Recensies en artikelen

Peter Kanne – Gedoogdemocratie. Heeft stemmen eigenlijk wel zin?

Peter Kanne – Gedoogdemocratie. Heeft stemmen eigenlijk wel zin?

Apologie voor de luie burger

Oorspronkelijk verschenen 28-10-2011: http://www.8weekly.nl/artikel/9519/peter-kanne-gedoogdemocratie-heeft-stemmen-eigenlijk-wel-zin-apologie-voor-de-luie-burger.html

In de tendentieuze ondertitel van dit boek is de kernthese samengevat: politici luisteren niet naar burgers, en langzamerhand worden de burgers dit zat. Waarom überhaupt nog stemmen, Den Haag doet immers toch wat het wil.

Met veel cijfers en voorbeelden uit de alledaagse Nederlandse politiek van het afgelopen decennium onderzoekt Peter Kanne het vermeende gat tussen kiezerswil en daadwerkelijke politieke actie. Met dit boek lijkt Kanne, werkzaam bij marktonderzoekbureau TNS NIPO, aan te willen sluiten op de almaar duidelijker wordende politieke onvrede onder de burgers. In simpel taalgebruik schijnt Kanne de gemiddelde Nederlandse burger inzicht te willen bieden in actuele politieke trends.

Kannes procentpunten
Zijn poging is dapper. En voor de Telegraaflezer die op dit boek stuit en door de titel wordt verleid, is ook het resultaat potentieel waardevol. De wisseling in standpunten, de verwaterende ideologieën en de opkomst van de nieuwe sociaal-culturele dimensie komen aan bod om de verslechterende verhouding tussen politieke partij en kiezer te beschrijven.

Maar meer dan beschrijven wordt het niet. Want Kanne werkt vooral met statistiek, en hoewel zijn procentpunten een solide houvast geven, bieden ze nauwelijks verklaring. Nu verwijst Kanne wel af en toe naar recente politicologische literatuur, maar altijd naar de meest uitgekauwde, en hij geeft er nooit een eigen draai aan.

Zorgzaam en veilig

Dit neemt niet weg dat zijn cijfers wel zeggingskracht hebben. Kanne geeft in een kwadrant weer hoe de discrepantie tussen partijen en kiezers er werkelijk uit ziet. In het licht van de vaak gehoorde bewering dat partijen ideologisch nauwelijks van elkaar zijn te onderscheiden, is het opvallend te zien dat veel kiezers zich meer in het midden bevinden dan de partijen van hun voorkeur. De gemiddelde PVDA- en GroenLinks-kiezers zijn minder links en minder progressief dan deze partijen, terwijl kiezers van de meer rechtse en meer conservatieve VVD en CDA zowel linkser als progressiever zijn.

Ook opmerkelijk is dat het gros van de kiezers het beste valt onder te brengen bij het wereldbeeld ‘zorgzame regio’, waarin de regelingen van de verzorgingsstaat centraal staan. Maar de politieke elite doet natuurlijk iets heel anders, die is al decennia lang die regelingen aan het opheffen en aan het inperken (de vraag in hoeverre dit onvermijdelijk is daargelaten). Het wereldbeeld dat dan ook meer aansluit op de voorkeuren van de politieke elite is dat van de meer atomistische, meer mondiaal gerichte prestatiemaatschappij.

Het gaat om de inhoud
Deze discrepanties zijn ook zichtbaar in de sociaal-economische verhouding van de gemiddelde kiezer tot het huidige (gedoog)kabinet. CDA-kiezers zijn veel linkser, en andere kiezers stemden PVV omwille van hun AOW-standpunt – dat breekpunt, weet u nog? Het is een van Kannes vele, maar helaas overbekende voorbeelden van punten waarop de kiezer zich ‘knollen voor citroenen laat verkopen’. Keer op keer benadrukt Kanne dus de veelvuldige fouten van de politieke partijen. Weliswaar stelt hij in een bijzinnetje dat ook de kiezers en de media een rol spelen, maar hij vervolgt direct met de veel hardere stelling dat de partijen de absolute hoofdverantwoordelijken zijn voor de mislukkende vertegenwoordigende democratie.

En dat is al te makkelijk. Jazeker, partijen draaien, liegen en huichelen, en dat is alleszins laakbaar. Maar tegelijkertijd zijn ook de burgers in deze mediademocratie te kortzichtig en te lui om een politicus te ondersteunen die durft te wijzen op de realiteit. Het probleem is toch ook dat de ontevreden, maar zelfgenoegzame burgers niet de tijd en moeite voor de politiek willen opbrengen die nodig is om te kunnen begrijpen wat er inhoudelijk gaande is. Het burgerlijke geklaag heeft daarom vaak iets gratuits.

Duidelijk is dat verandering noodzakelijk is. Kanne stelt terecht dat ons partijenstelsel op de schop moet. Maar naast de aflatende burgers gaat hij ook niet in op de gigantische impact van de veelbepalende media. Het is de wisselwerking binnen deze politieke drie-eenheid die de kaders van het politieke spel bepaalt – en ieder voorstel tot werkelijke verandering dient deze wisselwerking te adresseren.

Mischa van Vlier – Koude grond

Mischa van Vlier – Koude grond

Een ongeloofwaardige toekomst

Oorspronkelijk verschenen 16-09-2011: http://www.8weekly.nl/artikel/9426/mischa-van-vlier-koude-grond-een-ongeloofwaardige-toekomst.html

Een Londens scenario in Rotterdam: knokploegen die het recht in eigen hand nemen, elkaar bekampen en ‘de stad opnieuw in brand zetten’? Dit is de fictieve uitkomst van Mischa van Vliers debuutroman, Koude grond.

De uitgangspositie doet iets interessants vermoeden. De naamloze hoofdpersoon is een hoogopgeleide man met een kosmopolitische blik, die plotseling, door een gelijktijdig optreden van gebeurtenissen, een GroenLinks/D66-achtig standpunt verruilt voor het besef dat het helemaal misgaat. Hij kan de misdaad, de wederzijdse haat en verloedering van Rotterdam, zowel door toedoen van autochtonen als allochtonen, niet meer aanzien. Het aan Taxi Driver ontleende motto is meer dan van toepassing: ‘Here is a man who would not take it anymore.’ Hij verwoordt wat Wilders altijd politiek links verwijt: ‘Ziende blind, dat was ik geweest.’

De Eigen Rechter
Als de Rotterdammer die hij is, voegt hij het woord bij de simpele daad: hij gaat de straat op en wordt de ‘Eigen Rechter’. Met fysiek geweld – eerst slaand, later schietend – intervenieert, voorkomt en wreekt hij misdaden. Hij schopt straatovervallers weg, veegt trams schoon en vermoordt zelfs een man die vijftien jaar eerder een meisje misbruikte. De mediahype volgt snel, en de Eigen Rechter begint vele burgers te inspireren. Met als uiteindelijk gevolg dat er, veelal langs etnische lijnen, knokploegen ontstaan. Het resultaat: een brandend Rotterdam.

