Richting de grote lemmingenconcatenatie

recensie: Margaret MacMillan (vert. Inge Kok en Peter Diderich) – 1914

(Oorspronkelijk verschenen 15-01-2014: http://www.8weekly.nl/artikel/11234/margaret-macmillan-vert-inge-kok-en-peter-diderich-1914-richting-de-grote-lemmingenconcatenatie.html)

De Eerste Wereldoorlog: zo catastrofaal, zo eeuwbepalend en zo stompzinnig. De blijvend intrigerende vraag: Hoe was het mogelijk?

Het historische clichébeeld over de totstandkoming van de Eerste Wereldoorlog ziet er ongeveer uit als volgt. Met behulp van Stefan Zweigs klassieke Die Welt von Gestern wordt gesuggereerd dat het wereldconflict uit het niets kwam, dat het een kneuzig diplomatiek bedrijfsongeval was. Zweig typeert de periode voor 1914 als ‘het gouden tijdperk’. Het verstand had gezegevierd en oorlog, geweld en radicaliteit waren letterlijk onvoorstelbaar geworden (op dit punt kan de historicus, zoals MacMillan, ervoor kiezen om een parallel te trekken met het zogenaamd ‘posthistorische’ heden). Het volgende beeld is dat van de Europese grootmachten die zich, vastgekluisterd als ze waren aan iets dat door moest gaan voor ‘staatsraison’, als een blind kluwen aan lemmingen de afgrond in storten.

Ketenmetafoor
Dit beeld biedt natuurlijk een schijnverklaring. Vraag blijft wáárom de Europese staten zich zo gedroegen. Deze vraag wordt door Margaret MacMillan (1943), de Canadese historica die eerder een geprezen boek over de Versailles-conferentie schreef, vertaald als: waarom deden de ministers, generaals, monarchen en diplomaten wat ze deden? Haar ruim 700 schone pagina’s tellende antwoord schept een totaal Europabeeld; 1914 is geen puur diplomatieke geschiedenis waarin de motieven van de actoren gestut worden met wat verwijzingen naar feiten en statistieken. Het weidse boek biedt inzicht in augustus 1914 door de totale context te laten zien. Voordat MacMillan toekomt aan de beschrijvingen van de elkaar steeds rapper opvolgende diplomatieke crises in Marokko en de Balkan, neemt ze alle ruimte voor de beschrijving van karakters, illustratieve gebeurtenissen en tendensen. Ze schrijft zeer elegant, en met een oog voor fijne details, citaten, anekdotes en parallellen geeft ze kleur en reliëf aan een op zichzelf wel bekende grote geschiedenis van Europa van 1890 tot 1914.

Zo toont ze inzichtrijk dat er noch een specifieke tendens was die de boventoon voerde, noch dat de schuld gemakkelijk bij één staat – Oostenrijk-Hongarije, Duitsland, Rusland? – gelegd kan worden:

Was hij [keizer Wilhelm II] de schuld van de Eerste Wereldoorlog? Was het Tirpitz? Grey? Von Moltke? Berchtold? Poncaré? Of was het niemands schuld? Zouden we niet veel eerder moeten kijken naar instituties of ideeën? Generale staven met teveel macht, absolutistische regeringen, sociaal darwinisme, de cultus van het offensief en van het nationalisme?

Uiteindelijk benadrukt ze de invloed van zowel instituties en cultuur als de beslissingen van de ‘grote mannen’.

Crisisje buitelen
Haar weldadige uitweidingen over de Europese cultuur tonen de vreemde tegenstellingen. Haaks op Zweigs ‘oorlog is irrationeel en primitief’ staat het ‘oorlog is onlosmakelijk deel van de menselijke natuur’. Tegenover de voortschrijdende ‘rationaliteit’, staat het vervaarlijke mengsel van sociaal-darwinisme, vernieuwingsdrang en nationalistische dan wel aristocratische ideeën over eer (dit laatste, zo ridderlijke concept van eer sneuvelde op zo’n armzalige, ‘onesthetische’ wijze in de gore oorlogspraktijk: ‘Drie man en een machinegeweer kunnen een bataljon helden tegenhouden.’).

