafur Eliassons ‘The Weather Project’, een gigantische zon hangend in de Turbine Hall van het Tate Modern. Dit werk is in staat de toeschouwer een overweldigende schoonheidservaring te bezorgen.

‘The Weather Project’ is sublieme kunst. En inderdaad maakt Eliassons zon zelfs in het klein afgebeeld grote indruk, enigszins vergelijkbaar met de eindscène in Von Triers Melancholia. Het combineert een overweldigende schoonheid met de opgeroepen angst bij de toeschouwer dat hij of zij het eigen bevattingsvermogen niet meer onder controle heeft. En precies dit ongemak herbergt de kracht van het sublieme. In deze specifieke schoonheidservaring, in dit aanschuren tegen de grenzen van de geest, wordt het denkvermogen niet afgesloten, maar worden integendeel onvermoede mogelijkheden ontsloten.

Het verhevene
Den Hartog Jager hoopt dat kunst, na de vele twintigste-eeuwse terzijdes, weer terug is op het enige domein waarop zij de alleenheerschappij heeft, namelijk de (romantische) subjectieve verbeelding van het verhevene. Hij ziet bijvoorbeeld Anish Kapoor – zie het verontrustende Descent into limbo (1992) – en Francis Alÿs als voorbeelden van andere actuele kunstenaars bezig met dit sublieme.

Aldus blijft zowel het romantische ideaal als de mogelijkheid van een zinnen- en geestprikkelende esthetische ervaring bestaan. Bovendien zijn moderne middelen zoals video’s, films en installaties uitstekend geschikt de toeschouwer te overweldigen en/of stap voor stap mee te nemen in grootse, suggestieve kunstwerken richting een ‘prachtig, sublieme eindsequentie’.

Peter Kanne – Gedoogdemocratie. Heeft stemmen eigenlijk wel zin?

Peter Kanne – Gedoogdemocratie. Heeft stemmen eigenlijk wel zin?

Apologie voor de luie burger

Oorspronkelijk verschenen 28-10-2011: http://www.8weekly.nl/artikel/9519/peter-kanne-gedoogdemocratie-heeft-stemmen-eigenlijk-wel-zin-apologie-voor-de-luie-burger.html

In de tendentieuze ondertitel van dit boek is de kernthese samengevat: politici luisteren niet naar burgers, en langzamerhand worden de burgers dit zat. Waarom überhaupt nog stemmen, Den Haag doet immers toch wat het wil.

Met veel cijfers en voorbeelden uit de alledaagse Nederlandse politiek van het afgelopen decennium onderzoekt Peter Kanne het vermeende gat tussen kiezerswil en daadwerkelijke politieke actie. Met dit boek lijkt Kanne, werkzaam bij marktonderzoekbureau TNS NIPO, aan te willen sluiten op de almaar duidelijker wordende politieke onvrede onder de burgers. In simpel taalgebruik schijnt Kanne de gemiddelde Nederlandse burger inzicht te willen bieden in actuele politieke trends.

Kannes procentpunten
Zijn poging is dapper. En voor de Telegraaflezer die op dit boek stuit en door de titel wordt verleid, is ook het resultaat potentieel waardevol. De wisseling in standpunten, de verwaterende ideologieën en de opkomst van de nieuwe sociaal-culturele dimensie komen aan bod om de verslechterende verhouding tussen politieke partij en kiezer te beschrijven.

Maar meer dan beschrijven wordt het niet. Want Kanne werkt vooral met statistiek, en hoewel zijn procentpunten een solide houvast geven, bieden ze nauwelijks verklaring. Nu verwijst Kanne wel af en toe naar recente politicologische literatuur, maar altijd naar de meest uitgekauwde, en hij geeft er nooit een eigen draai aan.

Zorgzaam en veilig

Dit neemt niet weg dat zijn cijfers wel zeggingskracht hebben. Kanne geeft in een kwadrant weer hoe de discrepantie tussen partijen en kiezers er werkelijk uit ziet. In het licht van de vaak gehoorde bewering dat partijen ideologisch nauwelijks van elkaar zijn te onderscheiden, is het opvallend te zien dat veel kiezers zich meer in het midden bevinden dan de partijen van hun voorkeur. De gemiddelde PVDA- en GroenLinks-kiezers zijn minder links en minder progressief dan deze partijen, terwijl kiezers van de meer rechtse en meer conservatieve VVD en CDA zowel linkser als progressiever zijn.

Ook opmerkelijk is dat het gros van de kiezers het beste valt onder te brengen bij het wereldbeeld ‘zorgzame regio’, waarin de regelingen van de verzorgingsstaat centraal staan. Maar de politieke elite doet natuurlijk iets heel anders, die is al decennia lang die regelingen aan het opheffen en aan het inperken (de vraag in hoeverre dit onvermijdelijk is daargelaten). Het wereldbeeld dat dan ook meer aansluit op de voorkeuren van de politieke elite is dat van de meer atomistische, meer mondiaal gerichte prestatiemaatschappij.

