John Gray, SPUI25-lezing ‘Mythe en fictie in de hedendaagse politiek’

John Gray, SPUI25-lezing ‘Mythe en fictie in de hedendaagse politiek’

History as usual

Oorspronkelijk verschenen 30-09-2012: http://www.8weekly.nl/artikel/10249/john-gray-spui25-lezing-mythe-en-fictie-in-de-hedendaagse-politiek-history-as-usual.html

Al jarenlang hamert politiek filosoof John Gray onaflatend op het gevaar van de alomtegenwoordige vooruitgangsmythe. Weliswaar sijpelt momenteel het geloof weg in de permanente houdbaarheid van economische groei, maar nog altijd gaat iedereen ervan uit dat oorlogen afnemen en dat collectieve kwaadaardigheid van eerder en elders is.

In de zesde SPUI25-lezing benadrukt de realistische profeet Gray, wiens gelijk telkens weer door de actualiteit wordt onderschreven, dat deze aannamen worden gelogenstraft door de ervaringswijsheid. Alvorens Gray dit, en meer, mag verkondigen, besteden Marita Mathijsen en Louise Gunning, collegevoorzitter van de UvA – alles complimenterend maar niets zeggend, zoals collegevoorzitters plachten te doen – aandacht aan het begin van de lustrummaand van SPUI25. Dit succesvolle instituut, dat erin slaagt om kunst en wetenschap te verbinden en een centrum voor vruchtbare polemiek te vormen, bestaat deze maand namelijk vijf jaar. Tot en met half oktober is het programma nog meer dan anders gevuld met indrukwekkende namen, zowel in sprekers als besprokenen (zie www.spui25.nl).

A return to normalcy
Goed, genoeg (gemeende) pluimen uitgedeeld. Waar het werkelijk om gaat is de boodschap van John Gray, een van de grootste hedendaagse publieke intellectuelen, de auteur van Black Mass (2007), Strawdogs (2003) en het meest recent The Immortalization Commission (2011). Hij spreekt in de aula van de Lutherse Kerk op het Spui.

Onder het sfeerbepalende gewelf trapt Gray af met het kastijden van de fictie ‘Europa’. Bon ton natuurlijk, in ieder geval sinds de eurocrisis, maar Gray roept dit al jaren. Sowieso is hij een woestijnprofeet, wiens vooruitziende stellingen telkens ongehoord blijven. Althans, ongehoord door ‘de machthebbers’, om vervolgens door de voortsnellende realiteit te worden bewaarheid.

Vanzelfsprekend vindt hij de oorspronkelijke bedoeling van het Europese project, het ‘nooit meer oorlog’, niet alleen nobel, maar ook verstandig. Na enkele decennia nam echter het nobele, het ideaal, de overhand en verwerd het tot geloofsartikel. Dit is het stramien dat Gray aanklaagt, en dat wordt verwoord door Bas Heijne in het vraaggesprek na afloop. Het haalbare ideaal ontwikkelt zich tot een absoluut idealisme, dat almaar blinder maakt voor de realiteit. Dit aldus vertroebelde perspectief baarde vervolgens de gezamenlijke munt en het krampachtige streven naar politieke eenwording. Alsook, dankzij de onvermijdelijke gebreken daarvan, de huidige crisis.

Wat te doen, zeker nu, op het moment dat niet alleen Gray maar ook de geschiedenis hierop wijst? Hij observeert ‘a return to normalcy’. Hieronder schaart hij zowel de ‘terugkeer’ van de economische crisis als de toxische politiek. Toch, stelt Gray, houden nog velen vast aan de gevaarlijke fictie Europa. Die mensen zijn ervan overtuigd dat Joschka Fischer gelijk heeft als hij zegt dat iedere crisis de Europese Unie weer verder zal brengen, zal aanzetten tot de nodige nieuwe hervormingen en tot verdere inkleuring van het institutionele kader. Dit noemt Gray, gegeven de grote nationale verschillen, onmogelijk.

Onder het plaveisel…
De centrale these van Gray, zowel van zijn lezing als van zijn gehele werk, is dat de mens geen werkelijke morele of ethische vooruitgang maakt, en dat de utopismen die anders beweren gevaarlijk zijn. In tegenstelling tot de ethiek is de verworven wetenschappelijke en technologische kennis cumulatief: ‘Zelfs als alle wetenschappers nu zouden sterven aan influenza, zouden de volgende generaties hoogstwaarschijnlijk die kennis behouden.’ Het beslissende punt is dat ‘human animals are unique in its capacity to grow knowledge, but also unique in its incapacity to learn from knowledge’. Ondanks alle opgedane ervaringen, de bibliotheken vol gecatalogiseerde ellende en daaruit gedestilleerde wijsheden, evolueren wij arme tekortschietende wezens niet wezenlijk.

De over eeuwen opgebouwde instituties die de maatschappelijke vooruitgang kenmerken – welvaartsstaat, tolerantie, slavernijverbod et cetera – kunnen ‘in the blink of an eye’ zijn weggevaagd, ineengestort. Samengevat: onder het plaveisel de natuurstaat, de chaos.

Gray’s overtuigende en dus verontrustende empirische bewijs hiervoor is de door de Verenigde Staten, ’s werelds grootste liberale democratie, gesanctioneerde marteling van nog geen tien jaar geleden. Decennialang was marteling getaboeïseerd, werd het als dusdanig kwaadaardig gezien dat er geen discussie over mogelijk noch nodig was. Maar wie in pakweg 2000 had voorspeld dat binnen vijf jaar een Amerikaanse president marteling zou verdedigen, zou voor een apocalyptische nonsens pratende malloot zijn uitgemaakt. (Raad eens wie een van die malloten was – zie Gray’s vóór Abu Ghraib in de New Statesman gepubliceerde ‘Torture: a modest proposal’).

Zo rijgt John Gray in een prettige trant, kalm maar nadrukkelijk, zijn stellingen aaneen. Gekleed in een Burberry-jasje en dito stropdas is hij de ware Britse intellectueel: hij springt in zijn betoog anekdotisch heen en weer, verwijst naar Joseph Conrad, verluchtigt via het oproepen van een Monty Python-fragment, citeert Keynes en noemt Bertrand Russel ‘Bertie’.

Mythmaking animals
En alles stut die ene these: ‘Progress in politics and morals is a myth.’ Maar voor ons mensen zijn mythen en hun betekenisgevingen onontbeerlijk; wij zijn ‘mythmaking animals’. De vooruitgangsmythe van de afgelopen vijftig jaar was nuttig – ze rekte ‘het mogelijke’ op. Zo bleken de onverwezenlijkbaar geachte mensenrechten deels te verwezenlijken – maar haar oogkleppen werken belemmerend en gevaarlijk nu we op een stagnatiemoment zijn aangekomen. Anderzijds is de mythe en de overtuiging dat de maatschappij enigszins op de rails blijft voor ons van onverminderd groot belang: hoe anders een huis te kopen, een kind groot te brengen, je leven te plannen? Gray erkent dit.

En hier, ik waarschuw maar even, moet u dus in een spagaat. Een vooruitgangsgeloof is onvermijdelijk, maar de keerzijde ervan is gevaarlijk, omdat we simpelweg niet voorbereid zijn als het misgaat (en dat zal het gaan, vroeger of later). De oplossing die Gray aandraagt is onbevredigend – al blijft het de vraag of het mogelijk is iets beters te bedenken. Hij wenst ‘een beetje meer scepticisme’ en de ‘privatisering van de mythe’. We dienen te beseffen dat ‘human beings are somehow inwardly radically flawed’. Uit deze realiteitszin moeten vervolgens nieuwe ideeën voortkomen. En vergeet ook niet, onderwijst Gray: politiek is het vinden van tijdelijke oplossingen voor permanente problemen.

Einde. Alweer.
Terugkerend op de beginstelling: langzaamaan raken we vertrouwd met het idee dat onze welvaart een beetje – toch zeker niet meer dan dat…? – zal afnemen. In ieder geval nooit meer oorlog, toch? Bij het merendeel van de mensen proef je inderdaad de, vaak onbewuste, gedachte: we weten nu wel beter dan in 1914-1945. Gniffelend bezien we de foto’s van de Griekse fascistische partij Gouden Dageraad. Terwijl we zo onze gemoedsrust bewaren, vergeten we dat deze ontwikkeling grofweg eenzelfde loop volgt – natuurlijk: in een onvergelijkbare tijd – als wat er gebeurde in Duitsland 1930. Ter verduidelijking: Gray profeteert geen apocalyps, geen nieuw nazisme. Hij stelt alleen dat de mens niet leert, dat we (stiekem) denken dat hij dit wel doet, en dat deze verblindende gedachte gevaarlijk is.