Maar dat zijn dissonerende toekomstklanken. In het decennium vóór 1914 accelereerde gaandeweg de wapenwedloop en verdiepten de allianties zich. Meer en meer stonden Duitsland en Oostenrijk-Hongarije tegenover Engeland, Frankrijk en Rusland. De door MacMillan ingelegde mozaïek laat prachtig zien hoe gaandeweg dergelijke patronen insleten, allianties bestendigden en men zich almaar hardnekkiger vastklampte aan risicovolle mentaliteiten.

Aan de politiek-militaire toppen ontstond een gerationaliseerd complex van beelden en belangen die de kans op oorlog aanzienlijk deed toenemen. Het beste voorbeeld hiervan is de diplomatieke blufstrategie, die in de jaren vóór 1914 – jaren van toenemend crisisje duikelen 1905-1908-1911-1912-1913 – zeker voor Oostenrijk-Hongarije enkele malen goed had uitgepakt. MacMillan: ‘Maar wat doe je als ze je uitdagen om je bluf waar te maken?’

Onbehagen en zelfgenoegzaamheid
Een voor een werden de ketenen van de grote lemmingenconcatenatie vastgeklonken. Wel benadrukt MacMillan: een uitweg vinden werd moeilijker, maar zou ten allen tijde mogelijk blijven. Naast de mogelijkheid van een kentering als gevolg van een individuele beslissing, accentueert ze de rol van toeval en stipt ze ‘wat als’-momenten aan. Zo waren de personen die mogelijk een matigende invloed hadden kunnen uitoefenen – Stolypin, Cailleaux, Kiderlen, Raspoetin – meer of minder plotseling van het wereldtoneel verdwenen.

Vlak voor augustus 1914 is Europa ‘een merkwaardige mengeling van onbehagen en zelfgenoegzaamheid’. In een opvallende brief aan zijn vrouw schrijft de fatalistische Duitse Kanselier Bethmann Holweg:

Als we weer eens met de staart tussen de benen uit deze affaire opduiken (…) stap ik op. Maar voordat ik dat doe, zal ik een verzoek indienen om ons te ontdoen van het leger en ons onder Japans protectoraat te stellen, zodat we ongestoord geld kunnen verdienen en volkomen argeloos verder kunnen leven.

Dit soort eigenaardige mentaliteiten, de blufpolitiek en een aantal vergissingen en verkeerde inschattingen – sommigen bagatelliseerden de oorlog en geloofden werkelijk ‘voor de kerst weer thuis te zijn’ – leidden de wereldbrand in. En daarbij kwamen de grote motieven: Oostenrijk-Hongarije wilde per se Servië te grazen nemen, het lompe Duitsland wilde zich niet nog een keer op zijn nummer laten zetten, Groot-Brittannië was misschien te onduidelijk over haar te volgen koers: want had Duitsland Frankrijk ook aangevallen als ze zeker hadden geweten dat ze het dan tegen de Fransen, Russen én Britten hadden moeten opnemen?

Veelvuldig biedt MacMillan inzicht in situaties door een historische vergelijking te maken. De meest tot de verbeelding sprekende is een aan Barbara Tuchman ontleende anekdote over president Kennedy en de Cubacrisis: JFK weerstond de druk van zijn adviseurs om de Sovjet-Unie aan te vallen, mede doordat hij recent Tuchmans The Guns of August had gelezen, over de rommelige ontstaanswijze van de Eerste Wereldoorlog. Voilà: over hoe een historische klassieker een atoomoorlog voorkwam. Onwaarschijnlijk natuurlijk, maar wel juist: MacMillans weinig vernieuwende, maar fijn lezende 1914 zou eenzelfde effect kunnen hebben.

Zuur wil glans

recensie: Jonathan Franzen (vert. Nelleke van Maren en Barber van de Pol) – Het Kraus-project

(Oorspronkelijk verschenen 22-12-2013: http://www.8weekly.nl/artikel/11201/jonathan-franzen-vert-nelleke-van-maren-en-barber-van-de-pol-het-kraus-project-zuur-wil-glans.html)

Het Kraus-project is Jonathans Franzens hommage aan Karl Kraus, de Grote Hater: ‘Zuur wil glans, en roest zegt dat het alleen maar bijtend is.’

