Recensies en artikelen

Leo H. M. Wessels en Toon Bosch (red.) – Nationalisme, naties en staten

Recensie van Leo H. M. Wessels en Toon Bosch (red.) – Nationalisme, naties en staten

Oorspronkelijk verschenen 26-11-2012: http://www.8weekly.nl/artikel/10372/leo-h-m-wessels-toon-bosch-red-nationalisme-naties-en-staten-een-europese-gedeelde-ervaring.html

Een Europese gedeelde ervaring

De ontwikkelingen in de Europese geschiedenis hebben elkaar de afgelopen twee eeuwen almaar sneller opgevolgd. Van Napoleon naar 1848 tot de oercatastrofe van de Eerste Wereldoorlog en het recent opgelaaide verzet tegen immigratie en de EU – er is steeds één constante, hoewel in een veelvoud aan verschijningsvormen: het nationalisme. 

Dit moderne Europese verhaal is vooraleerst het verhaal van naties op zoek naar een staat en staten op zoek naar een natie. En van burgers die zich via taal, cultuur en rituelen verbonden voelen aan de natiestaat, of zelfs willen sterven ter meerdere eer en eeuwige glorie van de nationale gemeenschap. Doordat het nationalisme kameleontisch is, kan het alomtegenwoordig zijn. Want het nationalisme, met wortels in zowel de Verlichting als de Romantiek, kent gematigde en rabiate vormen, is samengesmolten met en weer ontkoppeld van alle ideologieën, trad op in wisselwerking met internationale én regionale tendensen en heeft zowel de voorwaarden voor nieuwe ontwikkelingen geschapen als het verzet daartegen vormgegeven.

Wat is een natie?
Dit duizendkoppige verhaal van het Europese nationalisme is nu, onder redactie van de aan de OU verbonden cultuurwetenschappers Leo Wessels en Toon Bosch, opgetekend in één enkele Nederlandstalige uitgave. De poging is al lovenswaardig, en ook het resultaat kan niet anders dan op die manier beoordeeld worden. Om te beginnen met de liefdevolle verzorging: op de bijna 700 pagina’s wordt de lezer regelmatig wat lucht gegund door de vele illustraties. Die hebben ook inhoudelijk toegevoegde waarde doordat ze de wisselwerking tussen cultuur en politiek verbeelden. Nog bijzonderder is dat er twaalf losse kaarten zijn bijgevoegd waarop ontwikkelingen van een bepaalde periode worden gevisualiseerd, van de mate van industrialisering tot demografische veranderingen.

Iedere meeschrijvende auteur neemt een of twee tijdsvakken voor zijn rekening. Daarnaast is er een helder overzicht door Arnold Labrie (Universiteit Maastricht) van de gecompliceerde historiografie en mogelijkheden tot analyse van het nationalisme. Nauw verwant aan de toegenomen maatschappelijke aandacht voor het nationalisme en de nationale identiteit, is ook in de geschiedwetenschap de vraag naar de fascinerende aard van het nationalisme – in Ernest Renans beroemde variant: ‘Qu’est-ce qu’une nation?’ – weer in het centrum geschoven. Is de natie een onontkoombare realiteit, een ‘verbeelde’ gemeenschap en/of een ‘invented tradition’? En hoe is het mogelijk dat miljoenen mensen hun leven willen geven voor de abstractie die de natie toch is?

En nu moeten we Italianen maken!
Het nationalisme is overwegend modern. In sommige gevallen is er ook voor 1789 een vorm van nationalisme aanwijsbaar, maar dan maakte het na het kenteringsjaar een kwalitatieve sprong. Dit gebeurde in een hecht verband met moderniseringsprocessen als industrialisering en de maatschappelijke integratie van bevolkingsmassa’s. De debatten hierover zijn complex: voor de intrigerende twist, haarkloverij en nuance zie Labries beknopte overzicht.

Het boek is bovenal een Europese ideeëngeschiedenis, van het gematigde, insluitende nationalisme tot Schneckenburgers ‘volkslied’ Die Wacht am Rhein. Het politieke principe van het nationalisme stelt dat staat en natie idealiter samenvallen. Nu bestaat het negentiende-eeuwse nationalisme uit veelsoortige pogingen precies dat te realiseren: staten als Engeland en Frankrijk probeerden van bovenaf, via lager onderwijs en het leger de bevolking te homogeniseren. Dit is de zwart-wit weergegeven ‘schone’ standaardvariant.

De meeste nationalismetrajecten zijn echter een stuk kronkeliger of vuiler: de gemankeerde ‘verspätete Nation’ Duitsland ontstond pas in 1870, toen de zogenoemde Kultur- en Staatsnation al uit elkaar waren gegroeid. Het Habsburgse Oostenrijk-Hongarije wilde vooral blijven wat het was, namelijk een ‘Vielvölkerstaat’, en probeerde daartoe een overkoepelende identiteit te bewerkstelligen. Onderwijl was er een staat ontstaan met de naam Italië, echter zonder dat er Italianen waren (waarop een vooraanstaand politicus de logische conclusie trok: ‘En nu moeten we Italianen maken’).

Oorlog en vrede
Aan de vooravond van de grote volkenslachtpartij is de ontstellende ironie dat waar al die natiestaten er via nationale symbolen en herdenkingen steeds meer werk van maakten om hun eigenheid te benadrukken, ze juist steeds meer op elkaar gingen lijken. (Het lijkt de huidige authenticiteitscultus van het individu wel!) Natuurlijk zonder zich er bewust van te zijn, deelden al deze zichzelf zo verschillend vindende nationale burgers één ervaring.

De Eerste Wereldoorlog splijt de multinationale rijken. Terecht klaagt Patrick Dassen in zijn bijdrage de finalistische geschiedschrijving aan en stelt hij dat het geenszins onvermijdelijk was dat het nationalisme overal de bovenhand kreeg. Maar niet na 1918, maar na 1945 is de grote ‘ontmenging’ van Europa verwezenlijkt: pas na de ‘bevolkingspolitiek’ van Hitler en Stalin, de ‘zuiveringen’ van naties, vielen Europese nationale gemeenschappen en staatsgrenzen inderdaad zo goed als samen. De naargeestige conclusie luidt dat het niet alleen het project van Europese samenwerking was die de 67 jaar Europese vrede veiligstelde. Het was de genocidale politiek van de dictators die simpelweg de mogelijkheid wegnam tot nationale of etnische conflicten in de decennia nadien. Met overigens twee veelzeggende uitzonderingen: de Sovjet-Unie, en vooral Joegoslavië.

Meervoudige naties
En waarop baseert Nederland – dat immers als een kleine staat bij voorbaat kansloos is in het statenwedstrijdje nationale macht en glorie meten – zijn (‘onze’) nationale identiteit? Op de Nederlandse ‘gewoonheid’, of stiekem nog altijd op het idee van Nederland gidsland? Deze recent opgelaaide discussie is een gebed zonder einde, want:

Elk vaderland [verschijnt] in feite in het meervoud (…) De natie is principieel ‘betwist’; zij vormt de inzet van een debat zonder einde en is in die zin een eeuwige Unvollendete.

Inmiddels is het iedereen wel duidelijk dat het nationalisme zal blijven bestaan. De ‘post-war parenthesis’ (Tony Judt) van de Koude Oorlog verdrong het nationalisme enkel uit het zicht, maar deed het geenszins verdwijnen. Evenmin is gezegd dat de ontwikkeling van de EU tot die verdwijning leidt. Want dit Europese project kan ook ten dele gezien worden als de manier waarop de Europese natiestaten kunnen overleven in een groter wordende wereld. Wel wijst het hierop: zowel in de partijpolitieke variant als op interstatelijk niveau is het huidige nationalisme vooral defensief. Voor dit, duizend nuances en voorbeelden zie het uitmuntende standaardwerk van Wessels en Bosch.

Bart Tromp – De loden bal van het socialisme

Recensie van Bart Tromp – De loden bal van het socialisme

Oorspronkelijk verschenen 25-11-2012: http://www.8weekly.nl/artikel/10366/bart-tromp-de-loden-bal-van-het-socialisme-wat-zit-er-op-de-kont-van-de-rode-haan.html

Wat zit er op de kont van de rode haan?

Ongevoelig voor modieuze ideeën werd Bart Tromp (1944-2007) binnen de PvdA eerst als rechts en vervolgens als links gezien (met ongeveer dezelfde opvattingen). Vanuit potige analyses bekritiseerde hij veelvuldig de ondoorzichtige, en vaak weinig intellectuele PvdA-koers. Maar nog het meest waardevolle aan de bundeling essays is de charmante wijze waarop hij de sociaal-democratische traditie verheldert. 