De afgelopen decennia waren, voor het westen althans, abnormaal. De geschiedenis was er bevroren. Gray: ‘What I’m predicting is history as usual.’ Om vele redenen is het dan ook passend af te sluiten met een verwijzing van Gray naar Samuel Beckett. Deze eindigde een van zijn romans als volgt: ‘The end. Again.’

Het mysterie van het ontbrekende conservatisme

Opinie/achtergrond: HET MYSTERIE VAN HET ONTBREKENDE CONSERVATISME

Oorspronkelijk verschenen 07-09-2012: http://defusie.net/het-mysterie-van-het-ontbrekende-conservatisme/

Het is één van de meest interessante Nederlandse partijpolitieke vragen: waarom kende Nederland afwisselend wel communisten, centrumdemocraten en populisten, maar nooit een conservatieve partij? In dit eerste deel van een drieluik onderzoekt historicus en politicoloog Alexander van Kesteren ‘het mysterie van het ontbrekende conservatisme’, en betoogt hij dat een wending naar het conservatisme waardevol zou kunnen zijn.

Er zijn conservatieven die menen dat een zwangerschap na verkrachting uitgesloten is – en die een abortus zondiger lijken te vinden dan een verkrachting. Veel Nederlanders zien zo’n reactionaire, wanstaltige opvatting als exemplarisch voor het hele conservatisme.

Dat er eveneens welvoelende conservatieven bestaan die gruwen van dergelijke ideeën is in Nederland veel minder bekend. Dit zijn de conservatieven die een fundamentele kritiek uitoefenen op de wereld ‘als markt en strijd’, en die de fysieke, morele en existentiële kwetsbaarheid van de mens kennen en haar daarom willen beschermen en wapenen. Combineer dergelijke ideeën met het moedeloos makende gebrek aan politieke visie, en een passage gloort: waarom zou er niet een politieke partij of beweging putten uit het conservatieve ideeënarsenaal?

Een uitgeroeide moerasplant?
Het abortusvoorbeeld suggereert reeds het antwoord: het zou op dit moment electorale zelfmoord zijn. Het conservatisme heeft, om het op z’n eenentwintigste-eeuws te zeggen, een imagoprobleem. Dit probleem zit ingebakken in de gangbare Van Daledefinitie, namelijk “verkleefdheid aan het bestaande/behoudzucht”. Voor deze ene keer geeft de taalautoriteit niet alleen antwoord, maar neemt het ook stelling: “Dat het begrip conservatisme in Nederland is verworden tot een soort scheldwoord, valt te betreuren omdat het hier om een eerbiedwaardige politiek-filosofische traditie met waardevolle elementen gaat.”Zoals altijd heeft Van Dale gelijk.

De totstandkoming van deze pejoratieve conservatismedefinitie wordt in ‘Conservatieve gedachten’ (1977) door de socioloog J.A.A. van Doorn in ‘Conservatieve gedachten’ besproken: “Helaas heb ik ondanks nijvere naspeuringen geen conservatief kunnen vinden. Ik heb uit dit gedeelte van het onderzoek de indruk overgehouden dat het gaat om een door progressieve aanwending van milieuvijandige besproeiingsmiddelen uitgeroeide moerasplant.”

Een door progressieve aanwending van milieuvijandige besproeiingsmiddelen uitgeroeide moerasplant.

Behoud én verandering
Het ideaaltypische conservatisme behelst altijd verzet tegen grote of te bruusk doorgevoerde veranderingen in een gegeven toestand. Het koestert de historisch gegroeide, ‘delicate organiek’ van de samenleving en bekritiseert de tegenwoordig veelgeproefde opvatting dat alleen het rationeel legitimeerbare bestaansrecht heeft. Het zijn de bestaande wetten, tradities en conventies die de beproevingen van de geschiedenis hebben doorstaan en hun geschiktheid hebben bewezen om het maatschappelijk fundament te vormen.

Nu bestaan er echter ook zogeheten herstelconservatieven. De opzienbarende combinatie tussen radicaliteit en conservatisme wordt verklaard doordat zij opereren nádat een samenleving van haar ‘juiste koers’ is afgeweken; deze conservatieven pleiten dan ook allereerst voor een ingrijpend herstel, om vervolgens weer een gematigde koers aan te kunnen houden.

In ieder geval meent ook iedere weldenkende conservatief dat soms verandering simpelweg geboden is, praktisch dan wel moreel. En daarnaast noodzaakt ieder behoud ook een bepaalde mate van verandering – denk Di Lampedusa’s Tijgerkat: “Als we willen dat alles blijft zoals het is, moet alles anders worden.”

Anti-dogmatiek
Maar welke inhoud – welke ideeën, waarden – heeft het ‘echte’ conservatisme? Deze vraag is pertinent onbeantwoordbaar – en dit verklaart natuurlijk ook een deel van het onbegrip. De specifieke vorm van het conservatisme is altijd afhankelijk van tijd en plaats, van historisch moment en culturele context. Aldus is het fel gekant tegen iedere vorm van dogmatiek, tegen van de praktijk losgezongen abstracte idealen – hoe welluidend ook – en tegen alle verschillen negerende ideologische blauwdrukken. Zie hier tevens de primaire reden voor de oppositie van het conservatisme tegen de andere twee grote ideologieën, het socialisme en liberalisme.

Vandaar ook de opmerkelijke verscheidenheid aan conservatief genoemde politici of politieke denkers. Een willekeurig rijtje: Burke, De Maistre, Disraeli, Spengler, Aron, Thatcher, Scruton, Palin of Romney’s running mate Paul Ryan.

Hierin is een grove historische driedeling mogelijk: het Britse conservatisme is het meest gematigd, prudent en op traditie gericht; het soms radicale Europees-continentale benadrukt de deugd en de tragische mens; en het meer groteske, hier verder buiten beschouwing gelaten, Amerikaanse conservatisme is daarentegen heel dynamisch, economisch liberaal en in de regel weinig intellectueel.

De broze mens heeft traditie, symboliek, deugd en conventie nodig.

De broze mens
Zoals vaker is het Burke die een meest waardevolle conservatismekern verwoordt. Hij doet dit in één van zijn prachtige schotschriften gericht tegen de Franse revolutionairen (het is veelzeggend dat conservatieven in de regel zoveel mooier schrijven dan andere politiek commentatoren): als je al het niet-rationele wegsnijdt, alle opsmuk rücksichtslos verwijdert, wat bedekt dan nog de “defects of our naked, shivering nature”?[1]

Dit betekent op individueel niveau: de broze mens heeft traditie, symboliek, deugd en conventie nodig als gids en als troost. En collectief gezien: met liberalisme alleen ‘houd je de boel niet bij elkaar’. Voor het voortbestaan van een samenleving zijn tenminste enige preliberale of traditionele waarden van absoluut levensbelang.

Dit geeft inhoud aan het grote conservatieve cultuurkritische potentieel: het fulmineert tegen zowel de excessen van marktwerking als tegen de uniformerende commerciële (beeld)cultuur en het vrijblijvende non-ethos van ‘je eigen ding doen’. Daarentegen huldigt het conservatisme juist zowel het historische en culturele verschil als bepaalde deugden.

Nieuw idealisme
Als gesteld schieten sommige zelfbenoemde conservatieven door in starre behoudzucht of stompzinnig autoritarisme, maar het hier verdedigde conservatisme doet dat juist niet. Evenmin als andere denkstromingen is het conservatisme zaligmakend. Maar zoals Van Dale zei, de onterecht vergeten Europese conservatieve traditie herbergt belangwekkende elementen. Tegenover het starre bourgeoisdenken kan het conservatisme als ‘het nieuwe idealisme’ staan, als een denktraditie met een zo zeldzame eigen visie op mens en samenleving.