Het citaat pareert het gratuite verwijt van negativisme. En pareren is nodig, want het cultuurpessimisme smaakt ons niet; cultuurpessimisten serveren wij graag en direct af als azijnpissers die improductieve gevechten leveren met de een of andere onvermijdelijkheid. Maar het cultuurpessimisme van Karl Kraus (1874-1936) was niet enkel afbrekend, maar in zijn doorwrochtheid en satirische kracht juist zeer vruchtbaar. Hij haatte uit liefde; hij polemiseerde omdat hij de verregaande aantasting van zijn geliefde cultuur wilde tegengaan. Deze aantasting van taal en verbeeldingskracht zag hij als een ‘ontmenselijking’. Voor hem was de ontmenselijking niet een gevolg, maar juist de oorzaak van de Eerste Wereldoorlog. Dit perspectief zette hem aan tot zijn polemische kruisvaart. En de unieke, gestileerde én actuele wijze waarop hij zijn heilige strijd voerde, rechtvaardigt Franzens Het Kraus-project.

1:5
Een waarschuwing: Het Kraus-project is een rommelig boek. Jonathan Franzen, auteur van de nieuwste ‘Great American Novels’ De correcties en Vrijheid, vertaalde en becommentarieerde twee essays van Kraus. In het eerste essay, ‘Heine en de gevolgen’ (1910), kraakt Kraus de gezwollen Weense journalistiek. De oorzaken van het journalistieke falen voert hij terug op de romanticus Heinrich Heine, die de cultuurpagina beroemd maakte en de lichtheid in de Duitse literatuur introduceerde. En in ‘Nestroy en het nageslacht’ (1912) bespreekt Kraus de satiricus die hem voorkomt als Heines antithese: de Oostenrijkse theaterschrijver Johann Nestroy (1801-1862).

Daarnaast biedt het boek broodnodig, overvloedig commentaar op Kraus. Niet alleen van Franzen, maar ook van Kraus-kenners Paul Reitter en de bekende Weense schrijver Daniel Kehlmann. Verhouding Kraus en commentaar 1:5. Voor een deel ligt dit aan Kraus’ opzettelijk moeilijke stijl: ‘Ik wil dat de vrucht van mijn zwoegen is dat er met scherper oog wordt gelezen.’ En dus is een interpretenteam nodig om Kraus begrijpelijk te maken. En dan nog merkt Kehlmann sporadisch op: ‘Wie weet in godsnaam wat Karl Kraus hier bedoelt?’ De voetnoten worden verder gevuld met de parallellen die Franzen trekt tussen Wenen 1910 en Amerika 2013 trekt én zijn eigen ervaringen toen hij als 22-jarige aspirant-schrijver in Berlijn studeerde (en daar Kraus ontdekte). Dit is interessant voor Franzenfans – al is de bleue Jonathan soms wat ergerlijk. In ieder geval klopt Franzens persoonlijke tekst wat lucht in het boek.

Fonkelingen in de chaos
De lezer die de strijd aandurft wordt beloond: Kraus is zo scherp als mogelijk, en zijn tirades fonkelen zowel boven als onder de oppervlakte. Zijn polemiek richt zich vooraleerst op versuikerd en uitgehold taalgebruik. Maar voor Kraus zijn taal en ethiek nauw verbonden. Dit verklaart de causale relatie die hij ziet tussen de taalerosie en de catastrofe van 1914. Zo schrijft hij:

Lijfelijk aanwezig, geestelijk weerzinwekkend, perfect zoals hij is, hoopt deze tijd te worden ingehaald door komende tijden en dat de kinderen die verwekt zijn door de verweving van sport en machine en met krant zijn gevoed, dan nog beter kunnen lachen.

Franzen benadrukt: dergelijke citaten passen naadloos op onze tijd. Sowieso is Franzen steeds het kippetje dat inpikt om de actuele parallel te benadrukken, al is hij een veel suffiger en voorspelbaarder pessimist dan de immer schurende en verbazende Kraus. Maar of je bovenstaande citaten nu wel of niet op onze tijd betrekt – het kán wel –, huiveren zal je.

In hetzelfde huiveringwekkende verband past een van Kraus beroemde apocalyptische aforismen: ‘We waren ontwikkeld genoeg om machines te bouwen, maar te primitief om er voor te zorgen dat ze ons dienen.’ Dit is de ook nu nog geldige these; machine, technologie en puur utilitarisme komen op; taal, literatuur en ethiek gaan neer. Het gevolg hiervan is, bijt Kraus de lezer toe, dat het in zijn geestelijke vermogens aangetaste publiek niet in staat is zich te weren tegen de nationalistische krantenleugens die de Eerste Wereldoorlog inleidden. En een actueel gevolg hiervan, doceert Franzen, is bijvoorbeeld dat wij niet in staat zijn de huidige digitale technologie – van het dwangmatig Facebook checken tot de wereldwijde dataroaming van de spionagediensten – onder controle te houden.