Bart Tromp, onder meer bijzonder hoogleraar internationale betrekkingen, functioneerde zijn hele intellectuele leven ‘als geweten van de Nederlandse sociaaldemocratie, zij het dat achtereenvolgende leidende figuren hem niet als zodanig erkenden’. In 2010 verscheen er onder de titel Geschriften van een intellectuele glazenwasser al een globaal overzicht van zijn werk. De verzameling stukken in De loden bal van het socialisme, liefdevol ingeleid door Job Cohen, is echter veel specifieker; puur gericht op het socialisme en de sociaal-democratie. Weliswaar verschillen insteek, toon en publicatiedatum, maar Tromps consistente denken leidt ertoe dat de essays tezamen een elkaar soms overlappende, prettig samenhangende mozaïek vormen. 

Tussen kladderadatsj en gas- en waterleidingsocialisme
Het interessantste thema is de spanning in de geschiedenis van het socialisme (van 1891 tot nu) tussen het utopische toekomstbeeld en de dagelijkse politieke praktijk. Deze spanning is inherent aan de politieke partij, en al helemaal aan het marxisme. Marx zelf wilde immers geen ‘recepten voor toekomstige gaarkeukens’ formuleren (eenieder mocht zelf weten hoe een omelet te bakken). De frictie kreeg haar standaardvorm in het revisionismedebat dat aanving bij Karl Kautsky en Eduard Bernstein (over beiden is een ideeënbiografisch essay opgenomen). Kautsky hield vast aan de orthodoxe theses van de verdwijnende middenklasse en de afstevening van het kapitalisme op een apocalyptische ineenstorting, waarna de socialistische maatschappij ‘daar’ zou zijn.

Precies die ongetoetste stellingen werden door de revisionistische Bernstein empirisch weerlegd. Nu zaten de leden van de Duitse Sociaal-Democratische Partij niet duimendraaiend te wachten op de grote kladderadatsj. Integendeel, zij probeerden om gestaag het lot van de arbeiders te verbeteren – net als de Engelse ‘gas- en waterleidingsocialisten’ (de Fabians) en de SDAP-wethouders in Nederland dat deden. Dit ijveren voor lotsbetering was ‘de weg der geleidelijkheid’. Of zoals die eigenzinnige polemist G.B. Shaw het optreden van de Fabian Sidney Webb karakteriseerde: ‘Het onvermijdelijke, maar laag-bij-de-grondse, langzame, aarzelende, laffe pad naar de rechtvaardigheid.’

Rode veren of geen rode veren?
Maar deze ‘reformistische’ praktijk had niets van doen met de theorie. Wat Bernstein rond 1900 beoogde was beide noodzakelijke grootheden te verzoenen. Met zijn revisionisme (de theorie van het reformisme) formuleerde hij als eerste de beginselen van een sociaal-democratische partij. Over de beginselpartij schrijft Tromp in een ander essay: 

Het wezen van een beginselpartij is zowel dat ze richting geeft aan het maatschappelijk gebeuren als dat ze als sluis functioneert voor de eisen en verlangens die vanuit de maatschappij op het politiek stelsel afkomen. Beginselen vormen in dit beeld richtingaanwijzer én zeef.

In stukken uit 1975-1990, een jaar of tachtig na het revisionismedebat, hamert Tromp erop dat de PvdA nog steeds de mythe van de radicaal andere (socialistische) maatschappij ‘als een loden bal aan de enkels’ met zich meesleept. Het droombeeld van het socialistische ideaal op aarde doet de alleszins opmerkelijke sociaal-democratische successen – voorbeeld: de emancipatie van een groot bevolkingsdeel tot staatsburger – stomweg verbleken.

Vervolgens verandert de PvdA wel, maar in plaats van zich als de hierboven geschetste beginselpartij te positioneren in het zinnige midden, schiet ze door naar het andere uiterste: onder Kok schudt de partij immers de rode veren af en laat de PvdA het beginsel van ‘de breideling van het kapitalisme’ los. Tromp, die hierdoor van een rechtse tot een linkse PvdA’er wordt, benoemt het gevolg: ‘Zonder ideologische veren loopt de rode haan in zijn blote kont.’ En hij heeft gelijk, wat inmiddels, anno 2012, door de meeste partijprominenten wordt onderkend.

De Cassandra van de PvdA
Tevens bekritiseert hij steevast het gebrek aan interne partijdemocratie van de PvdA (die, niet te vergeten, natuurlijk ook zijn PvdA was). Bij wijlen vliegen de vraagtekenkannonades over de pagina’s. Zo sneert hij naar de PvdA dat deze in plaats van beginselpartij verwordt tot ‘een uitzendbureau voor Kamerleden en een reclamebureau voor de lijst-Kok’.

De rijkelijk gevulde bundel wordt nog verlevendigd doordat Tromp de fijne kunst van het citeren beheerst. Bovendien maken alleen al de stukken over de Duitse socialisten, de Fabians en de prachtig afgeschilderde Clement Attlee dit boek de moeite waard. Anderzijds is het onvermijdelijk dat sommige essays gedateerd zijn, al is het maar omdat een hekelstuk over de verschraling van de democratie en de laakbare, toenemende rol van de media nu niets nieuws meer biedt. Toch is het begrijpelijk dat ook die stukken zijn opgenomen als bewijs en eerbetoon aan Bart Tromp; in Job Cohens woorden, ‘de Cassandra van de Partij van de Arbeid’.

Curzio Malaparte – Bloed

Recensie van Curzio Malaparte – Bloed (vert. Jan van der Haar)

Oorspronkelijk verschenen 15-11-2012: http://www.8weekly.nl/artikel/10339/curzio-malaparte-vert-jan-van-der-haar-bloed-troostrijk-gehamer.html

Troostrijk gehamer

De verhalen in Bloed zijn niet zeer wreed of hartstochtelijk. Het bloed vloeit hier niet, het druppelt. Bloed vertolkt een subtielere functie: het is een voorwerp van obsessie, het is de arbiter, het is onverschillig- en echtheid.

Eindelijk is in Nederland de vertalingsmachinerie van het werk van de Italiaan Curzio Malaparte (pseudoniem van Kurt Erich Suckert, 1898-1957) op gang gekomen. Je zou zeggen dat zowel de recente vertaling van zijn putschhandboek, Techniek van de staatsgreep, als de Nederlandse edities van de meesterwerken Kaputt en De Huid – eveneens door literair vertaler Jan van der Haar – onderhand barsten teweeg moeten brengen in de muur van onbekendheid. In zijn werk hermysticeert Malaparte – ongrijpbaar interbellumintellectueel en oorlogsjournalist, van fascist tot communist en aristocraat – de Tweede Wereldoorlog. Scènes over de gedrochtelijke Himmler in de sauna, de bevroren paarden in het Ladogameer of de Napolitaanse omgang met vernedering zijn poëtisch en ontzettend. En dat is, om misverstanden te voorkomen, een heel sterke aanbeveling.

Afschuw en fascinatie
Een jaar of tien eerder, in 1937, publiceerde Malaparte Bloed. Hierin is de rode draad de weerzin en fascinatie van Malaparte en de Italianen tegen en voor het bloed. In de eerste van twee ingevoegde inleidingen stelt de schrijver: ‘Ik verafschuw bloed.’ Hij vervolgt direct met de bekentenis dat hij als kind door bloed werd geobsedeerd en standbeelden met een mes te lijf ging om te proberen deze te laten bloeden. De afschuw lijkt de obsessie enkel te vergroten.

In Bloed lijkt Malapartes taal een niet-ingedamde variant van de taal in zijn latere werk: gedurfd en boordevol pathos. En ja, dit slaat sporadisch om in pathetiek. In brede, vloeiende banen schrijft en schrijft hij, blijkbaar onbevreesd voor poëtische overkill. In de veelal autobiografische verhalen in Bloed toont hij een voorkeur voor beschrijvingen van het bucolische Italiaanse platteland, vaak rond zijn geboorteplaats Prato. Deze verhalen baden in flakkerende lichtstralen, terwijl de continu waaiende sirocco de lucht verzwaart en de cicades tsjirpen op de achtergrond.

Tussen deze overvloed aan impressionistische sfeerbeschrijvingen krijgt de lezer aanhoudend het idee dat er binnen twee regels een oprechte, mystieke gebeurtenis plaats kan hebben. Deze spanning en mystiek typeren Malapartes schrijverschap, en maken ook Bloed interessant.

Curtino
Sommige verhalen hebben als onderwerp zijn jeugd of zijn dienst in de Eerste Wereldoorlog. Al genoemd is de fascinatie van de kleine en onzekere ‘Curtino’ voor bloed. De aanblik van enkele druppels bezorgde hem “een soort van blijde verwondering, de aanwezigheid van dat bloed maakte de hemel helderder, de contouren van de heuvels zachter, de lucht rustiger”.

