Recensies en artikelen

Boris Zjitkov – Viktor Vavitsj

Boris Zjitkov (vert. Yolanda Bloemen en Marja Wiebes) – Viktor Vavitsj

Gebeuren dit soort dingen op de hele wereld? Is dit zoals het gaat?

Oorspronkelijk verschenen 20-04-2012: http://www.8weekly.nl/artikel/9953/boris-zjitkov-vert-yolanda-bloemen-en-marja-wiebes-viktor-vavitsj-gebeuren-dit-soort-dingen-op-de-hele-wereld-is-dit-zoals-het-gaat.html

Er is een nieuwe Russische Roman verschenen. Boris Zjitkovs Viktor Vavitsj verhaalt over de Russische Revolutie van 1905. Op een niet eerder vertoonde wijze maakt deze roman van de bezetenen de chaos invoelbaar.

Er is de Russische geschiedenis. En er is de Russische geschiedenis zoals verteld in romans – denk maar aan Tolstojs Oorlog en vrede en Vasili Grossmans Leven en lot. En dan is er ook nog de geschiedenis van de Russische boeken in de twintigste eeuw. Bij deze laatste moet worden begonnen, want binnen die geschiedenis is het verhaal over de roman Viktor Vavitsj opmerkelijk. Zjitkov voltooit hem in 1934, maar pas in 1941, met Operatie Barbarossa onderweg, wordt het boek ook daadwerkelijk gedrukt. Dit gebeurt echter zonder toestemming van de sociaal-realistische keurmeesters. Inderdaad voldoet de roman niet – gelukkig maar –aan de morele helderheid die de sociaal-realisten eisten. Zodoende krijgt de publicatie geen doorgang en worden alle gedrukte exemplaren vernietigd.

Vaders en zonen
Natuurlijk niet alle exemplaren. In 1999 blijkt dat een medewerker van de uitgeverij een aantal exemplaren achterover heeft gedrukt. Met als natuurlijk gevolg dat Viktor Vavitsj eindelijk wordt uitgegeven. En nu is er de mooi bezorgde Nederlandse vertaling. De titelfiguur Viktor Vavitsj is een arbeiderszoon die in de hoedanigheid van wijkinspecteur het bewind van Tsaar Nicolaas de Tweede moet beschermen. Hij is een antiheld, maar dan wel een van zeer onsympathieke snit.

Tegenover Viktor staan de studenten en jonge arbeiders die de revolutie maken. En de ouders kijken toe en proberen vooral te begrijpen: het is het eeuwige thema van Toergenjevs Vaders en zonen, maar dan enkele decennia later. De meeste andere hoofdpersonen zijn in meer of mindere mate betrokken bij revolutionaire activiteiten. Allen zoeken de beste manier van omgang met zowel de revolutie als het zich ook gewoon aandienende persoonlijke leven.

Deze beproefde structuur van meerdere ik-figuren is natuurlijk zeer geschikt voor een maatschappijverbeeldende roman. Ze toont de combinatie van individuele acties, die via een wonderlijk en per definitie onduidelijk samenspel de richting van de samenleving bepaalt. Bovendien laat de structuur de miscommunicatie zien. Die treedt veelvuldig op, zoals ook Andrej Stepanovitsj betreurt die, werkelijk met alle reden, op pagina 500 verzucht tegen zijn vrouw Anna Grigorjevna: ‘Zeg nou eens iets wat begrijpelijk is…’ Zij reageert: ‘Weg jij!’

Milde gekte
Er kan lastig nog langer omheen gedraaid worden: deze roman is fenomenaal goed. Dit komt allereerst doordat Zjitkov heel precies die specifieke, maar milde soort gekte weet te beschrijven, die ook wel doorgaat onder de meer verhullende naam ‘de menselijke conditie’. Heel vergevingsgezind laat hij zien dat mensen allesbehalve rationeel, helder en doelgericht zijn. De mens twijfelt, is altijd een beetje of juist heel erg de weg kwijt en probeert middels de meest ingenieuze kronkels wat helderheid of zelfrechtvaardiging te bewerkstelligen. Of, en dit is wanneer men niet meer twijfelt, de mens raakt bezeten – van absolute verliefdheid, van haat en bloeddorst, of van revolutionair vuur.

Daarnaast geeft de roman een knappe beschrijving van de chaos, de revolutie en de daarop volgende pogrom. Afwisselend ingehouden en dan weer met vaart geschreven, ontstaat er een flakkerend, haast kubistisch beeld. Zjitkov beschrijft de geluiden en indrukken zoals mensen deze ervaren in een overspannen wereld, waarin niemand – personage noch lezer – weet wanneer datgene komt waarvan iedereen weet dat het komt.

Wellicht het allermooiste is de steeds verrassend opduikende poëzie. Deze verschijnt zelfs te midden van de revolutie die, nadat de tsaar een paar kleine hervormingen heeft aangekondigd in het Oktobermanifest, uitmondt in chaos en pogroms. Bijvoorbeeld in het deelverhaal van Viktors zus Taïnka, die verliefd is geworden op de fluitist Izraïl. Zij zoekt hem in een concertgebouw, maar voordat ze bij hem kan komen, dreigt ze in een plots ontstaan tumult geplet te worden:

Als ik naar beneden stort is het afgelopen, dan stort ik in de vlammen, maar daar, aan die andere kant, is Izraïl, en ze dacht dat ze zag hoe hij met zijn handen de lucht steunde, zodat zij niet zou vallen.

Deze zin doet vermoeden dat de van oorsprong kinderboekenschrijver Zjitkov hier het beste van de ene literaire stiel met de andere combineert. Om de vijf à tien bladzijden volgt er zo’n mooi beeld. Nog een, heel romantisch, voorbeeld:

En Sanka zag dat hij in pupillen keek, er was niets meer te horen, en als deuren die geopend waren naar komende eeuwen stonden Tanja’s wijde pupillen voor hem, en voor een ogenblik versteende Sanka. En om hem heen stond alles een moment stil, er waren alleen die pupillen en een geur van tijd en naakte aarde.

Na iedere van zulke verstilde passages herneemt de roman direct het snelle relaas over de uitgebroken chaos.

Na de twijfel
In het eerste deel van dit lijvige boek wordt nog getwijfeld en gezocht naar zekerheid. Naarmate de roman vordert, raken zowel de personages als de hele maatschappij steeds meer bezeten – de ontwikkeling van Viktor, die steeds meer zwelgt in de roes van macht en wodka, is hiervoor exemplarisch. Hoewel ‘bezetenheid’ een negatieve connotatie bezit, is het in de revolutionaire chaos een noodzakelijke zijnstoestand, want alleen de bezetenen kunnen daarin overeind blijven.

Aan het toppunt van de chaos staat de pogrom. Zjitkov, zelf van joodse komaf, heeft in Odessa meerdere pogroms meegemaakt en beschrijft het sterker dan wie ook in de wereldliteratuur: dichterbij een pogrom kom je alleen als je erin zit. Hij verbeeldt de ultieme bezetenheid van de razende en hatende massa’s: ‘Alles, die zijn tot alles in staat, in de grote vreugde vóór de eerste klap.’

De revolutie is verraden, en dapperen proberen de joden waar mogelijk te beschermen. Niet de bevochten betere wereld is bereikt, maar enkel een nieuw inzicht in de slechtheid van het bestaande. Een murw gebeukt personage verzucht: ‘Gebeuren dit soort dingen op de hele wereld? Is dit zoals het gaat?’ Na deze roman vermoedt de lezer inderdaad dat dit is zoals het gaat. Hiermee is overigens niet het einde van de roman verklapt – deze vervolgt ook hierna nog met dezelfde kracht.