Die Fackel
Wanneer Kraus ageerde tegen de woordenmishandeling, formuleerde hij in essentie ‘het verband tussen mishandelde woorden en mishandelde lichamen’. Zijn project kreeg vorm in Die Fackel, het door hemzelf uitgegeven en tussen 1911 en 1936 ook helemaal zelf volgeschreven (bijna-)wekelijkse tijdschrift. In Die Fackel bekritiseerde hij vaak de mix van esthetiek en de Weense ‘impressionistisch’ geworden journalistiek:

Een zanger terwijl ze alleen boodschapper moet zijn, rapporterend waar ze zou moeten zingen, het oog te veel op het doel gericht om te zien waar een kleur brandt, verblind voor haar doel uit vreugde om het schilderkunstige, vloek van de literaire utiliteit, geest van de utiliteratuur.

In deze stijl gaat hij door en door. De laakbare hybride van de ‘utiliteratuur’ voert hij terug op Heines erfenis:

Het meeste profijt heeft ze gehad van die Heinrich Heine, die de Duitse taal zo uit het keurslijf heeft bevrijd, dat iedere kantoorbediende aan haar borsten kan frunniken. Het afgrijselijke aan het schouwspel is het verwisselbare van deze talenten, die op elkaar lijken als rotte eieren.

Cultiveer uw taalgebruik
Kraus hanteert vaak dit soort satire. De populariteit van Heine is jeugdsentiment: ‘Je had mazelen, je had Heine, en je wordt warm bij de herinnering aan iedere koorts uit je jeugd.’ Verder bedoelt hij: of de journalistiek nu over een tramongeluk of een kroning rapporteert, ze beschrijft alles op dezelfde manier, hooguit na wat adjectievengehussel: ‘Alles past altijd op alles.’ Overgeheveld naar onze tijd treft deze kritiek de alomtegenwoordige meninkjes in de inwisselbare blogs en columns. (Even grappig als gruwzaam is dat ook de achterflap van Het Kraus-project een best staaltje hiervan toont: daar staat dat het ‘een geweldig, en zelfs zeer persoonlijk boek van de grootste schrijver van deze tijd’ is – even los van de goedkope superlatieven, maar het is alleszeggend dat ‘zeer persoonlijk’ boven ‘geweldig’ gaat.)

Als Franzen of ik dit zegt, klinkt het al snel vitterig. Maar bij Kraus is dit, mede dankzij zijn gecodeerde stijl, nooit het geval. Hij bijt en rafelt en blijft zo ver weg van standaarduitingen, dat zijn scherpzinnige kritiek levendig blijft, ook honderd jaar na dato. En sindsdien heeft de versuikerde middlebrow-cultuur – zeg maar: de ‘De Wereld Draait Door’-cultuur – enkel meer terrein op de hoogcultuur gewonnen. En al is de cultuur weerbaarder gebleken dan Kraus dacht, zijn waarschuwing blijft van belang: met de neergang van taal en verbeeldingskracht, vergruist onze verdediging tegen de veelvormige barbarij.

Overstroming Europa

Recensie van Florian Illies (vert. Jan Bert Kanon) – 1913. Eerder verschenen 07-03-2013: http://www.8weekly.nl/artikel/10570/florian-illies-vert-jan-bert-kanon-1913-overstroming-europa.html

De herdenkingszucht is alom. Zeker herdenkingswaardig is het jaar 1913. Dat jaar liep over van ‘Europa’, van kunst, café, neurose en vernieuwingsdrift.

Het idee van een 1913-boek mag voor de hand liggen, de uitvoering ervan is natuurlijk een tweede. In zijn soort is de uitwerking van Florian Illies echter nagenoeg perfect. Illies (1971) is onder meer voormalige eindredacteur cultuur bij de Frankfurter Allgemeine en schrijver van boeken als Generation Golf, over de onverschilligheid en consumptiedrift van zijn eigen generatie. Ook 1913 straalt uit dat vroeger alles beter was, of in ieder geval: heftiger, gelaagder, poëtischer. Het is dat op 1913 1914 volgde, anders zou de lezer zonder aarzelen tekenen voor een Midnight in Paris-truc.