 
In het verhaal ‘De ontgoochelde dood’ rijst uit de hamerslagen van de smid Mersiade een andere vorm van aardse mystiek op. Bij Mersiade vindt Curtino af en toe soelaas. De terugblikkende Malaparte etst hier een beeld dat dusdanig hoekig en uitdrukkingsvol is dat de lezer net als de kleine Curzio het gehamer als troostrijk ervaart. Het gehamer is natuurlijk een metafoor voor een pulserende hartslag, en daarmee voor een soort echtheid, vergelijkbaar met de ‘verzachtende’ druppels bloed. Zo is het bloed afwisselend symbool en het gesymboliseerde, en vaker van verlichting dan van onverschilligheid.

In bijna ieder verhaal druppelt het bloed. Vloeien doet het niet, want het werkelijke geweld is dat van de natuur: het onverschillig-toevallige geweld dat een moeder een kind en een schaap haar lam doet verliezen.

De redactie lijkt af en toe netter te hebben gekund. Als Cavalier Bonfante – hoofdpersoon van het perplex achterlatende slotverhaal – aan iemand denkt, staat er bijvoorbeeld ‘Cavalier Bonfante deed hem aan iemand denken’. Dit ontsiert. Ook is het vreemd dat Malaparte niet even kort ingeleid wordt, wat toch had gemogen bij een oudere schrijver die geen wijdverbreide bekendheid geniet. Niettemin valt ook uit deze verhalenbundel zeer veel te halen. Bloed is een nieuw Nederlands piketpaaltje van Malapartes talent.

 

Amerikanen dromen struisvogeldromen

Oorspronkelijk verschenen 08-11-2012: http://defusie.net/amerikanen-dromen-struisvogeldromen/

Wat is conservatisme in Amerika?

Bijna de helft van de Amerikaanse stemmers verkoos de Republikeinse kapitalist Mitt Romney als president boven de weldenkende en sociaalvoelende Democraat Barack Obama. Vraag: hoe kan dat? In een derde deel van een conservatief drieluik wijst historicus en politicoloog Alexander van Kesteren in de richting van een antwoord. Dit schuilt namelijk in het fascinerende Amerikaans-conservatieve discours: over de vervorming van the American dream.

Ter bekrachtiging van de raadselachtige Republikeinse populariteit voldoen twee snelle blikken op de Amerikaanse sociaal-economische werkelijkheid. Ten eerste, waar president Obama bezig is de economische ongelijkheid terug te dringen, bepleitte Romney de ongelijkheidvergrotende ongehinderde marktwerking.

Dit terwijl – het kan niet vaak genoeg benadrukt worden – de Amerikaanse ongelijkheid de afgelopen 40 jaar al zo sterk is toegenomen. Niet toevallig vanaf het moment dat de conservatieven politieke macht begonnen te verwerven. Eerst enkele cijfers, waarna hieronder meer gesuikerde culturele argumenten volgen. De onderstaande tabel, afkomstig van The Washington Post, bevat de veranderingen over de periode 1970-2008 in het reële inkomen: de rijkste 0,1% is er 385% (!) op vooruitgegaan, de onderste 90% niets.

 

De kloof tussen het gemiddelde inkomen in de ‘top 5-10%’ en de onderste 90% geeft aan dat de Amerikaanse middenklasse gestaag verdwijnt. Buitendien maken andere bronnen duidelijk dat de sociale mobiliteit de laatste decennia drastisch is afgenomen. Onvermijdelijke conclusie: de Amerikaanse dromen komen niet meer uit; zij gaan niet meer van ‘rags to riches’. Desondanks heeft ongeveer de helft van die onderste 90% – waaronder een deel van Romney’s 47% ‘verliezers’! – vol overtuiging Republikeins gestemd, waarmee zij er in principe voor kozen de miljonairs verder te verrijken en zichzelf te benadelen. De Amerikanen dromen struisvogeldromen.

De hiermee opgeworpen vraag – waarom stemt half Amerika lijnrecht in tegen haar eigen economisch belang? – wordt in een terecht vermaard boek uit 2004 door Thomas Frank in de titel hergeformuleerd: What’s the matter with Kansas? Zijn ondertitel wijst richting het antwoord: How conservatives won the heart of America. Spitsvondig beschrijft Frank hoe het armlastige en vóór 1964 overwegend democratische Kansas, het geografische hart van Amerika, verwerd tot een ultraconservatieve staat.

De transformatie van Kansas loopt synchroon aan, en staat bij Frank symbool voor, de bredere opkomst van het conservatisme. Het is het verhaal van een tweespalt. Van een nieuwe draai aan het al langer bestaande, polyinterpretabele idee dat Amerika uit twee naties bestaat. In de Amerikaanse collectieve zelfperceptie kreeg het idee van de twee naties een nieuwe inhoud in de sixties en werd het verankerd ten tijde van Nixons presidentschap. De essentie ervan is dat er twee ‘soorten Amerikanen’ zijn, conservatieven en progressieven. In de kenmerkende conservatieve voorstelling van zaken is het een tegenstelling tussen de veelal christelijke, patriottische en ‘hardwerkende’ middle Americans, de NASCAR-fans, de zo stille meerderheid die telkens wordt overstemd door deze ontwortelde intellectuelen, deze moralistische en latté drinkende Amerikanen aan de oost- en westkust.

Voor de duidelijkheid: anno 2012 worden deze conservatieven niet meer overstemd. Zie enkel de borden in de tuinen van de sub- en exurbia: ‘NO TAX!’ ‘MARRIAGE’S A SACRAMENT!’ Of nog vulgairder: ‘GOD HATES FAGS!’ ‘ABORTION IS BLOODY MURDER!’ Het zijn extreme uitingen van breedgedeelde meningen. Het onthult het volgende: voor de dromende, conservatieve helft van de Amerikanen gaat politiek helemaal niet over economie. Want de economie kan en moet worden overgelaten aan de ‘natuurlijke’ krachten van de vrije markt (vandaar het ‘no tax’). Nee, politiek gaat over cultuur. En specifieker nog over de conservatieve strijd tegen de door progressieven geperverteerde, permissieve samenleving.

In het gezichtsveld van de gemiddelde conservatieve kiezer is een gargantueske blinde vlek ontstaan: deze conservatief ziet niet dat de economische situatie, zowel individueel als collectief, juist door de politiek wordt bepaald. Wonderlijk genoeg koppelt hij of zij niet de decennialange stagnatie van hun inkomens, de gebrekkige werknemersrechten, de verkrotting van hun buurten, de groeiende tentenkampen of het feit dat één flinke ziekte een hele familie financieel kan ruïneren aan het conservatief-Republikeinse denken en beleid van de laatste 40 jaar. Volgens Frank heeft de niet-rijke conservatief zich in de luren laten leggen door een big business-elite achter de schermen: “Cultural anger is marshalled to achieve economic ends. And it is these economic achievements – not the forgettable skirmishes of the never-ending culture wars – that are the movement’s greatest monuments.”

Waar de conservatieve groepen wisselen, is hét conservatisme blijvend. Nieuwe conservatieve monumentenbouwers in spe waren Romney en zijn kandidaat vicepresident Paul Ryan. Rond de verkiezingen stond Romney een relatief gematigde positie voor. Van nature is hij een pragmatist en bovendien worden Amerikaanse Verkiezingen gewonnen in het midden. Maar vergis u niet, indien gekozen waren hij en Ryan als een springveer teruggeschoten naar meer geprononceerd conservatieve stellingen  – alleen al om de eigen achterban tevreden te houden.

In de beknopte beschrijving van het hedendaagse Amerikaanse conservatisme is een andere ‘hoe is het mogelijk’-vraag terzijde blijven liggen. Namelijk: hoe kunnen mensen in een land geënt op dynamiek, optimisme en toekomstgerichtheid zichzelf conservatief achten?

Het zijn tegenpolen in het Europese onbewuste. Maar opvallend genoeg hebben de Amerikanen ze vernuftig samengebracht: het Amerikaanse conservatisme heeft zich weten te verknopen met die Amerika typerende dynamiek, met jeugd, optimisme, energieke kracht en de speciale beloften die voornamelijk voor schijnen te komen in Amerikaanse dromen. Deze conservatieve Amerikaanse droomtraditie wordt vervolledigd met een nadruk op economisch liberalisme en individuele vrijheid, sterke (christelijk-)moralistische waarden en een flink arbeidsethos.

Het onoverkomelijke bezwaar hiertegen is, nogmaals, dat dit energieke vooruitgangsstreven de afgelopen 40 jaar heeft bijgedragen aan een samenleving die enkel de allerrijksten bevoordeelt. En het probleem is structureel, want doordat Romney geen president wordt, krijgt het Kansasiaanse conservatisme de kans om de Republikeinse Partij verder naar rechts te bewegen. Net als 4 jaar geleden is de – nu verbetener – hoop op Obama gestoeld. Hij moet de komende jaren zijn sociaal-economische programma’s voltooien, en zo de conservatieve Amerikanen tonen dat op betere pensioen- of uitkeringsregelingen geen gedroomde Apocalyps, maar een iets gemakkelijker leven volgt.