Het gaat om de inhoud
Deze discrepanties zijn ook zichtbaar in de sociaal-economische verhouding van de gemiddelde kiezer tot het huidige (gedoog)kabinet. CDA-kiezers zijn veel linkser, en andere kiezers stemden PVV omwille van hun AOW-standpunt – dat breekpunt, weet u nog? Het is een van Kannes vele, maar helaas overbekende voorbeelden van punten waarop de kiezer zich ‘knollen voor citroenen laat verkopen’. Keer op keer benadrukt Kanne dus de veelvuldige fouten van de politieke partijen. Weliswaar stelt hij in een bijzinnetje dat ook de kiezers en de media een rol spelen, maar hij vervolgt direct met de veel hardere stelling dat de partijen de absolute hoofdverantwoordelijken zijn voor de mislukkende vertegenwoordigende democratie.

En dat is al te makkelijk. Jazeker, partijen draaien, liegen en huichelen, en dat is alleszins laakbaar. Maar tegelijkertijd zijn ook de burgers in deze mediademocratie te kortzichtig en te lui om een politicus te ondersteunen die durft te wijzen op de realiteit. Het probleem is toch ook dat de ontevreden, maar zelfgenoegzame burgers niet de tijd en moeite voor de politiek willen opbrengen die nodig is om te kunnen begrijpen wat er inhoudelijk gaande is. Het burgerlijke geklaag heeft daarom vaak iets gratuits.

Duidelijk is dat verandering noodzakelijk is. Kanne stelt terecht dat ons partijenstelsel op de schop moet. Maar naast de aflatende burgers gaat hij ook niet in op de gigantische impact van de veelbepalende media. Het is de wisselwerking binnen deze politieke drie-eenheid die de kaders van het politieke spel bepaalt – en ieder voorstel tot werkelijke verandering dient deze wisselwerking te adresseren.

Zygmunt Bauman – Vloeibare tijden. Leven in een eeuw van onzekerheid.

Zygmunt Bauman (vert. J.M.M. de Valk) – Vloeibare tijden. Leven in een eeuw van onzekerheid.

Vloeibare Tijden

Oorspronkelijk verschenen 29-08-2011: http://www.8weekly.nl/artikel/9387/zygmunt-bauman-vert-j-m-m-de-valk-vloeibare-tijden-leven-in-een-eeuw-van-onzekerheid-vloeibare-tijden.html

Onzekerheid heerst. Zowel collectief als individueel zijn wij, ‘de meest vertroetelde en verwende mensen van allen’, angstig en bezorgd over onze veiligheid. Eminent socioloog Zygmunt Bauman (1925) duidt deze vreemde, maar voor iedereen herkenbare onzekerheid.

Er is geen boek over de tijdsgeest van de afgelopen decennia waarin Bauman niet meerdere keren wordt aangehaald, vaak in de vorm van een klinkende, en zelfs elegant geformuleerde stelling. Een nadere kennismaking met zijn werk is dan ook aanbevelenswaardig. En het recent vertaalde Vloeibare tijden vormt daarop een goede, toegankelijke inleiding. De titel verwijst naar de ‘vloeibare moderniteit’ – bij Bauman volgend op de moderniteit -, die wordt gekenmerkt door de veranderlijkheid van zowel instituties als individuen, de desintegratie van verzorgingsstaat en samenleving, de scheiding van (mondiale) macht en (lokale) politiek, het onvermogen tot langetermijnplanning en de oproep tot flexibiliteit.

Het zelfversterkende effect van angst

Al deze kenmerken werken onduidelijkheid in de hand. Tegelijkertijd groeit de angst voor het noodlot. Vol ontzetting beziet de burger hoe de samenleving schijnbaar onverdedigbaar staat tegenover terrorisme, milieu- of economische crises. Dit leidt ertoe dat voor zowel samenleving als individu veiligheid het grote thema wordt. Het is de staat die deze moet verzorgen; haar legitimiteit is al decennia aan het verschuiven van een beschermer tegen sociale achteruitgang, richting een beschermer van de persoonlijke veiligheid.