Berlijn, Parijs, Wenen, München (New York)
Even opgewekt als onnavolgbaar raust Illies door het door hem in maanden onderverdeelde jaar. Hij doet alle culturele en een paar politieke groten aan, vertelt anekdotes en grossiert in speelse heen-en-weerverwijzingen. Zo ontrolt hij een panorama van dé Europese cultuur, dat zich vooral afspeelt in de culturele hoofdsteden Berlijn, Parijs, Wenen en München (en aanstormend New York, met in 1913 de kunsttentoonstelling de Armory Show). De lezer wordt door Illies overladen met een (haast) ontstellende vloed aan kunstenaars, grootse culturele gebeurtenissen, baanbrekende werken, apocalyptiek, cafés, parken en promenades, neuroses, lyriek, psychoanalytische duidingen en grote liefdes.

Hoe recenseer je een overstroming? Volgens mij zo: bepalen hoe krachtig deze is en benoemen wat er zoal meegesleurd werd. Aldus: iedere maand krijgt van Illies een korte inleiding. Een voorbeeld van een deel van zijn introductie op de julimaand:

Alma Mahler vlucht naar Marienbad omdat Oskar Kokoschka huwelijksaangifte heeft gedaan. Hij troost zichzelf en zet het met Georg Trakl op een zuipen. Het blijft maar regenen. Iedereen wordt half krankzinnig in zijn hotelkamer. Maar toch: Matisse brengt Picasso een bos bloemen.

Liefde, neurose
De toon van dit citaat is kenmerkend. Tevens omvat het enkele van Illies’ hoofdthema’s. Zoals de grootse en verdoemde liefdes tussen Alma Mahler en Kokoschka, tussen Gottfried Benn en Elske Lasker-Schüler, Kafka en Felice Bauer, Georg Trakl en zijn zus Grete. Alle kunstenaars zijn of worden verliefd, maar bijna allemaal lijden ze ook aan neuroses – en de verregende zomer helpt niet in de bestrijding daarvan. Illies noteert ergens: ‘Lijden aan de moderne tijd: “Neurasthenie waarbij ook het hart een rol speelt”.’ Zelfs de in 1913 vijftienjarige Brecht heeft een zenuwkwaal. Overigens is zijn reactie daarop dezelfde als die van de meeste volwassenen: schrijven!

De nu genoemde namen verraden al: voor de Wereldoorlogen overheerste de Duitse cultuur. Denk enkel aan de Duitse expressionisten van Kirchner tot Marc, aan Mann (twee keer), Musil, Rilke, Jünger, Schnitzler, Freud, Jung en Schönberg. Andere voorbeelden van Illies’ onderwerpen: zowel Hitler als Stalin, die elkaar verbazingwekkend genoeg nooit ontmoetten, wandelden in januari 1913 bijna dagelijks door het park bij het Weense Slot Schönbrunn – zouden ze elkaar hebben opgemerkt? Of de voorbeelden die geschikt zijn om de ondefinieerbare Europese cultuur te definiëren: Stravinsky laat zijn Le sacre du printemps een nieuw begin inluiden, Ludwig Meidners visionaire Apocalyptische landschappen kondigen juist de komende catastrofe aan. Malevitsj jaagt de burger op de kast door met een pollepel in zijn knoopsgat door hartje Moskou te flaneren en Duchamp eindigt het jaar met wellicht de grootste aller provocaties: de eerste ready-made: Fietswiel op kruk.

Het volmaakte effect
Illies gebruikt sommige kunstenaars of gebeurtenissen als rode draden: Rilke met zijn vele vrouwen, de tot gekmakens toe piekerende Kafka, de Mona Lisa die nog steeds niet teruggevonden is. Nu kan dit al snel smakeloos worden, een geheel aan trucjes dat je na twintig pagina’s wel gezien hebt. Maar het knappe van dit boek is dat het geen moment verzandt in voorspelbaarheid of flauwiteiten. Het blijft verrassend, vol intrigerende of grappige anekdotes en opmerkelijke feiten en overeenkomsten.