Laat ons hopen.

H. C. ten Berge – De stok van Schopenhauer

Recensie van: H. C. ten Berge – De stok van Schopenhauer

Oorspronkelijk verschenen 23-10-2012: http://www.8weekly.nl/artikel/10286/h-c-ten-berge-de-stok-van-schopenhauer-een-fascinerend-tableau.html

Een fascinerend tableau

De stok van Schopenhauer is zo’n beetje alles wat een boek kan zijn, van opwindend tot grotesk, van informatief en ontroerend tot stomweg saai. Het begeeft zich ergens tussen een literair experiment en een historische roman en weet in al zijn aspecten te fascineren.

Johannes (Hans) Cornelis ten Berge (1938), winnaar van alle grote Nederlandse oeuvreprijzen in de letteren, voert als fictieve verteller Sweder van Anholt op. Deze melancholieke man schrijft vanuit de stille Achterhoek, rond 1930, achtereenvolgens twee in elkaar grijpende verhalen over mensen die wel bestaan hebben. Dat er een verteller is, verleent het boek het aura van een roman. Maar dit aura wordt dan weer doorkruist doordat Sweder alles beschrijft in een documentairetrant, veel gebruikmakend van parafrases van historische figuren en inclusief foto’s. Het geheel vormt een ‘tableau van observaties en signalementen, van anekdotische vertellingen en kleine studies’.

Boemelen
Deel van dit tableau zijn korte (auto)biografische stukken over Sweder zelf. Deze worden, decennia later, aangevuld door zijn kleinzoon Detlev. Vervolgens vult deze ook weer enkele tientallen pagina’s met episodes uit zijn eigen leven. De Van Anholt-biografieën leveren ontroerende passages op. Maar centraal staan anderen. In het eerste relaas Franziska Gräfin zu Reventlow (Fanny), die alles en iedereen doet duizelen, niet in de laatste plaats de lezer. Deel twee centreert zich rondom de joods-Duits dichter-filosoof Theodor Lessing. 

Afgezien van Fanny en Lessing wemelt het boek van de bekende Duitse schrijvers van rond 1890-1930, van Oskar Panizza tot Thomas Mann. De voornaamste plaats van handeling rond het fin de siècle is dan ook de Münchense uitgaanswijk Schwabing:

Het district waar alles gebeurt, waar kunst en letteren bloeien, waar weldenkendheid  aan waanzin grenst, en genie en charlatan elkaar in de cafés ontmoeten.

Het klinkt als een middelpunt van het universum – en mid-mid leeft Fanny:

Ze is een acrobate in de liefde, een koorddanseres in het leven, een ‘dolle gravin’ in de ogen van het publiek. Dat zij tegelijkertijd het leven ernstig neemt, ziekten en depressies te boven komt, en haar situatie zowel stijlvol als helder weet te beschrijven, pleit voor het formaat van haar persoonlijkheid.

Ze adoreert haar zoon Rolf, koosnaam ‘Bubi’, is verzot op wielrennen(!), boemelen en het geestelijk-erotisch bedoelde ‘vliegen’. Alle kunstenaars vereren haar, ze schrijft romans, grappen voor het satirische weekblad Simplissimus en parodieën op de ‘Kosmogoniërs’. Deze laatste aanduiding refereert aan het door Sweder uitputtend beschreven verbond van prefascistische dichters rondom Stefan George. Naast George, die zichzelf graag zag als dichter-geestelijke van het toekomstige ‘Neue Reich’, maken lieden als Alfred Schuler en Ludwig Klages hiervan deel uit. Klages is de (tijdelijke) zielsverwant van zowel Fanny als Lessing.  

Waanmarsum
Deze ‘Kosmiker’, reactionaire romantici borrelend van ideeën over het ‘Al-Ene’, doen niet alleen grotesk aan: ze zijn het. De geestige Fanny doopt hun Schwabing ‘Waanmarsum’. Tegelijkertijd schrijft Sweder (oftewel: Ten Berge) gevoelsmatig eindeloos over de kosmogoniërs, zoals hij in het tweede deel maar door blijft akkeren over de beruchte Duitse lustmoordenaar Haarmann. Dit vormen (ogenschijnlijk) ondergeschikte verhaallijnen die al na tien pagina’s vooral saai worden.

Dus terwijl sommige verhaaldelen sprankelen, zowel dankzij het onderwerp als Ten Berges oorspronkelijke taalgebruik, glijdt het boek bij wijlen af in een tergende saaiheid. Maar, en dit is de vreemdheid ten top, Sweder/Ten Berge weet hiervan! Zie de passage waarin Sabine, een vriendin van Sweder, met hem in discussie gaat over zijn manuscript:

‘Boeiend, boeiend. Soms ook droog en vermoeiend. Zou je een paar scènes niet navranter of dramatischer kunnen maken?’
‘Kan ik wel, maar wil ik niet.’
‘Na gut, het is maar een suggestie. Houd er rekening mee dat een mild gestemde lezer je werk “een interessante mislukking” zou kunnen noemen.’
‘Hangt de vlag er zo treurig bij?’
‘Na ja, ik zou zo denken dat er hier en daar wat aan mankeert.’     
‘Maakt niks uit. Ik denk er niet over ook maar een snipper te publiceren.’
‘Het is van alles iets en van alles niets.’       

Meer dan Sabine raakt de lezer in verwarring: want inmiddels is wel degelijke iedere ‘snipper’ van het boek gepubliceerd! Bovendien, als Sweder/Ten Berge de langdradige saaiheid erkent en laat staan, wat is daar dan de bedoeling van?

Fanny sterft in 1918, domweg uitgeput na een razend leven. Zo maakt ze plaats voor het al even intrigerende verhaal over Lessing, die in het bezit is van de stok van Schopenhauer (nog meer raadsels, want wat is er met die stok?). Evenals Fanny is Lessing aanvankelijk hartstochtelijk bevriend met Ludwig Klages. Als gymnasiast vormen Lessing en Klages onafscheidelijke ‘Zeuskinderen’. Een breuk volgt als Lessing zich richt op ‘de geest’ en de blijvend branievolle Klages zich daarvan afwendt. Lessing zal dienen als proefkonijn van de nazi’s. Hij is de eerste joodse professor die (in 1925-26) vakkundig monddood wordt gemaakt, om enkele jaren later, in 1933, daadwerkelijk te worden vermoord. 

Kunstenaars en bierhallen
De lezer overziet de verhalen en zoekt verwoed naar coherentie. Een deel van die gezochte samenhang zit in de suggestieve wijze waarop Sweder het verlangen, de collectieve roes en de mislukking van de Duitse artistiek-reactionaire idealen combineert met de afgrond van het nazisme. Lessings Hannover is de stad van de aankomende aartsconservatieve rijkspresident Hindenburg, die baan maakte voor Adolf Hitler, die weer vruchtbare grond vond in het kosmogonische München, stad van kunstenaars én bierhallen.

Zo parafraseert Sweder een schrijfster die Haarmanns lustmoorden aanduidt als symbool van de zielsvernietiging, als ‘de laatste macabere penseelstreek die het beeld van het toenmalige, naoorlogse Duitsland voltooide’ – te associëren met Michael Hanekes film Das Weisse Band. Andere interpretaties, evenals de finale gebeurtenissen in de roman, moeten aan iedere lezer zelf worden overgelaten. Aan hem of haar, welgemeend: veel plezier én succes.

John Williams – Stoner

Recensie van John Williams – Stoner (vert. Edzard Krol)

Oorspronkelijk verschenen 19-10-2012: http://www.8weekly.nl/artikel/10281/john-williams-vert-edzard-krol-stoner-tussen-onderbuik-en-neusholte.html

Tussen onderbuik en neusholte

De titelfiguur in Stoner is een universitair docent letterkunde. En het hoofdthema is de liefde: voor een vrouw (of twee), een kind en de literatuur. Dit zijn niet onbeminde, maar wel zeer bekende romaningrediënten. Toch moet het originaliteitscriterium hier (tijdelijk) overboord, want Stoner is haast een ideale roman.

Oorspronkelijk publiceerde de Amerikaan John Williams (1922-1994) Stoner in 1965. Nu, 47 jaar later, volgt de heldere Nederlandse vertaling. Op de eerste pagina kondigt Williams aan dat William Stoner leefde, op de universiteit werkte als hoofddocent, toen stierf en werd vergeten. Hiermee blaast hij het verhaal de adem van volstrekte zinloosheid in, van een verloren leven. Dit zet de lezer op het verkeerde been, want dat is het werkelijk niet. Stoner hoeft niet veel op zichzelf te reflecteren om er blijk van te geven dat hij zijn eigen aard volgt. Bovendien is hij het grootste deel van zijn leven bezig met een van zijn grote liefdes: de Engelse literatuur en het doceren ervan.