Natuurlijk blijft het noodlot onweerstaanbaar. Dus wat doen wij, broze mensen? We zoeken plaatsvervangende doelstellingen om het teveel aan existentiële angst op af te reageren. We verdiepen ons bijvoorbeeld in de vijf tekenen van depressie of te hoge bloeddruk en scheppen zo de illusie het bestaan tenminste deels te controleren. Maar zowel collectief als individueel geldt: des te meer we bezig zijn de angstaanjagende wanorde te bestrijden, des te meer we haar vergroten. Bauman hamert erop: angst bezit een zelfversterkend effect. De tegenwoordig veelgeziene uitvlucht is ook al niet hoopgevend:

De droom om de onzekerheid minder afschrikwekkend en het geluk blijvender te maken door zijn ego te veranderen, en zijn ego te veranderen door zijn uiterlijk te veranderen, is de ‘utopie’ van de jagers – een ‘gedereguleerde’, ‘geprivatiseerde’ en ‘geïndividualiseerde’ versie van de vroegere droombeelden van de goede samenleving.

De tijd staat niet stil!
De ‘jagers’ zijn de individuen en kapitalistische bedrijven op zoek naar respectievelijk opwinding en winst. Zij creëren niets blijvends. Tegelijkertijd moeten zij (wij) altijd door: de economie moet groeien om gezond te blijven, en ook het individu mag ‘niet achterblijven’, de tijd staat immers niet stil! Deze vaak alleen kwantitatieve voortgang is een soort eindeloze stoelendans. Tevens verdwijnt uit de gedereguleerde samenlevingen langzaam alle solidariteit, haar credo wordt: ‘Ieder voor zich en God voor ons allen en naar de duivel met de achterblijvers.’

En die achterblijvers? Die vormen een permanent overtollige klasse. En ze gaan rellen in Londen. Of op een andere schaal: zie de vluchtelingenkampen in de Hoorn van Afrika, die nu de laatste Somalische vluchtelingen, maar al decennialang permanent honderdduizenden van deze overtolligen (Bauman: ‘menselijke afvalproducten’) herbergen.

Niet toegeven
Sommige vluchtelingen schoppen het tot asielzoeker in de westerse landen. Maar net als de mondiale elite, zo stelt Bauman, verpersoonlijkt de asielzoeker de ‘vloeibare ruimte’, waaruit de huidige onzekerheid voortkomt. Natuurlijk is de mondiale elite onaantastbaar, en dus ‘richten angst en vrees zich op dichterbij gelegen doelen en vertonen zich als populistische angst voor en wrok tegen de “naastbijzijnde vreemden”.’

Het betoog van Bauman is kort, maar elke pagina telt. Bovendien luidt hij terecht de alarmbellen. Bauman waarschuwt waartoe angst – ‘de meest sinistere van de demonen’ – kan uitgroeien. Wanneer we er aan toe geven – en dat mogen we dus niet doen! – versterkt het zichzelf. Dan wordt het toekomstbeeld van een samenleving waarin de welvarenden zich teruggetrokken in gefortificeerde omgevingen puur escapistisch gedragen, terwijl de economisch nuttelozen verpieteren in getto’s, welhaast onvermijdelijk.

Hunter S. Thompson – Hells Angels

Hunter S. Thompson (vert. Ton Heuvelmans) – Hells Angels

In den stinkende, getatoeëerde vleze

Oospronkelijk verschenen 26-06-2011: http://www.8weekly.nl/artikel/9276/hunter-s-thompson-vert-ton-heuvelmans-hells-angels-in-den-stinkende-getatoeeerde-vleze.html

Een hele generatie moet inmiddels groot zijn geworden met het meerdere malen bekijken van de verfilming van Hunter S. ThompsonsFear and Loathing in Las Vegas. In tekst is Thompsons werk ook mooi: zie het nu vertaalde verslag over de Hells Angels (1966).

Een jaar lang – totdat hij in elkaar geslagen werd – trok Thompson op met de Hells Angels: ‘Maf menselijk wrakhout op de zwellende branding van de tijd, Giant BoppersWild Ones, motoroutlaws.’ Zoals vaker treedt Thompson op als cartograaf van het verborgen Amerika. Degelijk gedocumenteerd – met talrijke verwijzingen naar politierapporten en krantenartikelen – en al participerend geeft hij een schets van de fascinerende collectieve identiteit van de Angels.

Het zelfbehoud van verliezers
Het eerste gedeelte van het verslag leest moeizaam: Thompson probeert daar een wat al te nauwgezet beeld te geven van hoe de Amerikaanse media in 1965 de Angels ‘ontdekten’ en tot opgeklopt angstbeeld van de burgerij maakten. Na het aanhalen van twintig artikelen van dezelfde strekking begrijpt de lezer dat wel. Maar al snel krijgt het boek vaart, als Thompson met de Angels ‘de weg opgaat’, richting dionysische feesten vol drank, drugs, seks en vechtpartijen: ‘Ze slikken alles wat voorhanden is, en als het resultaat een krijsend delirium is, dan is dat maar zo.’