 

Hans van Mierlo – Een krankzinnig avontuur

Hans van Mierlo – Een krankzinnig avontuur

De revolutie maken voor hij uitbreekt

Oorspronkelijk verschenen 06-04-2012: http://www.8weekly.nl/artikel/9915/hans-van-mierlo-een-krankzinnig-avontuur-de-revolutie-maken-voor-hij-uitbreekt.html

Ik moet proberen het goed te vertellen.’ Het zijn Hans van Mierlo’s exemplarische woorden uit de iconische campagnespot in 1966. Het bestaande politieke systeem moest de lucht in en de vastgeroeste macht losgepeurd. Van Mierlo’s voornaamste middel hiertoe: zijn heldere taal.

Die taal staat centraal in de tientallen teksten die door vroegere vrienden en medewerkers – Ernst Bakker, Edmond Hofland, Annath Koster, Lennart van der Meulen en Carla Pauw – zijn gebundeld in Een krankzinnig avontuur (waarvan de titel verwijst naar het politieke project D66). Bijna allemaal zijn het toespraken en lezingen: Hans van Mierlo schreef om te spreken. Dat wil niet zeggen dat hij het schrijven verwaarloosde, integendeel: Van Mierlo was een schaver, een taalproever, iemand die ieder woord op de juiste, meest verhelderende plek wilde hebben. Zo begint hij ieder stuk mooi én geestig, een zeldzaam samenspel.

Een populistische revolutie
De kern van de kritiek van D66 op de regenteske politiek luidde natuurlijk dat ze ondoorzichtig en verkalkt was. D66 werd dan ook met uitgesproken populistische motieven opgericht: wanneer de gewone burger in de zogenaamde democratie politiek iets wilde ondernemen, stuitte hij op de muren van het vage Haagse gekonkel. Die muren wilde D66 doen ontploffen, om zo de weg naar de politieke invloed en macht vrijer te maken – het vervolg is bekend: er vond hooguit een verschuiving plaats, zeker geen ontploffing.

Het bedaagde populisme van D66 is vaker terug te zien in Van Mierlo’s stukken. Neem een van zijn vele zinnen-met-vleugels: ‘We moeten de revolutie maken voor hij uitbreekt.’ Dat de medeprogressief Den Uyl het potentieel ruikt en de zin overneemt kan nog. Maar vervolgens doet premier Piet de Jong, de ultieme representant van de verkalking, hetzelfde. Van Mierlo: ‘Snikkend ging ik onderuit. Zo zie je hoe je op moet passen.’

Macht en distantie
Van Mierlo’s hoofddoel was een andere staatsinrichting: hij wenste zowel een tweepartijen- als een districtenstelsel (en daarmee een directere band tussen politici en burgers), meer directe democratie, meer parlementair dualisme en als verplicht rijtje op school ‘rekenen-lezen-schrijven-democratie’. Ook als je het hier niet direct mee eens bent, blijft het waardevol omdat de hervormingsgezinde Van Mierlo op een structureel onderliggend probleem wijst.

Voor dergelijke hervormingen is namelijk een grondwetswijziging en dus een parlementaire tweederde meerderheid nodig. Maar de politieke partijen zullen nooit iets doen wat hun eigen bestaan bedreigt. Het dilemma wordt helemaal duidelijk wanneer Van Mierlo de lezer vraagt zich in te denken welk antwoord politici zouden geven op de volgende gewetensvraag: kunt u zich iets voorstellen wat goed is voor het land, maar slecht voor de partij? Van Mierlo noemt het de kern van een van de randvoorwaarden van het staatsmanschap:

Dat is het vermogen om macht te kunnen prijsgeven als zij niet meer functioneel kan zijn ten opzichte van het doel dat de macht rechtvaardigt. Met andere woorden: dat is het vermogen tot distantie ten opzichte van het instinct.

Vaak volgt op dergelijke, hem karakteriserende stukken Van Mierlo’s gepaste bekrachtiging: ‘En zo is het.’ Macht corrumpeert bijna altijd, en dus is tegenmacht noodzakelijk.

Van Mierlo’s kritiek staat nog steeds. En de teksten zijn evenzo actueel doordat de samenstellers de al te gedateerde passages, over bijvoorbeeld de contemporaine ‘kleine politiek’, eruit hebben geknipt. Wat overblijft zijn Van Mierlo’s lucide analyses van de Nederlandse politiek: de dingen die Van Mierlo tien, twintig of veertig jaar geleden adresseerde, zijn ook vandaag nog vers geperst en als nieuw gepresenteerd op de opiniepagina’s te vinden.

Engagement
Echter, de beschouwingen over het buitenland en de internationale betrekkingen zijn minder onderhoudend. Ook deze getuigen van Van Mierlo’s intelligentie, maar ondanks zijn ministerschappen van Defensie en Buitenlandse Zaken herbergen deze stukken weinig interessants voor de hedendaagse lezer.

Enkele stukken richten zich op cultuur en literatuur. Zo ook het rijkste betoog, de laudatio die Van Mierlo uitsprak toen zijn vriend Cees Nooteboom in 2004 de P.C. Hooftprijs kreeg uitgereikt. Vol eruditie, warmte en oog voor schoonheid. Ook roept Van Mierlo meerdere malen op tot een groter politiek engagement onder intellectuelen, en het is in zijn vervlechting van culturele en politieke opmerkingen dat een hint wordt gegeven van het krachtige resultaat dat een dergelijke inmenging kan opleveren.

Een krankzinnig avontuur toont een ‘echt mens’ in de politiek, iemand met oog voor zijn eigen fouten – Van Mierlo benadrukt deze verschillende keren –, met beschaving en wellevendheid, met zowel politiek inzicht als literair en artistiek gevoel. Nog mooier zou het zijn als er een biografie aan Hans van Mierlo (1931-2010) zou worden gewijd. Zodat zijn leven eens werkelijk goed zal worden verteld.

Roberto Bolaño – De ijsbaan

Roberto Bolaño (vert. Arie van der Wal) – De ijsbaan

Houd moed, verdomme!

Oorspronkelijk verschenen 23-03-2012: http://www.8weekly.nl/artikel/9878/roberto-bolano-vert-arie-van-der-wal-de-ijsbaan-houd-moed-verdomme.html

Fluit een wijsje of houd je adem in: er is weer ‘een nieuwe Bolaño’ verschenen. Al op de eerste pagina van het nu vertaalde De ijsbaan (La pista de hielo, uit 1993) wordt de typische Bolaño-teneur aangekondigd: ‘Zijn stem leek wetteloze streken op te roepen, waar alles mogelijk was.’

Inmiddels zou een introductie van Roberto Bolaño overbodig moeten zijn. Maar ‘is’ en ‘ought’ vallen niet vaak samen, en al helemaal niet in de literaire wereld (volgende vraag is natuurlijk of dit per se betreurenswaardig is). Dus nog eenmaal en in het kort: Bolaño, nu bijna tien jaar geleden overleden aan een leverziekte, is de Chileense auteur van de bijna 1100 pagina’s dichtbedrukte tekst die 2666vormt, een alleszins verbluffend boek. Zij die dit werk aandurfden erkenden onmiddellijk Bolaño’s genie, waarna de lopende band van vertalingen werd aangeslingerd.