Helaas wordt het nooit interessant, ten eerste omdat er een grote constructiefout in de verhaalontwikkeling zit. Want de Eigen Rechter en zijn navolgers treden op omdat anderen – de overheid, de elite – dat niet doen. Het probleem is dat Van Vlier het scenario volledig gefundeerd heeft op het doortrekken van nu waarneembare trends, en dan met name die van een toenemende onzekerheid en sociale onvrede. Maar tegelijkertijd valt niet te ontkennen dat er nu ook een politieke ontwikkeling – herkenbaar in het kabinetsbeleid – richting meer ‘law and order’ zichtbaar is.

Tryst

Een toekomstscenario kan niet zonder goede redenen de ene ontwikkeling wel doortrekken, en de andere negeren. In het plot van Koude Grond gebeurt dit wel, en dat maakt deze roman volstrekt ongeloofwaardig. En aangezien dit verhaal het volledig van het maatschappelijk engagement moet hebben, is dit boek ook direct overbodig. Ook de titelverklaring bevreemdt: de Eigen Rechter zou Nederland politiek wakker willen schudden (alsof dat überhaupt nodig is), maar terwijl heel het land in brand staat komt de psychologisch doorgeslagen hoofdpersoon tot de conclusie dat ‘op koude grond niets wil groeien’.
Het boek verdient zelfs niet beter dan volledig de grond te worden ingeschreven. Want ook het taalgebruik is op het belachelijke af. Het is niet alleen slecht en clichématig, maar ook nog eens pretentieus: in al die grauwe voorspelbaarheid duikt dan opeens het woord ‘tryst’ op. En verder: af en toe klopt de opbouw niet; de meeste personages blijven niets meer dan karikaturen; en er staan verschillende non sequiturs in. Een typisch voorbeeld – een uit duizenden – van zijn stijl:

Foto’s van mijn zusje waren er natuurlijk niet. Zij zou Arabella hebben geheten, dat was het enige wat ik van haar wist. Misschien woonde ze in de hemel.

Onvermogen
Het is toch niet te geloven dat iemand dat op durft te schrijven in een boek dat meer dan een bouquetroman wil zijn? Ook vermeldt de hoofdpersoon, zonder enige relevantie, terloops wel tachtig culturele werken: hij las Couperus en weet dat het origineel van Gangsta’s paradise Stevie Wonders Pastime paradise was. Als Van Vlier nou een mooie Couperus-zin had geciteerd…

Het is alsof Van Vlier zijn boek hiermee meer ‘verantwoord’ heeft willen maken. Mocht dat zo zijn, dan is dat meer dan mislukt. Sterker nog: de combinatie van deze pretenties te midden van zo veel overduidelijk onvermogen heeft juist de potentie de lezer af te stoten.

Alex Butterworth – De wereld die er nooit kwam. Een geschiedenis van het anarchisme

Alex Butterworth (vert. Ineke Mertens) – De wereld die er nooit kwam. Een geschiedenis van het anarchisme

Macht(e)loosheid

Oorspronkelijk verschenen 08-09-2011: http://www.8weekly.nl/artikel/9407/alex-butterworth-vert-ineke-mertens-de-wereld-die-er-nooit-kwam-een-geschiedenis-van-het-anarchisme-macht-e-loosheid.html

De meest aantrekkelijke utopie moet de anarchistische zijn. Maar haar prachtige droom om de bron van zoveel kwaad, de centrale macht, af te schaffen is nooit binnen bereik gekomen. Alex Butterworth beschrijft het verloop van vijf decennia – 1870-1917 – ongelijke strijd.

De basis van het anarchisme is door Kropotkin – Oscar Wilde beschreef hem als ‘een prachtige witte Christus’ – geformuleerd als de theorie van wederzijdse hulp. Voortbouwend op evolutionaire en sociologische bevindingen, formuleert deze theorie de these dat menselijke relaties meer op samenwerking dan op competitie zijn gebaseerd. Deze natuurlijke neiging wordt enkel door de bestaande machtsinstellingen onderdrukt. Het doel is dus simpel: vernietig de bestaande instituties, waarna natuurlijkerwijs een ‘coöperatief paradijs’ zal ontstaan.

Kat-en-muisspel
Het anarchisme, deze ‘historische cul-de-sac’, wordt meestal om zijn al te utopisch klinkende theorie als naïef terzijde geschoven. Butterworth noemt dat oneerlijk aangezien haar theoretische grondleggers, Bakoenin en Kropotkin, oprecht poogden om ware democratie en collectieve verantwoordelijkheid te verenigen. Wat betreft de theorie houdt Butterworth het hierbij; hij kiest ervoor zijn focus te leggen op de ontwikkelingen rond de anarchistische groepen.

Butterworth beschrijft een kat-en-muisspel, waarbij de muis niet beseft dat hij zich als zodanig dient te gedragen. Dit grote deficit van het anarchisme kwam, niet echt verbazingwekkend, voort uit haar grootste deugd: de afkeer van centrale controle en formeel leiderschap, en de nadruk op ieders individuele geweten. Niet alleen werd consensus hierdoor bijna onmogelijk, maar ook stonden de anarchisten vaak vrijwel weerloos tegenover infiltranten vanuit de nationale veiligheidsdiensten.

Propaganda van de daad
De anarchisten waren misschien naïef, maar allerminst heilig. Vaak kiezen ze, na weer een periode van wrede staatsvervolging zoals de op de Parijse Commune volgende Semaine Sanglante, voor de ‘propaganda van de daad’. Vele aanslagen mislukken, maar sommige slagen. De beroemdste voorbeelden in amper twee decennia: tsaar Alexander II, koningin Sissi en de presidenten Carnot en McKinley. Soms was dit ook het werk van eenlingen, of van mensen die streden om de verkeerde redenen. In de scherpe woorden van de anarchistische voorman Malatesta:

Zij laten zich allang niet meer door liefde voor de mensheid leiden, maar door een gevoel van vendetta gecombineerd met de cultus van een abstract idee, van een theoretische hersenschim.

De meest effectieve counterstrategie van de veiligheidsdiensten was de propaganda, opgebouwd rond de voor de hand liggende omdraaiing van de betekenis van anarchie. Voor de anarchisten een regeringsvorm van gespreide macht, maar voor het grote publiek ging het, gestut door bommen, chaos en wanorde betekenen. De anarchisten verloren de strijd om hun eigen naam, en daardoor de strijd om het volk.

De toneelschrijver

Het onderzoek moet een indrukwekkende klus zijn geweest. Om uit de brij van soms pas recent toegankelijke documenten – te rangschikken over een breed spectrum van betrouwbaarheid – dit beeld te scheppen van een halve eeuw anarchistische strijd en intrige is prijzenswaardig. Helaas verwordt het soms tot een losse aaneenschakeling van verhalen, leidend tot wéér een verraad of mislukte bomaanslag.