De beelden die hij schetst zijn afwisselend imponerend en afstotend. De Angels worden gevormd door individuen die de verliezers zijn van de postindustriële tijd: ‘Het zijn stedelijke outlaws met een landelijke ethiek en een nieuwe, geïmproviseerde stijl van zelfbehoud.’ Deze zelfbehoudsvorm is waarschijnlijk nog het best te verwoorden in het door Thompson aangehaalde citaat van ‘Dr.’ Samuel Johnson: ‘Hij die van zichzelf een beest maakt, verliest de pijn van het mens zijn’.

De dreiging voor de burgerij
Als collectief vertonen de Angels alle kenmerken van normale broederschappen. Ze koesteren hun eigen rituelen, hiërarchie en unieke levensoriëntatie, die behalve door het botvieren van instincten gekenmerkt wordt door een totale onverschilligheid tegenover de rest van de wereld. Zittend op hun Harley Davidson en opgenomen binnen het collectief – in 1965 uit maximaal een paar honderd man bestaand – zijn dit geen verliezers. Neem blinde Bob, nooit betrapt op een zinnig woord, maar wanneer hij de highway op knalde, ‘had deze sukkel iets onmiskenbaar gracieus over zich’.

Bovendien boezemen ze de burgerij een gigantische – door de media aangewakkerde – angst in. Wanneer een burger vervolgens oog in oog met een Angel komt te staan, wordt hij door hun aanblik en lichaamsgeur in zijn vooroordelen bevestigd: ‘In den vleze, in den stinkende, getatoeëerde vleze… de Dreiging.’ Tegelijkertijd is Thompsons gedachte aannemelijk dat ook jaloezie deel uitmaakt van de afkeer waarmee de burgers kijken naar de Angels’ totale gebrek aan remmingen.

Gonzo
Thompson is beroemd om zijn ‘Gonzo’-journalistiek, een vermenging van feit en fictie en van het eigenlijke verslag met persoonlijke ervaringen. In het waarheidsgetrouwe Hells Angels zijn enkel de eerste aanzetten van deze pas rond 1970 ten volle ontwikkelde techniek aanwezig. Zo geeft zijn participatie aan de Angelsfeesten Thompson de kans om in zijn bekende schwung (in vertaling behouden gebleven) schitterende beelden te schetsen. Zoals het contrast tussen een Hells Angel en een net uitziend zestienjarig joch dat een avondje mee mocht drinken:

Ze zagen eruit als twee figuren op een onheilspellend schilderij, een tafereel van de dag des oordeels waarop het menselijke dier met zichzelf wordt geconfronteerd… Alsof uit een ei met twee dooiers zowel een kuiken als een monster was gekropen.

Het boek eindigt met de tragiek van de Hells Angels; namelijk dat de beschaving waar ze zo onverschillig tegenover stonden aanstoot nam aan hun expliciete levenswijze. Door zowel media-aandacht, politieoptreden als hun eigen ijdelheid zijn ze uit hun beschermende isolatie getrokken.

Robert D. Kaplan – Moesson. De Indische Oceaan en de toekomstige wereldmachten

Robert D. Kaplan – Moesson. De Indische Oceaan en de toekomstige wereldmachten

Het toverwoord: handel

Oorspronkelijk verschenen 26-02-2011: http://www.8weekly.nl/artikel/9000/robert-d-kaplan-vert-margreet-de-boer-moesson-de-indische-oceaan-en-de-toekomstige-wereldmachten-het-toverwoord-handel.html

Gestaag zal een multipolaire orde de Amerikaanse hegemonie in de wereld vervangen. Robert D. Kaplan, befaamd journalist, voorspelt dat binnen die orde de Indische Oceaan een centrale plek zal innemen. InMoesson geeft hij een caleidoscopisch en op de geschiedenis gebaseerd beeld van de opmars van deze regio.

Aan de wereldkaart ontleende Kaplan zijn inspiratie. Dat lijkt in eerste instantie vreemd, aangezien de vooruitsnellende (communicatie)technologie de rol van geografie verkleint. Maar dat idee vecht Kaplan overtuigend aan: de toekomst van de wereld wordt bepaald door de samenkomsten van etniciteiten, bevolkingsdruk, terrorisme, grondstoffenvoorraden, milieurampen en handelskanalen. En dat alles is in toenemende mate te vinden langs de kusten van de Indische Oceaan, ‘die zich van de hoorn van Afrika, via het Arabisch schiereiland, de Iraanse hoogvlakte en het Indiase subcontinent helemaal tot aan Indonesië uitstrekt’. Daar woont eenderde van de wereldbevolking, bevindt zich zowel enorme economische groeipotentie als de gehele boog van de islam.