Verliefdheid
De gedachte- en zelfs bijna woordeloze kinderjaren van William Stoner, op een boerderij in Missouri begin twintigste eeuw, worden in enkele pagina’s afgedaan. Dan oppert zijn vader dat een landbouwstudie aan de universiteit van Columbia een goede keuze zou zijn. En dus gaat Stoner studeren, werkt hij voor kost en inwoning bij een neef van zijn moeder en schaamt hij zich voor zijn grote lijf. In alles doet hij zijn best, ogenschijnlijk zonder enige bijgedachte. Behalve bij één vak: het voor alle eerstejaars verplichte Engelse letterkunde ‘verontrust hem’.

Vervolgens overkomt hem daar wat hem in de roman meerdere malen zal overkomen: Stoner wordt verliefd, en wel op de taal en de literatuur. Zijn liefde vindt bestendiging in zijn talent, en met behulp van een docent start hij zelf een (beperkte) universitaire loopbaan. Dit leidt tot een even onvermijdelijke als ontroerende verwijdering tussen hem en zijn boerenouders.

… en verliefdheid
Zijn tweede verliefdheid – die voor de literatuur blijkt eeuwig – is minder gelukkig. Geheel verblind valt Stoner voor Edith Bostwick, een meisje opgevoed in een belachelijke onechtheid. Verkrampt heeft ze een vorm aangenomen die haar moeder en de ‘Miss Thorndyke School voor meisjes’ wensten dat ze aannam. Na twee levensechte scènes in Ediths ouderlijk huis wil de lezer het boek in rennen, om daar zowel met een paar rake klappen haar ouders bij zinnen te slaan als de hele bourgeois-kitscherige poppenkast in een ravage te veranderen (want rotzooi is tenminste écht).

De naïeve Stoner trouwt Edith en na tientallen pagina’s huwelijk wil de lezer ook haar wat aandoen – een neiging die met moeite kan worden onderdrukt omdat je weet hebt van de tragische oorzaken voor haar krampachtige persoonlijkheid. Natuurlijk verandert het niets aan het resultaat voor Stoner, namelijk een verloren mogelijkheid op geluk. 

Genade?
Niettemin baart Edith hem een dochter. In haar, alleszeggend Grace genaamd, vindt Stoner enkele korte jaren lang wat soelaas. Hier spat het broze geluk van de pagina’s. Verschroeiend mooi zijn de korte passages waarin Stoner en Grace samen in de studeerkamer zitten te lezen, hij met één gelukkig oog op het ingespannen gezichtje van zijn dochter, zittend aan haar eigen kinderbureau.

Zoveel harmonie is (bijna) nooit blijvend: Edith maakt Grace tot onderwerp van strijd. Onvermijdelijk verwatert hierdoor de band tussen vader en dochter. Stoner accepteert dit – inhoud gevend aan de connotatie van zijn naam – simpelweg omdat hij de onvermijdelijkheid ervan inziet. Dit onvermijdelijke wortelt in de combinatie van zijn eigen natuur, die van zijn vrouw en van de heersende culturele normen.

Overgave en geluk
De constante in het verhaal is zijn liefde voor de literatuur en het leraarschap. Op de universiteit vindt hij twee vrienden én een decenniadurende vijandschap. En net als je als lezer, iets over de helft van het boek, begint te vermoeden dat dit het was, wordt Stoner wederom verliefd. Ditmaal is de blinde overgave wederzijds: het vormt het orgelpunt in zijn leven.

De opeenvolging van zijn liefdes, alle zo verschillend van aard, brengen hem tot de volgende overweging:

Nu, op middelbare leeftijd, begon hij te ervaren dat het noch een genadige staat was, noch een illusie. Hij beschouwde het als een menselijk wordingsproces, een staat die keer op keer, dag in dag uit opnieuw werd uitgevochten en veranderd, door het verlangen, het verstand en het hart.

Het is een hele toer het werkelijke effect van Stoner te beschrijven zonder terug te vallen op vervaalde, sentimentele uitdrukkingen. Een poging daarlangs af te scheren: als gesteld benadert dit in zijn onderwerpkeuze vrij traditionele Amerikaanse verhaal de ideale roman. En natuurlijk begeeft ook ideale literatuur zich ergens tussen ‘het verlangen, het verstand en het hart’. De roman Stoner helt over naar het verlangen en het hart en veroorzaakt fysieke sensaties: iedere wending, ten goede of ten kwade, ervaart de lezer fysiek, ergens tussen onderbuik en neusholte.

LEVE DE KIEZER!

Oorspronkelijk geplaatst op 15-10-2012: http://defusie.net/leve-de-kiezer/

Na de verkiezingsuitslag van 12 september jongsleden kraaiden de politieke commentaren vrijwel in unisono: het populisme is dood, leve de kiezer! Met de dubbeloverwinning van VVD en PvdA zou de kiezer het politieke midden en haar consensus verkiezen boven de polarisatie van de flanken. Volgens de commentaren was hiermee na tien tumultueuze jaren de Fortuynrevolte verworden tot louter historisch voer – interessant, maar zonder structurele betekenis. Op deFusie werd door Pieter Koning (08-10, ‘Tijd voor Neo-Paars’) een soortgelijk betoog uiteengezet. Dit is zowel een reactie op zijn stuk als een indirect schotschrift tegen al die ondoordachte analyses.

Konings redeneertrant volgt dit al te rechte pad: de flankpartijen PVV en SP hebben minder zetels gehaald dan vooraf werd gedacht, terwijl hun grote (half)broers, respectievelijk de VVD en de PvdA juist onverwacht groot zijn geworden. Volgens hem is dit een teken dat de PVV en de SP ‘zich deerlijk vergissen in de intelligentie van de gemiddelde kiezer’ en dat enkel ‘het meest vastgeroeste deel van het electoraat’ nog haar stem op deze partijen uitbrengt.

Die wel intelligente kiezers, volgens Koning ‘murw gebeukt’ in de ‘ideologische strijd tussen links en rechts’, zouden nu een nieuwe periode van ‘pacificatiepolitiek’ inluiden. Niet alleen hebben zij massaal op de middenpartijen VVD en PvdA gestemd, tevens blijkt uit een peiling van De Hond van na de verkiezingen dat de meeste Nederlanders een VVD/PvdA-kabinet ‘het meest acceptabel’ vinden.

Op al te gemakzuchtige wijze, à la Ad Melkert, schrijft Koning de SP- en PVV-kiezer af. Hij vergeet bijvoorbeeld dat zeker drievijfde van de door hem zo intelligent bevonden PvdA-kiezers, wederom volgens de heilige peilingen, drie weken eerder nog ‘vastgeroest’ aan de SP zaten. Nu is elitisme mij geenszins vreemd, maar een eerste voorwaarde daarvoor is enige slimheid. En wat Koning beweert oogt pedant en is enkel kortzichtig.
Sowieso zijn al zijn gevolgtrekkingen ongefundeerd. Als gesteld leidt zijn argumentatie hem naar de stelling dat de 40 zetels voor de VVD en de 38 zetels voor de PvdA bewijzen dat de polarisatie is ingeruild voor de goede oude consensuspolitiek. Volgens Arend Lijphart werd deze politiek gekenmerkt door de gedeelde acceptatie van een aantal ‘informele spelregels’, van ondermeer ‘zakelijke politiek’ en ‘depolitisering’. Het is me dan ook een raadsel hoe je kan beginnen over Lijpharts consensusdemocratie, zonder zijn informele spelregels te noemen..

Om de stelling verder te ontkrachten meng ik mij graag in het populaire wedstrijdje zetelverhoudingen analyseren: tot aan het jaar van de grote politieke waterscheiding, 2002, behaalden de drie grote middenpartijen VVD, CDA en PvdA gezamenlijk nooit minder dan 102, en vaak gemakkelijk 125 zetels. Uitgezonderd 1994 was een tweepartijenkabinet altijd mogelijk.

Al die tijd was het exceptioneel als een partij links van de PvdA of rechts van de VVD meer dan een zetel of 5 bezat – GroenLinks (ach Groenlinks) had er 11 in 1998. Sinds 2002 is dit structureel anders. Ook nu bezitten de flankpartijen SP en PVV allebei 15 zetels. Deze 20% van het stemmentotaal is minder dan verwacht, zeker, maar geenszins verwaarloosbaar.

Daarbij is het allerminst ondenkbaar dat het nieuwe kabinet binnen een jaar valt, en we na nieuwe verkiezingen aankijken tegen een nieuwe Grote Versnippering; met een partij of vijf van ieder 20-25 zetels. Of misschien bubbelt de economie in elkaar en accepteren we binnen een decennium een technocratische dictatuur. (Weten wij veel). Ik wil maar zeggen dat enige terughoudendheid de politiek-commentator zou sieren, in deze era van de veranderlijkheid. Er is in ieder geval geen enkele reden om aan te nemen dat de Nederlandse politiek een nieuwe periode is binnengegaan.