Een moord
Het karakteriseren van Bolaño’s genie bezorgt hoofdbrekens, maar in ieder geval is ook De ijsbaan hier weer een intrigerend voorbeeld van. Het zal onvermijdelijk zijn dat deze titel, zo net na het luwen van de Elfstedentochthysterie, oer-Hollandse associaties oproept met erwtensoep, glühwein en dergelijke. Maar geen zorgen, want evenals Bolaño’s andere romans is De ijsbaan het absolute tegendeel van glühwein.

In De ijsbaan wisselen drie vertellers elkaar in korte hoofdstukken af. De lezer valt hier middenin, zonder dat wordt verklaard waarom zij zeggen wat ze zeggen. Wel direct duidelijk is dat er een moord is gepleegd. Aanvankelijk wordt hiervan niets opgehelderd, slachtoffer noch dader noch plaats van delict.

Eén van de drie vertellers is Remo Morán, die zo af en toe een aan lager wal geraakte dichtersvriend een baantje bezorgt op zijn camping. Bijvoorbeeld aan Gaspar Heredia, Gasparín ‘voor willekeurige vrienden en vijanden’ – de tweede verteller. Het is Gasparíns stem die ‘de wetteloze streken’ uit de aanhef oproept. Morán benadrukt dit wanneer hij over hem schrijft dat:

[Hij] de indruk wekte de wereld de rug te hebben toegekeerd, verborgen te houden wie hij was, hoe hij in het leven stond en hoeveel moed er nodig was geweest om door te blijven lopen (nee, door te blijven rennen!) naar de duisternis, naar het hoogste punt…

De kunstschaatsster en de ambtenaar
Ten derde is er de fysiek onaantrekkelijke, qua karakter saaie maar hooggeplaatste ambtenaar Enric Rosquelles. Zijn verhaallijn wordt verlevendigd doordat hij verliefd wordt op de kunstschaatsster Nuria Marti. Zij bezit schoonheid en talent, maar wordt tegengewerkt door de Spaanse kunstschaatsbond. Dus wat doet Rosquelles? Hij bouwt haar een ijsbaan. Dat doet hij met gemeenschapsgeld en dus in het geheim, in het leegstaande, labyrintische Palacio Benvingut.

Rosquelles’ verhaallijn is het meest onambigu en vormt het houvast voor de lezer. Wanneer de andere twee verhaallijnen zich richting de ijsbaan bewegen, beginnen de panelen te schuiven, en valt het verhaal alleen nog intuïtief te duiden. Menselijke verlangens, schimmig dan wel domweg onbeantwoord, vermengen zich met inkijkjes in andere dimensies, diabolisch aandoende werelden. Het is als Twin Peaks op papier, maar dan vergezeld van Bolaño’s terloopse scherpe observaties en een Latijns-Amerikaanse sfeer.

Hoop en nihilisme
Wanneer ook Gasparín verliefd wordt en bovendien het Palacio Benvingut betreedt, nadert het moment suprême. Het is Bolaño eigen dat alles toch anders verloopt dan verwacht. Een ander raadsel is waarom er op de muur van de leeszaal van het Paleis geen protserige of elegante Latijnse spreuk geschreven staat, maar het Argentijnse ‘Coraje Canejo!’ (‘Houd moed, verdomme!’).

Hoewel, misschien is het wel de meest belangwekkende tekst denkbaar. De paradoxale combinatie van onverschilligheid tegenover de afgrond, nihilistische kracht én een flinter hoop, past zowel bij de sfeer van deze roman als bij al Bolaño’s werk. Het maakt ook De ijsbaan een bijzonder werk, een boek om in te verdwijnen.

Roger Scruton – Groene filosofie. Verstandig nadenken over onze planeet

Roger Scruton (vert. Frans van Zetten) – Groene filosofie. Verstandig nadenken over onze planeet

Thuis de wereld redden

Oospronkelijk verschenen 15-03-2012: http://www.8weekly.nl/artikel/9855/roger-scruton-vert-frans-van-zetten-groene-filosofie-verstandig-nadenken-over-onze-planeet-thuis-de-wereld-redden.html

Het is lastig te beoordelen, Roger Scrutons boek over milieubescherming. Bij wijlen een genuanceerd en veelzijdig betoog, maar anderzijds vervalt het soms ook in kortzichtigheid en wensdenken. Wel is het een rechts pleidooi voor milieubescherming, en alleen daarom al lovenswaardig.

Misschien herinner je dit nog: eind 2008 dacht Mark Rutte – tegenwoordig premier van een kabinet dat enkel weet heeft van asfalt, bezuinigingsregels en de manier om Rutger Castricum weg te lachen – met Pamflet van een optimist het startsein van een ‘Groen Rechtse agenda’ te geven. Tussen droom en daad zat een crisis (en de PVV) in de weg, en sindsdien is het stil op het rechtse milieufront. Tot aan het verschijnen van Scrutons Groene filosofie.

Thuiselijkheid
Scruton benadert de milieuproblematiek vanuit het stokpaardje van zijn eigen conservatieve variant, namelijk vanuit het ‘verlies of gebrek aan thuis’. Dat doet hij zeer prettig schrijvend, alsof hij wordt geïnterviewd; de lezer krijgt zijn betoog toegediend in afgemeten hapjes. Tegenover ‘het vrijblijvende nergens van de consumptiemaatschapij’ plaatst hij de ‘oikofilie’, het gevoel en de liefde voor het eigen thuis: ‘De mens is een thuiselijk (Heimatliches) wezen.’ Deze oikofilie wortelt in de lokale gemeenschap, en brengt – instinctief, zo veronderstelt Scruton – een bestendige verantwoordelijkheidszin met zich mee voor de directe omgeving, voor mens, natuur en architectuur.

Scrutons plausibele gedachte is dat mensen in het lokale het milieuprobleem nog als dat van zichzelf kunnen ervaren. In deze ‘sferen van traditionele affectie’ zullen mensen zich associëren in burgerverenigingen, de ‘kleine pelotons’ van conservatismevader Edmund Burke. Ook Burkes intergenerationale contract – ‘tussen de levenden, de doden en de ongeborenen’ – roept Scruton in herinnering wanneer hij pleit voor rentmeesterschap, voor een engagement van de lange termijn.

Tussen verzoening en polemiek
Voor ons, allen in meer of mindere mate kinderen van de jaren zestig, voelt het idee van een zaak die het individu overstijgt en plichten met zich meebrengt altijd wat ongemakkelijk. Toch lijkt Scruton/Burke het gelijk aan zijn zijde te hebben. Wanneer we genoeg verbonden zijn met de omgeving, of zelfs met de natiestaat – bij de grenzen waarvan de loyaliteit halt houdt, aldus Scruton –, zijn we inderdaad bereid tot offers. Samengevat betekent dit groene conservatisme:

Een benadering van milieuproblemen waarin de liefde voor het lokale een centrale plaats krijgt in het beleid, en waarin homeostase en herstelvermogen, in plaats van herordening van de maatschappij en centrale controle, de voornaamste uitkomsten zijn.

Dit zet hij af tegen de door ‘thuislozen’ bevolkte ‘radicale milieubeweging’ en tegen de niet ter verantwoording te roepen ngo’s. Ja, dit zijn extreme, en dus valse tegenstellingen. Nu maken conservatieven zich hier vaker schuldig aan, maar Scrutons vaak sympathieke conservatisme heeft dergelijke retorische trucs niet nodig.