Grote gelijkmaker
De beslissende vraag is die naar wat de wereld van de Indische Oceaan zal bepalen: conflict of handel? Wordt het de laatste, dan zal Kaplans toekomstvoorspelling bewaarheid worden. Zoals veel van de in Moessonopgevoerde stemmen aangeven: ‘onze werkelijke geschiedenis staat geschreven in de moessonwind’. De moesson – van het Arabische ‘mausim’: seizoen – met zijn prachtige regelmaat, staat symbool voor de handel en daarmee voor de verdraagzaamheid die etnische verschillen overbrugt: ‘handel is de grote gelijkmaker tussen mensen en volkeren’.

Vroeger zorgden de moessonwinden voor de wind in de zeilen van de razendsnelle Arabische dhows, in de moderne tijd is de Indische Oceaan ‘de internationale verkeersader van de wereld’. De helft van de wereldhandelsvloot vaart bijvoorbeeld door de nauwe Straat van Malakka. De aan de handelsgroei gelieerde opkomst van de middenklassen geeft reden tot optimisme.

Orde
Maar Kaplans relaas richt zich ook op de aan de Indische Oceaan aanwezige culturen, allemaal in ieder geval schatplichtig aan de islam, het hindoeïsme of het boeddhisme. In gebieden waar de handel bloeit is de tolerantie groot en ontstaan er soms prachtige culturele mengvormen, maar op andere plekken dreigen weer nieuwe etnische conflicten. Kaplan presenteert de oorzaak hiervan eenvoudig zoals die is: ‘een al te grote onzekerheid over wat ook, is het begin van fanatisme’.

Een andere les van Kaplan – adviseur van meerdere Amerikaanse presidenten – is dat macht altijd beter is, zowel strategischer als menslievender, dan helemaal geen macht. Op dit gebied ziet hij veel nieuwe uitdagingen, zo kondigt Kaplan de politieke ineenstorting van het Midden-Oosten al aan. Wat betreft de stabiliteit kunnen supermachten Amerika en China, allebei azend op meer invloed in de Indische Oceaan, elkaar vinden. Reden ook waarom hij de Amerikanen aanmaant om meer aan klimaatbestrijding te doen (wat ook hun imago ten goede zal komen).

Kleurrijk
De reisbeschrijvingen borrelen over van kleur, soms waan je je zelfs even in Sindbads wereld. Wat ook helpt is dat Kaplan zijn relaas doorspekt met geschiedenis, interviews en literaire verwijzingen. Hij trekt veel inzichtelijke historische parallellen, en vooral dat maakt zijn boek een mooie en nuttige aanvulling op Mahbubani’s De eeuw van Azië (dat zich puur richt op de toekomstige economische kracht van Azië). Een fascinerend hoofdstuk is bijvoorbeeld gewijd aan de vrij onbekende handelsnatie Oman en diens Sultan Quaboos, een ‘zonderlinge, erudiete man’. Ook over India’s vele gezichten heeft Kaplan krachtige passages opgenomen, zoals de vergelijking tussen Lord Curzon, ‘onderkoning van India’ en literator Rabindranath Tagore, bedoeld om de harde geopolitieke koers die India nu al is ingeslagen, af te zetten tegen zijn bedachtzame schoonheid.

En soms gaan woorden over schoonheid en realpolitik samen op, zoals in Kaplans uitspraak: ‘echte staatslieden denken tragisch om tragedies te voorkomen’. Wat hij in Moesson neerlegt is een rijke toekomstschets, waarbij hij wel steeds voorzichtigheid inbouwt en aangeeft dat het ook anders kan uitpakken. Maar alle maatschappelijke factoren in ogenschouw genomen, is het hoogst waarschijnlijk dat de kaart van de Indische Oceaan bepalend zal zijn voor het aangezicht van de eenentwintigste eeuw.

Meindert Fennema – Geert Wilders. De tovenaarsleerling

Nederlands meest controversiële politicus

Oorspronkelijk verschenen 09-09-2010: http://www.8weekly.nl/artikel/8638/meindert-fennema-geert-wilders-de-tovenaarsleerling-nederlands-meest-controversiele-politicus.html

De politieke carrière van de meest controversiële Nederlandse politicus Geert Wilders is een aaneenschakeling van opvallende manoeuvres en episodes – mede daardoor is zijn PVV zo groot. Hoog tijd dat iemand het verhaal van al die opvallendheden in kaart brengt. Dat heeft Meindert Fennema gedaan; met Geert Wilders. De tovenaarsleerling heeft hij een interessant en buitengewoon prettig leesbaar boek geschreven, dat echter ook dubieuze kanten heeft.

