Recensies en artikelen

Klassieker: Marguerite Yourcenar – Het hermetisch zwart

Klassieker: Marguerite Yourcenar – Het hermetisch zwart

Hic Zeno

Oorspronkelijk verschenen 12-04-2011: http://www.8weekly.nl/artikel/9105/hic-zeno-klassieker-marguerite-yourcenar-het-hermetisch-zwart.html

Mijn liefde voor Het hermetisch zwart (L’Œuvre au noir, 1968) is in zekere zin atypisch. Op het eerste gezicht vergelijkbare historische romans vind ik (zijnde historicus) vaak goed, dat wel, maar nooit overdonderend. Misschien is de verklaring simpel: schrijfster Yourcenar is hors catégorie. De combinatie van haar elegante stijl – waarin België nog één lijkt, het beste van Wallonië en Vlaanderen vermengd  haar eruditie, verbeeldingskracht en bovenal menselijkheid maakt Het hermetisch zwart uitzonderlijk.

Eerst naar het begin: 1529. Twee getalenteerde neven, opgegroeid in hetzelfde huis, ontmoeten elkaar bij toeval op een Vlaamse doorgangsweg. Beiden willen de wereld bestormen. De een, Henri-Maximilien Ligre, ‘avonturier van de macht’, wil zich aansluiten bij het leger. De ander, Zeno, ‘avonturier van de kennis’ is op weg naar León, om daar bij de prior les te krijgen in de alchemie. Henri-Maximilien verlangt naar heldendom, waarop Zeno antwoordt: ‘Zoek jij je vreugden en je helden maar bij Plutarchus, broeder Henri. Voor mij gaat het erom meer dan een man te zijn.’ Even lopen ze samen op en worden anekdotes opgerakeld. Henri-Maximilien vertelt over een meisje uit het dorp, die heeft gezworen te wachten op Zeno. Deze blijft staan en aarzelt, maar overwint: ‘Een ander wacht me ginds. Ik ga tot hem.’ Tot wie? ‘Hic Zeno,’ zei hij. ‘Ikzelf.’

Hadrianus en Zeno

Marguerite Yourcenar (1903-1987), pseudoniem (en anagram) van Marguerite Cleenewerck de Crayencour, is de eerste vrouw gekozen in de Académie Française, en is evenzo beroemd om haar Herinneringen aan Hadrianus. Zowel dat boek als Het hermetisch zwart is een fictieve, maar in de geschiedenis verankerde psychologische biografie. Aan beide hoofdpersonen, Hadrianus en Zeno, was Yourcenar ten diepste verknocht. Bij het schrijven van zulke werken, zegt ze, gaat het er bovenal om dit in de gaten te houden: ‘[De] drie kronkelige lijnen die elkaar onophoudelijk naderen en weer uiteengaan: wat een mens dacht te zijn, wat hij heeft willen zijn en wat hij werkelijk was.’

Zeno’s zoektocht naar individualiteit en kennis, naar wat het betekent mens te zijn, levert, samen met zijn streven naar iets groots, ook een deelverklaring voor mijn mateloze bewondering: hij is een universeel ‘groot mens’. Deze natuurfilosoof is onvermoeibaar in het afbreken van de conventies  en dat zijn er best wat in de zestiende eeuw  om vervolgens, door niets gehinderd behalve door de uiterste grenzen van de menselijke conditie, te kijken naar de natuur, naar de mens en naar zichzelf. Dat is ook waar de titel op doelt: het ‘hermetisch zwart’ verwijst naar de fase van alchemie waarin alles verkoold raakt, al het bestaande  het oude raakt opgelost, waarna nieuwe mogelijkheden vrijkomen. Als in het alchemistische devies:

Tot het duistere en onbekende gaan
door wat nog duisterder en onbekender is

Het hermetisch zwart wordt door critici altijd bewierookt, maar vaak gaat dit vergezeld van een kanttekening: Zeno lijkt een al te modern mens, een anachronisme. Het is de vraag of dat waar is, want is hij niet juist een personificatie van de zestiende-eeuwse renaissancistische gedachterevolutie? Prettig is dat de lezer, beter dan in andere historische romans, zich kan identificeren met Zeno. En misschien is de kritiek ook wel ongefundeerd omdat Zeno’s karakter tijdloos is. Dit boek en deze hoofdpersoon kunnen net zo goed als spiegel dienen voor een zestiende-eeuwse als voor een eenentwintigste-eeuwse mens.

Zestiende eeuw
Na de aankondiging van Zeno’s zoektocht naar kennis en individualiteit, verplaatst Yourcenar het verhaal naar zijn jeugd en zijn familie. Dit tegen de achtergrond van de zestiende eeuw, waarin de wereld definitief is ontwaakt uit haar middeleeuwse slaap en waarin de met elkaar contrasterende renaissance en reformatie woeden. De geschiedenis van Zeno’s moeder, de ongelukkige Hilzonde, voert de lezer zelfs naar Münster. Daar bestaat kortstondig het ‘Wederdopersrijk’, door Yourcenar bevolkt met dolle Breughelmensjes.

Hilzonde’s kind (Zeno’s halfzus), Martha, overleeft het bloedbad waarin het Wederdopersrijk eindigde. Haar korte, terloops gebrachte verhaal levert een verstilde fase in het boek op. Martha komt terecht in het gezin van de Ligre’s, bij wie ook Zeno groot werd. Met haar nichtje Bénédicte groeit Martha op in een onafscheidelijk samenzijn dat door Yourcenars menselijke, volstrekt onsentimentele benadering hartverwarmend wordt verbeeld. Zo hartverwarmend dat je als lezer begint te vrezen.

En dan komt de pest, die ‘aan het leven van alle mensen een ongehoord element van gelijkheid verschaft’. En ja, Bénédicte wordt ziek en sterft. In een paar pagina’s durende adem beschrijft Yourcenar zowel het prachtige vermogen van de mens tot ware vriendschap, als de blinde krachten die dat vernietigen. Even duikt Zeno, inmiddels een rondtrekkende arts van middelbare leeftijd, aan Bénédicte’s ziekbed op. Maar hij onthult zichzelf niet aan zijn halfzus, want hij is op de vlucht voor de kerk en andere autoriteiten, die hem beschuldigden van het gebruikelijke riedeltje: van ketterij en het opensnijden van lijken tot sodomie. Zeno’s faam, of beruchtheid, is dan ook groot en wijdverbreid; des te meer reden hij heeft om op te passen. Hij heeft gewerkt voor Zweedse koningen en Arabische sultans, en heeft verschillende boeken getuigend van vrijdenkerij geschreven. De op gang gekomen geruchtenstroom onder het volk mythologiseert zijn daden tot nog grotere proporties.

Twijfel
Dan, inmiddels over de vijftig, is hij het zwerven beu en besluit hij zich, onder een schuilnaam, als arts te vestigen in Brugge. Het is pas op dat moment, tegen de helft van het boek, dat je als lezer Zeno werkelijk mag leren kennen, dat Yourcenar je toelaat tot zijn overpeinzingen. Deze man blijkt ook een mens. Soms verwondert hij zich zelf over de kracht die hij opbrengt om te blijven twijfelen, misschien verklaard door ‘een eeuwige orde of een bizarre neiging van de materie om zichzelf te overtreffen’. Zijn al die eenzame, opgesloten uren en de constante waakzaamheid voor de autoriteiten het wel waard? Na jaren in Brugge te hebben doorgebracht waagt hij zich buiten de stadsgrenzen en ervaart hij de natuur weer, en het gemak waarmee bestaansvreugde kan worden verworven:

Hij had bijna het gevoel te hebben gespot met de oneindige mogelijkheden van het bestaan door zo lang de wijd geopende wereld te versmaden (…) De verandering was een wedergeboorte en bijna een metempsychose [zielsverhuizing]. De afwisselende beweging van de benen was genoeg om de geest tevreden te stellen.

Maar de filosoof Zeno is nu eenmaal gehecht aan zijn rationeel tot stand gebrachte ontdekkingen, aan de wondere wetten achter de natuur en de sterren. En af en toe is er de beloning, echter nooit een perfecte:

Af en toe beefde men van spanning zoals aan het begin van een transmutatie: een klein beetje goud leek te ontstaan in de smeltkroes van het menselijk brein; het kwam echter niet verder dan tot een equivalent.