Tegelijkertijd houdt hij wel een midden tussen kritiek op de staat en kritiek op de markt. Bovenstaande steken wisselt hij af door kritiek te leveren op marktfundamentalistisch rechts. Dat erkent in zijn bijziendheid enkel economisch nut – wat overigens ook Ruttes groene agenda kenmerkte. Evenzo geeft Scruton aan dat de linkse milieubeweging en het conservatisme eigenlijk ‘natuurlijke bondgenoten’ zijn. Strategisch wel weer slim.

Eilanden van waarde
Scruton doorspekt zijn pleidooi met culturele verwijzingen, wat doet ademen. Waar vind je nog iemand die zonder met zijn ogen te knipperen durft te beweren dat we, om te bewijzen hoe belangrijk het ‘thuis’ is voor mensen, geen sociologische enquêtes nodig hebben? Daarvoor kunnen we ook terecht bij de Die Walküre of deOdyssee. Daarnaast pleit Scruton – eveneens esthetisch filosoof – voor de bestempeling van de schoonheid van het landschap als ‘heilig’ en dus oncompenseerbaar; om zo ‘eilanden van waarde’ te waarborgen in een ‘zee van prijzen’.

Vervelend genoeg is zijn pleidooi wat onrealistisch: mensen keren niet terug naar een ‘Heimatlichkeit’ en ook zal de consumptiemaatschappij niet ‘opeens’ verdwijnen. En het begint altijd wat te wringen als conservatisme, met zijn geloofsartikel van geleidelijke verandering, wil conserveren wat eerst nog geconstrueerd moet worden. Hanteert Scruton bovendien niet een overoptimistisch mensbeeld (en dat voor de ‘philosophy of imperfection’)?

En o ja, het milieu. Hoe de wereld, en dus niet alleen het beekje achter het huis, te redden? Volgens Scruton gaat China het niet doen, het komt op Amerika aan, dat via ‘geo-engineering’ het initiatief moet nemen. Voor het gemak negerend dat Amerika het land der klimaatsceptici is, en niet het Kyoto-protocol heeft ondertekend. Toch kan Scrutons boek bijdragen: als rechts hiervan een deel overneemt om in eendrachtige samenwerking met links de wereld te redden.

Hernán Rivera Letelier – De christus van Elqui

Hernán Rivera Letelier – De christus van Elqui

Krankzinnigen en heiligen

Oorspronkelijk verschenen 09-04-2012: http://www.literairnederland.nl/2012/04/09/krankzinnigen-en-heiligen/

Hij heeft een missie, de christus van Elqui. Hij predikt, geneest zieken en hij, zo gaat althans het gerucht, wekt doden tot leven. Daarbij is hij naarstig op zoek naar zijn eigen Maria Magdalena.

De oorspronkelijke titel van het nu vertaalde De christus van Elqui is, bij de speciale gratie van het Spaans, oneindig veel mooier: El arte de la resurrección. De Chileen Hernán Rivera Letelier (1950) won met het boek in 2010 de Premio Alfaguara, een grote prijs in de Spaanstalige letterenwereld. Het verhaal van deze gereïncarneerde, ‘wederopgestane’ christus speelt zich af op ‘het terrein van de duivel’, rond de mijnen en dorpen in de Atacamawoestijn. Het is de plek waar Letelier zelf groot is geworden. In de mijnen werkte Letelier van jongs af aan en in de woestijn predikte zijn vader.

Maar de titelfiguur in Leteliers roman ontleent zijn naam en karakter niet aan zijn vader, maar aan een prediker die decennia geleden rondtrok in de woestijn. Het is zijn verhaal dat door Letelier als uitgangspunt wordt genomen. De echte naam van de christus van Elqui luidt Domingo Zárate Vega. Een aantal jaren woonde hij als kluizenaar in het Elqui-dal, waar hij goddelijke visioenen kreeg en begon te geloven dat hij een reïncarnatie van Christus was. En zoals het een christus betaamd – en bovendien heeft hij het zijn overleden moeder beloofd – reist hij rond om goede werken uit te voeren.

Dat gaat niet altijd even gemakkelijk. Al in de eerste scène ondergaat hij een beproeving: door een groep mijnwerkers wordt hij gevraagd om te proberen hun tijdens een flinke zuipsessie plots voor dood neergevallen kameraad, Lazarus geheten, weer tot leven te wekken. De christus van Elqui waagt een poging, en tijdens zijn geprevel en gemurmel begint Lazarus inderdaad tekenen van leven te vertonen. Maar het blijkt geen ware resurrectie, enkel de bekroning van de grap die Lazarus en zijn kameraden met de christus van Elqui uithalen.

Zo’n grap is problematisch, want ook deze christus weet ‘dat je om prediker te zijn niet alleen moet geloven, maar ook geloofwaardig moet zijn.’ Op andere momenten wordt er wel met ontzag naar zijn preken geluisterd. Bovendien schijnt de christus van Elqui inderdaad wonderen te hebben verricht, al blijft het bewijs hiervoor apocrief. Het is vooral de gelovigheid van de mijnwerkers die te wensen overlaat. Zo krijgt hij op zijn pleidooi voor een matige alcoholconsumptie de bulderende reactie: ‘Beter een kutwijn dan wijwater, maat!’

Desondanks is deze christus zelf allerminst een ontzagwekkende heilige. Zijn profetieën zijn doorspekt met pseudo-intelligente en maar halfgrappige clichés. Een voorbeeld: ‘Hij die over gebaande wegen gaat, laat geen sporen achter’. Om het zo maar te zeggen: zijn preken zijn meer hemeltergend dan hemelwijzend. En tegenover de vrouwen is hij vooral een smeerlap, een ‘wellustige sater’, die – zo geeft hij zelf ook toe – het als deel van zijn heilige missie ziet een eigen Maria Magdalena te vinden, een vrouwelijke apostel die hem volgt ‘met hart en ziel’.

En hij komt haar op het spoor, namelijk Magalena (wiens vader ruzie had met de man van het geboorteregister, die daarop de ‘D’ wegliet). In het mijnwerkerskamp La Providencia, oftewel De Luis, heeft zij haar ‘gaarkeuken van de liefde’ opgezet. In de hoek van haar slaapkamertje staat een bijna manshoog Mariabeeld; waarvan ze, als zij haar ‘kerkgangers’ ontvangt, nog wel het gelaat met een fluwelen lapje bedekt.

In De Luis voltrekt zich het voornaamste gedeelte van dit met bijbelverwijzingen doorspekte verhaal. Het meest intrigerende verhaalonderdeel is dat rond Don Anónimo, ‘De gek met de bezem’, die iedere dag de woestijn gaat vegen. Hij schijnt ooit meegereisd te zijn met een trein vol krankzinnigen. Evenals de meeste krankzinnigen en heiligen – waartussen de grens, niet onverwacht, permeabel is – draagt Don Anónimo een weerzinwekkend geheim met zich mee.

Magalena verkrijgt in de perceptie van de lezer daadwerkelijk iets heiligs wanneer ze deze arme man liefdevol opneemt. Ook de christus van Elqui woont een korte tijd bij hen, wat de mooiste stukken oplevert in deze meestentijds toch tegenvallende roman. Mede als gevolg van teveel flauwe grappen en verwijzingen lukt het de lezer maar niet zijn of haar houding tegenover ofwel de heilige prostituee Magalena ofwel de christus van Elqui te bepalen. Alsof Letelier ons wil laten herinneren dat we het beoordelen van een christus altijd al moeilijk vonden.