Dit lukt Illies door zijn stijl en zijn fijnzinnige keuzes, maar vooral door zijn grote gevoel voor dosering. Hij weegt zijn woorden uiterst nauwkeurig. Bovendien past hij ervoor op niet te veel te citeren, en wanneer hij dat doet dan zijn het vaak niet al te bekende, altijd prachtige zinnen en gedichten. Aldus blijkt de overstroming ingedamd, en juist dat maakt de overvloed genietbaar. En zo sorteert Illies met 1913 het volmaakte effect: tegelijkertijd voedt het de lezer én houdt het hem hongerig.

H. C. ten Berge – De stok van Schopenhauer

Recensie van: H. C. ten Berge – De stok van Schopenhauer

Oorspronkelijk verschenen 23-10-2012: http://www.8weekly.nl/artikel/10286/h-c-ten-berge-de-stok-van-schopenhauer-een-fascinerend-tableau.html

Een fascinerend tableau

De stok van Schopenhauer is zo’n beetje alles wat een boek kan zijn, van opwindend tot grotesk, van informatief en ontroerend tot stomweg saai. Het begeeft zich ergens tussen een literair experiment en een historische roman en weet in al zijn aspecten te fascineren.

Johannes (Hans) Cornelis ten Berge (1938), winnaar van alle grote Nederlandse oeuvreprijzen in de letteren, voert als fictieve verteller Sweder van Anholt op. Deze melancholieke man schrijft vanuit de stille Achterhoek, rond 1930, achtereenvolgens twee in elkaar grijpende verhalen over mensen die wel bestaan hebben. Dat er een verteller is, verleent het boek het aura van een roman. Maar dit aura wordt dan weer doorkruist doordat Sweder alles beschrijft in een documentairetrant, veel gebruikmakend van parafrases van historische figuren en inclusief foto’s. Het geheel vormt een ‘tableau van observaties en signalementen, van anekdotische vertellingen en kleine studies’.

Boemelen
Deel van dit tableau zijn korte (auto)biografische stukken over Sweder zelf. Deze worden, decennia later, aangevuld door zijn kleinzoon Detlev. Vervolgens vult deze ook weer enkele tientallen pagina’s met episodes uit zijn eigen leven. De Van Anholt-biografieën leveren ontroerende passages op. Maar centraal staan anderen. In het eerste relaas Franziska Gräfin zu Reventlow (Fanny), die alles en iedereen doet duizelen, niet in de laatste plaats de lezer. Deel twee centreert zich rondom de joods-Duits dichter-filosoof Theodor Lessing. 

Afgezien van Fanny en Lessing wemelt het boek van de bekende Duitse schrijvers van rond 1890-1930, van Oskar Panizza tot Thomas Mann. De voornaamste plaats van handeling rond het fin de siècle is dan ook de Münchense uitgaanswijk Schwabing:

Het district waar alles gebeurt, waar kunst en letteren bloeien, waar weldenkendheid  aan waanzin grenst, en genie en charlatan elkaar in de cafés ontmoeten.

Het klinkt als een middelpunt van het universum – en mid-mid leeft Fanny:

Ze is een acrobate in de liefde, een koorddanseres in het leven, een ‘dolle gravin’ in de ogen van het publiek. Dat zij tegelijkertijd het leven ernstig neemt, ziekten en depressies te boven komt, en haar situatie zowel stijlvol als helder weet te beschrijven, pleit voor het formaat van haar persoonlijkheid.

Ze adoreert haar zoon Rolf, koosnaam ‘Bubi’, is verzot op wielrennen(!), boemelen en het geestelijk-erotisch bedoelde ‘vliegen’. Alle kunstenaars vereren haar, ze schrijft romans, grappen voor het satirische weekblad Simplissimus en parodieën op de ‘Kosmogoniërs’. Deze laatste aanduiding refereert aan het door Sweder uitputtend beschreven verbond van prefascistische dichters rondom Stefan George. Naast George, die zichzelf graag zag als dichter-geestelijke van het toekomstige ‘Neue Reich’, maken lieden als Alfred Schuler en Ludwig Klages hiervan deel uit. Klages is de (tijdelijke) zielsverwant van zowel Fanny als Lessing.  