Maar Zeno is niet alleen natuurfilosoof, af en toe is hij ook ‘in’ het leven. Hij kent een paar ware vriendschappen en een paar ware liefdes, en verwondert zich over de gevoelens waartoe een mens in staat is. Ook Yourcenars taal straalt deze rustige verwondering uit. Zij beschrijft de mens en zijn conditie eerlijk, vol mildheid maar nooit verexcuserend. Waarnemingen zoals deze over een vrouw, nadat eerst in een halve pagina haar donkere overpeinzing over haar overleden man is beschreven, geven een simpel voorbeeld van de elegante treffendheid: ‘Het beeld van de dode ging terug in de schatkamer van de herinneringen (…) zij hervond de plaats aan tafel die zij geen ogenblik had verlaten’.

Prognosticons
De storm van de tijd heeft in 1569 ook Brugge bereikt. De opstand in de Nederlanden tegen de Spaanse Philips de Tweede is begonnen, en de Spanjaarden vervolgen de ketters waar ze maar kunnen. Indirect wordt Zeno hiervan slachtoffer; hij wordt ‘ontmaskerd’ en in het gevang gezet. Zijn faam levert hem een zorgvuldig en voor de rechters prestigieus proces op, reden waarom veel van zijn werken en daden worden doorgelicht. Het meest tot de verbeelding spreekt zijn Prognosticons van de dingen der toekomst, waarin Zeno een verzameling stellingen presenteert van Epicurus tot Copernicus, vergezeld van hun (vaak kerkelijke) veroordelingen. Zeno’s oordeel over deze ‘balans van de menselijke opinie’ is snoeihard: de mensen tolereren geen afwijkende opvattingen omdat ze ‘de belangrijkheid van de mens aan het wankelen brachten’ – in gevaar is het comfortabele idee van de mens in het centrum van het Al.

De reactie van de zestiende-eeuwse mens zal niet veel anders zijn dan die van de eenentwintigste-eeuwer. Zeno heeft het gehad met de domme mens die hem zo graag wil zien branden. Zijn inzicht in de menselijke aard weerhoudt hem er niet van hard te oordelen:

De onverschilligheid van de wijze voor wie elk land een vaderland is en elke godsdienst een cultus die men op zijn eigen manier kan waarderen, ergerde deze horde van gevangenen al evenzeer; als deze filosofische renegaat, die bovendien geen enkele van zijn ware overtuigingen afzwoer, voor hen allen een zondebok was, dan was dat omdat elk van hen wel eens heimelijk of zelfs onbewust had gewenst uit de kring te breken waarin hij tot zijn dood toe opgesloten zat. De rebel die tegen zijn vorst opstond verwekte bij de volgzame burgers dezelfde afgunstige woede: zijn Nee was een uitdaging aan hun onveranderlijke Ja.

Alchemie
De taal van Het hermetisch zwart bevat een mengsel van Breughels gekke en dommige mensjes, Stendhals psychologie en menselijke dromen en Poussins elegantie. En daarbovenuit rijst Yourcenars milde acceptatie van de mens en bovenal haar (en ook mijn) eigen held Zeno, deze tijdloze, zoekende mens. De zoektocht naar individualiteit wordt onder andere gevangen door de in het boek telkens terugkerende metafoor van het alchemistisch proces: individualiteit en zelfkennis als heilige graal. Natuurlijk is individualiteit tegenwoordig ook het streven, hoewel vaak gepresenteerd en nageleefd in perverse vormen. Zeno combineert dit streven met een verwondering over de menselijke conditie en een aanklacht tegen de heersende conventies.

Eén keer komt Zeno Henri-Maximilien nog tegen, beiden ouder en wijzer, maar intrinsiek nog hetzelfde. Henri-Maximilien, content met zijn eigen tijd, is gelukkig, en zal ook zo sterven. En Zeno, die ondergaat misschien wel het mooiste stervensproces in de wereldliteratuur, waarbij de lezer bij hem blijft totdat het niet meer kan, bevestigend wat de lezer op dat moment al lang weet: hij is meer dan een man.

 

Jevgeni Zamjatin – Wij

Jevgeni Zamjatin (vert. Dick Peet) – Wij

Majestueus unisono

Oorspronkelijk verschenen 07-03-2011: http://www.8weekly.nl/artikel/9021/jevgeni-zamjatin-vert-dick-peet-wij-majestueus-unisono.html

Een fundamenteel idee van de collectieve ideologie is dat de lastige twijfels inherent aan de menselijke conditie kunnen worden overkomen: de mens moet verworden tot een gelukkige machine. Twintigste-eeuwse romans hebben verschillende kanten van deze dystopische ellende beschreven. Aan het begin van deze romantraditie staat Jevgeni Zamjatins absoluut visionaire Wij. Oorspronkelijk uit 1924, is er nu een heruitgave verschenen.

D-503, wiskundige en bouwmeester van het ruimteschip ‘de Integraal’, houdt rond het jaar 3000 een dagboek bij waarin hij de rationele en collectieve fundamenten van de ‘Vereende Staat’ uiteenzet. Al snel wordt de connectie met de ‘wereld van de Ouden’ duidelijk: er is een Tweehonderdjarige Oorlog geweest, waarbij viervijfde van de mensheid is gestorven. Een van de groepen overlevenden heeft daarna de Vereende Staat opgericht, door middel van ‘de groene muur’ afgescheiden van de natuur in al haar betekenissen: van ‘wilde mensen’, dieren, wolken en vooral van gevoel en individualiteit.

Getayloriseerd geluk
De Vereende Staat tracht, met instemming van bijna iedereen, de mensen te laten leven als onvrije, maar gelukkige machines. Alles is er van glas en in vierkanten vormgegeven. Privacy bestaat niet, enkel in de – op basis van metingen van de individuele lichaamssappen – voorgeschreven seksuele uren mogen de rolgordijnen worden neergelaten. De Staat creëert zo ‘kooien van het ritmische getayloriseerde geluk’. Het historisch bestaande taylorisme is de methode van wetenschappelijk management, waarin letterlijk iedere productiehandeling is gestandaardiseerd om zo efficiënt mogelijk uitgevoerd te kunnen worden. Onder andere de Sovjetcommunisten verheerlijkten de hieruit voortkomende roes, teweeggebracht door collectief gelijkopgaande bewegingen. Alles verloopt in een ‘majestueus unisono’.

Een van de mooiste aspecten van Wij is dat de utopische heilstaat nog niet voltooid is: twijfels, fantasieën en individualiteit kunnen nog de kop opsteken, en de strijd aangaan met het luid gepropageerde idee van rationele helderheid en collectieve roes. Zo zijn er twee vrije ‘persoonlijke uren’ per dag over, waarin ‘het vereende machtige organisme uiteenvalt in aparte cellen’. Bovendien schrijft D-503, al voelt hij zich nog zo ‘vereend’, zijn dagboek vanuit zijn eigen gedachten, wat restjes individualiteit verraadt. Zamjatin, die ook veel satirisch werk heeft geschreven, speelt met de taal. Zo laat hij D-503 tot zijn eigen ergernis ouderwetse woorden met een sentimentele bijklank zeggen. Daarnaast zwerven er vreemde woorden door het boek, die deze onbekende wereld dichterbij brengen.

Een ziel
Het gestaalde, rationeel vormgegeven geluk van modelburger D-503 wordt bedreigd wanneer hij verliefd wordt op I-330. Bij haar ervaart hij zijn herwonnen individualiteit als een zegen; het ‘wij’ is ingeruild voor een ‘ik’ en een ‘zij’. Maar wanneer hij alleen is, zinkt hij weg in diepe twijfels. Zijn alomvattende, harmonieuze ‘vereendheid’ is weggevallen.

Dat D-503 hieronder lijdt wordt ook door de staat opgemerkt. Zie deze satirische passage, een gesprek tussen het hoofdpersonage en een chirurg:

‘Uw zaak staat er slecht voor! Het laat zich aanzien dat er zich een ziel in u gevormd heeft.’
Een ziel? Dat vreemde, klassieke, sinds lang vergeten woord. (…) ‘Dat is… heel gevaarlijk’, stamelde ik. (…) ‘Buitengewoon, búitengewoon interessant! Luistert u eens: zoudt u geen toestemming willen geven… u op sterkwater te zetten?’