Rond ieder Latijns-Amerikaans verhaal, zeker wanneer het zich afspeelt in een zinderende woestijn, zweemt het modieuze predikaat ‘magisch-realisme’. Zo ook op deze boekcover. De vreemde trekken van De Luis zijn allerminst onrealistisch en zeker niet vergelijkbaar met bijvoorbeeld Marquez’ magische Macondo. De christus van Elqui bezit evenmin magische kwaliteiten. Hij zou het graag anders zien, maar wanneer hij probeert te vliegen resulteert dat toch gewoon in een smak op de grond. Wat sommige mensen er niet van weerhoudt te beweren dat de prediker ‘echt een paar meter had gevlogen terwijl hij als een aangeschoten vogel wild met zijn armen fladderde.’

Omwille van het onderwerp is Leteliers roman wellicht beter te vergelijken met dat andere recente Latijns-Amerikaanse hoogtepunt, De oorlog van het einde van de wereld van Vargas Llosa, zelf evenmin een echte magisch realist. Maar De christus van Elqui bevat de scherts die Vargas Llosa’s apocalyptische meesterwerk niet bezit. Het is ook als gevolg van diezelfde scherts dat het boek uit balans raakt. Na de twintigste halfgrappige, vaak naar seksuele uitspattingen verwijzende beschrijving is het wel genoeg geweest.

Bovendien werkt de combinatie tussen bevreemding – die haast noodzakelijk optreedt door de extreme locatie, de beknopte verhaallijnen van de krankzinnigen en door de aanwezigheid van de profeet – en de satire niet goed. De eigenaardigheden van de profeet zijn eventjes leuk, maar deze moeten niet de overhand nemen. Onwillekeurig rijst het verlangen om meegezogen te worden in ofwel de zengende realiteit van de woestijn ofwel in haar luchtspiegelingen. En dat gebeurt niet.

 

 

Huis van de Poëzie 2012

reportage: Huis van de Poëzie 2012

Dolen in schoonheid

Oorspronkelijk verschenen 29-01-2012: http://www.8weekly.nl/artikel/9755/huis-van-de-poezie-2012-dolen-in-schoonheid.html

Het Huis van de Poëzie is een terugkerend succesfenomeen. De versie van 2012 was inmiddels de zesde op rij, als altijd georganiseerd op een bijzondere Utrechtse locatie. Ditmaal worden de dichters ontvangen in het Centraal Museum, waar hun poëzie zich kan mengen met het fameuze Vikingschip en de door oude en nieuwe Hollandse meesters geschilderde taferelen.

Als ieder jaar vindt het Huis van de Poëzie plaats in de laatste week van januari, rondom Gedichtendag en de uitreiking van de VSB Poëzieprijs – zouden de organisatoren ooit de ironie hebben begrepen van het feit dat zij poëzie over het voetlicht willen brengen in de week dat ook Auschwitz wordt herdacht (op de datum dat het in 1945 bevrijd werd, de 27e)? Of is het zo bedoeld, als om te onderstrepen dat T.W. Adorno’s hamerende regel ‘Na Auschwitz is geen poëzie meer mogelijk’ al te vaak verkeerd wordt begrepen? Want, natuurlijk, poëzie is noodzakelijk. En nergens is meer poëzie te vinden dan hier, in het ontvangende Huis van de Poëzie.

Live-poëziebloemlezing
Wederom is een hele trits beroemde dichters te gast, van Rutger Kopland tot de recente P.C. Hooft-prijswinnaar Tonnus Oosterhoff. Maar eveneens als gewoonlijk is het een crime om hen te vinden, althans, om de dichter te vinden naar wie je op zoek bent. De dichters zijn verspreid over pakweg vijftien zaaltjes (soms zalen), en vormen zo samen, zoals het motto van dit Huis van de Poëzie het verwoordt, ‘de enige live-poëziebloemlezing waar je zelf doorheen kunt lopen’.

Passender dan ‘lopen’ zou ‘dolen’ zijn geweest. Want dat is wat menig bezoeker doet: je dwaalt, vraag wat rond, knikt ‘a-ja!’ en twintig seconden toch weer ‘o-nee!’, om vervolgens zowel nog meer verontrust als toch ook gesterkt te worden door de eveneens zoekende blikken van anderen. Want vanavond is de doler niet alleen. Toch kom je dan opeens in een zaal terecht waar alle andere mensen – het Huis was weer goedbezocht – én een dichter zich blijken op te houden.

Het zichtbare
Te midden van de verrassende, maar gepaste museale stilte treedt dan bijvoorbeeld Judith Herzberg op. Of Rutger Kopland, die in de Kapel van het Centraal Museum grote indruk maakt met zijn ‘Aan het grensland’-gedichten, waarvan het derde deel – lees ook de eerste twee! – luidt:

Je kijkt over het land en je noemt het
het grensland maar dit land heeft geen naam

je denkt dat het land daar voor jou bedoeld is
maar je weet het is voor niemand bedoeld

je wilt dat dit land er altijd al was
er altijd zal zijn maar er is geen altijd

je weet het toeval heeft je gemaakt en breekt je
ergens weer af waar en wanneer in dit land

je leest: dit uitzicht is het geval
en: het geheim van de wereld is het zichtbare

niet het onzichtbare

Een heel andere stijl – natuurlijk – is die van Ester Naomi Perquin, die in de gedichten van haar binnenkort te verschijnen bundel Celinspecties haar ervaringen als gevangenisbewaarder heeft verwerkt. Wim Brands op zijn beurt dicht in ‘Ruimtevaart’ over zijn grootvader, die de maanlanding betwist maar wel gelooft in de engel die hij ooit heeft zien verschijnen:

Mijn ongeloof beantwoordde hij
met schouderophalen en zei
dat ik te jong was
om het verschil te begrijpen tussen
vruchteloos opstijgen en
noodgedwongen/ afdalen.

Oude grootheden en jong talent
Naast alle optredens van hedendaagse Nederlandse dichters wordt ook wat aandacht besteed aan de poëzie van de oude meester W.F. Hermans – wiens gedichten net in een verzameld werk zijn uitgebracht – en de als dichter onbekende Franz Kafka. De poëzie van deze laatste wordt, heel toepasselijk, in de bibliotheek voorgedragen en bovendien voorzien van commentaar door de stichting voor literair erfgoed Salon Saffier.

Naast hedendaags en dood talent zwermt er ook jong talent door het Huis. Zo dragen in de International Room jonge buitenlandse dichters voor. En er lijkt een nieuwe eenentwintigste-eeuwse troubadour te groeien in de persoon van Kapabel, die verhalen, of parabels zo je wilt, vertelt in een originele hiphopstijl, soms begeleid door muziek. In deze intieme setting levert vooral zijn bijzondere ritmegebruik krachtig effect op.

Silent Poetry
De programmering is dus sterk afwisselend. Het valt verder op dat er relatief veel jongeren aanwezig zijn en sowieso dat het gewoon weer heel druk is. Terwijl – enkele uitzonderingen daargelaten – poëziebundels maar niet schijnen te verkopen, is de podiumpoëzie blijkbaar heel populair.