Deze rommeligheid wordt op momenten ook versterkt doordat Butterworth, naast historicus ook toneelschrijver, iets te veel met een ingenieuze verhaalcompositie bezig is, en iets te weinig met een overzichtelijke opbouw. Soms begint er een alinea, en is er ‘opeens’ iemand dood, waarbij pas na een halve pagina doorlezen begrijpelijk wordt wie de overledene is en wat deze überhaupt in het verhaal doet.

En toch heeft Butterworth een belangwekkende taak tot een redelijk geslaagd einde gebracht. Naast historisch zeer interessant, is zijn boek ook actueel: Butterworth impliceert terecht dat de geschiedenis wel eens op een vergelijkbaar punt als 100-140 jaar geleden kan zijn aanbeland: een groeiend crisisgevoel, een toenemende intolerantie, een afgestompte, zelfgenoegzame burgerij, en – op de achtergrond – vage stemmen roepend om een betere wereld. Het is aan die laatsten om te leren van de fouten van de anarchisten.

Zygmunt Bauman – Vloeibare tijden. Leven in een eeuw van onzekerheid.

Zygmunt Bauman (vert. J.M.M. de Valk) – Vloeibare tijden. Leven in een eeuw van onzekerheid.

Vloeibare Tijden

Oorspronkelijk verschenen 29-08-2011: http://www.8weekly.nl/artikel/9387/zygmunt-bauman-vert-j-m-m-de-valk-vloeibare-tijden-leven-in-een-eeuw-van-onzekerheid-vloeibare-tijden.html

Onzekerheid heerst. Zowel collectief als individueel zijn wij, ‘de meest vertroetelde en verwende mensen van allen’, angstig en bezorgd over onze veiligheid. Eminent socioloog Zygmunt Bauman (1925) duidt deze vreemde, maar voor iedereen herkenbare onzekerheid.

Er is geen boek over de tijdsgeest van de afgelopen decennia waarin Bauman niet meerdere keren wordt aangehaald, vaak in de vorm van een klinkende, en zelfs elegant geformuleerde stelling. Een nadere kennismaking met zijn werk is dan ook aanbevelenswaardig. En het recent vertaalde Vloeibare tijden vormt daarop een goede, toegankelijke inleiding. De titel verwijst naar de ‘vloeibare moderniteit’ – bij Bauman volgend op de moderniteit -, die wordt gekenmerkt door de veranderlijkheid van zowel instituties als individuen, de desintegratie van verzorgingsstaat en samenleving, de scheiding van (mondiale) macht en (lokale) politiek, het onvermogen tot langetermijnplanning en de oproep tot flexibiliteit.

Het zelfversterkende effect van angst

Al deze kenmerken werken onduidelijkheid in de hand. Tegelijkertijd groeit de angst voor het noodlot. Vol ontzetting beziet de burger hoe de samenleving schijnbaar onverdedigbaar staat tegenover terrorisme, milieu- of economische crises. Dit leidt ertoe dat voor zowel samenleving als individu veiligheid het grote thema wordt. Het is de staat die deze moet verzorgen; haar legitimiteit is al decennia aan het verschuiven van een beschermer tegen sociale achteruitgang, richting een beschermer van de persoonlijke veiligheid.

Natuurlijk blijft het noodlot onweerstaanbaar. Dus wat doen wij, broze mensen? We zoeken plaatsvervangende doelstellingen om het teveel aan existentiële angst op af te reageren. We verdiepen ons bijvoorbeeld in de vijf tekenen van depressie of te hoge bloeddruk en scheppen zo de illusie het bestaan tenminste deels te controleren. Maar zowel collectief als individueel geldt: des te meer we bezig zijn de angstaanjagende wanorde te bestrijden, des te meer we haar vergroten. Bauman hamert erop: angst bezit een zelfversterkend effect. De tegenwoordig veelgeziene uitvlucht is ook al niet hoopgevend:

De droom om de onzekerheid minder afschrikwekkend en het geluk blijvender te maken door zijn ego te veranderen, en zijn ego te veranderen door zijn uiterlijk te veranderen, is de ‘utopie’ van de jagers – een ‘gedereguleerde’, ‘geprivatiseerde’ en ‘geïndividualiseerde’ versie van de vroegere droombeelden van de goede samenleving.

De tijd staat niet stil!
De ‘jagers’ zijn de individuen en kapitalistische bedrijven op zoek naar respectievelijk opwinding en winst. Zij creëren niets blijvends. Tegelijkertijd moeten zij (wij) altijd door: de economie moet groeien om gezond te blijven, en ook het individu mag ‘niet achterblijven’, de tijd staat immers niet stil! Deze vaak alleen kwantitatieve voortgang is een soort eindeloze stoelendans. Tevens verdwijnt uit de gedereguleerde samenlevingen langzaam alle solidariteit, haar credo wordt: ‘Ieder voor zich en God voor ons allen en naar de duivel met de achterblijvers.’

En die achterblijvers? Die vormen een permanent overtollige klasse. En ze gaan rellen in Londen. Of op een andere schaal: zie de vluchtelingenkampen in de Hoorn van Afrika, die nu de laatste Somalische vluchtelingen, maar al decennialang permanent honderdduizenden van deze overtolligen (Bauman: ‘menselijke afvalproducten’) herbergen.

Niet toegeven
Sommige vluchtelingen schoppen het tot asielzoeker in de westerse landen. Maar net als de mondiale elite, zo stelt Bauman, verpersoonlijkt de asielzoeker de ‘vloeibare ruimte’, waaruit de huidige onzekerheid voortkomt. Natuurlijk is de mondiale elite onaantastbaar, en dus ‘richten angst en vrees zich op dichterbij gelegen doelen en vertonen zich als populistische angst voor en wrok tegen de “naastbijzijnde vreemden”.’

Het betoog van Bauman is kort, maar elke pagina telt. Bovendien luidt hij terecht de alarmbellen. Bauman waarschuwt waartoe angst – ‘de meest sinistere van de demonen’ – kan uitgroeien. Wanneer we er aan toe geven – en dat mogen we dus niet doen! – versterkt het zichzelf. Dan wordt het toekomstbeeld van een samenleving waarin de welvarenden zich teruggetrokken in gefortificeerde omgevingen puur escapistisch gedragen, terwijl de economisch nuttelozen verpieteren in getto’s, welhaast onvermijdelijk.

Klassieker: Alexis de Tocqueville – Over de democratie in Amerika

Klassieker: Alexis de Tocqueville – Over de democratie in Amerika

De grootsheid van een democratisch aristocraat

Oorspronkelijk verschenen 19-07-2011: http://www.8weekly.nl/artikel/9324/de-grootsheid-van-een-democratisch-aristocraat-klassieker-alexis-de-tocqueville-over-de-democratie-in-amerika.html

Wij zijn allen democraten. We beschouwen de democratie als een a priori gegeven, zelfs zozeer dat ook de ontevredenen haar niet ter discussie zullen stellen. Maar het is niet allemaal hosanna. De fundamentele oorzaken daarvan worden uitgelegd door een van de allergrootste politieke filosofen ooit, Alexis de Tocqueville.