Revolutie
Zoals in iedere utopie negeren de machthebbers van de Vereende Staat fundamentele aspecten van de menselijke conditie, leidend tot eendimensionale ellende. Dystopieromans zijn bij uitstek geschikt om de intrinsieke utopische fouten en de werking daarvan binnen het individu bloot te leggen, en Zamjatin begreep dat als eerste. Op originele wijze ridiculiseert hij in het allegorische Wij de op positivistische leest geschoeide Sovjet-utopie. Dit werk verdient meer bekendheid: Zamjatin zou het canonieke rijtje van Orwell, Huxley, Houellebecq etc. moeten aanvoeren.

Ook de Vereende Staat merkt dat het de menselijke conditie nog niet zo gemodelleerd heeft als het had beoogd. Hoewel zij haar burgers altijd heeft voorgehouden dat er geen revoluties meer plaats zullen vinden (wat ook de Sovjetcommunisten propageerden omwille van machtscentralisatie), blijken er kritische burgers actief. En een daarvan is I-330. Op de ‘Dag van Eenstemmigheid’ blijkt het collectief dus toch niet zo eenstemmig, en de Vereende Staat plant zo snel mogelijk de operatie om de fantasie weg te snijden. Dit geeft Zamjatins Wijook nog eens een spannend einde.

Margot Dijkgraaf interviewt Umberto Eco

Margot Dijkgraaf interviewt Umberto Eco

Waarheid, of het probleem van falsificatie

Oorspronkelijk verschenen 06-03-2011: http://www.8weekly.nl/artikel/9026/margot-dijkgraaf-interviewt-umberto-eco-waarheid-of-het-probleem-van-falsificatie.html

De romans van mediëvist en semioticus Umberto Eco winnen met de opkomst van internet enkel aan belang. Wat nemen de mensen voor waar aan, wat ‘horen’ zij en wat niet? Zijn laatste roman De begraafplaats van Praag handelt over historische complotten, zoals zo vaak gekatalyseerd door vreemdelingenhaat. Naar aanleiding van de publicatie werd Eco op vrijdag 4 maart in de Rode Hoed geïnterviewd door Margot Dijkgraaf, in samenwerking met de SLAA en uitgeverij Prometheus. Het bovenliggende thema was de waarheid, maar dan wel gebracht met kwinkslagen.

Umberto Eco is waarschijnlijk de best verkopende auteur wereldwijd mét reële literaire pretenties. Hij heeft een indrukwekkende lijst literaire bestsellers op zijn naam, met als beroemdste werken het door half Nederland gelezen De naam van de roos en de, in de woorden van Dijkgraaf, ‘thinking man’s Da Vinci code‘ De slinger van Foucault – dat misschien wel zijn beste werk is.

In een met Italiaanse klemtonen uitgesproken Engels praat Eco als eerste over zijn relatie met zijn vertalers. Na een applaus te hebben gevraagd voor Patty Krone, (samen met Yond Boeke) de Nederlandse vertaler, blijft hij gul: ‘they make something of a maffia, they are my artificial consciousness’. Direct gevolgd door een sappig verhaal over drie clandestiene Chinese vertalingen van De naam van de roos. Een daarvan had zelfs, aldus Eco, een naakte vrouw op de cover staan en was getiteld: Sex in the monastery. De inmiddels 79-jarige Eco is goedgeluimd.

Yes! Repugnant!
Tien jaar geleden interviewde Dijkgraaf Eco ook al, destijds naar aanleiding van het verschijnen van de avonturenroman Baudolino. Ook daarin was het overheersende thema het probleem van waarheid en falsificatie, zoals gezegd de gedeelde grond van al zijn romans. En dat geldt, natuurlijk voorzien van een geheel eigen draai, ook voor De begraafplaats van Praag. Deze roman verhaalt, tegen de achtergrond van de grote negentiende-eeuwse gebeurtenissen, over een van haat vervulde meestervervalser. De protagonist Simone Simonini is het enige gefictionaliseerde karakter in het boek. Eco vertelt hoe hij zich wilde inleven in de psychologie van een spion, hoe hij een oplichter wilde scheppen. De ook in het boek opgevoerde (gelijknamige) opa van Simonini heeft wel echt bestaan. Eco vond brieven waarin deze blijk gaf van typische ‘complot-paranoia’; hij wist zelfs de verantwoordelijkheid voor de Franse Revolutie aan de Joden toe te schrijven.

Terug naar de hoofdpersoon. Dijkgraaf, licht verwonderd: ‘He is extremely unsympathetic.’ Eco onderbreekt enthousiast: ‘Yes! Repugnant!’ De roman begint met een monoloog waarin Simonini zo ongeveer ieder denkbaar ras of volk beschimpt. ‘En dat’, zegt Dijkgraaf, ‘terwijl een roman meestal een machinerie van empathie is.’ Eco knikt. Dijkgraaf blijft zoeken, en zegt dat de enige eigenschap van Simonini die sympathie opwekt, is dat hij zo van eten houdt. Maar dit wordt door de auteur direct de grond in geboord: ‘Zijn god is zijn buik, en dat is juist afstotend. It’s Eichmann, the banality of evil’. Simonini leeft voor zijn werk, voor zijn vervalsingen, en niets meer.

In Eco’s korte nawoord bij De begraafplaats van Praag staat, zo parafraseert Dijkgraaf: ‘Simonini is historical, and he’s still among us.’ Eco haalt, wat onduidelijk formulerend, Wikileaks aan. Over ambassadeurs die klakkeloos clichématige, maar onware berichten uit media overnemen, om die door te sturen naar de machthebbers in hun thuisland. De moraal hiervan is dezelfde als die van de roman: mensen geloven alleen wat ze al weten, en het is gemakkelijk om daarop in te spelen. Zie bijvoorbeeld de stoet (historisch bestaande) complottenschrijvers als Sue, Joly en Goedsche in De begraafplaats van Praag. Die namen allemaal verhalen en vertelstructuren van elkaar over, gaven daar een andere titel en een andere vijand aan, om het vervolgens in een net wat andere vorm weer te publiceren. En niemand die het merkte, of niemand die erin slaagde het te ontkrachten.

Auteur als God
‘Er is natuurlijk’, gaat Eco verder, ‘een verschil tussen kunstenaars en de mensen die mythen creëren.’ Dat laatste heeft niet per se iets met esthetiek te maken. Vergelijk de Bijbel, het is niet moeilijk te bewijzen dat sommige delen slecht geschreven zijn, maar ze creëerden uiteraard wel een universum. Of het werk van Dumas: ‘it’s a big, repetitious machine of lies and the machine tells the truth.’ ‘En wat is er dan waar in De begraafplaats van Praag?’ vraagt Dijkgraaf. Nu, de waarheid is dat Simonini een vervalser, een leugenaar is. En als alles vals is of vals lijkt, hoe dan te onderscheiden wat waar is?

Anderszins, in literatuur bestaat dé waarheid: ‘the author is God’. Dat Anna Karenina stierf onder een trein kan niet worden ontkend – ‘zelfs niet door God!’ –, dat Napoleon stierf op Sint Helena wél! Over onwaarheid gesproken: waarom wilde Eco eigenlijk schrijven over De protocollen van de wijzen van Zion? ‘It’s the greatest forgery of all times.’ Toen, ergens in het interbellum, onomstotelijk werd vastgesteld dat de Protocollen nep waren, werden ze alleen maar serieuzer genomen. En dat is fascinerend.

Ideale lezer
In al Eco’s uitspraken lijkt een vleugje ironie te zitten. Dat maakt het voor de toehoorder die zijn boeken kent volstrekt logisch dat deze man die boeken geschreven heeft. Dijkgraaf brengt het gesprek op Eco’s relatie tot de lezer. Eco stelt dat hij zijn ideale lezer tijdens het schrijven in zijn gedachten opbouwt. Sommigen zullen samenvallen met het ideaalbeeld, anderen niet. Ogenschijnlijk spottend: ‘Mwoah, it’s a tragedy.’