Ten slotte moet ook worden toegegeven dat het conservatisme soms doorschiet in een wellustige, esthetisch prachtige onlogica, waaruit een langoureuze, melancholische toon kan klinken. De door Bart-Jan Spruyt, voortrekker van de conservatieve Edmund Burke Stichting (waarover in een volgend stuk meer), gegeven conservatismedefinitie mag hiervoor exemplarisch heten: conservatisme is “ideologie geworden heimwee, een gefluisterde schreeuw dat alles moet blijven zoals het nooit geweest is.”[2] Absurditeit, schoonheid en intuïtieve waarheid: zeldzaamheden waar het de huidige politiek zo vaak aan ontbreekt. Om nog maar eens te benadrukken dat dit conservatisme een vruchtbare inspiratiebron voor Nederlandse politici kan zijn.

[1] E. Burke (2005) [1790] Reflections on the revolution in France. The works of the Right Honourable Edmund Burke, VOL. III. (of 12). zie: http://www.gutenberg.org/files/15679/15679-h/15679-h.htm#REFLECTIONS: 332.

[2] Een parafrase van een zin van Benno Barnard. B.J. Spruyt (2009) Als je eenmaal hebt liefgehad. Over dr. J. T. Doornenbal. geloof, cultuur en politiek. Zoetermeer: Uitgeverij Boekencentrum.

Rob Hartmans – Vijandige broeders?

Rob Hartmans – Vijandige broeders?

Nationaal en democratisch socialisme

Oorspronkelijk verschenen 12-09-2012: http://www.8weekly.nl/artikel/10222/rob-hartmans-vijandige-broeders-nationaal-en-democratisch-socialisme.html

In 1930 barstten de sociaal-democraten van het vertrouwen. De Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) bezat zowel een solide basis als de nog verheugender overtuiging dat binnenkort de meerderheid het vanzelfsprekende sociaal-democratische gelijk zou inzien. Natuurlijk bleek dit toekomstbeeld al te rooskleurig – en het waren de fascisten die dit als eerste duidelijk maakten.

De veelzijdige fascistische dreiging maakte de SDAP (die in 1946 een doorstart maakte als PvdA) bewust van haar fouten. Partijprominenten als Willem Banning spraken van sociaal-democratische ‘onbetaalde rekeningen’ die wél werden voldaan door de nationaal-socialisten. De sociaal-democratie verwaarloosde de middenklasse, opereerde te rationeel-uitleggerig en had bovenal maar weinig oog voor het verlangen naar collectieve zingeving, voor vaderlandsliefde en andere ‘opiaten’.

Een politieke en ideologische kentering
In feite zat de SDAP klem tussen de nog altijd gedeeltelijk aangehangen marxistische theorie en de pragmatische, ‘burgerlijke’ politiek. Volgens de rigide marxistische schemata bestaat de middenklasse immers niet, hebben de arbeiders geen vaderland en is religie het voorbeeld bij uitstek van vals bewustzijn! Dat het nationaal-socialisme de partij deed realiseren dat theorie en praktijk afweken en dat ze er met streng rationalisme alleen niet kwamen, wil niet zeggen dat die politieke stroming electoraal gezien ook werkelijk zo’n grote bedreiging voor haar was. Maar wat hier telt, is dat dit door de SDAP wel als zodanig werd verondersteld. Dit nu is het uitgangspunt in het doorwrochte Vijandige broeders?van Rob Hartmans, onder meer de vaste recensent van non-fictie in De Groene Amsterdammer.

Zijn vernieuwende centrale these is dat grotendeels als gevolg van de ervaren dreiging van het fascisme – en minder door de economische crisis of de wens uit haar politieke isolement te breken – de SDAP tussen grofweg 1933 en 1937 een politieke en ideologische heroriëntering doormaakte. De electorale en existentiële dreiging was overduidelijk, doordat de partij over de grens kon waarnemen hoe respectievelijk de Duitse Sociaal-Democratische Partij (SDP) het onderspit dolf tegenover Hitlers NSDAP, en hoe de sociaal-democraten (en communisten) vervolgens massaal in concentratiekampen belandden.

De SDAP koos voor meer pathos, zo wordt vooral zichtbaar in de Arbeiders Jeugd Centrale (AJC) en in de propaganda rond het terecht fameuze ‘Plan voor de Arbeid’ (1935). Ideologisch was de verandering nog ingrijpender: de partij omarmde de natie, richtte zich meer op het hele volk en niet op enkel de arbeidersklasse, en liet alle voorbehouden varen in de acceptatie van democratie en aanverwante instituties.

Hunkering van het antikapitalistisch hart
Het genoemde Plan van de Arbeid markeert de ommezwaai. Zo gebruikte de SDAP veel propaganda om het onder de aandacht te brengen (‘Het moet, het kan! Op voor het Plan!’). Ideologisch belangwekkend was dat de partij met het Plan voor de eerste keer een werkelijk alternatief presenteerde voor de wijze waarop de regering omging met de crisis. Het Plan bevatte zelfs de indertijd rondzingende contouren van een anticyclische conjunctuurpolitiek. De sociaal-democraten verlieten hiermee op een beslissend punt de marxistische theorie, aangezien er daarin van werd uitgegaan dat de economische ontwikkeling niet te sturen viel en dat het kapitalistische systeem uiteindelijk noodzakelijkerwijs afstevende op de eigen ondergang.

De crisisbestrijding van het Plan was gelijk ook fascismebestrijding. Zoals ‘Stuuf’ Wiardi Beckman, de toenmalige sociaal-democratische ‘kroonprins’, het formuleerde:

Hartmans benadrukt: het Plan was het ‘ja’ van de SDAP.

Titelbroers?
De broeders uit de titel zijn het socialisme en het nationaal-socialisme. Dit verwijst zowel naar de veronderstelde concurrentie tussen beiden – zie het door Beckman genoemde ‘antikapitalistisch hart’ – als naar de vermeende onderlinge verwantschap. Om even actueel te gaan: de PVV en haar schalkse ideoloog Martin Bosma proberen de in naam verwante stromingen gelijk te stellen: zo noemt Bosma Hitler en Den Uyl bloedverwanten.

Die gelijkstelling is belachelijk, maar Hartmans betoogt dat het niettemin zaak is om de moeite te nemen dergelijke stellingen te ontkrachten. Hij heeft een punt, en waarschijnlijk belemmert de op achterflap prijkende PVV-verwijzing de verkoop geenszins – overigens prima, omdat Hartmans een goed boek heeft geschreven.

Ondanks het ‘socialisme’ in beider namen had de SDAP niets wezenlijks gemeen met de extremistische nationaal-socialisten. Want de sociaal-democraten kozen voor de redelijke, linkse middenweg. In retrospectief bleek dit de enige vruchtbare transformatie denkbaar, omdat de SDAP hiermee de fundamenten legde voor de succesvolle, naoorlogse PvdA.

 

Antony Beevor – De Tweede Wereldoorlog

Antony Beevor (vert. Corrie van den Berg, Carola Kloos, Pieter de Smit en Albert Witteveen) – De Tweede Wereldoorlog

De hydra

Oorspronkelijk verschenen 07-07-2012: http://www.8weekly.nl/artikel/10123/antony-beevor-vert-corrie-van-den-berg-carola-kloos-pieter-de-smit-en-albert-witteveen-de-tweede-wereldoorlog-de-hydra.html

Het is een absolute tour de force, het samenpersen in één enkel boek van het meest omvangrijke en meest indringende conflict ooit. En dan moet het ook nog leesbaar zijn. Het is precies wat Antony Beevor heeft gedaan: in 900 soepel geschreven pagina’s vangt hij de Tweede Wereldoorlog.

In verschillende interviews heeft Beevor (1946) gezegd dit boek te willen schrijven omdat hij zich, telkens wanneer hij werd voorgesteld als expert op het gebied van de Tweede Wereldoorlog, een bedrieger voelde. Weliswaar schreef hij veelgeprezen boeken over onder meer de slag om Stalingrad en D-day, maar hij meende dat zijn kennis over het integrale conflict tekortschoot. Zijn knagende geweten is prijzenswaardig, zeker gezien de alom aanwezige mediacharlatans- en beuzelaars. Bij het knagen voegde Beevor de daad en hij schreef De Tweede Wereldoorlog.