Tocqueville, de ‘aristocraat in het hart en democraat in het verstand’, licht vanuit een neutraal perspectief de eerste democratische samenleving van de moderne tijd, de Amerikaanse, volledig door. Daarmee legt hij tegelijk de grootste fouten en weldaden van de democratie bloot. Om misverstanden voor te zijn: Tocqueville bedoelt met een democratische samenleving niet alleen dat het politieke bestel democratisch is ingericht, maar vooral een maatschappelijke toestand van gelijkheid. ZijnOver de democratie in Amerika (in twee delen uitgebracht, in 1835 en 1840) is onder andere hierdoor allesbehalve een taai vertoog over het staatsbestel. Integendeel: het zindert van verrassende of verontrustende politieke, sociologische en psychologische inzichten alsook – en hier spreekt puur mijn persoonlijke voorkeur – van Tocquevilles prachtig geuite wanhoop over de onvermijdelijke teloorgang van de aristocratische waarden.

Op hol geslagen massa’s
Het is zeker niet vanzelfsprekend dat uitgerekend Alexis de Tocqueville (1805-1859) het eerste canonieke werk over de democratie heeft geschreven. Tocqueville kwam namelijk uit een aristocratische familie, die al eeuwenlang behoorde tot de zeer zelfbewuste noblesse d’épée, de zwaardadel. Tijdens de Jacobijnse Terreur, die volgde op de Franse Revolutie, zaten zijn ouders tien maanden lang in de gevangenis in afwachting van de guillotine – gelukkig viel Robespierres hoofd eerder.

Dergelijke anekdoten moeten verteld worden om te begrijpen welke proporties het imaginaire standbeeld van de intellectuele held Tocqueville dient aan te nemen. Sinds de Franse Revolutie werd democratie door velen, en zeker door de aristocratische klasse, gelijkgesteld aan anarchie. Maar niet door Tocqueville, die aantoonde dat het angstbeeld van de democratie als een op hol geslagen massa enkel een hersenschim is.

Nieuwe politieke wetenschap
Wel dienen er bij de instelling van een democratie bepaalde richtlijnen in acht te worden genomen. De noodzaak van deze richtlijnen vormt Tocquevilles beginpunt. Hij ziet in de eeuwen voor hem een alomtegenwoordige, gestage trend richting gelijkheid. Om deze reden acht hij, ondanks de Franse en Europese Restauratie – in Tocquevilles Frankrijk hadden amper 5 op de 1000 inwoners stemrecht – de opkomst van de democratische toestand onstuitbaar. Omdat de Europeanen alleen bezig waren op krampachtige wijze de democratie de weg te versperren, hadden zij geen oog voor zowel haar deugden als kwalen. Daarom propageert Tocqueville ‘een nieuwe politieke wetenschap voor een geheel nieuwe wereld’. Deze had als doel:

De democratie onderrichten, waar mogelijk haar overtuigingen nieuw leven inblazen, haar zeden zuiveren, haar bewegingen regelen (…) haar staatsbestel aanpassen aan tijd en plaats, het wijzigen naargelang de omstandigheden en de mensen: dat is vandaag de eerste plicht die is opgelegd aan hen die de samenleving leiden.

En op welke wijze kon men beter leren hoe dit moest dan door de volwassen Amerikaanse democratie te bestuderen? Tocquevilles Over de democratie in Amerika gaat dus eigenlijk nauwelijks over Amerika, maar veel meer over de daar zichtbare algemene democratische tendensen, waaruit de Europeanen lering moesten trekken.

Individualisme
Veelvuldig maakt Tocqueville gebruik van de tegenstelling democratie versus aristocratie. Het eerste en bepalende verschil daartussen komt naar voren in de volgende beroemde vergelijking: ‘De aristocratie had van alle burgers een lange ketting gemaakt die van paysan tot koning liep; de democratie breekt de ketting en legt elke schakel apart.’ In de democratie is iedere burger gelijk en vrij, maar als mogelijk schadelijk neveneffect van deze positieve conditie kan een atomistische samenleving ontstaan.

Belangrijkste boosdoener is het individualisme, dat binnen de democratie is ontstaan: een rustig en weloverwogen gevoel dat de burger ertoe aanzet zich terug te trekken in de eigen kleine privékring. Dat leidt ertoe dat iedere burger ‘onafhankelijk maar zwak’ is, en dat hij niet-persoonlijke zaken het liefst aan de staat overlaat.

Zie hier de reden waarom liberalen, waaronder onze jeune premier Mark Rutte – wiens goedkeuring zelfs de omslag van de nieuwe Nederlandstalige, schitterend verzorgde uitgave ‘siert’ – Tocqueville zo gretig omarmen. Want Tocqueville waarschuwt voor het gevaar dat door de individualistische houding van de burger een monsterlijke overheid ontstaat, wier tentakels zich langzaam maar zeker uitstrekken over alle gebieden van de samenleving. Op deze wijze dreigt de democratie te evolueren richting een ‘mild despotisme’:

Een immense en beschermende macht (…) die zich als enige belast met de zorg voor hun genietingen en het toezicht op hun lot. Zij is absoluut, nauwkeurig, regelmatig, vooruitziend en zachtmoedig. Zij zou op het vaderlijk gezag lijken als zij, evenals dat gezag, tot taak zou hebben de mensen voor te breiden op de volwassenheid, maar zij probeert juist niets anders te doen dan hen onherroepelijk in hun kindertijd vast te houden.

Associaties
De Amerikanen hebben hierop een tegenwicht gevonden, namelijk de associatievorming. Binnen de associatie leren de burgers hoe hun eigenbelang aansluit op het algemeen belang, leren zij de ‘kunst van de vrijheid’ en het belang van samenwerking. Nog altijd zien ‘Neo-Tocquevillianen’ associatievorming en lokale democratische participatie als essentiële maatschappelijke buffers tegen een te machtige centrale staat en tegen een mogelijke tirannie van de meerderheid (een begrip dat door Tocqueville is gemunt). Rutte en consorten zullen dit volmondig en met de hen zo eigen glimlach beamen: de burger die eindelijk eens de verantwoordelijkheid neemt, en niet enkel vragend naar vadertje staat kijkt.

Maar de observator Tocqueville destilleerde nog meer mooie inzichten uit de Amerikaanse democratische processen. Bijvoorbeeld de nieuwe vorm van stabiliteit: het gros van de burgers is continu met de eigen materialistische belangen bezig, waardoor hun overtuigingen onveranderlijk zijn en ze niets liever willen dan publieke rust. Tocqueville noemt dit zelfs de enige overgebleven ‘politieke hartstocht’: immers, niets is zo slecht voor de handel als een revolutie.