Neem bijvoorbeeld het intrigerende personage Taxil in De begraafplaats van Praag. Hij is te absurd om waar te zijn, zo zal Eco’s ideale lezer denken. Maar dan ziet de lezer ingevoegde gefotokopieerde plaatjes van zijn boeken, en denkt, goed, hij heeft bestaan en boeken geschreven, maar zijn karakter moet gefictionaliseerd zijn. Maar, zo zegt Eco, ook aan zijn door mij opgetekende levensloop is niets verzonnen! Allemaal: ‘To keep it schizophrenic, ambigious.’

Collectief geheugen
Dan praat Eco over de huidige cultuur. Van het verleden hebben we alleen de verhalen en gebeurtenissen met waarde onthouden. Het huidige probleem is dat internet alles bewaart, dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen wat van belang is en wat niet. De naïeve gebruiker wordt overweldigd door een teveel aan nutteloze informatie. Dit is bekend, maar Eco’s hierop volgende vergelijking is leuk: televisie bracht de armen veel nieuwe informatie, leerde ze hoe de taal te gebruiken et cetera, terwijl het de rijkeren er alleen maar van weerhield een boek te lezen. Met internet is het andersom: het is goed voor de kritische burgers, want zij weten hoe onderscheid te maken tussen wat van belang is en wat niet. Maar de onwetende burger ziet alleen een oneindige brij informatie.

Na een kort uur gepraat te hebben, kondigt de strikte Dijkgraaf aan dat het publiek vier vragen mag stellen (‘maar geen over Berlusconi’, interrumpeert Eco). De meest interessante vraag wordt als volgt ingeleid. In het boek zegt Simonini: ‘Joden hebben geen cultuur’. Laatst zei ‘a member of the Dutch right-wing party’ (u kent hem wel): ‘Moslims hebben geen cultuur’. Ze zeggen steeds hetzelfde. Eco: ‘Correct! The racist paints the enemy independent of the enemy’. Zo kan hij de mensen steeds weer vertellen wat ze al dachten te weten, en dus ook wat ze willen horen.

En zo gaat dat al honderden jaren. Nog nagrinnikend en gevuld van een licht mededogen met de arme, domme mens – de ander, uiteraard – verlaat het publiek de zaal. Voor wie meer van Eco zelf wil horen, er verschijnt nog dit jaar een nieuw essay, getiteld Confessions of a young novelist.

Robert D. Kaplan – Moesson. De Indische Oceaan en de toekomstige wereldmachten

Robert D. Kaplan – Moesson. De Indische Oceaan en de toekomstige wereldmachten

Het toverwoord: handel

Oorspronkelijk verschenen 26-02-2011: http://www.8weekly.nl/artikel/9000/robert-d-kaplan-vert-margreet-de-boer-moesson-de-indische-oceaan-en-de-toekomstige-wereldmachten-het-toverwoord-handel.html

Gestaag zal een multipolaire orde de Amerikaanse hegemonie in de wereld vervangen. Robert D. Kaplan, befaamd journalist, voorspelt dat binnen die orde de Indische Oceaan een centrale plek zal innemen. InMoesson geeft hij een caleidoscopisch en op de geschiedenis gebaseerd beeld van de opmars van deze regio.

Aan de wereldkaart ontleende Kaplan zijn inspiratie. Dat lijkt in eerste instantie vreemd, aangezien de vooruitsnellende (communicatie)technologie de rol van geografie verkleint. Maar dat idee vecht Kaplan overtuigend aan: de toekomst van de wereld wordt bepaald door de samenkomsten van etniciteiten, bevolkingsdruk, terrorisme, grondstoffenvoorraden, milieurampen en handelskanalen. En dat alles is in toenemende mate te vinden langs de kusten van de Indische Oceaan, ‘die zich van de hoorn van Afrika, via het Arabisch schiereiland, de Iraanse hoogvlakte en het Indiase subcontinent helemaal tot aan Indonesië uitstrekt’. Daar woont eenderde van de wereldbevolking, bevindt zich zowel enorme economische groeipotentie als de gehele boog van de islam.

Grote gelijkmaker
De beslissende vraag is die naar wat de wereld van de Indische Oceaan zal bepalen: conflict of handel? Wordt het de laatste, dan zal Kaplans toekomstvoorspelling bewaarheid worden. Zoals veel van de in Moessonopgevoerde stemmen aangeven: ‘onze werkelijke geschiedenis staat geschreven in de moessonwind’. De moesson – van het Arabische ‘mausim’: seizoen – met zijn prachtige regelmaat, staat symbool voor de handel en daarmee voor de verdraagzaamheid die etnische verschillen overbrugt: ‘handel is de grote gelijkmaker tussen mensen en volkeren’.

Vroeger zorgden de moessonwinden voor de wind in de zeilen van de razendsnelle Arabische dhows, in de moderne tijd is de Indische Oceaan ‘de internationale verkeersader van de wereld’. De helft van de wereldhandelsvloot vaart bijvoorbeeld door de nauwe Straat van Malakka. De aan de handelsgroei gelieerde opkomst van de middenklassen geeft reden tot optimisme.

Orde
Maar Kaplans relaas richt zich ook op de aan de Indische Oceaan aanwezige culturen, allemaal in ieder geval schatplichtig aan de islam, het hindoeïsme of het boeddhisme. In gebieden waar de handel bloeit is de tolerantie groot en ontstaan er soms prachtige culturele mengvormen, maar op andere plekken dreigen weer nieuwe etnische conflicten. Kaplan presenteert de oorzaak hiervan eenvoudig zoals die is: ‘een al te grote onzekerheid over wat ook, is het begin van fanatisme’.

Een andere les van Kaplan – adviseur van meerdere Amerikaanse presidenten – is dat macht altijd beter is, zowel strategischer als menslievender, dan helemaal geen macht. Op dit gebied ziet hij veel nieuwe uitdagingen, zo kondigt Kaplan de politieke ineenstorting van het Midden-Oosten al aan. Wat betreft de stabiliteit kunnen supermachten Amerika en China, allebei azend op meer invloed in de Indische Oceaan, elkaar vinden. Reden ook waarom hij de Amerikanen aanmaant om meer aan klimaatbestrijding te doen (wat ook hun imago ten goede zal komen).

Kleurrijk
De reisbeschrijvingen borrelen over van kleur, soms waan je je zelfs even in Sindbads wereld. Wat ook helpt is dat Kaplan zijn relaas doorspekt met geschiedenis, interviews en literaire verwijzingen. Hij trekt veel inzichtelijke historische parallellen, en vooral dat maakt zijn boek een mooie en nuttige aanvulling op Mahbubani’s De eeuw van Azië (dat zich puur richt op de toekomstige economische kracht van Azië). Een fascinerend hoofdstuk is bijvoorbeeld gewijd aan de vrij onbekende handelsnatie Oman en diens Sultan Quaboos, een ‘zonderlinge, erudiete man’. Ook over India’s vele gezichten heeft Kaplan krachtige passages opgenomen, zoals de vergelijking tussen Lord Curzon, ‘onderkoning van India’ en literator Rabindranath Tagore, bedoeld om de harde geopolitieke koers die India nu al is ingeslagen, af te zetten tegen zijn bedachtzame schoonheid.

En soms gaan woorden over schoonheid en realpolitik samen op, zoals in Kaplans uitspraak: ‘echte staatslieden denken tragisch om tragedies te voorkomen’. Wat hij in Moesson neerlegt is een rijke toekomstschets, waarbij hij wel steeds voorzichtigheid inbouwt en aangeeft dat het ook anders kan uitpakken. Maar alle maatschappelijke factoren in ogenschouw genomen, is het hoogst waarschijnlijk dat de kaart van de Indische Oceaan bepalend zal zijn voor het aangezicht van de eenentwintigste eeuw.

Umberto Eco – De begraafplaats van Praag

Complot op bestelling

Oorspronkelijk verschenen 31-01-2011: http://www.8weekly.nl/artikel/8952/umberto-eco-vert-yond-boeke-en-patty-krone-de-begraafplaats-van-praag-complot-op-bestelling.html

Met een hoop geschal en gedoe werd het aangekondigd: het nieuwe boek van literaire ster Umberto Eco. De hitsige kaft, de titel De begraafplaats van Praag en het onderwerp — een complottenbouwer in de grootse en chaotische negentiende eeuw  zullen op het eerste gezicht aan Dan Brown doen denken. Maar uiteraard, en gelukkig, doet de inhoud dat niet.