De relatie tussen de fronten
In dit ontzaglijke verhaal onderscheidt Beevor twee rode draden (ook omdat hij er moeilijk duizend kan onderscheiden). De eerste wortelt in de door hem ervaren kennislacune. Hij probeert telkens de relatie van het ene tot het andere front te ontleden. Zo begint Beevor zijn verhaal niet bij de Duitse inval in Polen (Fall Weiβ), maar bij de slag bij Halhin-Gol (het Nomonhan-incident). Hier werden de Japanners, in augustus 1939, teruggeslagen door de Russen onder het commando van de bijna mythische Georgi Zjoekov. Gevolg: de Japanners richten zich op China en de Grote Oceaan, wat de Russen weer de mogelijkheid gaf om troepen vrij te maken voor het in 1941 zo hachelijke oostfront.

De Materialschlacht, zo bepalend voor het finale oorlogsresultaat, was dus niet enkel een kwestie van ‘meer is beter’ – ‘het land met de meeste tanks wint’ –, maar simpelweg ook van vaak politiek getinte beslissingen over het waar troepen en materiaal te positioneren. Zo spreidden de Britten te veel, en hield Hitler, tot wanhoop van zijn generaals, gedurende de hele oorlog 400.000 soldaten in Noorwegen paraat. En natuurlijk werd de opeenstapeling van vernietigende macht doorkruist door de oorlogschaos en de ongehoord vaak voorkomende intens domme beslissingen – het doet je afvragen wat ze destijds leerden op die prestigieuze militaire academies…

Ontzettende koppen
Op al deze punten kan de Tweede Wereldoorlog beschreven worden als een hydra-achtig conflict. Maar de militair historicus Beevor heeft ook veel aandacht voor de ontzettendheid van haar koppen, de ongeziene verwoesting en ‘de machteloosheid van de meeste gewone stervelingen tegenover de historische gebeurtenissen die hen als een immense kracht overspoelden’. Naast de Holocaust het geschatte totaal van 60 tot 70 miljoen doden, de evenzo miljoenen verminkten, psychisch beschadigden en verkrachten niet meegerekend. Groteske cijfers. Vandaar, natuurlijk, de plicht van eenieder om achter de cijfers zo veel mogelijk individuen te onderscheiden. En deze plicht wordt enkel versterkt door het besef dat de totalitaire systemen ontmenselijking als het grote middel en vaak ook als doel hadden.

De bijna 900 lange en dichtbedrukte pagina’s maken het noodzakelijk dat Beevor over een soepele schrijfstijl beschikt. Eveneens belangrijk zijn de voorbeelden, zowel als adempauze en als ter verduidelijking. Beevor kiest ze met zorg: nieuw uit de Sovjetarchieven opgeduikelde rapporten, dagboeknotities, ooggetuigenverslagen (prettig genoeg vaak van Vasili Grossman, journalist en schrijver van Leven en lot). Ook gebruikt hij gevarieerde en treffende epitheta, nuttige en ruimtebesparende informatiedragers. Wel lijkt Beevor het meeste werk te maken van de deelonderwerpen waar hij al boeken over geschreven heeft.

Bombast
Sommige passages lezen wat moeizamer, omdat daar de zinnen wat hortend op elkaar volgen. Dit is, gegeven de informatiedichtheid en het ruimtegebrek, bijna niet te vermijden. Kwalijker is dat Beevor soms niet alleen aan de stijl, maar ook aan de nuance voorbijgaat. Zo oogt zijn distillaat van de bezetting van Nederland als de goed-fout geschiedschrijving van Lou de Jong. Op andere punten zet Beevor gelukkig wel de dreigende simplistische dichotomie overboord. Beestjes krijgen de juiste namen, zo kwalificeert hij het doel van de Royal Air Force-bombardementen op Duitsland als ‘het vermoorden van baby’s’.

Hij maakt ook kleine foutjes. Hij doet het bijvoorbeeld voorkomen alsof Hitler blij was met een beklimming door Duitse bergeenheden van de 5600 meter hoge Elbroes, vlak voor de slag om Stalingrad. Maar in werkelijkheid was Hitler woedend, en dreigde hij de betrokkenen voor de krijgsraad te slepen. Een andere aanmerking is de bombast die Beevor zich af en toe toestaat. Betitelingen als ‘een stel geweldige vechtjassen’, of ‘een beer van een vent’ komen relatief vaak voor, en ogen als de taal van de militair historicus. Anderzijds: beschrijf een gevecht, en al helemaal de Tweede Wereldoorlog maar eens zonder naar kitsch neigende heroïek. Maar weinigen zullen dan geneigd zijn over de resterende, eindeloze desolaatheid te lezen.

Kersenbomen
De geallieerde conferenties in vooral Teheran en Jalta zijn aanstootgevend: drie mannen spelen stratego, en wie wint krijgt een paar landen extra. Extra vervelend was dat Stalin dit spelletje het best beheerste. Vooral de Midden- en Oost-Europese volken werden de dupe, terwijl zij al ‘tussen de totalitaire molenstelen bekneld waren geraakt en door de interactie tussen de twee stelsels waren vermalen’. Na de oorlog verbeterde hun lot maar weinig: het westen voerde hen aan de Sovjet-Unie: ‘De ene helft van Europa aan het stalinistische monster moest worden opgeofferd om de andere helft te redden.’ Een historisch offer dat in West-Europa meer aandacht verdient.

Tot slot geeft Beevor een waarschuwing af. Dat de Tweede Wereldoorlog in zo veel landen als het grote referentiepunt dient, is vooral gebaseerd op de dreigende vermaling van het individu en de morele keuzes waartoe zowel staat als individu werden gedwongen. Voor politici is het natuurlijk verleidelijk om in een campagnespeech oorlogsgebeurtenissen te isoleren en bijvoorbeeld te proberen om resonanties van Churchill door te laten klinken, of een overalarmistische vergelijking te maken met de onvergelijkbare situatie van München in 1938. De geschiedenis als kersenboom. Wantrouw iedere politicus die zich bezondigt aan deze misleidende retoriek, want het is pertinent onterecht en uit vals- of domheid ingegeven. Een terecht opgeheven vingertje tot besluit van een goed standaardwerk.

Thierry Baudet en Michiel Visser (redactie) – Revolutionair verval

Thierry Baudet en Michiel Visser (redactie) – Revolutionair verval

Voer voor idealisten

Oorspronkelijk verschenen 26-04-2012: http://www.8weekly.nl/artikel/9967/thierry-baudet-en-michiel-visser-redactie-revolutionair-verval-voer-voor-idealisten.html

Het conservatisme heeft in Nederland altijd een opmerkelijk kleine rol gespeeld. Al te vaak wordt het gedefinieerd als starre behoudzucht. Dat dit zowel onjuist als betreurenswaardig is, wordt bewezen door de bundel Revolutionair verval. Deze toont de rijkheid van de conservatieve traditie.

Onder de redactie van Thierry Baudet en Michiel Visser hebben meer en minder bekende schrijvers – onder andere Dalrymple, Scruton, Hartmans – achttien uiteenlopende denkers uit de achttiende en negentiende eeuw geportretteerd. In 2010 volgden Baudet en Visser al hetzelfde succesvolle procedé in Conservatieve vooruitgang, waarin zij portretten van twintigste-eeuwse denkers bundelden. In beide bundels is de gedeelde grond het conservatisme. De traditie van conservatief denken blijkt goed voer voor idealisten en sowieso voor eenieder die vandaag de dag over politiek en cultuur nadenkt, omdat het actuele ideeën op een verrassende en soms zelfs ontwrichtende manier reflecteert.

De goede kant van het conservatisme
In hun ‘ten geleide’ benadrukken Baudet en Visser wijselijk dat conservatief niet tegenover progressief staat, maar tegenover revolutionair. Hoe kan iemand immers tegen vooruitgang zijn? Zij stellen dat een belangrijk verschil tussen het conservatisme en die andere twee grote ideologieën, het liberalisme en het socialisme, is dat het conservatisme uitgaat van een pessimistischer mensbeeld. Dit lijkt juist, zolang we het hedendaagse optimistische Amerikaanse conservatisme buiten beschouwing laten. De klassieke conservatief acht mens en samenleving weliswaar verbeterbaar (met moeite), maar allerminst te perfectioneren:

Conservatieven wijzen op dat [menselijk] tekort, en zoeken naar manieren om de nadruk op individualisme enerzijds, en staatsmacht anderzijds, te temperen ten gunste van sociale, gemeenschappelijke waarden en instituties,zonder welke de staatsmacht in hun ogen ontspoort, de vrije markt corrumpeert, en het individu een betekenisloze abstractie blijft.