Ruttes ideaal?
Maar lezend over dit ongebreidelde materialisme, blijkt er toch meer aan de hand te zijn dan de simplificerende ‘recht-op-en-neer-filosofie’ van Rutte en het rechts-populisme doet vermoeden. Tocqueville als politiek psycholoog hamert namelijk continu op de geestelijke nivellering binnen de democratische samenleving:

Ik zie een ontelbare massa eendere en gelijke mensen die voortdurend met zichzelf bezig zijn om zich kleine en platvloerse genoegens te verschaffen waarmee zij hun ziel vullen.

De associatievorming mag dan een antidotum tegen het despotisme vormen, tegen de teloorgang van de werken van de geest, het artistieke, het spirituele – of hoe je het ook noemen wilt – is binnen de democratische toestand veel moeilijker een tegenwicht te vinden:

Wat ik de gelijkheid verwijt, is niet dat zij de mensen aanzet tot het najagen van verboden genoegens, maar dat zij hen volledig doet opgaan in de zoektocht naar toegestane genoegens.

In de gelijkheidstoestand lijkt vaak enkel het economisch nut waarde te worden toegekend; de waarden van de geest zijn onbekend. De massa streeft onbekommerd af naar een toestand van dierlijke eenvormigheid. Dit wordt mede veroorzaakt doordat in de democratische situatie mensen minder snel iets van de ander willen aannemen of leren. Zij kunnen de ander niet zien als superieur, maar altijd enkel als gelijke, waardoor zij ‘voortdurend worden teruggeworpen op hun eigen rede als de meest zichtbare en de meest nabije bron van de waarheid’.

Streven naar grootsheid
Daarentegen hebben burgers alle vertrouwen in de opinie van de meerderheid, allemaal zijn ze immers gelijken, dus dan moet de waarheid toch bij het grootste aantal te vinden zijn? Tocqueville voorspelt het geloof in de publieke opinie: ‘De meerderheid leeft dus in een permanente staat van zelfaanbidding; alleen dankzij vreemdelingen of hun eigen ervaring krijgen de Amerikanen oog voor bepaalde waarheden.’

De democratie acht Tocqueville onvermijdelijk, maar hij betreurt de verloren ‘grandeur’ van de aristocratie, die er juist toe aanzet de geest ‘op te laten stijgen naar de hogere regionen van het denken’ en die haar ‘op natuurlijke wijze rijp [maakt] voor de sublieme en bijna goddelijke liefde voor de waarheid.’ Wat kan er gedaan worden om toch nog iets van deze grootsheid te behouden? Tocqueville komt hier helaas niet verder dan een pleidooi, dat de Nederlandse politici nooit zullen durven navolgen:

De wetgevers van democratieën en alle eerbare en verlichte mensen die er leven, moeten dus onophoudelijk alles in het werk stellen om de zielen te verheffen en die op de hemel gericht te houden.

De liberale traditie
Het is in deze kritische liberale traditie, waarin de democratie zowel wordt omarmd als op haar fouten gewezen, waarin een waakzaam en integer burger dient te staan. Van de grote gevaren waarop Tocqueville wijst, die van de zwakke eenling tegenover een almachtige staat of de tirannieke meerderheid, en die van een alles doordringende en omlaaghalende geestesnivellering, behoren burgers zich ten volste bewust zijn.

Het is onvermijdelijk dat dit essay te weinig recht doet aan de 800 pagina’s van Tocquevilles Over de democratie in Amerika. Vooral het tweede boek loopt over van inzichten die na 170 jaar nog altijd geldig zijn en weten te verrassen. Tussendoor voorspelt Tocqueville en passant de Koude Oorlog, om zo maar wat te noemen. Enkel een voorbeeld om duidelijk te maken dat er over deze grootse politieke filosoof, Machiavelli gelijk, nog zoveel meer te zeggen – en te lezen – valt.

Hunter S. Thompson – Hells Angels

Hunter S. Thompson (vert. Ton Heuvelmans) – Hells Angels

In den stinkende, getatoeëerde vleze

Oospronkelijk verschenen 26-06-2011: http://www.8weekly.nl/artikel/9276/hunter-s-thompson-vert-ton-heuvelmans-hells-angels-in-den-stinkende-getatoeeerde-vleze.html

Een hele generatie moet inmiddels groot zijn geworden met het meerdere malen bekijken van de verfilming van Hunter S. ThompsonsFear and Loathing in Las Vegas. In tekst is Thompsons werk ook mooi: zie het nu vertaalde verslag over de Hells Angels (1966).

Een jaar lang – totdat hij in elkaar geslagen werd – trok Thompson op met de Hells Angels: ‘Maf menselijk wrakhout op de zwellende branding van de tijd, Giant BoppersWild Ones, motoroutlaws.’ Zoals vaker treedt Thompson op als cartograaf van het verborgen Amerika. Degelijk gedocumenteerd – met talrijke verwijzingen naar politierapporten en krantenartikelen – en al participerend geeft hij een schets van de fascinerende collectieve identiteit van de Angels.

Het zelfbehoud van verliezers
Het eerste gedeelte van het verslag leest moeizaam: Thompson probeert daar een wat al te nauwgezet beeld te geven van hoe de Amerikaanse media in 1965 de Angels ‘ontdekten’ en tot opgeklopt angstbeeld van de burgerij maakten. Na het aanhalen van twintig artikelen van dezelfde strekking begrijpt de lezer dat wel. Maar al snel krijgt het boek vaart, als Thompson met de Angels ‘de weg opgaat’, richting dionysische feesten vol drank, drugs, seks en vechtpartijen: ‘Ze slikken alles wat voorhanden is, en als het resultaat een krijsend delirium is, dan is dat maar zo.’

De beelden die hij schetst zijn afwisselend imponerend en afstotend. De Angels worden gevormd door individuen die de verliezers zijn van de postindustriële tijd: ‘Het zijn stedelijke outlaws met een landelijke ethiek en een nieuwe, geïmproviseerde stijl van zelfbehoud.’ Deze zelfbehoudsvorm is waarschijnlijk nog het best te verwoorden in het door Thompson aangehaalde citaat van ‘Dr.’ Samuel Johnson: ‘Hij die van zichzelf een beest maakt, verliest de pijn van het mens zijn’.

De dreiging voor de burgerij
Als collectief vertonen de Angels alle kenmerken van normale broederschappen. Ze koesteren hun eigen rituelen, hiërarchie en unieke levensoriëntatie, die behalve door het botvieren van instincten gekenmerkt wordt door een totale onverschilligheid tegenover de rest van de wereld. Zittend op hun Harley Davidson en opgenomen binnen het collectief – in 1965 uit maximaal een paar honderd man bestaand – zijn dit geen verliezers. Neem blinde Bob, nooit betrapt op een zinnig woord, maar wanneer hij de highway op knalde, ‘had deze sukkel iets onmiskenbaar gracieus over zich’.