Eco’s hoofdpersoon in deze historisch correcte roman is de verzonnen kapitein Simonini. Hij leidt aan een vreemde vorm van geheugenverlies en wordt door ene Sigmund Froïd aangeraden via ‘autohypnose’ zijn leven te reconstrueren. Simonini’s reconstructie brengt de lezer bij allerlei grote gebeurtenissen in de tweede helft van de negentiende eeuw: beginnend bij het revolutiejaar 1848 via de opmars van Garibaldi en de Italiaanse ‘Risorgimento’, naar de Parijse Commune en de Dreyfus-affaire. Tegen deze achtergronden verdient Simonini, als notaris, zijn geld met het vervalsen van documenten. En niet enkel testamenten, maar vooral authentieke documenten die dienen om complotten aan te tonen. Van de jezuïeten, de vrijmetselaars en allerlei satanisten, en het liefst verzint Simonini over de Joden.

Odi ergo sum
Al van jongs af aan is Simonini vervuld van een hevig antisemitisme. Het hoofdstuk waarin Simonini wordt geïntroduceerd heet ‘Wie ben ik’, en wat volgt is een reeks tirades tegen alle rassen, en natuurlijk met name de Joden. Siminoni’s lijfspreuk is ‘Odi ergo sum’: ik haat dus ik ben. Steeds weer voert Eco heel gevat personages op die in hun uitspraken onbewust de volstrekte onzinnigheid van dergelijke rassenhaat blootleggen. Daarvoor is Simonini blind, maar hij ziet wel waarin de kracht van complotten schuilt, zo blijkt uit hetgeen hij over Dumas pèresJoseph Balsamo beweert:

Dumas biedt eenieder die gefrustreerd is (individuen zowel als volkeren) de uitleg voor diens falen: het was iemand anders, op de Donderberg, die je ondergang heeft beraamd.

Wanneer Simonini doorbabbelt over zijn afkeer van de Joden, dreig je soms bijna de verwerpelijkheid daarvan te vergeten. Vakkundig voorkomt Eco dat, door toespelingen op de ‘eindoplossing’, of een tussenzinnetje als ‘arbeit macht frei’.

Naast haat staat Simonini’s leven in het teken van eten. Bij wijlen, soms op het irritante af, lijkt De begraafplaats van Praag een culinaire gids. Ook in de beschrijvingen van de complotten put Eco uit zijn eruditie. Natuurlijk ligt aan de basis van het complot de haat, gecombineerd met de bruikbaarheid ervan in het politieke machtsspel. Simonini plagieert uit bestaande complottheorieën, zoals Sue’s Le Juif errant. En heel belangrijk: hij heeft een goed gevoel voor de tijdgeest in zijn keuze voor de juiste vijand en diens wapen.

Avonturenroman
Bij vlagen leest De begraafplaats van Praag als een avonturenroman. Eco heeft zelfs, zoals gebruikelijk in zulke romans, veel paginagrote plaatjes opgenomen. Het is een letterlijk fantastische geschiedenis, doordrenkt van Eco’s overvloedige taal, maffe historische feiten en ironische blik:

Al een eeuw lang doet de Parijzenaar niets liever dan barricades opwerpen, en dat die vervolgens bij het eerste het beste kanonschot bezwijken, lijkt hem niet te deren: barricades werp je op om je een held te voelen.

Maar spannend als een avonturenroman wordt het boek jammer genoeg nooit. Hoewel de oorzaak van Simonini’s plotselinge geheugenverlies lang een raadsel blijft, is het van begin af aan duidelijk dat Eco Simonini opvoert als de auteur van de Protocollen van de wijzen van Zion. Vergeleken met Eco’s andere grote complottenroman De slinger van Foucault, nog erudieter, ingenieuzer, en veel duizelingwekkender, legt De begraafplaats van Praag het simpelweg af. Maar het is wel een échte Eco, en dus voor de liefhebber een aanrader.

Laurent Binet – HhhH

Poëzie van de geschiedschrijving

Oorspronkelijk verschenen 27-12-2010: http://www.8weekly.nl/artikel/8892/laurent-binet-vert-liesbeth-van-nes-hhhh-poezie-van-de-geschiedschrijving.html

In veel Nederlandse boekhandels liggen stapels boeken met de intrigerende titel HhhH. Het is een niet-commercieel debuutwerk, waarvoor auteur Laurent Binet de kleine Prix Goncourt ontving; voorvoelen de boekhandelaars soms een verkoophit? Voor deze ene keer mag het, want met HhhH betreedt Binet bijna onontgonnen terrein door op unieke wijze geschiedenis en fictie te kruisen.

HhhH is de afkorting voor wat de SS’ers over de positie van Reinhard Heydrich zeiden: ‘Himmlers Hirn Heiβt Heydrich’ (Himmlers hersens heten Heydrich). Hij is de perfecte nazi, Himmlers tweede man, rijzende ster binnen het nazisysteem en protector van Bohemen en Moravia (Tsjechië). Daar voert Heydrich een schrikbewind, hij is ‘de Beul van Praag’. Gelukkig is hij ook sterfelijk. Op 27 mei 1942 vindt de belangrijkste geslaagde verzetsdaad van de Tweede Wereldoorlog plaats: Heydrich wordt verwond en sterft binnen een week. De aanslagplegers Gabčík, Kubiš en Valčík, met achter hen nog talloze mensen uit het verzet, zijn de helden van Binets boek.

Bijzonder
Binets grote inspiratiebron is de roman/geschiedenis Le mors aux dents (1935) van Vladimir Pozner. In de eerste helft van dat boek beschrijft Pozner zijn onderzoek, in de tweede helft de daarop stoelende roman (overigens doet Van Reybrouck inDe plaag iets soortgelijks). Op eigen postmoderne wijze gaat Binet met Pozners idee aan de haal. In 257 sterk afwisselende paragrafen  soms feitelijk-historisch, soms meer romanesk  verweeft hij de geschiedenis van de moordaanslag op Heydrich met zijn historisch onderzoek daarna.

Binets probleem is dat over de verzetsmensen nagenoeg geen bronnenmateriaal beschikbaar is. Over Heydrich is natuurlijk genoeg bekend. Nadat Binet in sterke korte scènes diens opkomst binnen het nazisysteem heeft beschreven, twijfelt hij hardop in welke vorm de opmaat tot de aanslag op Heydrich te beschrijven, klem als hij zit tussen het willen vertellen over de door hem bewonderde verzetsmannen en zijn integriteit als historicus. Toch slaagt hij daarin, zijn werkbare en mogelijkheden tot romantisering biedende middenweg is ‘ik stel me zo voor dat…’, en variaties daarop.

Door de combinatie van zijn openlijke twijfel en de steeds uitgesproken liefde voor het onderwerp, weet Binet natuurlijk handig sympathie voor zijn boek op te wekken. Neem een innemende passage als deze, volgend op een citaat van Goebbels over ene ‘Gregory’:

Wie die Gregory is, echt, ik heb geen flauw idee. En laat u niet in de luren leggen door mijn zogenaamd nonchalante toon, want ik heb gezocht!

Geniaal idee
In feite recenseert Binet zijn eigen onderzoek. Steeds beschrijft hij alle mogelijke kritiek, om die vervolgens te weerleggen of uit te leggen dat het nu eenmaal niet anders kon. Anderzijds tornt hij niet aan zijn historische integriteit. Maar doordat Binet zichzelf de ruimte gunt literaire middelen te gebruiken, spreekt uit HhhHbovenal de inspirerende schoonheid van de historiografie en de liefde voor het geschiedenisverhaal. Enkel maakt hij wat schoonheidsfoutjes door overbodige zinnen als ‘er is wel eens resoluter gesproken’ op een citaat te laten volgen.