Deze stelling van de samenstellers toont het conservatisme van zijn goede kant. Natuurlijk is het vaak zo geweest dat geprivilegieerden hun betere positie legitimeerden door zich te beroepen op het conservatieve denken (en dit aldus te misbruiken). Evenzo is het conservatisme het denken van de matiging, van de ‘common sense’ en de rem op de soms al te onstuimige geschiedenis. Wanneer de samenleving te veel verwacht van de mens en diens rationele vermogens, dan waarschuwt de conservatief in de trant van Edmund Burke, de esthetisch begenadigde ‘conservatismevader’:

Politics ought to be adjusted, not to human reasonings, but to human nature, of which the human nature is but a part, and by no means the greatest part.

Chymistry versus stupidity
Het conservatisme verzet zich dan ook tegen, in David Humes frase, ‘philosophical chymistry’; het van de realiteit losgezongen denken. Zo betwistte de grote Samuel Johnson het in het abstracte denken – en in onze tijd! – als zaligmakend gepresenteerde ethos dat de mens het geluk moest najagen. Alsof dat bereikbaar is wanneer je ernaar op zoek gaat: ‘Wat is geluk? Waar vindt men dat?’

Veel van de geportretteerde conservatieven waarschuwen dat wanneer alles wordt afgeschaft wat niet logisch-rationeel valt te beargumenteren, het leven kleurloos en de maatschappij atomistisch wordt – en bovendien zijn dan alle buffers tegen de barbarij weggedacht. We dienen te onthouden dat, paradoxaal genoeg, preliberale waarden noodzakelijk zijn voor het voortbestaan van de liberale samenleving.

Bij veel van de Britse denkers die in de bundel worden besproken, komt het ‘probleem van het conservatisme’ aan de orde, namelijk dat de preliberale waarde, de traditie of het vooroordeel niet moeten worden benoemd. Want eenmaal gearticuleerd staat het automatisch ter discussie. Dit verleidde Walter Bagehot tot de bewering dat een volk dat in politieke vrijheid wil blijven leven, maar beter kan beschikken over één bepaalde eigenschap: ‘stupidity’. De notoir revolutionaire Fransen denken te veel na. Het Engelse volk daarentegen

blinkt uit in real sound stupidity. Het is zo dom (en daarmee wijs), dat het decommon sense meer vertrouwt dan de consistentegevolgtrekkingen van het abstracte denken.

Om in te grasduinen
Onvermijdelijk is de ene bijdrage interessanter dan de ander, maar ook de mindere stukken zijn lezenswaardig. In een prettige mix wordt het conservatisme van de bekende denkers afgewisseld met (in Nederland) minder bekende figuren als Hugues Félicité Robert de Lamennais en August Wilhelm Rehberg. Overigens worden ook de Nederlandse anti-revolutionairen Guillaume Groen van Prinsterer en Abraham Kuyper behandeld.

Dit is een heerlijk boek om in te grasduinen. Op momenten krijgt de lezer het gevoel dat iedere nieuwe pagina een inspirerend idee kan brengen. Dat deze frisheid kan bestaan komt, nogmaals, doordat de conservatieve traditie in Nederland is veronachtzaamd. Revolutionair verval toont dat Alexander Popes domzinnige ‘Whatever is, is right’, in geen geval mag worden toegeschreven aan de echte conservatieve denkers. Want die zijn soms dwaas, soms eng-autoritair, maar evenzo vaak wijs en origineel.

Boris Zjitkov – Viktor Vavitsj

Boris Zjitkov (vert. Yolanda Bloemen en Marja Wiebes) – Viktor Vavitsj

Gebeuren dit soort dingen op de hele wereld? Is dit zoals het gaat?

Oorspronkelijk verschenen 20-04-2012: http://www.8weekly.nl/artikel/9953/boris-zjitkov-vert-yolanda-bloemen-en-marja-wiebes-viktor-vavitsj-gebeuren-dit-soort-dingen-op-de-hele-wereld-is-dit-zoals-het-gaat.html

Er is een nieuwe Russische Roman verschenen. Boris Zjitkovs Viktor Vavitsj verhaalt over de Russische Revolutie van 1905. Op een niet eerder vertoonde wijze maakt deze roman van de bezetenen de chaos invoelbaar.

Er is de Russische geschiedenis. En er is de Russische geschiedenis zoals verteld in romans – denk maar aan Tolstojs Oorlog en vrede en Vasili Grossmans Leven en lot. En dan is er ook nog de geschiedenis van de Russische boeken in de twintigste eeuw. Bij deze laatste moet worden begonnen, want binnen die geschiedenis is het verhaal over de roman Viktor Vavitsj opmerkelijk. Zjitkov voltooit hem in 1934, maar pas in 1941, met Operatie Barbarossa onderweg, wordt het boek ook daadwerkelijk gedrukt. Dit gebeurt echter zonder toestemming van de sociaal-realistische keurmeesters. Inderdaad voldoet de roman niet – gelukkig maar –aan de morele helderheid die de sociaal-realisten eisten. Zodoende krijgt de publicatie geen doorgang en worden alle gedrukte exemplaren vernietigd.

Vaders en zonen
Natuurlijk niet alle exemplaren. In 1999 blijkt dat een medewerker van de uitgeverij een aantal exemplaren achterover heeft gedrukt. Met als natuurlijk gevolg dat Viktor Vavitsj eindelijk wordt uitgegeven. En nu is er de mooi bezorgde Nederlandse vertaling. De titelfiguur Viktor Vavitsj is een arbeiderszoon die in de hoedanigheid van wijkinspecteur het bewind van Tsaar Nicolaas de Tweede moet beschermen. Hij is een antiheld, maar dan wel een van zeer onsympathieke snit.

Tegenover Viktor staan de studenten en jonge arbeiders die de revolutie maken. En de ouders kijken toe en proberen vooral te begrijpen: het is het eeuwige thema van Toergenjevs Vaders en zonen, maar dan enkele decennia later. De meeste andere hoofdpersonen zijn in meer of mindere mate betrokken bij revolutionaire activiteiten. Allen zoeken de beste manier van omgang met zowel de revolutie als het zich ook gewoon aandienende persoonlijke leven.

Deze beproefde structuur van meerdere ik-figuren is natuurlijk zeer geschikt voor een maatschappijverbeeldende roman. Ze toont de combinatie van individuele acties, die via een wonderlijk en per definitie onduidelijk samenspel de richting van de samenleving bepaalt. Bovendien laat de structuur de miscommunicatie zien. Die treedt veelvuldig op, zoals ook Andrej Stepanovitsj betreurt die, werkelijk met alle reden, op pagina 500 verzucht tegen zijn vrouw Anna Grigorjevna: ‘Zeg nou eens iets wat begrijpelijk is…’ Zij reageert: ‘Weg jij!’

Milde gekte
Er kan lastig nog langer omheen gedraaid worden: deze roman is fenomenaal goed. Dit komt allereerst doordat Zjitkov heel precies die specifieke, maar milde soort gekte weet te beschrijven, die ook wel doorgaat onder de meer verhullende naam ‘de menselijke conditie’. Heel vergevingsgezind laat hij zien dat mensen allesbehalve rationeel, helder en doelgericht zijn. De mens twijfelt, is altijd een beetje of juist heel erg de weg kwijt en probeert middels de meest ingenieuze kronkels wat helderheid of zelfrechtvaardiging te bewerkstelligen. Of, en dit is wanneer men niet meer twijfelt, de mens raakt bezeten – van absolute verliefdheid, van haat en bloeddorst, of van revolutionair vuur.

Daarnaast geeft de roman een knappe beschrijving van de chaos, de revolutie en de daarop volgende pogrom. Afwisselend ingehouden en dan weer met vaart geschreven, ontstaat er een flakkerend, haast kubistisch beeld. Zjitkov beschrijft de geluiden en indrukken zoals mensen deze ervaren in een overspannen wereld, waarin niemand – personage noch lezer – weet wanneer datgene komt waarvan iedereen weet dat het komt.