En dan ook nog in dit museum. Nu heeft een museum ’s nachts al iets schitterends – poëzie noch kunst hoort immers in het volle daglicht. Helemaal bijzonder – en een beetje verwarrend – wordt het in het ‘silent poetry’-gedeelte. Onder anderenMenno Wigman draagt gedichten voor die hij losjes relateert aan de schilderijen van Abraham Bloemaert die overal om dichter en publiek heen hangen (de tentoonstelling ‘Het Bloemaert-effect’ lijkt overigens zeer de moeite waard). Zeer passend is zijn ‘Glazenwasser ziet schilderijen’, waarvan hier het tweede gedeelte:

Op acht hoog kunst. Dat meisje daar, die lach,
wie heeft haar zo bespied dat ze immuun

voor complimenten mijn gezicht in kijkt?
En wanneer breekt die sperwer uit zijn lijst?

Ik hang hier als een ijskoud schilderij
waar niemand oog voor heeft, ik poets en zwoeg

en maak het uitzicht vrij – schilder er maand
na maand onvervalste wolken bij.

Kijk. Daar kruipt al zonlicht in mijn lijst.

De luisteraar bedenkt een hele trits bruikbare metaforen, die nieuw (‘zon’)licht werpen op de schilderijen om hem heen, alsook op de poëzie, vooral wanneer het gedicht al bekend was. En uiteindelijk is dat natuurlijk het poëtische doel, waarin betekenissen vloeien en bekende schoonheid verandert en nieuwe schoonheid ontdekt wordt. Het thema van deze Gedichtendag is dan ook ‘Stroom’.

Na alle gehoorde pracht gaan de luisteraars richting drank. Sommigen mijmeren nog wat, en overwegen misschien de mogelijkheid zich te laten insluiten voor de nacht. Misschien heeft iemand dat wel gedaan, en heeft hij of zij nog een aantal uren rondgedoold, omhuld door de poëtische nagalm en de vernieuwde schoonheid van de schilderijen.

Slavoj Žižek – Eerst als tragedie, dan als klucht

Slavoj Žižek (vert. Ineke van der Burg) – Eerst als tragedie, dan als klucht

Na de komedie, de apocalyps

Oorspronkelijk verschenen 25-01-2012: http://www.8weekly.nl/artikel/9735/slavoj-zizek-vert-ineke-van-der-burg-eerst-als-tragedie-dan-als-klucht-na-de-komedie-de-apocalyps.html

Al in 2009 schreef Slavoj Žižek Eerst als tragedie, dan als klucht. Maar het is een boek over crises, en dus nog altijd zeer actueel: op de crisis volgt de komedie. Maar wat komt er daarna?

Žižek is de cultfilosoof bij uitstek, ‘het denkbeest uit Ljubljana’, woest behaard en behept met vele tics (‘and so on, and so on’). Ook is hij een van de inspiratoren van Occupy, een beweging waarover hijzelf, als zovelen, ambigue gevoelens heeft. Want hun protest is zeker prijzenswaardig, maar wat willen ze nu eigenlijk? Toch sprak Žižek op Occupy Wall Street de aanmoedigende en hoopgevende woorden: ‘The taboo is broken, we do not live in the best possible world, we are allowed and obliged even to think about alternatives.’

L’histoire se repète?

Alle stellingen uit het voorgaande citaat worden inEerst als tragedie, dan als klucht door Žižek belicht. Hij ontleent de titel aan een samenspel van Marx en Hegel. De laatste stelde dat als een gebeurtenis zich éénmaal voordoet, deze afgedaan kan worden als toeval. Maar herhaalt de gebeurtenis zich, dan getuigt dat van een diepere historische noodzaak.

Met het ‘kluchtige’ dat Marx aan de herhaling toevoegt, bedoelde hij dat we ons – na de eerste gebeurtenis, ‘de tragedie’ – slechts inbeelden dat we nog geloven in de betreffende ideologie of samenlevingsinrichting. Žižek gaat hiermee aan de haal en zegt dat wij, eenentwintigste-eeuwse cynici, onszelf alleen inbeelden dat we niet meer in de inrichting van onze samenleving geloven. Zoals wel vaker na zo’n zwiepende stelling slaat Žižek de onderbouwing over om snel toe te schrijven naar een volgende prikkelende these.

Postmodern kapitalisme
Nu ziet Žižek in 9/11 en de dotcom-bubble de tragedie van onze tijd, en in de kredietcrisis de klucht. Het hieraan onderliggende systeem is (natuurlijk) het kapitalisme. De tot crises leidende speculaties laten zien dat dit niet een puur rationeel of ‘natuurlijk’ systeem is. Integendeel, het kapitalisme is een gemankeerde ideologie als vele anderen. Zij die bekend zijn met Žižeks werk zal dit niet verrassen, maar het kapitalisme manifesteert zich na mei ’68, de laatste keer dat het onder werkelijke druk stond, op zeer ingenieuze wijze.

Dit zijn de passages waarin Žižek op zijn best is. Na mei ’68 zijn ons geen nieuwe rechten, maar enkel nieuwe ‘permissies’ – abortus, homohuwelijk, allerlei andere vrijheden – verleend. Anders dan rechten vergroten permissies onze macht niet. Maar, en hierin zit de verleidelijke crux, de permissies maken ons leven wel veel makkelijker.

Žižek vult dit aan met een verwijzing naar zijn vroegere leermeester Jacques Lacan wanneer hij vraagt: ‘Zeg me wie u bent. Wat voor soort object wilt u zijn? Wat kan het hiaat van uw verlangen vullen?’ In tegenstelling tot de eerdere, ‘zingevende’ ideologieën moet het kapitalisme de leegte in de mens juist openhouden:

Hoe de overheersende ideologie het gemis aan een vaste identiteit niet langer verdringt, maar direct inzet voor het op gang houden van het eindeloze proces van de consumentistische ‘herschepping van jezelf’.

Een nieuw communisme
De tweede fundamentele kapitalismekritiek is dat dit systeem door haar voortdurende radicaliseringen, crises en heruitvindingen – er moeten zich immers continu nieuwe investeringsmogelijkheden aandienen – niet werkelijk te beteugelen valt. Hierom noemt Žižek tussenvormen zoals het Rijnlandmodel onhoudbaar, maar helaas (weer) zonder duidelijk te maken waarom dit nu zo is.

Zijn kapitalismekritiek, die gelukkig veel verder gaat dan het ‘mainstream’ kortzichtige gezeur over de bankiersbonussen – dat sterk afleidt van de veel dieperliggende problemen van het kapitalistisch systeem – valt enkel toe te juichen. Maar waarom moet hij nu per se een ‘radicaal alternatief’ bepleiten, en dit ook nog ‘communisme’ dopen? Dit is bevreemdend, want terwijl u nu denkt aan de Goelag doelt Žižek hiermee simpelweg en oncontroversieel op de bescherming van de commons; van water, voedsel, energie, milieu en ook cultuur en onderwijs.

In deze conclusie zit de uiteindelijke waarde van Žižeks boek. Om nog iets te redden van de commons, van onze wereld, moeten we de kapitalistische, circulaire ‘komisch-tragische’ beweging onderbreken. Want anders? Dan, zal Žižek zeggen, de Apocalyps.

Tony Judt & Timothy Snyder – Denken over de twintigste eeuw

Tony Judt & Timothy Snyder (vert. Wybrand Scheffer) – Denken over de twintigste eeuw

Grote en kleine waarheden

Oorspronkelijk verschenen 31-12-2011: http://www.8weekly.nl/artikel/9680/tony-judt-timothy-snyder-vert-wybrand-scheffer-denken-over-de-twintigste-eeuw-grote-en-kleine-waarheden.html

De degeneratieve spierziekte ALS verhinderde Tony Judt (1948-2010) te schrijven, maar weerhield hem niet te publiceren. Na Het land is moe en De Geheugenhut, volgt met Denken over de twintigste eeuw zijn laatste, wellicht bijzonderste boek: het is namelijk een gesprek.