De aanslag wordt op de eerste bladzijde aangekondigd. Na driehonderd bladzijden zijn we daar aanbeland, en zelfs dan (en ook erna) is het razend spannend. Na de aanslag volgen represailles waarbij duizenden mensen sterven. Binet doordenkt zijn boek overtuigend met de wat contra-intuïtieve gedachte dat de aanslag op Heydrich op dat moment in de geschiedenis al die levens waard was. Dat is iets om op te kauwen, net als het gehele HhhH dat is. Na het lezen van dit boek kun je maar een conclusie trekken, en dat is dezelfde als die Binet trok na het lezen van Pozners werk: ‘Dit is gewoon geniaal.’

Klassieker: Louis-Ferdinand Céline – Reis naar het einde van de nacht

Een schitterende hellevaart

Oorspronkelijk verschenen 20-09-2010: http://www.8weekly.nl/artikel/8650/een-schitterende-hellevaart-klassieker-louis-ferdinand-celine-reis-naar-het-einde-van-de-nacht.html

Het is een van de machtigste romans uit de wereldliteratuur. Geschreven in Célines volstrekt oorspronkelijke, hallucinerende stijl, vertelt Reis naar het einde van de nacht (1932) over het koortsachtige bestaan van Ferdinand Bardamu. Het voert hem én de lezer langs de twintigste-eeuwse verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog, gekoloniseerd Afrika en het in kapitalisme doorgeslagen Amerika. 

De nietsontziende manier waarop Ferdinand zichzelf en zijn reactie op de wereld beschrijft, is indrukwekkend. Dit komt vooral doordat in vergelijking met veel andere (ook goede) romans, waar je jezelf weliswaar kan inleven in de beschreven eigenschappen, je jezelf niet alleen inleeft in die van Ferdinand, maar de eigenschappen ook daadwerkelijk als van jezelf herkent. Céline beschrijft de fundamenten van de menselijke conditie.

De banaliteit
Dat effect van identificatie lijkt vooral veroorzaakt te worden doordat hij zowel zijn eigen banaliteiten als die van de ander op de korrel neemt. Ferdinand reist almaar verder, steeds op weg naar een nieuw ‘nachtelijk’ dieptepunt, bijvoorbeeld het ontzielde Amerika. Daar werkt hij kortstondig in een fabriek en ervaart hij de hulpeloosheid opgeroepen door de totale onverschilligheid van de grote stad:

Ik heb ‘Help! Help!’ naar ze geschreeuwd, alleen om te kijken of ’t ze iets deed. ’t Liet ze Siberisch. Ze duwden ’t leven, de nacht en de dag voor zich uit. ’t Leven verbergt alles voor de mensen. Midden in hun eigen lawaai horen ze niets.

Wanneer Ferdinand zich vergaapt aan de typische schoonheid van de Amerikaanse vrouwen, mijmert hij over zijn onbeantwoorde verlangen:

Weet u wat ze bij ons op ’t platteland uithalen? Ze proppen een oude portemonnaie vol met rotte ingewanden van een kip. Nou, een mens is precies hetzelfde, ik mag doodvallen als ’t niet zo is, alleen is ie groter en beweegt, en is vraatzuchtig, en verder heeft ie binnen in zich een droom.

Het kenmerkt Ferdinands dubbele perspectief. Enerzijds brengt hij mededogen op met de uitgebuite mens (de soldaten, de fabrieksarbeiders en nachtelijke schoonmakers in Amerika) en ervaart en droomt hij af en toe de liefde, anderzijds beeldt hij zichzelf af als een banaal persoon, vooral op zoek naar een vrouw die met hem naar bed gaat en hem warmte geeft – maar dan toch vooral dat eerste. Een van de bijzonderheden van Célines Reis naar het einde van de nacht is deze mengeling van weliswaar pessimistische, maar elegante gedachten en eerlijke banaliteiten: hij schrijft het zoals het is.

Mededogen
Naarmate de roman vordert, ontwikkelt Ferdinand ondanks zijn nihilisme steeds meer mededogen met de arme, hulpeloze mens en krijgt hij steeds meer ontzag voor de liefde. Hij blijft net zo pessimistisch over zichzelf (‘Je kon inderdaad in mijn innerlijk kijken net als in een open gulp’) als over zijn medemens, maar komt af en toe, te midden van al de ellende, ook ontroerende lichtpunten tegen.

Zo ontmoet hij in het hart van Afrika Alcide, die zes jaar lang in eenzaamheid in de jungle doorbrengt om zoveel mogelijk geld te kunnen sparen voor zijn nichtje, een weeskind dat hij vermoedelijk nooit zelf zal zien. Tegen de achtergrond van Afrika, beschreven als een plek waar iedereen eigenbelang najaagt of langzaam crepeert, steekt Alcides zuivere goedheid fel af.

Molly
Wanneer Ferdinand de Amerikaanse prostituee Molly ontmoet, leert hij dat ook hij object van liefde kan zijn. Het is het grootste lichtpunt te midden van een donkere wereld waarin domheid en egoïsme hand in hand gaan, maar hij realiseert zich dit pas ten volle nadat zijn rusteloosheid hem heeft teruggejaagd naar Frankrijk. Desalniettemin is het besef daar en alleen daarom al heeft het waarde. Het levert twee zeldzaam milde, liefdevolle pagina’s op.

Terug in Parijs studeert Ferdinand medicijnen, waarna hij huisarts wordt in de Parijse voorstad Clichy. Zowel hier als in latere passages waarin hij in een psychiatrische kliniek werkt, richt Ferdinand zich beroepshalve op het helpen van de medemens. Het mededogen wint het, in de praktijk, van zijn zwartgalligheid. Dat betekent overigens niet dat hij zelf rust heeft gevonden:

Er is een moment dat je helemaal alleen staat, wanneer je de grens hebt bereikt van alles wat je overkomen kan. Dat is het einde van de wereld.

Célines muziekje
De schitterende stijl van Céline was revolutionair en is de voornaamste reden dat dit boek zo ontzettend goed is. Waar hij in zijn tweede meesterwerk Dood op krediet (1936) steeds de driepuntjes en het Parijse argot gebruikt, doet hij dat inReis naar het einde van de nacht veel minder. Hij gebruikt veel spreektaal en heeft soms een wat provocerend plastisch woordgebruik, maar wisselt dat af met een meer klassiek taalgebruik. Een afwisseling die fijner leest. Kenmerkend is de vaartmakende, hallucinerende werking van Célines taal – zelf noemde hij dat ‘mijn muziekje’. Die stijl past precies op de inhoud, van de koortsachtige Ferdinand, die almaar verder reist in een poging de zinloosheid van het bestaan te ontvluchten.

Vaak wordt Reis naar het einde van de nacht getypeerd als een ‘Eerste Wereldoorlogroman’, omdat Ferdinand daar een oorlogstrauma zou hebben opgelopen. Deze kwalificatie doet het boek echter niet genoeg recht. Natuurlijk worden zowel zijn nihilistische gedachten als zijn drang om almaar verder te reizen bepaald door zijn oorlogservaringen. Maar langzaam wordt het duidelijk dat Ferdinand ‘normaal’ is, en dat juist de rest van de opgevoerde personages de gekken zijn. Het is Ferdinand contra mundum:

‘Kop op, Ferdinand,’ herhaalde ik telkens in mezelf om de moed niet te verliezen, ‘als je overal constant de deur uit wordt gemieterd, kom je er heus nog wel eens achter waar ze allemaal zo bang voor zijn, al die smeerlappen bij elkaar, en dat zal zich wel aan ’t eind van de nacht bevinden.

Controversieel
Toen Céline in 1932 zijn Voyage au bout de la nuit publiceerde, brak er, geheel in lijn met wat nog komen ging, direct een rel in de Franse literaire wereld uit. Het luid bejubelde en bekritiseerde boek won niet de prestigieuze Prix Goncourt, wat volgens velen zeer onterecht was (ook volgens het oordeel van de geschiedenis, want wie kent het winnende boek Les loups, van Guy Mazeline, nog?). Hetzelfde jaar werd de roman in Nederland vertaald als Reis naar het einde van de nacht. Ook hier ontstond een strijd tussen de ‘zedelijkheidsmaniakken’, die protesteerden tegen Célines overvloedige gebruik van krachttermen, en lyrische critici die zeiden de ‘hallucinerende hellevaart’ onder ‘een betovering’ te lezen.