Hoogleraar in de politieke theorie van etnische verhoudingen Meindert Fennema begint met Wilders’ vroege jaren binnen de VVD. Daar begon hij in 1990 als fractiemedewerker. Zijn expertisegebied was de sociale zekerheid, maar hij koesterde speciale belangstelling voor Oost-Europa en het Midden-Oosten. Wilders’ onaflatende werklust en zijn publicaties wekten de aandacht van toenmalig VVD-leider Frits Bolkestein, en dat gaf Wilders’ carrière vaart. Van zijn kant heeft Wilders altijd met weemoed teruggedacht aan de tijd dat de moedige Bolkestein de VVD leidde; binnen de latere centrumkoers kreeg Wilders weinig ruimte voor zijn standpunten. Uiteindelijk gevolg hiervan was zijn breuk met de VVD.

Islamkritiek
Als eenmansfractie verwoordde hij zijn anti-islamstandpunt met toenemende kracht. Vanaf midden 2005 koppelde hij daar, in navolging van Fortuyn, de stelling aan dat ‘de politieke elite’ ervoor zorgt dat de ‘islamisering’ ongestoord de samenleving binnen kan dringen. De bedreigingen stroomden de afgelopen vijf jaar binnen, als gevolg waarvan Wilders’ leven bepaald wordt door de beveiligingsvoorschriften. Het is verbazingwekkend te lezen hoe die beveiliging in eerste instantie was geregeld; Wilders werd aanvankelijk in Kamp-Zeist ondergebracht, in de twee cellen waar eerder de Libische Lockerbie-verdachten hadden gezeten.

Interessante gedeelten in het boek zijn die waarin Fennema uitvoerige aandacht besteedt aan de steeds wisselende politieke vrienden van, en invloeden op Wilders. Natuurlijk komt ook de ieder welbekende electorale opmars van de PVV aan bod, culminerend in de 24 zetels tijdens de Tweede Kamerverkiezingen van juni 2010.

Belevingswereld
Fennema uit zijn bewondering voor zowel het uithoudingsvermogen als de politieke kwaliteiten van Wilders. Sowieso handhaaft hij bijna het gehele boek door een politiek neutrale, naar sympathie neigende toon. Enkel in het hoofdstuk over het lopende proces tegen Wilders spreekt Fennema zich uit: tégen vervolging. De overdreven ondertitel ‘De tovenaarsleerling’ lijkt overigens vooral uit verkoopoverwegingen op de kaft te prijken.

Het grote probleem met dit verder goede boek is dat Fennema Wilders niet heeft gesproken, maar toch schrijft hij – weliswaar zeer aannemelijk – alsof hij weet hoe Wilders politieke beslissingen beredeneerde en zijn politieke leven tot nu toe heeft ervaren. Een voorbeeld: ‘Hij begon ook de spanning te voelen die het proces met zich meebracht.’ In een tv-programma zei Fennema dat hij dergelijke gevoelens had vernomen van anonieme bronnen rond Wilders – maar dan nog komt het uit een nergens vermelde, secundaire bron.

Hetzelfde probleem komt naar voren bij een passage waarin wordt vermeld dat ‘der Blonde Engel’ verschillende affaires heeft gehad (die Fennema heeft opgenomen om te laten zien dat Wilders geen heilige is):

Ook journalisten en zelfs vrouwelijke Kamerleden van andere fracties deden er een moord voor om, al was het maar voor een nacht, de eenzaamheid van de politiek gevangene te verlichten. Zijn gedwongen isolement werkte als een magneet.

Verfrissend
Het hangt af van het ingenomen perspectief hoeveel waarde er moet worden gehecht aan deze kritiekpunten. Fennema heeft niet dé politieke biografie over Wilders willen schrijven, maar ‘slechts’ een beschrijving van diens politieke carrière. En afgezien van het genoemde kritiekpunt is de documentatie in orde, al komt Fennema niet met veel nieuwe feiten (zo is er helaas geen nieuws over de herkomst van de donaties aan de PVV). Desalniettemin is het interessant en verfrissend om alle episodes uit het door hypes vaak onoverzichtelijk gemaakte politieke leven van Wilders achter elkaar te lezen. Het wegpoetsen van de open gaten is een dubieuze beslissing, maar zorgt er tegelijkertijd wel voor dat dit boek zo prettig wegleest. Vooral dat maakt dit boek een aanrader voor iedere politieke junk.

Hans Achterhuis – De utopie van de vrije markt

Hebzucht is goed!

Oorspronkelijk verschenen 19-05-2010: http://www.8weekly.nl/artikel/8417/hans-achterhuis-de-utopie-van-de-vrije-markt-hebzucht-is-goed.html

De Wall Street-bankiers belichamen met hun hebzucht de hoogste deugdzaamheid. Gordon Gekko’s ‘Greed is good’ wordt zowel in Amerika als, in iets mindere mate, Europa helemaal niet ironisch opgevat; velen geloven werkelijk in dit neoliberale adagium. In De utopie van de vrije markt ontleedt utopie-expert Hans Achterhuis op toegankelijke wijze de aard en kwalen van het neoliberalisme.