Waanmarsum
Deze ‘Kosmiker’, reactionaire romantici borrelend van ideeën over het ‘Al-Ene’, doen niet alleen grotesk aan: ze zijn het. De geestige Fanny doopt hun Schwabing ‘Waanmarsum’. Tegelijkertijd schrijft Sweder (oftewel: Ten Berge) gevoelsmatig eindeloos over de kosmogoniërs, zoals hij in het tweede deel maar door blijft akkeren over de beruchte Duitse lustmoordenaar Haarmann. Dit vormen (ogenschijnlijk) ondergeschikte verhaallijnen die al na tien pagina’s vooral saai worden.

Dus terwijl sommige verhaaldelen sprankelen, zowel dankzij het onderwerp als Ten Berges oorspronkelijke taalgebruik, glijdt het boek bij wijlen af in een tergende saaiheid. Maar, en dit is de vreemdheid ten top, Sweder/Ten Berge weet hiervan! Zie de passage waarin Sabine, een vriendin van Sweder, met hem in discussie gaat over zijn manuscript:

‘Boeiend, boeiend. Soms ook droog en vermoeiend. Zou je een paar scènes niet navranter of dramatischer kunnen maken?’
‘Kan ik wel, maar wil ik niet.’
‘Na gut, het is maar een suggestie. Houd er rekening mee dat een mild gestemde lezer je werk “een interessante mislukking” zou kunnen noemen.’
‘Hangt de vlag er zo treurig bij?’
‘Na ja, ik zou zo denken dat er hier en daar wat aan mankeert.’     
‘Maakt niks uit. Ik denk er niet over ook maar een snipper te publiceren.’
‘Het is van alles iets en van alles niets.’       

Meer dan Sabine raakt de lezer in verwarring: want inmiddels is wel degelijke iedere ‘snipper’ van het boek gepubliceerd! Bovendien, als Sweder/Ten Berge de langdradige saaiheid erkent en laat staan, wat is daar dan de bedoeling van?

Fanny sterft in 1918, domweg uitgeput na een razend leven. Zo maakt ze plaats voor het al even intrigerende verhaal over Lessing, die in het bezit is van de stok van Schopenhauer (nog meer raadsels, want wat is er met die stok?). Evenals Fanny is Lessing aanvankelijk hartstochtelijk bevriend met Ludwig Klages. Als gymnasiast vormen Lessing en Klages onafscheidelijke ‘Zeuskinderen’. Een breuk volgt als Lessing zich richt op ‘de geest’ en de blijvend branievolle Klages zich daarvan afwendt. Lessing zal dienen als proefkonijn van de nazi’s. Hij is de eerste joodse professor die (in 1925-26) vakkundig monddood wordt gemaakt, om enkele jaren later, in 1933, daadwerkelijk te worden vermoord. 

Kunstenaars en bierhallen
De lezer overziet de verhalen en zoekt verwoed naar coherentie. Een deel van die gezochte samenhang zit in de suggestieve wijze waarop Sweder het verlangen, de collectieve roes en de mislukking van de Duitse artistiek-reactionaire idealen combineert met de afgrond van het nazisme. Lessings Hannover is de stad van de aankomende aartsconservatieve rijkspresident Hindenburg, die baan maakte voor Adolf Hitler, die weer vruchtbare grond vond in het kosmogonische München, stad van kunstenaars én bierhallen.

Zo parafraseert Sweder een schrijfster die Haarmanns lustmoorden aanduidt als symbool van de zielsvernietiging, als ‘de laatste macabere penseelstreek die het beeld van het toenmalige, naoorlogse Duitsland voltooide’ – te associëren met Michael Hanekes film Das Weisse Band. Andere interpretaties, evenals de finale gebeurtenissen in de roman, moeten aan iedere lezer zelf worden overgelaten. Aan hem of haar, welgemeend: veel plezier én succes.

Erik Menkveld – Het grote zwijgen

Erik Menkveld – Het grote zwijgen

Een bekende ode

Oorspronkelijk verschenen 11-06-2011: http://www.8weekly.nl/artikel/9244/erik-menkveld-het-grote-zwijgen-een-bekende-ode.html

De eerste roman van veelzijdig letterenman Erik Menkveld (1959), vooral bekend als dichter, is in zijn onderwerp een verrassende. Hij beschrijft een op historische feiten gebaseerd verhaal over ware kunst en liefde rond twee Nederlandse componisten anno 1910-1917.