Wellicht het allermooiste is de steeds verrassend opduikende poëzie. Deze verschijnt zelfs te midden van de revolutie die, nadat de tsaar een paar kleine hervormingen heeft aangekondigd in het Oktobermanifest, uitmondt in chaos en pogroms. Bijvoorbeeld in het deelverhaal van Viktors zus Taïnka, die verliefd is geworden op de fluitist Izraïl. Zij zoekt hem in een concertgebouw, maar voordat ze bij hem kan komen, dreigt ze in een plots ontstaan tumult geplet te worden:

Als ik naar beneden stort is het afgelopen, dan stort ik in de vlammen, maar daar, aan die andere kant, is Izraïl, en ze dacht dat ze zag hoe hij met zijn handen de lucht steunde, zodat zij niet zou vallen.

Deze zin doet vermoeden dat de van oorsprong kinderboekenschrijver Zjitkov hier het beste van de ene literaire stiel met de andere combineert. Om de vijf à tien bladzijden volgt er zo’n mooi beeld. Nog een, heel romantisch, voorbeeld:

En Sanka zag dat hij in pupillen keek, er was niets meer te horen, en als deuren die geopend waren naar komende eeuwen stonden Tanja’s wijde pupillen voor hem, en voor een ogenblik versteende Sanka. En om hem heen stond alles een moment stil, er waren alleen die pupillen en een geur van tijd en naakte aarde.

Na iedere van zulke verstilde passages herneemt de roman direct het snelle relaas over de uitgebroken chaos.

Na de twijfel
In het eerste deel van dit lijvige boek wordt nog getwijfeld en gezocht naar zekerheid. Naarmate de roman vordert, raken zowel de personages als de hele maatschappij steeds meer bezeten – de ontwikkeling van Viktor, die steeds meer zwelgt in de roes van macht en wodka, is hiervoor exemplarisch. Hoewel ‘bezetenheid’ een negatieve connotatie bezit, is het in de revolutionaire chaos een noodzakelijke zijnstoestand, want alleen de bezetenen kunnen daarin overeind blijven.

Aan het toppunt van de chaos staat de pogrom. Zjitkov, zelf van joodse komaf, heeft in Odessa meerdere pogroms meegemaakt en beschrijft het sterker dan wie ook in de wereldliteratuur: dichterbij een pogrom kom je alleen als je erin zit. Hij verbeeldt de ultieme bezetenheid van de razende en hatende massa’s: ‘Alles, die zijn tot alles in staat, in de grote vreugde vóór de eerste klap.’

De revolutie is verraden, en dapperen proberen de joden waar mogelijk te beschermen. Niet de bevochten betere wereld is bereikt, maar enkel een nieuw inzicht in de slechtheid van het bestaande. Een murw gebeukt personage verzucht: ‘Gebeuren dit soort dingen op de hele wereld? Is dit zoals het gaat?’ Na deze roman vermoedt de lezer inderdaad dat dit is zoals het gaat. Hiermee is overigens niet het einde van de roman verklapt – deze vervolgt ook hierna nog met dezelfde kracht.

 

Hans van Mierlo – Een krankzinnig avontuur

Hans van Mierlo – Een krankzinnig avontuur

De revolutie maken voor hij uitbreekt

Oorspronkelijk verschenen 06-04-2012: http://www.8weekly.nl/artikel/9915/hans-van-mierlo-een-krankzinnig-avontuur-de-revolutie-maken-voor-hij-uitbreekt.html

Ik moet proberen het goed te vertellen.’ Het zijn Hans van Mierlo’s exemplarische woorden uit de iconische campagnespot in 1966. Het bestaande politieke systeem moest de lucht in en de vastgeroeste macht losgepeurd. Van Mierlo’s voornaamste middel hiertoe: zijn heldere taal.

Die taal staat centraal in de tientallen teksten die door vroegere vrienden en medewerkers – Ernst Bakker, Edmond Hofland, Annath Koster, Lennart van der Meulen en Carla Pauw – zijn gebundeld in Een krankzinnig avontuur (waarvan de titel verwijst naar het politieke project D66). Bijna allemaal zijn het toespraken en lezingen: Hans van Mierlo schreef om te spreken. Dat wil niet zeggen dat hij het schrijven verwaarloosde, integendeel: Van Mierlo was een schaver, een taalproever, iemand die ieder woord op de juiste, meest verhelderende plek wilde hebben. Zo begint hij ieder stuk mooi én geestig, een zeldzaam samenspel.

Een populistische revolutie
De kern van de kritiek van D66 op de regenteske politiek luidde natuurlijk dat ze ondoorzichtig en verkalkt was. D66 werd dan ook met uitgesproken populistische motieven opgericht: wanneer de gewone burger in de zogenaamde democratie politiek iets wilde ondernemen, stuitte hij op de muren van het vage Haagse gekonkel. Die muren wilde D66 doen ontploffen, om zo de weg naar de politieke invloed en macht vrijer te maken – het vervolg is bekend: er vond hooguit een verschuiving plaats, zeker geen ontploffing.

Het bedaagde populisme van D66 is vaker terug te zien in Van Mierlo’s stukken. Neem een van zijn vele zinnen-met-vleugels: ‘We moeten de revolutie maken voor hij uitbreekt.’ Dat de medeprogressief Den Uyl het potentieel ruikt en de zin overneemt kan nog. Maar vervolgens doet premier Piet de Jong, de ultieme representant van de verkalking, hetzelfde. Van Mierlo: ‘Snikkend ging ik onderuit. Zo zie je hoe je op moet passen.’

Macht en distantie
Van Mierlo’s hoofddoel was een andere staatsinrichting: hij wenste zowel een tweepartijen- als een districtenstelsel (en daarmee een directere band tussen politici en burgers), meer directe democratie, meer parlementair dualisme en als verplicht rijtje op school ‘rekenen-lezen-schrijven-democratie’. Ook als je het hier niet direct mee eens bent, blijft het waardevol omdat de hervormingsgezinde Van Mierlo op een structureel onderliggend probleem wijst.

Voor dergelijke hervormingen is namelijk een grondwetswijziging en dus een parlementaire tweederde meerderheid nodig. Maar de politieke partijen zullen nooit iets doen wat hun eigen bestaan bedreigt. Het dilemma wordt helemaal duidelijk wanneer Van Mierlo de lezer vraagt zich in te denken welk antwoord politici zouden geven op de volgende gewetensvraag: kunt u zich iets voorstellen wat goed is voor het land, maar slecht voor de partij? Van Mierlo noemt het de kern van een van de randvoorwaarden van het staatsmanschap:

Dat is het vermogen om macht te kunnen prijsgeven als zij niet meer functioneel kan zijn ten opzichte van het doel dat de macht rechtvaardigt. Met andere woorden: dat is het vermogen tot distantie ten opzichte van het instinct.

Vaak volgt op dergelijke, hem karakteriserende stukken Van Mierlo’s gepaste bekrachtiging: ‘En zo is het.’ Macht corrumpeert bijna altijd, en dus is tegenmacht noodzakelijk.

Van Mierlo’s kritiek staat nog steeds. En de teksten zijn evenzo actueel doordat de samenstellers de al te gedateerde passages, over bijvoorbeeld de contemporaine ‘kleine politiek’, eruit hebben geknipt. Wat overblijft zijn Van Mierlo’s lucide analyses van de Nederlandse politiek: de dingen die Van Mierlo tien, twintig of veertig jaar geleden adresseerde, zijn ook vandaag nog vers geperst en als nieuw gepresenteerd op de opiniepagina’s te vinden.

Engagement
Echter, de beschouwingen over het buitenland en de internationale betrekkingen zijn minder onderhoudend. Ook deze getuigen van Van Mierlo’s intelligentie, maar ondanks zijn ministerschappen van Defensie en Buitenlandse Zaken herbergen deze stukken weinig interessants voor de hedendaagse lezer.