Het idee hiervoor kreeg historicus Timothy Snyder – schrijver van ondermeerBloedlanden. Europa tussen Hitler en Stalin – toen hij het nieuws van Judts ziekte vernam. Ieder hoofdstuk begint met een deel waarin Judt vertelt over zijn leven. Op een gegeven moment intervenieert Snyder dan met een vraag of een tegenwerping vanuit zijn eigen expertise, waarna zich een geestrijke dialoog ontwikkelt over de geschiedenis en de tegenwoordige tijd, overlopend van zowel intelligente als elegante inzichten.

Een ideeëngeschiedenis
Tony Judt is van geboorte Brits, later verhuisd naar Amerika, maar een kind van uit Oost-Europa geëmigreerde marxistische joden. Met zo’n achtergrond moet een verweving van biografie en geschiedenis natuurlijk vruchtbare resultaten opleveren. Judt verknoopt bijvoorbeeld ‘het joodse vraagstuk’ met zijn adolescente geloof in het Zionisme en met beelden van de naoorlogse joodse gemeenschap in Engeland. Ook schetst hij de esthetisch fijnzinnige sferen van het Engeland in de jaren dertig, evenals het Cambridge van zijn studentenjaren eind jaren zestig.

In het gesprek komen zowel deze tot de verbeelding sprekende plaatsen – fin de siècle Wenen, de vallende reus Amerika nu –, als de grote twintigste-eeuwse sociale, culturele en intellectuele onderwerpen voorbij. Bijvoorbeeld de verhouding van de intellectueel tot ‘de grote en de kleine waarheden’. Grote waarheden behelzen overtuigingen over grote kwesties en doelen die offers en kleine onwaarheden vergen, terwijl kleine waarheden gaan over vast te stellen feiten:

De vraag is of je er principieel mee instemt dat de interpretatie uit naam van de toekomst wordt geformuleerd of dat je vindt dat er aan het eind van elke dag geïnterpreteerd moet worden

Moeten we alle economen vermoorden?
Een hele trits geëngageerde intellectuelen, van Zola tot Aron, wordt beoordeeld, eindigend met Tony Judt zelf. Want niet alleen was Judt historicus, het beroemdst om zijn Na de oorlog, evenzo was hij een polemisch essayist. Als een van de weinigen nam hij direct stelling tegen de Irak-oorlog en kwam hij enkele jaren geleden met het zinnige, maar uiterst controversiële voorstel om het Israëlisch-Palestijnse conflict te beslechten door beider partijen in een enkele staat te verenigen.

Iedereen die enigszins bekend is met Judts werk weet dat hij een hartstochtelijk voorvechter is van een herstel, of beter vernieuwing, van de sociaal-democratische waarden. Ook in dit werk roept hij op tot een hardnekkige verdediging van de naoorlogse verworvenheden. Het is een overbekende maar o zo belangrijke riedel: voor iedereen betaalbare gezondheidszorg en onderwijs, en een sociaal vangnet voor hen die het maatschappelijk niet kunnen bolwerken.

Ook hier schuwt hij de polemiek niet: Hayek, Thatcher en neoliberale consorten kunnen het krijgen: ‘Ik denk dat iedereen erbij gediend zou zijn als we (…) alle economen zouden vermoorden. De uitzonderingen zijn bekend, dus die kunnen we misschien gratie aanbieden.’

Wij, barbaren
Pessimistisch zijn Snyder en Judt – natuurlijk – als het gaat over het huidige kennisniveau en het gebruik van de geschiedenis. Wij zijn verworden tot Alessandro Baricco’s ‘barbaren’, die wat rondneuzen in het verleden en er, ongeacht plaats of context, uitpikken wat ons goeddunkt. We herdenken gebeurtenissen enkel nog in een vacuüm: ‘nooit meer München’, ‘nooit meer Hitler’. Maar geïsoleerd zijn dit onbegrijpelijke, enkel voor valse politieke retoriek nuttige leuzen.

Ze moeten allereerst begrepen worden in de twintigste eeuw, die hevige honderd jaar waarin zoveel draaide om ‘het uitvoeren, het uitleven van de negentiende-eeuwse manieren om te reageren op de industriële revolutie en de crisis van de massamaatschappij.’ De implicatie is duidelijk: nu alle negentiende-eeuwse ideeën zijn uitgeprobeerd, moeten we het goede zien te behouden en tevens op zoek te gaan naar nieuwe, kleine waarheden. De basis daarvoor ligt in het begrip van de twintigste eeuw, en dus in van inzicht doordrenkte boeken als deze.

Hans den Hartog Jager – Het sublieme. Het einde van de schoonheid en een nieuw begin

Hans den Hartog Jager – Het sublieme. Het einde van de schoonheid en een nieuw begin

The sublime is now

Oorspronkelijk verschenen 27-11-2011: http://www.8weekly.nl/artikel/9593/hans-den-hartog-jager-het-sublieme-het-einde-van-de-schoonheid-en-een-nieuw-begin-the-sublime-is-now.html

Urinoirs, kitschvarkens en concepten hebben de ‘MOMA’s’ ingenomen. Deze kunstwerken moeten worden gezien in een bijna eeuwlange kunsttraditie waarin schoonheid niet meer van belang werd geacht. Maar verandering is onderweg, zo betoogt Hans den Hartog Jager. Hij ziet in het afgelopen decennium een voorzichtige wederopstanding van de schoonheid.

Het sublieme staat bol van de over elkaar heen buitelende avant-gardes en manifesten vol ultieme antwoorden op eeuwige vragen. Wat de meesten gemeen hebben is een volstrekt onverschillige houding tegenover schoonheid. Eén anekdote zegt al veel: in 1963 vervaardigt conceptueel beeldhouwer Robert Morris een beeld, Litanies. Een houten kast, bekleed met lood en een sleutelbos eraan met woorden erop verwijzend naar Duchamp. Kunstverzamelaar Philip Johnson koopt het werk, maar betaalt het naar Morris’ smaak niet snel genoeg. Dus wat doet deze? Hij gaat naar de notaris en laat een ‘Statement of Aesthetic Withdrawal’ noteren.

Drie schoonheden
De schrandere Johnson kocht overigens ook het statement. Maar de crux is natuurlijk dat hier de kunstgeschiedenis is gevorderd tot op het punt waarop schoonheid puur een denkproduct is, door de conceptuele kunstenaar naar gelieve weg te nemen of toe te voegen. Den Hartog Jager besteedt een goed deel van zijn vloeiend geschreven essay aan een kunsthistorische beschrijving van de neergang van de schoonheid. Eerst hoe het klassieke schoonheidsideaal overging in het romantische ideaal en vervolgens hoe dit romantische ideaal plaats moest maken voor het onverschillige non-ideaal, maar desalniettemin nooit helemaal is verdwenen.

Het klassieke ideaal behelst het artistieke streven naar ‘hemelse’, absolute perfectie. Maar als gevolg van de voor iedereen beschikbare reproductietechnieken is dit als artistiek ideaal definitief gedateerd (hoewel niet per se ongeliefd): inmiddels heeft iedere photoshopper de hemel binnen bereik. Daarentegen zal het subjectieve ideaal van de romantici nooit verdwijnen, getuige haar bekende, naar de menselijke conditie verwijzende hoofddoel:

Het zoeken naar een vorm, een oplossing, voor het existentiële dilemma van de mens die door alles en iedereen was verlaten, zowel door God als zijn eigen geest.