Dan nog iets: SP-senator Tiny Kox stelt dat Nederland een rechts ofwel links kabinet wenst. Anders dan Koning beweert, kan deze stelling niet door de uitkomst van een trendgevoelige, post-electorale peiling van De Hond van tafel geveegd worden. Want met deze gepeilde voorkeur voor een PvdA/VVD-kabinet laat De Hond enkel zien dat de gemiddelde Nederlander enige realiteitszin bezit: gegeven de verkiezingsuitslag is dit simpelweg de naar verwachting best realiseerbare oplossing.

Maar dit zegt weinig over de coalitievoorkeur van de Nederlandse kiezer voorafgaand aan 12 september! Sterker nog, alle peilingen vóór de verkiezingen wezen er op dat de eerste coalitievoorkeur van, zeg, tweederde van de kiezers een centrum-links dan wel een centrum-rechts kabinet was. De kiezer koos niet voor het midden. De kiezer koos voor de partij die hij aan de rechter- of aan de linkerkant het sterkst achtte: rechts was dat de VVD, links aanvankelijk de SP, en bij nader inzien toch de PvdA.

Bovendien benadrukt de vloed aan stemmen op de VVD en zeker op de PvdA juist de vruchtbaarheid van beider polariserende verkiezingsstrategieën; van het afzetten van de VVD tegen ‘de socialisten’ en van de PvdA tegen het ‘rechtse rotbeleid’. ‘De kiezer’ ging hierin mee en koos vrij overweldigend ofwel centrum-rechts, ofwel centrum-links. En niet alleen zo bezien heeft de kiezer het aangezicht van Janus. Want hij/zij wilde niet alleen enige polarisatie, maar tegelijkertijd – en dit was zowel deel van Samsoms succes als van de pech van Wilders en Roemer – een redelijke succeskans op een meerderheidskabinet.

Duidelijk is dat de kiezer niet kapseisde naar puur links of rechts, maar evenmin overhelde naar het midden. Zie de tegenvallende 24 zetels van D66 en het CDA samen. Als de kiezer al een boodschap heeft afgegeven, dan is het dat het niet wil golven tussen consensus en conflict, maar graag op hetzelfde moment een beetje van beiden wil zien. Dus een beetje paars met een beetje Fortuyn. Dit is simpelweg politiek: het vinden van een tijdelijke consensus op blijvende verschillen, die weer bij wijlen polemisch uitgesponnen worden.

Nu vind ook ik de kiezer vaak ongeïnformeerd, hypegevoelig en navelstaarderig, maar zo bezien heeft-ie het op 12 september best aardig gedaan. Schoorvoetend zeg ook ik: leve de kiezer.

ZIEDAAR, EEN NEDERLANDSE CONSERVATIEVE PARTIJ

ZIEDAAR, EEN NEDERLANDSE CONSERVATIEVE PARTIJ

Oorspronkelijk verschenen 01-10-2012: http://defusie.net/ziedaar-een-nederlandse-conservatieve-partij/

Het is één van de meest interessante Nederlandse partijpolitieke vragen: waarom kende Nederland afwisselend wel communisten, centrumdemocraten en populisten, maar nooit een conservatieve partij? In dit tweede deel van een drieluik onderzoekt historicus en politicoloog Alexander van Kesteren hoe conservatief de SGP is.

Bijna een eeuw geleden, in 1917, poneerde de katholieke politiek leider W.H. Nolens in het parlement dat de Nederlander zich veel laat zeggen, maar niet dat hij conservatief is: “Mijnheer de Voorzitter! (…) er zijn er, die misschien nog liever beschuldigd zouden worden van laat ik zeggen een diefstal of een brandstichting, dan (…) van te zijn conservatief.”

Dit ‘taboe van Nolens’ heeft honderd jaar lang weinig tot niets ingeboet aan geldigheid. Omgekeerd is ze eveneens juist: de zelfverklaring tot conservatief van een individu of politieke partij betekende lange tijd op zeker een omtovering, sur place, tot politieke melaatse – toch in ieder geval in de potentieel dodelijke kiezersogen.

Nu nog is de bewering gangbaar, onderschreven door vriend en vijand, dat er niet zoiets bestaat, noch snel zal bestaan, als een Nederlandse conservatieve partij. Maar is zij ook waar? Is er toch niet één kleine conservatieve partij die zich heeft genesteld in de door de veelal progressieve commentatoren vergeten hoekjes van christelijk Nederland?

De geschiedenis van de mensheid bewijst dat alle torens van Babel vroeg of laat weer instorten.

Deze retorische vraag behoeft allereerst opheldering van het gebruikte predicaat. Wanneer duiden we een politieke partij conservatief? Het is een mijnenveldvraag (zie ‘Het mysterie van het ontbrekende conservatisme’). Laten we tenminste aannemen dat conservatieve partijen conservatief zijn als ze zichzelf zo noemen, zoals de Britse Conservative Party van David Cameron en de CSU, zusterpartij van Angela Merkels CDU.

Beide partijen zijn centrumrechts, wensen in ieder geval geen grote staat, loven traditie en hanteren een gematigde politieke vorm. Deze relatieve overzichtelijkheid dreigt echter vertroebeld te raken als we het trans-Atlantisch bekijken: daar wordt de Amerikaanse Republikeinse Partij, in Europese ogen sowieso een vergaarbak van allerlei onguurs, gewoonlijk ‘conservatief’ genoemd. Maar bevreemdend genoeg is het gemiddelde Amerikaanse conservatisme, de sloganeske Tea Party incluis, qua vorm heel populistisch. Zozeer zelfs dat de Amerikaanse conservatieven zich vaak los lijken te schreeuwen van alle traditie.

Waar in de Europese partijen nog sporen van het intellectuele of culturele conservatisme te ontwaren zijn, daar zijn de Amerikaanse politieke conservatieven hier mijlenver van verwijderd. Waarin ligt dan hun gedeelde grond? Hier is, excuseer, een kleine academische excursie onvermijdelijk: de theoreticus Michael Freeden probeert tot een formule te komen die het enigszins mogelijk maakt om te kunnen stellen wanneer een conservatisme, immer tijd- en plaatsspecifiek, inderdaad een conservatisme is of enkel een nationaal exotisme.

Freeden komt tot twee voorwaarden, niet zaligmakend maar wel nuttig: ten eerste, zo stelt hij, verdedigt een conservatieve partij altijd expliciet een cultuur, een gedeelde manier van leven. Daarnaast – tientallen pagina’s Freeden in twee zinnen samengevat – behelst ieder politiek conservatisme een geloof in een buitenmenselijke (‘extra-human’) oorsprong van de samenleving. Deze wordt op een niet-rationele wijze geordend, via bijvoorbeeld historische, religieuze of biologische wetmatigheden. Dit verklaart het continue conservatieve verzet tegen het rationalistische liberalisme en socialisme.

Duizend verschillende discussies zijn nu mogelijk. Deze laat ik links en rechts liggen, om terug te keren naar de zeldzaamheid van een Nederlandse conservatieve politieke partij.

Want opvallend genoeg lijkt het door Nolens geregistreerde, onwelriekende gevonden odeur hangend rondom het conservatisme het laatste decennium wat van haar afstotendheid te verliezen: sinds pakweg 2001 vertonen zich gestaag meer conservatieven aan het Nederlandse maatschappelijk firmament. Let wel: maatschappelijk, niet politiek. Nog altijd willen de politieke partijen pertinent niet conservatief genoemd worden.

Sinds pakweg 2001 vertonen zich gestaag meer conservatieven aan het Nederlandse maatschappelijk firmament.

Alle partijen? Nee, niet alle. In de strenggereformeerde SGP – sowieso al het dappere Gallische dorp in de Nederlandse politiek – nemen de propaganten van een vermenging van christendom met conservatisme recentelijk gestaag de overhand. De SGP, summum van stabiliteit, heeft het voordeel geen electoraal verlies te hoeven vrezen als gevolg van een openlijk conservatieve koers: sinds de oprichting in 1918 bezet de partij permanent twee dan wel, zoals nu weer, drie Tweede Kamerzetels.

Interessant is nu dat het conservatisme de SGP programmatisch past als gegoten. De partijstandpunten voldoen aan beide voorwaarden voor een politiek conservatisme. Natuurlijk gelooft de partij in een buitenmenselijk ordeningsmechaniek, te weten de oudst denkbare: God.

Daarnaast verzet de SGP zich, gelijk de PVV, fel tegen de ‘aan Nederland wezensvreemde Islam’. In dit verzet wijst het op de christelijk-historische traditie van Nederland en ageert het tegelijkertijd, zoals het een goede conservatieve partij betaamd, luid tegen de progressief-rationalistische maakbaarheidsgedachte: “De geschiedenis van de mensheid bewijst dat alle torens van Babel vroeg of laat weer instorten.”