Maar de grootste rel moest nog volgen, en is tevens de reden dat de schrijver Céline nog altijd controversieel is. In 1937, vijf jaar na Reis naar het einde van de nacht, publiceerde hij het pamflet Bagatelles pour un massacre, later gevolgd door nog andere pamfletten. Deze staan bol van een radicaal antisemitisme en bovendien uit Céline – alsof het nog niet erg genoeg was – hierin ook de wens dat Frankrijk zich aansluit bij Hitlers Duitsland. Deze wetenswaardigheid maakt de persoon Louis-Ferdinand Céline ronduit afstotend, en de schrijver Céline problematisch. Laat ik hier benadrukken dat, zelfs met deze feiten in het achterhoofd, er tijdens het lezen van Reis naar het einde van de nacht nergens iets valt te bespeuren dat lijkt op enige vorm van antisemitisme – enkel van een consistent geuite, algemene misantropie.

Het is een van de machtigste romans uit de wereldliteratuur. Geschreven in Célines volstrekt oorspronkelijke, hallucinerende stijl, vertelt Reis naar het einde van de nacht (1932) over het koortsachtige bestaan van Ferdinand Bardamu. Het voert hem én de lezer langs de twintigste-eeuwse verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog, gekoloniseerd Afrika en het in kapitalisme doorgeslagen Amerika. 

De zinloosheid van het bestaan, het egoïsme en de domheid van de mens worden in de meest rücksichtsloze woorden beschreven. Maar het bijzondere is dat na veel van die paginalange tirades, de lezer de retorisch bewerkstelligde puinhopen onder ogen ziet en tot de verrassende ontdekking komt dat wat overblijft het mededogen met de mens is.

Over alles
Reis naar het einde van de nacht moet gelezen worden, omdat het een boek is dat werkelijk alles in zich herbergt wat literatuur zo mooi kan maken. Het kunstwerk moet daarom los van de opvattingen van de kunstenaar worden beschouwd. Iedere menselijke zwakheid wordt gezien en nietsontziend veroordeeld, maar kijkend vanuit Ferdinands perspectief blijf je mededogen voelen voor die arme mens. Dankzij dat mededogen en Célines unieke stijl krijgt de lezer af en toe, op schitterende momenten, de indruk dat de beschreven strijd tegen de zinloosheid slaagt. Dat maakt dat er van de schoonheid van dit boek vertroosting uitgaat.

Meindert Fennema – Geert Wilders. De tovenaarsleerling

Nederlands meest controversiële politicus

Oorspronkelijk verschenen 09-09-2010: http://www.8weekly.nl/artikel/8638/meindert-fennema-geert-wilders-de-tovenaarsleerling-nederlands-meest-controversiele-politicus.html

De politieke carrière van de meest controversiële Nederlandse politicus Geert Wilders is een aaneenschakeling van opvallende manoeuvres en episodes – mede daardoor is zijn PVV zo groot. Hoog tijd dat iemand het verhaal van al die opvallendheden in kaart brengt. Dat heeft Meindert Fennema gedaan; met Geert Wilders. De tovenaarsleerling heeft hij een interessant en buitengewoon prettig leesbaar boek geschreven, dat echter ook dubieuze kanten heeft.

Hoogleraar in de politieke theorie van etnische verhoudingen Meindert Fennema begint met Wilders’ vroege jaren binnen de VVD. Daar begon hij in 1990 als fractiemedewerker. Zijn expertisegebied was de sociale zekerheid, maar hij koesterde speciale belangstelling voor Oost-Europa en het Midden-Oosten. Wilders’ onaflatende werklust en zijn publicaties wekten de aandacht van toenmalig VVD-leider Frits Bolkestein, en dat gaf Wilders’ carrière vaart. Van zijn kant heeft Wilders altijd met weemoed teruggedacht aan de tijd dat de moedige Bolkestein de VVD leidde; binnen de latere centrumkoers kreeg Wilders weinig ruimte voor zijn standpunten. Uiteindelijk gevolg hiervan was zijn breuk met de VVD.

Islamkritiek
Als eenmansfractie verwoordde hij zijn anti-islamstandpunt met toenemende kracht. Vanaf midden 2005 koppelde hij daar, in navolging van Fortuyn, de stelling aan dat ‘de politieke elite’ ervoor zorgt dat de ‘islamisering’ ongestoord de samenleving binnen kan dringen. De bedreigingen stroomden de afgelopen vijf jaar binnen, als gevolg waarvan Wilders’ leven bepaald wordt door de beveiligingsvoorschriften. Het is verbazingwekkend te lezen hoe die beveiliging in eerste instantie was geregeld; Wilders werd aanvankelijk in Kamp-Zeist ondergebracht, in de twee cellen waar eerder de Libische Lockerbie-verdachten hadden gezeten.

Interessante gedeelten in het boek zijn die waarin Fennema uitvoerige aandacht besteedt aan de steeds wisselende politieke vrienden van, en invloeden op Wilders. Natuurlijk komt ook de ieder welbekende electorale opmars van de PVV aan bod, culminerend in de 24 zetels tijdens de Tweede Kamerverkiezingen van juni 2010.

Belevingswereld
Fennema uit zijn bewondering voor zowel het uithoudingsvermogen als de politieke kwaliteiten van Wilders. Sowieso handhaaft hij bijna het gehele boek door een politiek neutrale, naar sympathie neigende toon. Enkel in het hoofdstuk over het lopende proces tegen Wilders spreekt Fennema zich uit: tégen vervolging. De overdreven ondertitel ‘De tovenaarsleerling’ lijkt overigens vooral uit verkoopoverwegingen op de kaft te prijken.

Het grote probleem met dit verder goede boek is dat Fennema Wilders niet heeft gesproken, maar toch schrijft hij – weliswaar zeer aannemelijk – alsof hij weet hoe Wilders politieke beslissingen beredeneerde en zijn politieke leven tot nu toe heeft ervaren. Een voorbeeld: ‘Hij begon ook de spanning te voelen die het proces met zich meebracht.’ In een tv-programma zei Fennema dat hij dergelijke gevoelens had vernomen van anonieme bronnen rond Wilders – maar dan nog komt het uit een nergens vermelde, secundaire bron.

Hetzelfde probleem komt naar voren bij een passage waarin wordt vermeld dat ‘der Blonde Engel’ verschillende affaires heeft gehad (die Fennema heeft opgenomen om te laten zien dat Wilders geen heilige is):

Ook journalisten en zelfs vrouwelijke Kamerleden van andere fracties deden er een moord voor om, al was het maar voor een nacht, de eenzaamheid van de politiek gevangene te verlichten. Zijn gedwongen isolement werkte als een magneet.

Verfrissend
Het hangt af van het ingenomen perspectief hoeveel waarde er moet worden gehecht aan deze kritiekpunten. Fennema heeft niet dé politieke biografie over Wilders willen schrijven, maar ‘slechts’ een beschrijving van diens politieke carrière. En afgezien van het genoemde kritiekpunt is de documentatie in orde, al komt Fennema niet met veel nieuwe feiten (zo is er helaas geen nieuws over de herkomst van de donaties aan de PVV). Desalniettemin is het interessant en verfrissend om alle episodes uit het door hypes vaak onoverzichtelijk gemaakte politieke leven van Wilders achter elkaar te lezen. Het wegpoetsen van de open gaten is een dubieuze beslissing, maar zorgt er tegelijkertijd wel voor dat dit boek zo prettig wegleest. Vooral dat maakt dit boek een aanrader voor iedere politieke junk.

Herta Müller – Ademschommel

In balans met de hongerengel

Oorspronkelijk verschenen 20-02-2010: http://www.8weekly.nl/artikel/8148/herta-muller-vert-ria-van-hengel-ademschommel-in-balans-met-de-hongerengel.html

De Nobelprijs voor de Literatuur ging in 2009 naar Herta Müller. De motivering van de Academie was dat Müller ‘met de concentratie van de poëzie en de vrijheid van het proza het landschap van de misdeelden schildert’. Ademschommel is daar een proeve van. Daarin beschrijft Müller op unieke wijze de geestelijke overlevingsstrijd van een individu in een Russisch werkkamp. 