Enkele stukken richten zich op cultuur en literatuur. Zo ook het rijkste betoog, de laudatio die Van Mierlo uitsprak toen zijn vriend Cees Nooteboom in 2004 de P.C. Hooftprijs kreeg uitgereikt. Vol eruditie, warmte en oog voor schoonheid. Ook roept Van Mierlo meerdere malen op tot een groter politiek engagement onder intellectuelen, en het is in zijn vervlechting van culturele en politieke opmerkingen dat een hint wordt gegeven van het krachtige resultaat dat een dergelijke inmenging kan opleveren.

Een krankzinnig avontuur toont een ‘echt mens’ in de politiek, iemand met oog voor zijn eigen fouten – Van Mierlo benadrukt deze verschillende keren –, met beschaving en wellevendheid, met zowel politiek inzicht als literair en artistiek gevoel. Nog mooier zou het zijn als er een biografie aan Hans van Mierlo (1931-2010) zou worden gewijd. Zodat zijn leven eens werkelijk goed zal worden verteld.

Slavoj Žižek – Eerst als tragedie, dan als klucht

Slavoj Žižek (vert. Ineke van der Burg) – Eerst als tragedie, dan als klucht

Na de komedie, de apocalyps

Oorspronkelijk verschenen 25-01-2012: http://www.8weekly.nl/artikel/9735/slavoj-zizek-vert-ineke-van-der-burg-eerst-als-tragedie-dan-als-klucht-na-de-komedie-de-apocalyps.html

Al in 2009 schreef Slavoj Žižek Eerst als tragedie, dan als klucht. Maar het is een boek over crises, en dus nog altijd zeer actueel: op de crisis volgt de komedie. Maar wat komt er daarna?

Žižek is de cultfilosoof bij uitstek, ‘het denkbeest uit Ljubljana’, woest behaard en behept met vele tics (‘and so on, and so on’). Ook is hij een van de inspiratoren van Occupy, een beweging waarover hijzelf, als zovelen, ambigue gevoelens heeft. Want hun protest is zeker prijzenswaardig, maar wat willen ze nu eigenlijk? Toch sprak Žižek op Occupy Wall Street de aanmoedigende en hoopgevende woorden: ‘The taboo is broken, we do not live in the best possible world, we are allowed and obliged even to think about alternatives.’

L’histoire se repète?

Alle stellingen uit het voorgaande citaat worden inEerst als tragedie, dan als klucht door Žižek belicht. Hij ontleent de titel aan een samenspel van Marx en Hegel. De laatste stelde dat als een gebeurtenis zich éénmaal voordoet, deze afgedaan kan worden als toeval. Maar herhaalt de gebeurtenis zich, dan getuigt dat van een diepere historische noodzaak.

Met het ‘kluchtige’ dat Marx aan de herhaling toevoegt, bedoelde hij dat we ons – na de eerste gebeurtenis, ‘de tragedie’ – slechts inbeelden dat we nog geloven in de betreffende ideologie of samenlevingsinrichting. Žižek gaat hiermee aan de haal en zegt dat wij, eenentwintigste-eeuwse cynici, onszelf alleen inbeelden dat we niet meer in de inrichting van onze samenleving geloven. Zoals wel vaker na zo’n zwiepende stelling slaat Žižek de onderbouwing over om snel toe te schrijven naar een volgende prikkelende these.

Postmodern kapitalisme
Nu ziet Žižek in 9/11 en de dotcom-bubble de tragedie van onze tijd, en in de kredietcrisis de klucht. Het hieraan onderliggende systeem is (natuurlijk) het kapitalisme. De tot crises leidende speculaties laten zien dat dit niet een puur rationeel of ‘natuurlijk’ systeem is. Integendeel, het kapitalisme is een gemankeerde ideologie als vele anderen. Zij die bekend zijn met Žižeks werk zal dit niet verrassen, maar het kapitalisme manifesteert zich na mei ’68, de laatste keer dat het onder werkelijke druk stond, op zeer ingenieuze wijze.

Dit zijn de passages waarin Žižek op zijn best is. Na mei ’68 zijn ons geen nieuwe rechten, maar enkel nieuwe ‘permissies’ – abortus, homohuwelijk, allerlei andere vrijheden – verleend. Anders dan rechten vergroten permissies onze macht niet. Maar, en hierin zit de verleidelijke crux, de permissies maken ons leven wel veel makkelijker.

Žižek vult dit aan met een verwijzing naar zijn vroegere leermeester Jacques Lacan wanneer hij vraagt: ‘Zeg me wie u bent. Wat voor soort object wilt u zijn? Wat kan het hiaat van uw verlangen vullen?’ In tegenstelling tot de eerdere, ‘zingevende’ ideologieën moet het kapitalisme de leegte in de mens juist openhouden:

Hoe de overheersende ideologie het gemis aan een vaste identiteit niet langer verdringt, maar direct inzet voor het op gang houden van het eindeloze proces van de consumentistische ‘herschepping van jezelf’.

Een nieuw communisme
De tweede fundamentele kapitalismekritiek is dat dit systeem door haar voortdurende radicaliseringen, crises en heruitvindingen – er moeten zich immers continu nieuwe investeringsmogelijkheden aandienen – niet werkelijk te beteugelen valt. Hierom noemt Žižek tussenvormen zoals het Rijnlandmodel onhoudbaar, maar helaas (weer) zonder duidelijk te maken waarom dit nu zo is.

Zijn kapitalismekritiek, die gelukkig veel verder gaat dan het ‘mainstream’ kortzichtige gezeur over de bankiersbonussen – dat sterk afleidt van de veel dieperliggende problemen van het kapitalistisch systeem – valt enkel toe te juichen. Maar waarom moet hij nu per se een ‘radicaal alternatief’ bepleiten, en dit ook nog ‘communisme’ dopen? Dit is bevreemdend, want terwijl u nu denkt aan de Goelag doelt Žižek hiermee simpelweg en oncontroversieel op de bescherming van de commons; van water, voedsel, energie, milieu en ook cultuur en onderwijs.

In deze conclusie zit de uiteindelijke waarde van Žižeks boek. Om nog iets te redden van de commons, van onze wereld, moeten we de kapitalistische, circulaire ‘komisch-tragische’ beweging onderbreken. Want anders? Dan, zal Žižek zeggen, de Apocalyps.

Tony Judt & Timothy Snyder – Denken over de twintigste eeuw

Tony Judt & Timothy Snyder (vert. Wybrand Scheffer) – Denken over de twintigste eeuw

Grote en kleine waarheden

Oorspronkelijk verschenen 31-12-2011: http://www.8weekly.nl/artikel/9680/tony-judt-timothy-snyder-vert-wybrand-scheffer-denken-over-de-twintigste-eeuw-grote-en-kleine-waarheden.html

De degeneratieve spierziekte ALS verhinderde Tony Judt (1948-2010) te schrijven, maar weerhield hem niet te publiceren. Na Het land is moe en De Geheugenhut, volgt met Denken over de twintigste eeuw zijn laatste, wellicht bijzonderste boek: het is namelijk een gesprek.

Het idee hiervoor kreeg historicus Timothy Snyder – schrijver van ondermeerBloedlanden. Europa tussen Hitler en Stalin – toen hij het nieuws van Judts ziekte vernam. Ieder hoofdstuk begint met een deel waarin Judt vertelt over zijn leven. Op een gegeven moment intervenieert Snyder dan met een vraag of een tegenwerping vanuit zijn eigen expertise, waarna zich een geestrijke dialoog ontwikkelt over de geschiedenis en de tegenwoordige tijd, overlopend van zowel intelligente als elegante inzichten.

Een ideeëngeschiedenis
Tony Judt is van geboorte Brits, later verhuisd naar Amerika, maar een kind van uit Oost-Europa geëmigreerde marxistische joden. Met zo’n achtergrond moet een verweving van biografie en geschiedenis natuurlijk vruchtbare resultaten opleveren. Judt verknoopt bijvoorbeeld ‘het joodse vraagstuk’ met zijn adolescente geloof in het Zionisme en met beelden van de naoorlogse joodse gemeenschap in Engeland. Ook schetst hij de esthetisch fijnzinnige sferen van het Engeland in de jaren dertig, evenals het Cambridge van zijn studentenjaren eind jaren zestig.