Bovendien boezemen ze de burgerij een gigantische – door de media aangewakkerde – angst in. Wanneer een burger vervolgens oog in oog met een Angel komt te staan, wordt hij door hun aanblik en lichaamsgeur in zijn vooroordelen bevestigd: ‘In den vleze, in den stinkende, getatoeëerde vleze… de Dreiging.’ Tegelijkertijd is Thompsons gedachte aannemelijk dat ook jaloezie deel uitmaakt van de afkeer waarmee de burgers kijken naar de Angels’ totale gebrek aan remmingen.

Gonzo
Thompson is beroemd om zijn ‘Gonzo’-journalistiek, een vermenging van feit en fictie en van het eigenlijke verslag met persoonlijke ervaringen. In het waarheidsgetrouwe Hells Angels zijn enkel de eerste aanzetten van deze pas rond 1970 ten volle ontwikkelde techniek aanwezig. Zo geeft zijn participatie aan de Angelsfeesten Thompson de kans om in zijn bekende schwung (in vertaling behouden gebleven) schitterende beelden te schetsen. Zoals het contrast tussen een Hells Angel en een net uitziend zestienjarig joch dat een avondje mee mocht drinken:

Ze zagen eruit als twee figuren op een onheilspellend schilderij, een tafereel van de dag des oordeels waarop het menselijke dier met zichzelf wordt geconfronteerd… Alsof uit een ei met twee dooiers zowel een kuiken als een monster was gekropen.

Het boek eindigt met de tragiek van de Hells Angels; namelijk dat de beschaving waar ze zo onverschillig tegenover stonden aanstoot nam aan hun expliciete levenswijze. Door zowel media-aandacht, politieoptreden als hun eigen ijdelheid zijn ze uit hun beschermende isolatie getrokken.

Tom van der Meer (red.) – Wat als… Pim Fortuyn niet was vermoord

Tom van der Meer (red.) – Wat als… Pim Fortuyn niet was vermoord

Kogel raak: ja/nee

Oorspronkelijk verschenen 24-06-2011: http://www.8weekly.nl/artikel/9271/tom-van-der-meer-red-wat-als-pim-fortuyn-niet-was-vermoord-kogel-raak-ja-nee.html

‘Wat als’-geschiedenis: een onorthodoxe maar inzichtelijke historische methode, of toch zwakzinnige sciencefiction? Tom van der Meer verdedigt de eerste stelling, en bundelde dertien ‘wat als’-verhalen over de Nederlandse geschiedenis.

Stel nu dat, heel actueel, Nederland niet had meegedaan aan de euro. Welke gevolgen zou dat dan hebben gehad? Dergelijke counterfactuals zijn de startpunten van de alternatieve geschiedenis, een in Amerika en Engeland vrij populaire, maar onder Nederlandse historici toch doorgaans verguisde werkwijze. Want te speculatief, te fantastisch.

Iffie-geschiedenis
Van der Meer is zich terdege bewust van deze controversiële reputatie, en wapent zich hiertegen in zowel een inleiding als een nabeschouwing. Ter verheldering stelt hij: geschiedenis bestaat uit keerpunten, momenten waarop een kogel doel treft of mist, met als mogelijk resultaat dat een historische zwenk wel of niet wordt ingezet. In de ‘wat als’-geschiedenis – ‘iffie-geschiedenis’ – wordt dus de grote impact van toeval in de keerpunten benadrukt.

De kogelmetafoor verraadt dat vooral militaire geschiedenis zich hier goed toe leent. Neem de Slag om Arnhem, in de bundel opgetekend door Kees M. Paling. Wanneer er bijvoorbeeld geen rustende Duitse pantserdivisies in Arnhem waren gelegerd, dan hadden de Geallieerden deze kunnen winnen. Met als gevolg dat de geallieerden ‘voor Kerstmis 1945’ – en vooral voordat de Russen er waren – in Berlijn hadden kunnen zijn, met weer als gevolg dat het IJzeren Gordijn waarschijnlijk heel anders had gelegen.

Fortuyn premier?
Van der Meer wijst erop dat historici altijd met oorzakelijkheid bezig zijn: x leidde tot y. Maar dat betekent ook dat y anders was, of er helemaal niet was geweest, zonder x – en dan? Inderdaad: wat, als?

Van der Meer wil in deze bundel twee voorwaarden nageleefd zien. Ten eerste een helder en geloofwaardig als-moment – dus niet: wat als Napoleon over kruisraketten had beschikt tijdens de Slag bij Waterloo. De tweede voorwaarde is dat na het veranderde keerpunt het gestarte alternatieve pad zo logisch mogelijk is ingebed in de bekende, feitelijke loop van de geschiedenis. Maar hoe verder in de tijd dat pad wordt geschetst, hoe risicovoller het is. Want hoe houd je al die andere, mogelijk beïnvloede gebeurtenissen in de hand?

Neem het verhaal over de verijdelde aanslag op Fortuyn. Natuurlijk een zeer interessant startpunt voor een alternatief pad. Maar dan? Auteur Jean Tillie laat Fortuyn tactisch opereren, en pas na Balkenende-II premier worden. Ook legt hij Fortuyn een paar van Wilders’ woorden (‘knettergek’) in de mond. Net als in het relaas over Bolkesteins blokkade van de euro, lijken enkel de rechtse poppetjes te zijn ingewisseld. Het maakt duidelijk dat ‘wat als’-geschiedenis een subtiele balans moet vinden tussen al te veel en te weinig verbeeldingskracht.

Niet te kniezerig
Er zit een prettige afwisseling in de dertien geschiedenissen, zowel qua vorm als inhoud. Sommige zijn slechts twee pagina’s lang, beschrijven enkel het als-moment en laten het ‘wat dan’ aan de lezer over. Daarentegen schrijft Rolf Falter honderd jaar door in zijn relaas over de vraag: wat als prins Frederik in 1830 had geluisterd naar Constant-Rebecque en met een laatste poging de Belgische opstand had neergeslagen?

Vliegt hij uit de bocht als hij beschrijft hoe de Nederlandse politieke ontwikkeling binnen een Verenigd Koninkrijk – denk aan de verhouding katholieken-protestanten – een volstrekt andere vorm had gekregen? Dat doet hij niet, want hij maakt aannemelijk dat de Nederlandse geschiedenis een beslissende wending had gekregen. Zonder harde wetenschappelijke pretentie, kan ‘wat als’-geschiedenis op deze manier wel waarde hebben.

En de minder kniezerige vraag: is het een leuk boek? Wel zolang het vooral gaat over de invloed van het keerpunt en niet te veel over het alternatieve pad, dat al snel verwordt tot ongeloofwaardige sciencefiction. En daar zijn Van der Meer cum suis grotendeels in geslaagd.

Erik Menkveld – Het grote zwijgen

Erik Menkveld – Het grote zwijgen

Een bekende ode

Oorspronkelijk verschenen 11-06-2011: http://www.8weekly.nl/artikel/9244/erik-menkveld-het-grote-zwijgen-een-bekende-ode.html

De eerste roman van veelzijdig letterenman Erik Menkveld (1959), vooral bekend als dichter, is in zijn onderwerp een verrassende. Hij beschrijft een op historische feiten gebaseerd verhaal over ware kunst en liefde rond twee Nederlandse componisten anno 1910-1917.