In 1944 werd in Roemenië Antonescu’s fascistische regime door de Russen omvergeworpen. Alle in Roemenië woonachtige Duitsers werden opgeroepen om mee te helpen in de Russische ‘wederopbouw’. Naast de moeder van Herta Müller werd ook Oskar Pastior in een kamp tewerkgesteld. Hij maakte aantekeningen van zijn kampleven, en voor zijn overlijden in 2006 gaf hij Müller toestemming om die in een roman te verwerken. In die aantekeningen ligt de basis van Ademschommel.

1 gram brood
En zo ontrukt Herta Müller een donkere periode aan de vergetelheid. In een poëtische, maar concrete vorm beschrijft ze het kampleven van haar hoofdpersonage, Leopold Auberg. Vijf jaar brengt hij door in het kamp. Het grootste gedeelte daarvan wordt in beslag genomen door de praktische noden waartoe het kampleven hem dwingt: hoe vul je je maag met tweemaal per dag koolsoep zonder kool en hoe mat je jezelf niet te veel af bij het kolen- of slakkenscheppen. Want je weet: ‘1 schep = 1 gram brood’. Met al zijn macht probeert Leo een zekere balans te houden. Soms ligt die balans in hemzelf, zoals bij het kolenscheppen met de ‘harteschop’, soms zoekt hij die buiten zichzelf, zoals wanneer hij een ademschommel tracht te vinden:

Bij het appèl trainde ik mij om mezelf te vergeten terwijl ik in de houding stond, en het in- en uitademen niet van elkaar te scheiden. En mijn ogen omhoog te draaien zonder mijn hoofd op te heffen. En aan de hemel een hoek van een wolk te zoeken waaraan je je botten kon hangen. Als ik mezelf was vergeten en de hemelse haak had gevonden, hield die me vast.

Hongerengel
Omstandigheden en objecten waarmee Leo te maken heeft, duidt hij zoals de primitieve mens dat moet hebben gedaan. Hij heeft geen enkele controle op de situatie, maar wel de wetenschap dat de honger te erg kan worden, dat ziekte en uitputting op ieder moment toe kunnen slaan. Daardoor gaan die grootheden een eigen leven leiden. Om te overleven, moet hij de hongerengel in de ‘veloverbeentijd’ zien te misleiden: ‘Ik zal zijn weegschaal bedriegen wanneer de hongerengel mij weegt. Net zo licht als mijn gespaarde brood zal ik zijn. En net zo moeilijk te bijten.’

Müller schrijft schitterend over Leo’s beleving van zoiets onelegants als cement of het ritme van het kolenscheppen. Hij dwingt zichzelf het aangename te zoeken, om de geuren van de fabriek in zijn voordeel te herinterpreteren:

Het lukte mij om aangenaam verslaafd te raken, omdat ik de substanties niet wilde toestaan giftig over mij te beschikken. Aangenaam verslaafd betekent niet dat ik mij ermee verzoende (…) Noodzakelijk en een foltering, omdat ik ze geloofde hoewel ik wist waarvoor ik ze nodig had.

Het is Leo’s intuïtieve reactie om de kampellende geestelijk te kunnen verdragen. Müller verpakt zijn strijd in een overvloed aan poëtische beelden. Die blijven echter te allen tijde reëel; intuïtief voelt de lezer aan dat het zo kan gaan, dat deze banale objecten en omstandigheden op deze mythische manier door de geest geduid kunnen (of misschien: moeten) worden. De combinatie van die concrete poëzie met Leo’s verbeeldingsstrijd maakt Ademschommel een uniek werk.

Hans Achterhuis – De utopie van de vrije markt

Hebzucht is goed!

Oorspronkelijk verschenen 19-05-2010: http://www.8weekly.nl/artikel/8417/hans-achterhuis-de-utopie-van-de-vrije-markt-hebzucht-is-goed.html

De Wall Street-bankiers belichamen met hun hebzucht de hoogste deugdzaamheid. Gordon Gekko’s ‘Greed is good’ wordt zowel in Amerika als, in iets mindere mate, Europa helemaal niet ironisch opgevat; velen geloven werkelijk in dit neoliberale adagium. In De utopie van de vrije markt ontleedt utopie-expert Hans Achterhuis op toegankelijke wijze de aard en kwalen van het neoliberalisme.

Ook Achterhuis was deelgenoot van de wijdverbreide blindheid voor de utopische aspecten van het neoliberalisme. Iedereen accepteerde klakkeloos de toverformule van de intrinsiek harmonieuze vrije markt die overal efficiëntie en welvaart zou brengen. De oorzaak hiervan is dat iedere ideologie zichzelf presenteert als een onontkoombare en natuurlijke visie op de werkelijkheid. Bijna iedereen kijkt door een, in dit geval, neoliberale bril naar de werkelijkheid. Bovendien doet iedereen mee aan het neoliberale kapitalisme, waardoor het een objectief, door niemand bedacht proces lijkt te zijn. Zoals de commissie-De Wit stelde: iedereen is medeschuldig aan de huidige kredietcrisis – en daarmee is er geen hoofdschuldige.

De neoliberale Marx
Maar het neoliberalisme heeft wel degelijk een eigen Marx: Ayn Rand. In Europa totaal onbekend, maar niet in Amerika, getuige de verkoopcijfers van haar magnum opus Atlas shrugged (1957, vertaald als Atlas in staking) dat de afgelopen decennia alleen de Bijbel op de Amerikaanse bestsellerlijsten voor zich duldde. Achterhuis wil dat veranderen en wijdt daarom tientallen pagina’s aan de in Atlas shrugged ontvouwde utopie. Binnen Rands ‘Atlantis’ dient iedereen te handelen vanuit het eigen rationele eigenbelang; niets mag de hebzucht naar alsmaar meer in de weg staan. Het is een samenleving waarin behoefte, hulp en gemeenschappelijkheid verboden zijn. Dit neoliberalisme predikt ‘de utopie van de begeerte’. Ziet u deze hemel op aarde al voor u?

Vele Amerikanen, nog altijd, in ieder geval wel. Zij houden van de Atlassen uit de titel. Dat zijn vrije, geniale producenten die uit onvrede over toenemende staatsinterventie de samenleving verlaten, om ‘achter de bergen’ een nieuw Atlantis te ontwikkelen. In de jaren vijftig en zestig had Rand een eigen kring van geloofsgenoten gevormd onder wie zich, zo oordeelde zij, een paar van zulke Übermenschen bevonden. Een van hen was Alan Greenspan, de man die tot 2006 president van de Fed was (de Amerikaanse Federal Reserve Bank). Onder deze overtuigde neoliberaal konden de banken de risico’s nemen die hebben geleid tot de huidige kredietcrisis. Dit geeft een goed beeld van hoe ver de invloed van Rands neoliberalisme strekt.

Solidariteit
De utopie van de vrije markt staat bol van sterke argumentatie, mooie inzichten en koppelingen van beide aan zowel actuele (kranten)publicaties als oude denkers. Na de uiteenzetting van Rands utopie schetst Achterhuis een historisch en filosofisch overzicht van de inrichting van de menselijke economie. Dat levert beslissende, soms halfvergeten argumenten op tegen het neoliberalisme.

Hier is maar ruimte voor één voorbeeld: Émile Durkheims concept van ‘organische solidariteit’. Dit houdt in dat binnen de geïndividualiseerde moderne maatschappij door de arbeidsverdeling wel degelijk een sterke onderlinge verbondenheid bestaat. De intelligente bankier (zoals Rands Atlassen) krijgt alleen de ruimte veel geld te verdienen als anderen binnen de samenleving het vuilnis ophalen of de zorg regelen. Ieder individu is een orgaan binnen het grotere lichaam van de samenleving. Het neoliberalisme geeft hoog op van de vrijheid van het individu, maar vergeet dat die enkel in verbondenheid tot stand kan komen.

Nieuwe balans
Achterhuis’ De utopie van de vrije markt is een slimme, rücksichtslose analyse van de aard en opkomst van het neoliberalisme. Hij neemt de lezer bij de hand en leidt hem heel rustig, zonder morele vooroordelen, langs een wijd scala aan feiten en ideeën. De onvermijdelijke conclusie van dit belangwekkende betoog luidt: het neoliberalisme is onze samenleving vergaand aan het beschadigen. De oplossing? Een nieuwe balans tussen vrije markt, burgermaatschappij en staat.