Ook Achterhuis was deelgenoot van de wijdverbreide blindheid voor de utopische aspecten van het neoliberalisme. Iedereen accepteerde klakkeloos de toverformule van de intrinsiek harmonieuze vrije markt die overal efficiëntie en welvaart zou brengen. De oorzaak hiervan is dat iedere ideologie zichzelf presenteert als een onontkoombare en natuurlijke visie op de werkelijkheid. Bijna iedereen kijkt door een, in dit geval, neoliberale bril naar de werkelijkheid. Bovendien doet iedereen mee aan het neoliberale kapitalisme, waardoor het een objectief, door niemand bedacht proces lijkt te zijn. Zoals de commissie-De Wit stelde: iedereen is medeschuldig aan de huidige kredietcrisis – en daarmee is er geen hoofdschuldige.

De neoliberale Marx
Maar het neoliberalisme heeft wel degelijk een eigen Marx: Ayn Rand. In Europa totaal onbekend, maar niet in Amerika, getuige de verkoopcijfers van haar magnum opus Atlas shrugged (1957, vertaald als Atlas in staking) dat de afgelopen decennia alleen de Bijbel op de Amerikaanse bestsellerlijsten voor zich duldde. Achterhuis wil dat veranderen en wijdt daarom tientallen pagina’s aan de in Atlas shrugged ontvouwde utopie. Binnen Rands ‘Atlantis’ dient iedereen te handelen vanuit het eigen rationele eigenbelang; niets mag de hebzucht naar alsmaar meer in de weg staan. Het is een samenleving waarin behoefte, hulp en gemeenschappelijkheid verboden zijn. Dit neoliberalisme predikt ‘de utopie van de begeerte’. Ziet u deze hemel op aarde al voor u?

Vele Amerikanen, nog altijd, in ieder geval wel. Zij houden van de Atlassen uit de titel. Dat zijn vrije, geniale producenten die uit onvrede over toenemende staatsinterventie de samenleving verlaten, om ‘achter de bergen’ een nieuw Atlantis te ontwikkelen. In de jaren vijftig en zestig had Rand een eigen kring van geloofsgenoten gevormd onder wie zich, zo oordeelde zij, een paar van zulke Übermenschen bevonden. Een van hen was Alan Greenspan, de man die tot 2006 president van de Fed was (de Amerikaanse Federal Reserve Bank). Onder deze overtuigde neoliberaal konden de banken de risico’s nemen die hebben geleid tot de huidige kredietcrisis. Dit geeft een goed beeld van hoe ver de invloed van Rands neoliberalisme strekt.

Solidariteit
De utopie van de vrije markt staat bol van sterke argumentatie, mooie inzichten en koppelingen van beide aan zowel actuele (kranten)publicaties als oude denkers. Na de uiteenzetting van Rands utopie schetst Achterhuis een historisch en filosofisch overzicht van de inrichting van de menselijke economie. Dat levert beslissende, soms halfvergeten argumenten op tegen het neoliberalisme.

Hier is maar ruimte voor één voorbeeld: Émile Durkheims concept van ‘organische solidariteit’. Dit houdt in dat binnen de geïndividualiseerde moderne maatschappij door de arbeidsverdeling wel degelijk een sterke onderlinge verbondenheid bestaat. De intelligente bankier (zoals Rands Atlassen) krijgt alleen de ruimte veel geld te verdienen als anderen binnen de samenleving het vuilnis ophalen of de zorg regelen. Ieder individu is een orgaan binnen het grotere lichaam van de samenleving. Het neoliberalisme geeft hoog op van de vrijheid van het individu, maar vergeet dat die enkel in verbondenheid tot stand kan komen.

Nieuwe balans
Achterhuis’ De utopie van de vrije markt is een slimme, rücksichtslose analyse van de aard en opkomst van het neoliberalisme. Hij neemt de lezer bij de hand en leidt hem heel rustig, zonder morele vooroordelen, langs een wijd scala aan feiten en ideeën. De onvermijdelijke conclusie van dit belangwekkende betoog luidt: het neoliberalisme is onze samenleving vergaand aan het beschadigen. De oplossing? Een nieuwe balans tussen vrije markt, burgermaatschappij en staat.