Deze twee in hun tijd beroemde componisten heten Alfons Diepenbrock en Matthijs Vermeulen. Het zijn ware kunstenaars, geroepen om de natuurlijke eeuwigheidsklanken in muzikale vorm om te zetten: gelijk aan hetgeen Nietzsche beschrijft in het gedicht Im grossen Schweigen (dat door Diepenbrock op muziek is gezet). Dit ideaal krijgt een aardse weerslag in hun strijd om de programmering van het Amsterdamse Concertgebouw, waar de nog beroemdere Willem Mengelberg de baton zwaait.

Een bildungsroman
De eerste 150 bladzijden vormen een soort getrapte bildungsroman. De lezer volgt de ontwikkeling van de hoofdpersonages, die zich allen verhouden tot hun leermeester, die op zijn beurt zich weer tot een eigen leermeester verhoudt. Van (heel) klein naar (heel) groot: Vermeulens leerling Petrus – Vermeulen zelf – Diepenbrock – Mahler. Hierdoor treedt het probleem op dat er nergens gelijkwaardige karakters met elkaar in aanraking komen, waardoor het verhaal lang bloedeloos blijft.

Dit verandert enigszins wanneer Vermeulen zijn leermeester Diepenbrock begint te evenaren. Ook in hun vriendschap blijven beiden in de eerste plaats kunstenaars, compromisloos wanneer het de kunst betreft. Een passage waarin Vermeulen door Diepenbrocks vrouw Elsa wordt opgevangen:

‘Gaat u al?’
‘Uw man heeft zojuist onze vriendschap verbroken.’
‘Grote goedheid!’ Ze loopt naar de kapstok en reikt hem zijn mantel aan. ‘Waarom dat zo ineens?’
‘Ik had kritiek op Nietzsche.’

Twee liefdes
Die vriendschap trekt overigens weer bij. Uit het gezin-Diepenbrock komen ook de twee grote liefdesverhalen van Het grote zwijgen voort, waarvan een de affaire is van Diepenbrock met Jo, een van zijn voormalige leerlingen. Wat de kunstmonologen soms nog weten te verbloemen, wordt in deze liefdespassages al te zeer duidelijk: Menkvelds zinnen bevatten weinig nieuws. Het is vaak wel waar wat hij zegt, en ook zijn stijl is prima, soms ook mooi, maar er gebeurt lange tijd niets dat de gemiddelde lezer zal verbazen of intrigeren.

Bovendien irriteren al te zichtbare schrijverstrucjes. Doordat het verhaal steeds twee jaar in de tijd springt, zijn belangrijke tussentijdse gebeurtenissen de lezer onbekend. Verschillende keren laat Menkveld de uiteenzetting van die gebeurtenis dan vooraankondigen middels een terloopse toespeling. Neem bij dit alles een cliché als ‘vrienden moeten elkaar toch de waarheid zeggen’ en het oordeel lijkt duidelijk.

Maar toch bezit deze roman mooie kanten: als het verhaal halverwege eindelijk wat op gang komt volgt bijvoorbeeld een tweede – hier niet te verklappen – verrassend liefdesverhaal. Het boek krijgt ook de benodigde extra dynamiek door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Het stelt de kunstenaars voor de grote vraag: is kunst niet futiel vergeleken met zoiets gruwelijks? In de termen van de kunstenaar wordt dit gruwelijks als volgt verwoord:

In dit ontheiligde, allesoverheersende hier en nu is het firmament niet langer ondoorgrondelijk, is het licht een reeks getallen, is alles plat, feitelijk, causaal en zinloos.

Niets nieuws, wel iets groots
Diepenbrocks wereldbeeld valt hierdoor uiteen en hij valt stil. Daarentegen neemt de jongere Vermeulen, die tijdelijk als oorlogsverslaggever aan het front werkte, de beroemde oproep van Debussy wel ter harte: ‘Over de muziek, die stilte breken moet die zal volgen op het knallen van de laatste granaten.’ Wat kan de mens anders dan hiermee instemmen?

Het grote zwijgen is bij tijden een ode aan de muziek. Hoe belangrijk ook, in deze vorm bevat het boek niets nieuws. Anderzijds doet het wel iets groots: de twee hoofdpersonages, Diepenbrock en vooral Vermeulen, zeker voor Nederlandse standaarden twee bijzondere figuren, worden aan een buiten muziekkringen bestaande vergetelheid onttrokken. Dat neemt niet weg dat het gevoel resteert dat Menkveld meer uit dit originele onderwerp had kunnen halen.

Wilhelm Genazino – Geluk als het geluk ver te zoeken is

Wilhelm Genazino (vert. Gerrit Bussink) – Geluk als het geluk ver te zoeken is

Een van de kinderen

Oorspronkelijk verschenen 22-06-2011: http://www.8weekly.nl/artikel/9264/wilhelm-genazino-vert-gerrit-bussink-geluk-als-het-geluk-ver-te-zoeken-is-een-van-de-kinderen.html

Voor veel filosofie- en letterenstudenten het grote angstbeeld: netjes afgestudeerd, om dan toch te verzanden in een geesteloos baantje. Dit is al werkelijkheid voor Gerhard Warlich, de hoofdpersoon van Wilhelm Genazino’s voortreffelijke Geluk als het geluk ver te zoeken is.

De 41-jarige Warlich, doctor in de filosofie, heeft zich binnen de wasserij opgewerkt van wasbezorger tot manager. Het is een veilig maar lullig baantje, zo dient hij medewerkers te bespioneren om te zien of zij geen ‘ongeoorloofde pauzes’ nemen. Met dit bestaan tracht Warlich zich te verzoenen, maar op steeds talrijkere momenten wordt hij overvallen door het gevoel van de leegte, van een ‘metafysische verbijstering’. Dit neemt toe nadat zijn vriendin Traudel heeft aangekondigd een kind te willen.

Een levensleugen
In een recent interview (NRC, 9 juni 2011) zei Alain de Botton over de menselijke conditie: ‘We zijn als kinderen, we proberen maar wat.’ Wat Genazino met zijn hoofdpersoon beschrijft, is precies zo’n eenentwintigste-eeuws, hulpe- en richtingloos naar betekenis zoekend kind. Warlich heeft zich lang op de been gehouden met een eigen levensleugen, zijn stiekem gekoesterde geloof in zijn eigen superioriteit en een komende navenante beloning:

Van kindsbeen af, zei ik, lijd ik aan de dwangvoorstelling verschoond te zijn door mijn kennis, en mijn ongeluk blijkt juist uit het feit dat ik ook dat nog meen te weten. (…) Ik ben tientallen jaren voorbereid geweest op een beter leven (…) maar dat is nooit aangebroken.