Deze twee in hun tijd beroemde componisten heten Alfons Diepenbrock en Matthijs Vermeulen. Het zijn ware kunstenaars, geroepen om de natuurlijke eeuwigheidsklanken in muzikale vorm om te zetten: gelijk aan hetgeen Nietzsche beschrijft in het gedicht Im grossen Schweigen (dat door Diepenbrock op muziek is gezet). Dit ideaal krijgt een aardse weerslag in hun strijd om de programmering van het Amsterdamse Concertgebouw, waar de nog beroemdere Willem Mengelberg de baton zwaait.

Een bildungsroman
De eerste 150 bladzijden vormen een soort getrapte bildungsroman. De lezer volgt de ontwikkeling van de hoofdpersonages, die zich allen verhouden tot hun leermeester, die op zijn beurt zich weer tot een eigen leermeester verhoudt. Van (heel) klein naar (heel) groot: Vermeulens leerling Petrus – Vermeulen zelf – Diepenbrock – Mahler. Hierdoor treedt het probleem op dat er nergens gelijkwaardige karakters met elkaar in aanraking komen, waardoor het verhaal lang bloedeloos blijft.

Dit verandert enigszins wanneer Vermeulen zijn leermeester Diepenbrock begint te evenaren. Ook in hun vriendschap blijven beiden in de eerste plaats kunstenaars, compromisloos wanneer het de kunst betreft. Een passage waarin Vermeulen door Diepenbrocks vrouw Elsa wordt opgevangen:

‘Gaat u al?’
‘Uw man heeft zojuist onze vriendschap verbroken.’
‘Grote goedheid!’ Ze loopt naar de kapstok en reikt hem zijn mantel aan. ‘Waarom dat zo ineens?’
‘Ik had kritiek op Nietzsche.’

Twee liefdes
Die vriendschap trekt overigens weer bij. Uit het gezin-Diepenbrock komen ook de twee grote liefdesverhalen van Het grote zwijgen voort, waarvan een de affaire is van Diepenbrock met Jo, een van zijn voormalige leerlingen. Wat de kunstmonologen soms nog weten te verbloemen, wordt in deze liefdespassages al te zeer duidelijk: Menkvelds zinnen bevatten weinig nieuws. Het is vaak wel waar wat hij zegt, en ook zijn stijl is prima, soms ook mooi, maar er gebeurt lange tijd niets dat de gemiddelde lezer zal verbazen of intrigeren.

Bovendien irriteren al te zichtbare schrijverstrucjes. Doordat het verhaal steeds twee jaar in de tijd springt, zijn belangrijke tussentijdse gebeurtenissen de lezer onbekend. Verschillende keren laat Menkveld de uiteenzetting van die gebeurtenis dan vooraankondigen middels een terloopse toespeling. Neem bij dit alles een cliché als ‘vrienden moeten elkaar toch de waarheid zeggen’ en het oordeel lijkt duidelijk.

Maar toch bezit deze roman mooie kanten: als het verhaal halverwege eindelijk wat op gang komt volgt bijvoorbeeld een tweede – hier niet te verklappen – verrassend liefdesverhaal. Het boek krijgt ook de benodigde extra dynamiek door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Het stelt de kunstenaars voor de grote vraag: is kunst niet futiel vergeleken met zoiets gruwelijks? In de termen van de kunstenaar wordt dit gruwelijks als volgt verwoord:

In dit ontheiligde, allesoverheersende hier en nu is het firmament niet langer ondoorgrondelijk, is het licht een reeks getallen, is alles plat, feitelijk, causaal en zinloos.

Niets nieuws, wel iets groots
Diepenbrocks wereldbeeld valt hierdoor uiteen en hij valt stil. Daarentegen neemt de jongere Vermeulen, die tijdelijk als oorlogsverslaggever aan het front werkte, de beroemde oproep van Debussy wel ter harte: ‘Over de muziek, die stilte breken moet die zal volgen op het knallen van de laatste granaten.’ Wat kan de mens anders dan hiermee instemmen?

Het grote zwijgen is bij tijden een ode aan de muziek. Hoe belangrijk ook, in deze vorm bevat het boek niets nieuws. Anderzijds doet het wel iets groots: de twee hoofdpersonages, Diepenbrock en vooral Vermeulen, zeker voor Nederlandse standaarden twee bijzondere figuren, worden aan een buiten muziekkringen bestaande vergetelheid onttrokken. Dat neemt niet weg dat het gevoel resteert dat Menkveld meer uit dit originele onderwerp had kunnen halen.