Grenzen van de geest
Maar dat deze romantische kunstopvatting het moeilijk had blijkt bijvoorbeeld uit Barnett Newmans manifest The sublime is now: ‘De moderne kunst werd gedreven door het verlangen de schoonheid te vernietigen.’ Want schoonheid, zo zeiden vele kunstenaars (deels) terecht, dit ‘bourgeoisidee’, heeft de neiging af te leiden van diepere lagen en inzichten.

De meerwaarde van dit boek ligt in het feit dat Den Hartog Jager beschrijft én toont – het is rijkelijk bezaaid met mooie (!) en verrassende kunstafbeeldingen – dat sinds 9/11 de (romantische) schoonheid terug is. Hij zelf werd zich dit gewaar bij het zien van Olafur Eliassons ‘The Weather Project’, een gigantische zon hangend in de Turbine Hall van het Tate Modern. Dit werk is in staat de toeschouwer een overweldigende schoonheidservaring te bezorgen.

‘The Weather Project’ is sublieme kunst. En inderdaad maakt Eliassons zon zelfs in het klein afgebeeld grote indruk, enigszins vergelijkbaar met de eindscène in Von Triers Melancholia. Het combineert een overweldigende schoonheid met de opgeroepen angst bij de toeschouwer dat hij of zij het eigen bevattingsvermogen niet meer onder controle heeft. En precies dit ongemak herbergt de kracht van het sublieme. In deze specifieke schoonheidservaring, in dit aanschuren tegen de grenzen van de geest, wordt het denkvermogen niet afgesloten, maar worden integendeel onvermoede mogelijkheden ontsloten.

Het verhevene
Den Hartog Jager hoopt dat kunst, na de vele twintigste-eeuwse terzijdes, weer terug is op het enige domein waarop zij de alleenheerschappij heeft, namelijk de (romantische) subjectieve verbeelding van het verhevene. Hij ziet bijvoorbeeld Anish Kapoor – zie het verontrustende Descent into limbo (1992) – en Francis Alÿs als voorbeelden van andere actuele kunstenaars bezig met dit sublieme.

Aldus blijft zowel het romantische ideaal als de mogelijkheid van een zinnen- en geestprikkelende esthetische ervaring bestaan. Bovendien zijn moderne middelen zoals video’s, films en installaties uitstekend geschikt de toeschouwer te overweldigen en/of stap voor stap mee te nemen in grootse, suggestieve kunstwerken richting een ‘prachtig, sublieme eindsequentie’.

Roberto Bolaño (vert. Arie van der Wal) – Moordende hoeren

Optocht van de lachende en lijdende mensheid

Oorspronkelijk verschenen 11-11-2011: http://www.8weekly.nl/artikel/9547/roberto-bolano-vert-arie-van-der-wal-moordende-hoeren-optocht-van-de-lachende-en-lijdende-mensheid.html

Wederom een nieuwe Bolaño-vertaling, de schrijver rond wie sinds zijn dood in 2003 een gigantische mythevorming en een literaire hausse bestaat. De verhalenbundel Moordende hoeren bevestigt zijn meesterschap. De suggestie: dat de wereld verdoemd is – en dat er toch nog hoop is.

John Banville schreef vermoedelijk de mooiste, meest toepasselijke zin over Bolaño’s werk denkbaar: ‘One imagines a man strolling into the Valley of Death with his hands in his pockets, whistling.’ In de kolossus 2666 gaat dit letterlijk op – met natuurlijk Ciudad Juárez als ‘the Valley of Death’ –, terwijl in Moordende hoeren de dood een minder letterlijke, maar niet minder krachtige aanwezigheid op de achtergrond is.

Verdoemde werelden
De verdoemde wereld waarin Bolaño’s verhalen zich afspelen is de Chileense, of breder gezegd de Latijns-Amerikaanse wereld van de afgelopen veertig jaar. Dit is de droomloze Latijns-Amerikaanse wereld na de moord op Salvador Allende en de martelingen van Pinochet, Videla en collega’s. In de woorden van een typisch Bolaño-karakter:

Ik denk aan de dichters die zijn gestorven op de pijnbank, aan aids, aan een overdosis, aan allen die net als ik geloofden in het Latijns-Amerikaanse paradijs en stierven in de Latijns-Amerikaanse hel.

De werelden van Bolaño zijn droomloos, maar opmerkelijk genoeg zijn de personages uit zijn verhalen – onder wie ook hier weer de vaker bij Bolaño voorkomende Arturo Belano – dat nooit helemaal. Allemaal proberen ze door te gaan, vaak gedreven door een vast geloof in de kracht van literatuur.

Maar ze hangt niet op
Neem het verhaal ‘Vagebond in Frankrijk en België’ waarin B met tegenzin naar een natuurwetenschappelijk museum wordt gesleurd. Hij dwaalt door de zalen, komt terecht in een zaal waarin machines staan die ‘golven in materialen kunnen aanbrengen’. En plotseling dwingen plotselinge pijnscheuten in zijn borst hem neer te hurken:

B doet zijn ogen dicht maar kan nog steeds de silhouetten van de machines zien, even hardnekkig als de pijn in zijn borst, machines die misschien geen machines zijn maar onbegrijpelijke sculpturen, de optocht van de lijdende en lachende mensheid naar het niets.

De troosteloosheid en apocalyptische doem van het beeld is immens: door fysieke en geestelijke pijnen gekweld beseft B hoe de mens zich door eigen toedoen onvermijdelijk richting afgrond begeeft. Maar na de laatste geciteerde zin is er ogenschijnlijk niets meer aan de hand. Het verhaal ‘golft’ nog wat op en neer tussen afgrond en kalmte, waarna B een meisje – dat hij leuk vindt, natuurlijk – terugbelt. De laatste zinnen van zowel de stroef lopende conversatie als van het verhaal:

Dat had ik niet moeten zeggen. En hij denkt: M gaat ophangen. Hij klemt zijn tanden op elkaar, onwillekeurig vertrekt zijn gezicht in een grimas. Maar M hangt niet op.

Rauwheid
Sommige verhalen zijn heel filmisch, anderen juist heel rauw of bevreemdend op een andere manier. Zoals het verhaal over een eigenlijk heel sympathieke necrofiel (die in gesprek raakt met de geest van het lijk waarop hij net is klaargekomen).

In het titelverhaal wordt beschreven hoe een vrouw een man op tv ziet, gefascineerd raakt en naar hem op zoek gaat. Uiteindelijk vindt ze hem, neemt ze hem mee naar huis en tijdens de daaropvolgende seks profeteert zij haar moord op hem. Maar hij weet haar woorden niet van haar gekreun te onderscheiden en vlucht niet – waarna deze ‘harteloze prinses’ hem vastbindt en haar profetie nogmaals, en nu duidelijker, uitspreekt en zijn lot voltrekt.

Dit soort profetieën zijn in alle verhalen in Moordende hoeren te vinden, letterlijk zoals hier of anders wel door de lezer vermoed. Steeds houd je rekening met daden resulterend in de ‘tol van pijn of vervreemding die we uiteindelijk zouden betreuren’. In twee of drie verhalen lijkt Bolaño met zijn suggestieve, simpele taal helaas in trucjes te vervallen. Deze vormen slappe aftreksels van waartoe hij in staat is. Des te meer jammer, omdat ze wat afbreuk dreigen te doen aan de andere tien verhalen. Want die zijn allemaal verontrustend goed.