Ziedaar, een Nederlandse conservatieve partij. Naar de maatstaven van Freeden dan toch.  Want toegegeven, ideaaltypisch is ze (nog) niet. Tussen 2002-2006 ontspon zich binnen de SGP ook een discussie over de wenselijkheid van een expliciet christelijk-conservatieve koers. Destijds werd deze als volgt gesloten: ‘Conservatisme is het beschaafde gezicht van het ongeloof, maar het blijft ongeloof’.

Het conservatisme past de SGP programmatisch als gegoten.

Maar eind 2009, begin 2010 werd de discussie heropent. En deze keer ontwikkelt zij zich richting een andere uitkomst. Zo onderschrijven de invloedrijke SGP-Jongeren – ‘s lands grootste politieke jongerenorganisatie – en bijvoorbeeld Tweede Kamer-woordvoerder Menno de Bruyne openlijk het conservatisme. En waar Bas van der Vlies, tussen 1986 en 2010 SGP-lijsttrekker, het conservatisme voor de SGP expliciet afwees, daar weigert de huidige voorman Kees van der Staaij zich vooralsnog uit te spreken.

Zijn aarzeling kan als vingerwijzing worden opgevat van de SGP-ontwikkeling tot een openlijk christelijk-conservatieve partij. Ook de sympathieverklaringen aan SGP-huize van een aantal niet-religieuze conservatieven mag als teken hiervan worden opgevat.

Deze tendensen wijzen eveneens op het volgende: het toenemende SGP-conservatisme is voor de partij een manier om zich zowel te verhouden tot haar wortels, als zich enigszins te ontworstelen aan haar rol van Nederlandse pariapartij: de Galliërs treden buiten de omheining,  om daar de verdediging van de ‘Nederlandse cultuur en traditie’ voort te zetten. Deze grote stap blijkt uit de officieuze gedoogrol, en wordt bekrachtigd doordat de SGP-kamerleden zich tegenwoordig laten interviewen door Rutger Castricum en zijn pendanten, en dat zonder-zich-te-laten-provoceren (!).

Aldus treedt de SGP meer naar buiten, en dat gestaag als openlijk christelijk-conservatieve partij. Wat kan deze conclusie nu beter bekrachtigen dan te besluiten met een invocatie van de messias zelve? De SGP-Jongeren schrijven over Jezus: “Zijn optreden was theologisch gezien radicaal, maar politiek gezien conservatief.”

De conservatieve SGP wacht een wereld om te verdedigen, en te veroveren.

Alexis de Tocqueville – Herinneringen aan de omwenteling van 1848

Alexis de Tocqueville (vert. Ineke Mertens) – Herinneringen aan de omwenteling van 1848

Oorspronkelijk verschenen 04-10-2012: http://www.8weekly.nl/artikel/10253/alexis-de-tocqueville-vert-ineke-mertens-herinneringen-aan-de-omwenteling-van-1848-aristocraat-met-zienersoog.htm

Aristocraat-met-zienersoog

De verleiding is groot om een recensie van een werk van Tocqueville als volgt in te richten: men neme zes prachtcitaten, onderstreept de elegante inzichtrijkheid van elk ervan en besluit met een geschreven reverence. Bij dezen.

Natuurlijk is eerst een introductie gepast: Alexis de Tocqueville (1805-1859) is de ‘democratisch aristocraat’, de schrijver van het eerste canonieke werk over de democratie, Over de democratie in Amerika (1835, 1840). Hij was echter ook tien jaar lang nauw betrokken bij de Franse politieke praktijk. Eerst als parlementslid en vervolgens, na de Februarirevolutie, als medeopsteller van de grondwet en later kortstondig als minister van Buitenlandse Zaken. Over zijn politieke carrière na de ‘omwenteling van 1848’, schreef Tocqueville zijnHerinneringen.

Bespeurt u de revolutionaire wind?
Zelf opent hij met de stelling dat het boek puur bedoeld is ter ‘geestelijke ontspanning’, en dat de eerlijkheid ervan – hij beschrijft enkel wat hij zelf gezien en gedacht heeft en lijkt inderdaad prettig genoeg weinig achter te houden – het ongeschikt maakt voor publicatie. Verderop geeft hij echter aan dat een zucht naar publieke erkenning een van zijn zwaktes is. Samen met de slimheid en fijne stijl verraadt dit Tocquevilles werkelijke bedoeling met het boek: postume publicatie.

Wel zijn de Herinneringen onaf. Er zitten kleine lacunes in de tekst en bovendien is Tocqueville niet toegekomen aan de periode van juni 1848 (ná de straatgevechten van die maand) tot juni 1849, het moment dat hij minister werd.

Na een analyse van de opmaat tot het revolutiejaar 1848, haalt Tocqueville – en hier start de citatenronde – allereerst zijn eigen gelijk. Evenals in Over de democratie in Amerika geeft hij er blijk van met een zienersoog de maatschappelijke onderstroom te kunnen analyseren. Hij richt, eind januari van dat jaar, in de Kamer van Afgevaardigden de vraag aan parlementaire dovemansoren: ‘Bespeurt u niet… hoe zal ik het zeggen?… dat er een revolutionaire wind waait?’ Tevergeefs smeekt hij: ‘Bezweer het nu het nog kan!’

Revolutie en anarchie
Wat onherroepelijk volgt is ondermeer een ronduit spannend ooggetuigenverslag van de revolutionaire straatgevechten. Tocqueville betreurt de onredbaar blijkende constitutionele monarchie van Lodewijk Filips, en bezingt zijn politieke idealen:

Ik voelde dat mijn eigen zaak verloren was. Ik had de mooiste jaren van mijn jeugd beleefd in een samenleving waarin met het herwinnen van de vrijheid ook welvaart en grandeur leken terug te keren. Ik had me een voorstelling gemaakt van een gematigde en geordende vrijheid, begrensd door het geloof, de zeden en de wetten. (…) Ik had het gevoel dat ik ontroostbaar zou zijn bij haar verlies, en zag nu dat ik haar zou moeten opgeven.

Mede doordat de revolutionairen geen duidelijke leiding, geen nieuwe Robespierre, kregen, kon met de nieuwe Franse Republiek (de tweede) de orde terugkeren. En ondanks dat hij een constitutionele monarchie meer geschikt acht om de vrijheid te verdedigen, steunde Tocqueville deze nieuwe staatsvorm wel.

Zelfkritiek
Onderwijl tuimelen puntige observaties en snedige analyses over elkaar heen. Onscrupuleus ontleedt Tocqueville zowel de kwaliteiten van medepolitici als van zichzelf. Al genoemd is zijn zucht naar erkenning; daaraan gerelateerd is zijn chronische onzekerheid. Bovendien is hij allesbehalve een inspirerend spreker. Zijn benoeming van een van de oorzaken hiervan mag tevens dienen ter illustratie van zijn elegante stijl:

De waarheid is voor mij een zo kostbaar en zeldzaam iets dat ik haar (…) niet graag in een discussie op het spel zet. Het is een licht dat ik vrees te doven door ermee te zwaaien.

Natuurlijk zijn niet alle Fransen grote sprekers – al zijn ze waarschijnlijk wel allemaal fervente polemici. Tocqueville haalt in herinnering

(…) een van mijn Normandische buren, een groot liefhebber van de polemiek, aan wie de goden echter de schone gave van spreekvaardigheid hadden onthouden en die zich, zodra ik zijn opvatting  bestreed, naar huis haastte en me per ommegaande schriftelijk liet weten wat hij had willen zeggen.

Psycholoog annex
In de beoordeling van medepolitici weegt Tocqueville evenzeer hun hele karakter als hun directe politieke kwaliteiten. Zijn beschrijvingen zijn dusdanig origineel dat de waarschijnlijke onbekendheid van de huidige lezer met de besproken politici weinig meer uitmaakt. Zo hoef je ene Barbès niet te kennen om jezelf te kunnen verkneukelen bij Tocqueville’s oordeel:

Hij was een van die mannen in wie de demagoog, de dwaas en de ridder zo vermengd zijn dat het onmogelijk te zeggen valt waar de een eindigt en de ander begint.

Dergelijke elegantie is in onze politieke commentaren zeldzaam. Wel kan de vijftigste opmerking in deze trant gaan vermoeien. Op die paar momenten blijkt het boek wat gedateerd en dus kwetsbaar. Dit geldt evengoed voor de beschrijvingen van de diplomatieke relaties van Frankrijk tijdens Tocquevilles ministerschap. Desalniettemin moge het duidelijk zijn dat Tocqueville, deze grote aristocraat, de onovertroffen politiek waarnemer, psycholoog, socioloog en staatsman (enzovoort), zichzelf met zijn Herinneringen alle recht doet.