De lezer wordt opgezogen in het verhaal en gaat onvermijdelijk sympathiseren met de hoofdpersoon. Dit gaat des te beter omdat het boek, zoals ook al uit de titel blijkt, geen gitzwarte strekking heeft. Het herbergt treffende en glimlachoproepende passages. Zo laat Warlich, tot ergernis van zijn vriendin Traudel, een broek eindeloos buiten op het balkon hangen, puur om de uitwerking van de natuurkracht daarop te kunnen aanschouwen.

Of neem het moment waarop Warlich dreigt weg te zakken in zijn destructieve stemming, maar door het aanschouwen en uitvoeren van een simpele evolutionaire waarheid weer opkrabbelt: ‘De jongen geeft me met een paar blikken een bevel: Koop ook iets te eten en zet je lichaam weer in elkaar.’ (Waarop Warlich dus maar een sesambroodje gaat kopen).

School voor Kalmering
Warlich speelt met het idee een ‘School voor Kalmering’ op te richten. Daarin wil hij lezingen gaan geven, ‘over geluk in een tijd dat het geluk ver te zoeken is’. Analoog aan de wijze waarop hij zelf dit geluk zoekt, namelijk ‘in het heimelijke’. Zoals zijn blik het etende jongetje vond: ‘Dat houdt in dat ik snel en lenig en behoeftig om me heen kijk tot ik ergens iets zie waaraan mijn behoefte zich kan vastklampen.’

Geluk als het geluk ver te zoeken is is een verhaal over de alledaagsheid. Of beter, want zo ervaart Warlich dat, een verhaal over de dagelijkse – al te menselijke – banaliteit. Maar in dat verhaal heeft Genazino talloze poëtische en al te ware zinnen vervlecht, die de mogelijk verstikkende werking van de alledaagsheid tegengaan. Wanneer de schrik de lezer om het hart slaat – ‘ik zal toch ook niet in zo’n leven verzanden’ –, gaat van deze zinnen een louterende, ja kalmerende werking uit. En wat overblijft is de hoop ‘dat het ook mogelijk is terug te schrikken voor de wurggrepen van de omstandigheden, voor het wijken voor de zelfvertroebeling van de wereld’.

Anton van Hooff – Athene. Het leven van de eerste democratie

Anton van Hooff – Athene. Het leven van de eerste democratie

Over de bakermat

Oorspronkelijk verschenen 04-05-2011: http://www.8weekly.nl/artikel/9159/anton-van-hooff-athene-het-leven-van-de-eerste-democratie-over-de-bakermat.html

In de inleiding op zijn Athene. Het leven van de eerste democratie benadrukt Anton van Hooff het belang van het bestuderen van de oudheid voor de beschaving, cultuur, democratie. Tweehonderd bladzijden verder is zijn gelijk bewezen: Atheense burgeridealen confronteren onze samenleving met haar fouten.

Na het vorig jaar verschenen Nero en Seneca is dit het tweede werk over de oudheid van classicus Van Hooff. Tussen de regels door lees je zijn liefde voor het onderwerp en de kreten van verrukking die hij, tevergeefs, probeert te onderdrukken. Dit enthousiasmeert de lezer – en dat, zo legt Van Hooff uit, betekent: ‘de godheid is in hem: in het woord enthousiasme zit het Griekse en (in) en theos (godheid)’.

Burgerschap
Van 508 tot 322 regeert in Athene het volk, met slechts een paar korte oligarchische onderbrekingen. Anders dan onze als democratie gemaskeerde ‘electieve aristocratie’, was de Atheense democratie werkelijk een volksregering. Het berustte op direct bestuur en vereiste daarom een hoge mate van burgerparticipatie. In Pericles’ beroemde woorden: ‘Want wij zijn de enigen die iemand die daaraan geen deel heeft, niet beschouwen als een werkeloos, maar als nutteloos iemand’.

Het democratische Athene herbergde 30.000 burgers – slaven, vrouwen en vreemdelingen vielen erbuiten. Belangrijkste politiek orgaan was de volksvergadering, de ekklèsia, die gemiddeld 40 keer per jaar bijeen kwam. Daarin hadden alle Atheense burgers het recht het woord te voeren (isègoria). Daarnaast waren op ieder moment 3200 burgers actief binnen roulerende functies, meestal via loting aangewezen. Roulatie diende als een van de ‘checks’ op mogelijk machtsmisbruik: het voorzitterschap van de ekklèsia rouleerde dagelijks, waardoor een op de vier Atheense burgers een dag in zijn leven ‘president’ was!

Toneel
Dit klinkt allemaal zeer verlicht, maar natuurlijk waren de Atheners net mensen. Wanneer ze weinig trek hadden in een routinematige volksvergadering, en de opkomst op de vergaderingslocatie de Pnyx dus tegenviel, werden staatsslaven ingezet om met een in rode verfstof gedrenkt touw het grote plein schoon te vegen. De daardoor veroorzaakte rode vlek was een teken van slecht burgerschap. Dit neemt niet weg dat politiek ieder deel van het Atheense leven doordrenkte. Een voorbeeld daarvan is het toneel, waarin democratie en beschaving werden samengebracht:

In het mythische gewaad van het treurspel blijven ze wel versluierd. Nooit wordt uitbundig de lof van de volksmacht gezongen. Zulke platte propaganda zou van slechte smaak getuigen. Het Atheense toneel blijft in zijn verwijzing naar de politieke actualiteit even ingehouden en tijdloos als de sculpturen van het Parthenon.

Griekse leefregels als ‘niets te veel’ (mèden agan) werden middels toneel bijgebracht. Voor zowel politieke activiteiten als het bijwonen van het beschavende toneel ontvingen de Atheners vergoedingen – zoals Van Hooff oppert misschien een idee voor onze tijd? Sowieso verwijst Van Hooff veel naar het heden en de recente geschiedenis. Zo geeft hij aan dat de Atheense democratie groot is geworden dankzij het imperialisme: via slavernij en uitbuiting verkregen welvaart bracht de burgers tijd voor de politiek. Is ons stabiele politieke systeem denkbaar zonder de historisch gegroeide en deels op uitbuiting gebaseerde welvaart?

Dèmokratia
Af en toe verrast Van Hooff met dergelijke scherpe uithalen. Maar wat dit boek vooral zo prettig maakt zijn de vele etymologische verwijzingen en, daarmee samenhangend, de vele momenten van verrassing – zo kende Athene tachtig feestdagen – of van herkenning bij in Athene ontstane en aan ons overgeleverde culturele elementen. Dit en meer maakt dit verfijnd geschreven boek zeer informatief, met bovendien steeds precies genoeg herhaling: gymnasiumleraar Van Hooff weet hoe te doceren.

Ten slotte maakt de auteur inzichtelijk hoe, toen de Atheense burgers zich steeds meer in de privésfeer terugtrokken, de bezorgde burgers de godin Dèmokratia invoerden, als vergeefse stoplap. Van Hoof trekt nog maar eens een analogie, nu met het huidige crisisgevoel en het daarom in Den Haag op te richten Huis voor democratie en rechtsstaat. Maar eigenlijk zouden mensen dit soort boeken moeten lezen.