In het gesprek komen zowel deze tot de verbeelding sprekende plaatsen – fin de siècle Wenen, de vallende reus Amerika nu –, als de grote twintigste-eeuwse sociale, culturele en intellectuele onderwerpen voorbij. Bijvoorbeeld de verhouding van de intellectueel tot ‘de grote en de kleine waarheden’. Grote waarheden behelzen overtuigingen over grote kwesties en doelen die offers en kleine onwaarheden vergen, terwijl kleine waarheden gaan over vast te stellen feiten:

De vraag is of je er principieel mee instemt dat de interpretatie uit naam van de toekomst wordt geformuleerd of dat je vindt dat er aan het eind van elke dag geïnterpreteerd moet worden

Moeten we alle economen vermoorden?
Een hele trits geëngageerde intellectuelen, van Zola tot Aron, wordt beoordeeld, eindigend met Tony Judt zelf. Want niet alleen was Judt historicus, het beroemdst om zijn Na de oorlog, evenzo was hij een polemisch essayist. Als een van de weinigen nam hij direct stelling tegen de Irak-oorlog en kwam hij enkele jaren geleden met het zinnige, maar uiterst controversiële voorstel om het Israëlisch-Palestijnse conflict te beslechten door beider partijen in een enkele staat te verenigen.

Iedereen die enigszins bekend is met Judts werk weet dat hij een hartstochtelijk voorvechter is van een herstel, of beter vernieuwing, van de sociaal-democratische waarden. Ook in dit werk roept hij op tot een hardnekkige verdediging van de naoorlogse verworvenheden. Het is een overbekende maar o zo belangrijke riedel: voor iedereen betaalbare gezondheidszorg en onderwijs, en een sociaal vangnet voor hen die het maatschappelijk niet kunnen bolwerken.

Ook hier schuwt hij de polemiek niet: Hayek, Thatcher en neoliberale consorten kunnen het krijgen: ‘Ik denk dat iedereen erbij gediend zou zijn als we (…) alle economen zouden vermoorden. De uitzonderingen zijn bekend, dus die kunnen we misschien gratie aanbieden.’

Wij, barbaren
Pessimistisch zijn Snyder en Judt – natuurlijk – als het gaat over het huidige kennisniveau en het gebruik van de geschiedenis. Wij zijn verworden tot Alessandro Baricco’s ‘barbaren’, die wat rondneuzen in het verleden en er, ongeacht plaats of context, uitpikken wat ons goeddunkt. We herdenken gebeurtenissen enkel nog in een vacuüm: ‘nooit meer München’, ‘nooit meer Hitler’. Maar geïsoleerd zijn dit onbegrijpelijke, enkel voor valse politieke retoriek nuttige leuzen.

Ze moeten allereerst begrepen worden in de twintigste eeuw, die hevige honderd jaar waarin zoveel draaide om ‘het uitvoeren, het uitleven van de negentiende-eeuwse manieren om te reageren op de industriële revolutie en de crisis van de massamaatschappij.’ De implicatie is duidelijk: nu alle negentiende-eeuwse ideeën zijn uitgeprobeerd, moeten we het goede zien te behouden en tevens op zoek te gaan naar nieuwe, kleine waarheden. De basis daarvoor ligt in het begrip van de twintigste eeuw, en dus in van inzicht doordrenkte boeken als deze.

Alex Butterworth – De wereld die er nooit kwam. Een geschiedenis van het anarchisme

Alex Butterworth (vert. Ineke Mertens) – De wereld die er nooit kwam. Een geschiedenis van het anarchisme

Macht(e)loosheid

Oorspronkelijk verschenen 08-09-2011: http://www.8weekly.nl/artikel/9407/alex-butterworth-vert-ineke-mertens-de-wereld-die-er-nooit-kwam-een-geschiedenis-van-het-anarchisme-macht-e-loosheid.html

De meest aantrekkelijke utopie moet de anarchistische zijn. Maar haar prachtige droom om de bron van zoveel kwaad, de centrale macht, af te schaffen is nooit binnen bereik gekomen. Alex Butterworth beschrijft het verloop van vijf decennia – 1870-1917 – ongelijke strijd.

De basis van het anarchisme is door Kropotkin – Oscar Wilde beschreef hem als ‘een prachtige witte Christus’ – geformuleerd als de theorie van wederzijdse hulp. Voortbouwend op evolutionaire en sociologische bevindingen, formuleert deze theorie de these dat menselijke relaties meer op samenwerking dan op competitie zijn gebaseerd. Deze natuurlijke neiging wordt enkel door de bestaande machtsinstellingen onderdrukt. Het doel is dus simpel: vernietig de bestaande instituties, waarna natuurlijkerwijs een ‘coöperatief paradijs’ zal ontstaan.

Kat-en-muisspel
Het anarchisme, deze ‘historische cul-de-sac’, wordt meestal om zijn al te utopisch klinkende theorie als naïef terzijde geschoven. Butterworth noemt dat oneerlijk aangezien haar theoretische grondleggers, Bakoenin en Kropotkin, oprecht poogden om ware democratie en collectieve verantwoordelijkheid te verenigen. Wat betreft de theorie houdt Butterworth het hierbij; hij kiest ervoor zijn focus te leggen op de ontwikkelingen rond de anarchistische groepen.

Butterworth beschrijft een kat-en-muisspel, waarbij de muis niet beseft dat hij zich als zodanig dient te gedragen. Dit grote deficit van het anarchisme kwam, niet echt verbazingwekkend, voort uit haar grootste deugd: de afkeer van centrale controle en formeel leiderschap, en de nadruk op ieders individuele geweten. Niet alleen werd consensus hierdoor bijna onmogelijk, maar ook stonden de anarchisten vaak vrijwel weerloos tegenover infiltranten vanuit de nationale veiligheidsdiensten.

Propaganda van de daad
De anarchisten waren misschien naïef, maar allerminst heilig. Vaak kiezen ze, na weer een periode van wrede staatsvervolging zoals de op de Parijse Commune volgende Semaine Sanglante, voor de ‘propaganda van de daad’. Vele aanslagen mislukken, maar sommige slagen. De beroemdste voorbeelden in amper twee decennia: tsaar Alexander II, koningin Sissi en de presidenten Carnot en McKinley. Soms was dit ook het werk van eenlingen, of van mensen die streden om de verkeerde redenen. In de scherpe woorden van de anarchistische voorman Malatesta:

Zij laten zich allang niet meer door liefde voor de mensheid leiden, maar door een gevoel van vendetta gecombineerd met de cultus van een abstract idee, van een theoretische hersenschim.

De meest effectieve counterstrategie van de veiligheidsdiensten was de propaganda, opgebouwd rond de voor de hand liggende omdraaiing van de betekenis van anarchie. Voor de anarchisten een regeringsvorm van gespreide macht, maar voor het grote publiek ging het, gestut door bommen, chaos en wanorde betekenen. De anarchisten verloren de strijd om hun eigen naam, en daardoor de strijd om het volk.

De toneelschrijver

Het onderzoek moet een indrukwekkende klus zijn geweest. Om uit de brij van soms pas recent toegankelijke documenten – te rangschikken over een breed spectrum van betrouwbaarheid – dit beeld te scheppen van een halve eeuw anarchistische strijd en intrige is prijzenswaardig. Helaas verwordt het soms tot een losse aaneenschakeling van verhalen, leidend tot wéér een verraad of mislukte bomaanslag.

Deze rommeligheid wordt op momenten ook versterkt doordat Butterworth, naast historicus ook toneelschrijver, iets te veel met een ingenieuze verhaalcompositie bezig is, en iets te weinig met een overzichtelijke opbouw. Soms begint er een alinea, en is er ‘opeens’ iemand dood, waarbij pas na een halve pagina doorlezen begrijpelijk wordt wie de overledene is en wat deze überhaupt in het verhaal doet.

En toch heeft Butterworth een belangwekkende taak tot een redelijk geslaagd einde gebracht. Naast historisch zeer interessant, is zijn boek ook actueel: Butterworth impliceert terecht dat de geschiedenis wel eens op een vergelijkbaar punt als 100-140 jaar geleden kan zijn aanbeland: een groeiend crisisgevoel, een toenemende intolerantie, een afgestompte, zelfgenoegzame burgerij, en – op de achtergrond – vage stemmen roepend om een betere wereld. Het is aan die laatsten om te leren van de fouten van de anarchisten.