Philip Zimbardo – Het Lucifer Effect

Het Stanford Prison Experiment nader bekeken

Oorspronkelijk verschenen 18-10-2010: http://www.8weekly.nl/artikel/8709/philip-zimbardo-vert-rein-gerritsen-en-pleun-van-vliet-het-lucifer-effect-het-stanford-prison-experiment-nader-bekeken.html

In 1971 voerde Philip Zimbardo het Stanford Prison Experiment uit. Vrijwel direct verwierf het wereldfaam; iedereen heeft erover gehoord, al is het maar via de (misleidende) film Das Experiment. Maar van de belangrijkste les uit het experiment  hoe krachtig omgevingsinvloeden de mens kunnen beïnvloeden  lijkt de samenleving nog nauwelijks te zijn doordrongen. Daarom schreef Zimbardo Het Lucifer Effect.

De helft van dit lijvige boek bestaat uit een intrigerende, gedetailleerde beschrijving van het Stanford Prison Experiment (SPE). Het oorspronkelijke doel van dit experiment was om meer te weten te komen over de psychologie van gevangenschap. 24 psychologisch normale studenten werden onderverdeeld in gevangenen en bewakers. Bij de onderzoeksopzet werd aan vele psychologische factoren gedacht – strenge regels, een verstoorde tijdsbeleving –, die mee moesten helpen de gevangenen in een zo realistisch mogelijke omgeving te kunnen observeren. De gevolgen zijn waarschijnlijk bekend: bijna alle gevangenen en bewakers ontleenden hun identiteit, en daarmee samenhangend hun gedrag, aan hun rol van gevangene of bewaker. De bewakers begonnen de gevangenen in toenemende mate te vernederen, en de gevangenen schikten zich verbazingwekkend genoeg in een hulpeloze rol.

Abu Ghraib
Ook onderzoeksleider Zimbardo, hoogleraar in de sociale psychologie, kon de door hemzelf tot stand gebrachte gevangenissituatie niet meer zien vanuit een objectief, ethisch verantwoord perspectief. Hij bekeek het SPE enkel vanuit zijn rol van gevangenisopzichter, die hem ingaf de gevangenis te beschermen. Iemand van buitenaf was nodig om Zimbardo en zijn staf tot de realiteit terug te roepen en het experiment af te breken. De fysieke, psychologische en seksuele vernederingen liepen volledig uit de hand.

Decennia later, toen Zimbardo de televisiebeelden van de Irakese gevangenis Abu Ghraib voorbij zag komen, realiseerde hij zich hoezeer de implicaties van het SPE veronachtzaamd werden. Het lukte hem aangesteld te worden als getuige-deskundige in het proces tegen de in Abu Ghraib werkzame sergeant Chip Frederick – en hij begon te schrijven aan wat Het Lucifer Effect zou worden.

Situationele hypothese
De kern van de bevindingen uit het SPE is dat systemische omgevingsinvloeden gewone mensen kunnen verleiden tot het kwaad. Het begint bij het systeem, dat bestaat uit:

 

(…) individuen en instituten wier ideologie, normen, waarden en macht Situaties creëren, en van waaruit wordt voorgeschreven aan welke rol en verwachtingen acceptabel gedrag van Personen binnen dat systeem dient te voldoen.

De Personen worden in hoge mate gestuurd door de verwachtingen van het systeem. Dit kan leiden tot zowel de banaliteit van het kwaad, als tot de banaliteit van het goede. Deze situationele hypothese staat haaks op het wijdverbreide idee dat het menselijk handelen te verklaren valt vanuit zijn eigen unieke neigingen (de dispositionele hypothese).

Weten we dit?
Eigenlijk weten wij dit al. Maar, zo stelt Zimbardo, onze samenleving is er nog steeds niet op ingericht. Neem bijvoorbeeld de rechtsstaat, die veroordeelt individuen en nooit systemen. Natuurlijk zijn ook individuen schuldig aan situaties, maar dan vooral omdat zij zich niet bewust zijn van de kracht van de omgevingsinvloeden. Zimbardo betoogt overtuigend dat door omgevingsinvloeden in Amerikaanse gevangenissen in Irak en Afghanistan, zoals Abu Ghraib, er in minstens 400 gevallen – en hoogstwaarschijnlijk veel meer – is gemarteld, waarbij zeker tientallen doden zijn gevallen.

Zimbardo haalt vele tientallen voorbeelden en onderzoeken aan om de situationele hypothese te ondersteunen. Een stuk minder had ook gekund zonder dat er iets van de strekking verloren was gegaan. Maar Zimbardo lijkt met dit boek er voor eens en voor altijd in te willen rammen dat we ons bewust moeten worden van de omgeving. Hij poogt zijn relaas wat te verluchtigen door literaire verwijzingen of woordgrapjes, maar die komen gezocht of flauw over (‘Sergeant Clay bleek toch niet zo kneedbaar’). Los van zulke ergerlijke schoonheidsfoutjes herbergt Het Lucifer Effect sterke sociaalpsychologische inzichten en vooral een essentiële moraliserende functie; ter bewustwording van de corrumperende effecten van de systemen op de mens.