John Gray, SPUI25-lezing ‘Mythe en fictie in de hedendaagse politiek’

John Gray, SPUI25-lezing ‘Mythe en fictie in de hedendaagse politiek’

History as usual

Oorspronkelijk verschenen 30-09-2012: http://www.8weekly.nl/artikel/10249/john-gray-spui25-lezing-mythe-en-fictie-in-de-hedendaagse-politiek-history-as-usual.html

Al jarenlang hamert politiek filosoof John Gray onaflatend op het gevaar van de alomtegenwoordige vooruitgangsmythe. Weliswaar sijpelt momenteel het geloof weg in de permanente houdbaarheid van economische groei, maar nog altijd gaat iedereen ervan uit dat oorlogen afnemen en dat collectieve kwaadaardigheid van eerder en elders is.

In de zesde SPUI25-lezing benadrukt de realistische profeet Gray, wiens gelijk telkens weer door de actualiteit wordt onderschreven, dat deze aannamen worden gelogenstraft door de ervaringswijsheid. Alvorens Gray dit, en meer, mag verkondigen, besteden Marita Mathijsen en Louise Gunning, collegevoorzitter van de UvA – alles complimenterend maar niets zeggend, zoals collegevoorzitters plachten te doen – aandacht aan het begin van de lustrummaand van SPUI25. Dit succesvolle instituut, dat erin slaagt om kunst en wetenschap te verbinden en een centrum voor vruchtbare polemiek te vormen, bestaat deze maand namelijk vijf jaar. Tot en met half oktober is het programma nog meer dan anders gevuld met indrukwekkende namen, zowel in sprekers als besprokenen (zie www.spui25.nl).

A return to normalcy
Goed, genoeg (gemeende) pluimen uitgedeeld. Waar het werkelijk om gaat is de boodschap van John Gray, een van de grootste hedendaagse publieke intellectuelen, de auteur van Black Mass (2007), Strawdogs (2003) en het meest recent The Immortalization Commission (2011). Hij spreekt in de aula van de Lutherse Kerk op het Spui.

Onder het sfeerbepalende gewelf trapt Gray af met het kastijden van de fictie ‘Europa’. Bon ton natuurlijk, in ieder geval sinds de eurocrisis, maar Gray roept dit al jaren. Sowieso is hij een woestijnprofeet, wiens vooruitziende stellingen telkens ongehoord blijven. Althans, ongehoord door ‘de machthebbers’, om vervolgens door de voortsnellende realiteit te worden bewaarheid.

Vanzelfsprekend vindt hij de oorspronkelijke bedoeling van het Europese project, het ‘nooit meer oorlog’, niet alleen nobel, maar ook verstandig. Na enkele decennia nam echter het nobele, het ideaal, de overhand en verwerd het tot geloofsartikel. Dit is het stramien dat Gray aanklaagt, en dat wordt verwoord door Bas Heijne in het vraaggesprek na afloop. Het haalbare ideaal ontwikkelt zich tot een absoluut idealisme, dat almaar blinder maakt voor de realiteit. Dit aldus vertroebelde perspectief baarde vervolgens de gezamenlijke munt en het krampachtige streven naar politieke eenwording. Alsook, dankzij de onvermijdelijke gebreken daarvan, de huidige crisis.

Wat te doen, zeker nu, op het moment dat niet alleen Gray maar ook de geschiedenis hierop wijst? Hij observeert ‘a return to normalcy’. Hieronder schaart hij zowel de ‘terugkeer’ van de economische crisis als de toxische politiek. Toch, stelt Gray, houden nog velen vast aan de gevaarlijke fictie Europa. Die mensen zijn ervan overtuigd dat Joschka Fischer gelijk heeft als hij zegt dat iedere crisis de Europese Unie weer verder zal brengen, zal aanzetten tot de nodige nieuwe hervormingen en tot verdere inkleuring van het institutionele kader. Dit noemt Gray, gegeven de grote nationale verschillen, onmogelijk.

Onder het plaveisel…
De centrale these van Gray, zowel van zijn lezing als van zijn gehele werk, is dat de mens geen werkelijke morele of ethische vooruitgang maakt, en dat de utopismen die anders beweren gevaarlijk zijn. In tegenstelling tot de ethiek is de verworven wetenschappelijke en technologische kennis cumulatief: ‘Zelfs als alle wetenschappers nu zouden sterven aan influenza, zouden de volgende generaties hoogstwaarschijnlijk die kennis behouden.’ Het beslissende punt is dat ‘human animals are unique in its capacity to grow knowledge, but also unique in its incapacity to learn from knowledge’. Ondanks alle opgedane ervaringen, de bibliotheken vol gecatalogiseerde ellende en daaruit gedestilleerde wijsheden, evolueren wij arme tekortschietende wezens niet wezenlijk.

De over eeuwen opgebouwde instituties die de maatschappelijke vooruitgang kenmerken – welvaartsstaat, tolerantie, slavernijverbod et cetera – kunnen ‘in the blink of an eye’ zijn weggevaagd, ineengestort. Samengevat: onder het plaveisel de natuurstaat, de chaos.

Gray’s overtuigende en dus verontrustende empirische bewijs hiervoor is de door de Verenigde Staten, ’s werelds grootste liberale democratie, gesanctioneerde marteling van nog geen tien jaar geleden. Decennialang was marteling getaboeïseerd, werd het als dusdanig kwaadaardig gezien dat er geen discussie over mogelijk noch nodig was. Maar wie in pakweg 2000 had voorspeld dat binnen vijf jaar een Amerikaanse president marteling zou verdedigen, zou voor een apocalyptische nonsens pratende malloot zijn uitgemaakt. (Raad eens wie een van die malloten was – zie Gray’s vóór Abu Ghraib in de New Statesman gepubliceerde ‘Torture: a modest proposal’).

Zo rijgt John Gray in een prettige trant, kalm maar nadrukkelijk, zijn stellingen aaneen. Gekleed in een Burberry-jasje en dito stropdas is hij de ware Britse intellectueel: hij springt in zijn betoog anekdotisch heen en weer, verwijst naar Joseph Conrad, verluchtigt via het oproepen van een Monty Python-fragment, citeert Keynes en noemt Bertrand Russel ‘Bertie’.

Mythmaking animals
En alles stut die ene these: ‘Progress in politics and morals is a myth.’ Maar voor ons mensen zijn mythen en hun betekenisgevingen onontbeerlijk; wij zijn ‘mythmaking animals’. De vooruitgangsmythe van de afgelopen vijftig jaar was nuttig – ze rekte ‘het mogelijke’ op. Zo bleken de onverwezenlijkbaar geachte mensenrechten deels te verwezenlijken – maar haar oogkleppen werken belemmerend en gevaarlijk nu we op een stagnatiemoment zijn aangekomen. Anderzijds is de mythe en de overtuiging dat de maatschappij enigszins op de rails blijft voor ons van onverminderd groot belang: hoe anders een huis te kopen, een kind groot te brengen, je leven te plannen? Gray erkent dit.

En hier, ik waarschuw maar even, moet u dus in een spagaat. Een vooruitgangsgeloof is onvermijdelijk, maar de keerzijde ervan is gevaarlijk, omdat we simpelweg niet voorbereid zijn als het misgaat (en dat zal het gaan, vroeger of later). De oplossing die Gray aandraagt is onbevredigend – al blijft het de vraag of het mogelijk is iets beters te bedenken. Hij wenst ‘een beetje meer scepticisme’ en de ‘privatisering van de mythe’. We dienen te beseffen dat ‘human beings are somehow inwardly radically flawed’. Uit deze realiteitszin moeten vervolgens nieuwe ideeën voortkomen. En vergeet ook niet, onderwijst Gray: politiek is het vinden van tijdelijke oplossingen voor permanente problemen.

Einde. Alweer.
Terugkerend op de beginstelling: langzaamaan raken we vertrouwd met het idee dat onze welvaart een beetje – toch zeker niet meer dan dat…? – zal afnemen. In ieder geval nooit meer oorlog, toch? Bij het merendeel van de mensen proef je inderdaad de, vaak onbewuste, gedachte: we weten nu wel beter dan in 1914-1945. Gniffelend bezien we de foto’s van de Griekse fascistische partij Gouden Dageraad. Terwijl we zo onze gemoedsrust bewaren, vergeten we dat deze ontwikkeling grofweg eenzelfde loop volgt – natuurlijk: in een onvergelijkbare tijd – als wat er gebeurde in Duitsland 1930. Ter verduidelijking: Gray profeteert geen apocalyps, geen nieuw nazisme. Hij stelt alleen dat de mens niet leert, dat we (stiekem) denken dat hij dit wel doet, en dat deze verblindende gedachte gevaarlijk is.

De afgelopen decennia waren, voor het westen althans, abnormaal. De geschiedenis was er bevroren. Gray: ‘What I’m predicting is history as usual.’ Om vele redenen is het dan ook passend af te sluiten met een verwijzing van Gray naar Samuel Beckett. Deze eindigde een van zijn romans als volgt: ‘The end. Again.’